Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:5288

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
17-05-2018
Datum publicatie
26-07-2018
Zaaknummer
96/069785-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Beslissing op klacht tot inhouden van rijbewijs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

Parketnummer: 96/069785-18

RK: 18/2570

Beslissing op de klacht over het inhouden van het rijbewijs van:

[klager] ,

geboren op [geboortedag] 1984 te [geboorteplaats] ,

[adres] .

De rechtbank heeft het hierna over “klager” en daarmee bedoelt zij [klager].

1 Inleiding

Klager wordt verdacht van (als zogenoemd beginnend bestuurder) rijden onder invloed. Hij heeft volgens de politie op 1 april 2018 (om 01.08 uur) in Uithoorn (Koningin Maximalaan) autogereden terwijl hij had gedronken. In het proces-verbaal (verslag van de politie) staat dat iemand heeft gezien dat klager ter hoogte van de rotonde bij de kruising met de Faunalaan in plaats van de bocht voor de rotonde te nemen, rechtdoor is gereden en vervolgens frontaal een lantaarnpaal heeft geraakt. In het proces-verbaal staat verder dat klager heeft moeten blazen en dat de uitslag van de blaastest 575 µg/l1 was. De rechtbank merkt op dat dit overeenkomt met een alcoholpromillage van 1,32 promille. Klager is een zogenoemd beginnend bestuurder (hij heeft zijn rijbewijs op 21 augustus 2013 gekregen). De maximaal toegestane hoeveelheid alcohol is 88 µg/l oftewel een promillage van 0,2. In het algemeen geldt dat bij volwassenen het drinken binnen een uur van 1 tot 3 alcoholische consumpties (bier, wijn, aperitief, of sterke drank) uit een standaardglas 0,5 ‰ oplevert. Klager heeft tegen de politie verklaard dat hij de controle over zijn auto is verloren tijdens het maken van een bocht vermoedelijk omdat er olie op de weg lag.

De politie heeft naar aanleiding hiervan op 1 april 2018 het rijbewijs van klager ingevorderd en naar de officier van justitie gestuurd.

De officier van justitie heeft binnen 10 dagen na de dag van de invordering, op 11 april 2018, beslist het rijbewijs zes maanden in te houden en dat klager zijn rijbewijs op 28 september 2018 kan terugkrijgen.

Klager heeft zijn schriftelijke klacht op 20 april 2018 bij de griffie van deze rechtbank ingediend.

De rechtbank heeft op 17 mei 2018 klager en de officier van justitie tijdens een openbare raadkamerzitting gehoord.

De strafzaak tegen klager wordt op 27 juni 2018 op een zogenoemde OM-zitting behandeld.

De rechtbank beoordeelt in deze procedure of klager zijn rijbewijs in afwachting van die zitting (voorlopig) terug mag. De rechtbank moet beoordelen of de invordering en de inhouding rechtmatig zijn. De rechtbank kijkt of sprake is van gevaar voor herhalingen zij maakt een inschatting voor welke periode klager, mocht hij worden veroordeeld of mocht een strafbeschikking aan hem worden uitgevaardigd, een ontzegging van de rijbevoegd zal worden opgelegd. Als er ernstig rekening mee gehouden moet worden dat geen onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen zal worden opgelegd, dan wel geen onvoorwaardelijke ontzegging van langere duur dan de tijd gedurende die het rijbewijs is ingehouden geweest, moet het rijbewijs worden teruggegeven.

Het gaat het niet om de vraag of klager inderdaad schuldig is aan het rijden onder invloed en zo ja welke straf hij zou moeten krijgen, dat komt op 27 juni 2018 aan de orde.

2 De klacht

De klacht houdt in dat de officier van justitie het rijbewijs van klager niet aan hem wil teruggeven.

Klager stelt in zijn klaagschrift zijn rijbewijs dringend nodig te hebben voor zijn werk.

3 Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft in raadkamer gezegd dat wat haar betreft klager zijn rijbewijs nog niet zou moeten terugkrijgen. Hij heeft dat als volgt toegelicht. Klager heeft onder invloed van drank autogereden. Het inhouden van het rijbewijs is nodig in verband met de verkeersveiligheid. Het belang van klager weer te mogen autorijden weegt minder zwaar dan dit algemene belang. Het Openbaar Ministerie legt bij een adem/alcoholgehalte tussen 575 - 650 μg/l door middel van een strafbeschikking een ontzegging van de rijbevoegdheid van zes maanden (en een geldboete van 750 euro) als sprake is van het veroorzaken van schade) op.

4 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank verklaart de klacht gegrond. Zij is van oordeel dat de officier van justitie het rijbewijs moet teruggeven en zal uitleggen waarom.

Klager, die zoals gezegd een beginnend bestuurder is, wordt ervan verdacht dat hij heeft autogereden met drank op terwijl het alcoholgehalte van zijn adem hoger was dan 575 µg/l was. In de wet2 staat dat in dat geval de politie het rijbewijs moet invorderen en dat de officier van justitie het rijbewijs onder zich mag houden. De Hoge Raad3 heeft hierover gezegd dat in zo’n geval sprake is van een wettelijk vermoeden van gevaar voor recidive (herhaling) en dat de officier van justitie daarom bevoegd is het rijbewijs onder zich te houden. Dit geldt volgens de Hoge Raad niet als sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor toch niet gezegd kan worden dat ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid van herhaling. Het geldt evenmin als er dringende redenen zijn om van het inhouden van het rijbewijs af te zien. Ook in dat geval moet de officier van justitie het rijbewijs teruggeven.

