Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:5285

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
19-07-2018
Datum publicatie
26-07-2018
Zaaknummer
13/706681-16 (A), 13/707192-14 (B) en 13/689276-17 (C)
Rechtsgebieden
Materieel strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zijn ex-vriendin gedurende ruim acht maanden gestalkt. Daarnaast heeft hij haar bedreigd, een ruit vernield en haar mishandeld. Hij krijgt hiervoor opgelegd een taakstraf voor 180 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM


VONNIS

Parketnummers: 13/706681-16 (A), 13/707192-14 (B) en 13/689276-17 (C)

Datum uitspraak: 19 juli 2018

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1975,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 5 juli 2018.

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A, zaak B en zaak C aangeduid.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de standpunten en de vordering van de officier van justitie, mr. S.M. Hoogerheide, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. A.B.E. van Kan, naar voren hebben gebracht.

Tevens was aanwezig de benadeelde partij, [benadeelde partij] , met haar raadsman, mr. C.J. Nierop.

2 Tenlastelegging

Verdachte wordt er – kort gezegd – van beschuldigd dat hij:

Zaak A

in de periode van 1 juni 2014 tot en met 31 december 2014 in Amsterdam [benadeelde partij] heeft gestalkt door haar te bellen en/of e-mails toe te zenden en/of berichten op haar voicemail in te spreken;

Zaak B

  1. op 6 december 2014 in Amsterdam [benadeelde partij] heeft bedreigd met verkrachting door een voicemailbericht in te spreken met de tekst “I’m gonna rape you in your ass”;

  2. in de periode van 14 tot en met 15 juni 2014 in Amsterdam [benadeelde partij] heeft mishandeld door haar aan de haren te trekken;

  3. in de periode van 14 tot en met 15 juni 2014 in Amsterdam de schuifpui en/of een ruit/raam van [benadeelde partij] heeft vernield door hiertegen te schoppen en/of te trappen.

Zaak C

in de periode van 28 maart 2016 tot en met 4 juni 2016 in Amsterdam [benadeelde partij] heeft gestalkt door haar (voornamelijk in de nachtelijke uren) met een anoniem telefoonnummer te bellen.

De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die achter dit vonnis is gevoegd.

3 Waardering van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat alle ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.

Ten aanzien van zaak A baseert de officier van justitie zich op de verklaring van verdachte ter terechtzitting dat hij veel contact heeft gezocht met [benadeelde partij] (hierna: aangeefster), de historische gegevens van zijn telefoon en de vele e-mailberichten in het dossier. Ten aanzien van zaak B baseert zij zich op de verklaringen van aangeefster en van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] . De officier van justitie meent dat het ingesproken voicemailbericht, gelet op de context en de geschiedenis tussen aangeefster en verdachte, als een bedreiging met verkrachting kan worden opgevat. Ten aanzien van zaak C merkt de officier van justitie op dat de ten laste gelegde periode moet worden beperkt, nu verdachte paspoortstempels heeft laten zien die zouden aangeven dat hij van 30 maart 2016 tot en met 