De rechtbank maakt ook een inschatting van welke straf klager zal worden opgelegd als hij wordt veroordeeld. Als er ernstig rekening mee gehouden moet worden dat klager in de strafzaak een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid krijgt opgelegd maar die ontzegging niet langer duurt dan de tijd die klager zijn rijbewijs nu is kwijt geweest, zal de rechtbank de officier van justitie opdragen het rijbewijs terug te geven. De rechtbank kijkt hierbij naar de Richtlijn voor strafvordering rijden onder invloed van alcohol en/of drugs en rijden tijdens een rijverbod van het Openbaar Ministerie4 en de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS)5. Oriëntatiepunten geven de straf weer die rechters in de regel voor een bepaald strafbaar opleggen.

Zowel in de richtlijn van het Openbaar Ministerie als in de LOVS-oriëntatiepunten staat dat bij een ademalcoholgehalte tussen 571 – 650 µg/l, geldt dat normaal gesproken naast een geldboete een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor een periode van zes maanden wordt opgelegd.

De rechtbank acht de inhouding van het rijbewijs op grond van artikel 164 lid 4 WVW 1994 rechtmatig, omdat het vermoeden bestaat dat het alcoholgehalte van de adem van klager hoger was dan 350 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht en niet is gebleken dat de officier van justitie niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik heeft gemaakt.

De rechtbank is van oordeel dat ondanks de ernst van het feit waarvan klager wordt verdacht en de richtlijn van het Openbaar Ministerie en de oriëntatiepunten van het LOVS, er – gelet op de persoonlijke omstandigheden van klager zoals in zijn klaagschrift beschreven en in raadkamer naar voren gebracht – ernstig rekening worden moet gehouden met de mogelijkheid dat aan klager een onvoorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen zal worden opgelegd, korter dan de tijd die het rijbewijs ingevorderd en ingehouden zal zijn geweest.

Het beklag dient dan ook gegrond te worden verklaard.

Dit laat onverlet de mogelijkheid voor het Openbaar Ministerie of de strafrechter om later alsnog een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid op te leggen die de duur van inhouding overtreft.

6 De beslissing

De rechtbank verklaart het beklag gegrond en gelast de teruggave van het rijbewijs aan klager.

Deze beslissing is gegeven door

mr. P.B. Martens, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. M. Cordia, griffier,

en in het openbaar uitgesproken op 17 mei 2018.

Klager kan tegen deze beslissing in beroep (cassatie) bij de Hoge Raad.

Het beroep kan worden ingesteld bij de griffie van deze rechtbank.

Het beroep moet binnen veertien dagen na betekening van deze beschikking worden ingesteld.

1 Dit is de meeteenheid waarin de uitgeademde hoeveelheid alcohol wordt uitgedrukt: µg/l staat voor microgram alcohol per uitgeademde liter lucht.

2 Artikel 164 van de Wegenverkeerswet 1994 luidt: 1. Op de eerste vordering van de in artikel 159, onderdelen a en b, bedoelde personen is de bestuurder van een motorrijtuig, tegen wie door een van die personen proces-verbaal wordt opgemaakt ter zake van overtreding van een bij of krachtens deze wet vastgesteld voorschrift, verplicht tot overgifte van het hem afgegeven rijbewijs dan wel het hem door het daartoe bevoegde gezag buiten Nederland afgegeven rijbewijs en, indien hem daar een internationaal rijbewijs is afgegeven, dat bewijs. 2. De in het eerste lid bedoelde vordering wordt gedaan in geval van overtreding van: a. artikel 8, indien bij een onderzoek als bedoeld in het tweede lid, van die bepaling blijkt of, bij ontbreken van een dergelijk onderzoek, een ernstig vermoeden bestaat dat het alcoholgehalte van de adem van de bestuurder hoger is dan 570 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht, onderscheidenlijk het alcoholgehalte van het bloed van de bestuurder hoger blijkt te zijn dan 1,3 milligram alcohol per milliliter bloed; b. artikel 8, indien bij een onderzoek als bedoeld in het derde of vierde lid, aanhef en onderdeel b, juncto het derde lid, van die bepaling blijkt of, bij het ontbreken van een dergelijk onderzoek, een ernstig vermoeden bestaat dat het alcoholgehalte van de adem van de bestuurder hoger is dan 350 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht, onderscheidenlijk het alcoholgehalte van het bloed van de bestuurder hoger blijkt te zijn dan 0,8 milligram alcohol per milliliter bloed; 4. De ingevorderde bewijzen worden tegelijk met het proces-verbaal onverwijld opgezonden aan de officier van justitie. In de gevallen bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, b, d, of e, of indien op grond van andere feiten of omstandigheden ernstig rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat de bestuurder opnieuw een feit als bedoeld in het tweede of derde lid zal begaan, is de officier van justitie bevoegd de ingevorderde bewijzen onder zich te houden totdat de strafbeschikking onherroepelijk is geworden, de rechterlijke uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan of, indien bij die strafbeschikking of uitspraak de bestuurder de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen onvoorwaardelijk is ontzegd, tot het tijdstip waarop de ontzegging is verstreken.

3 Hoge Raad 11 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:538 – NJ 2014/375 m.nt. B.F. Keulen

4 Stcrt. 2018, 13543

5 Zie: https://www.rechtspraak.nl/Voor-advocaten-en-juristen/Reglementen-procedures-en-formulieren/Strafrecht/Paginas/Orientatiepunten-voor-straftoemeting.aspx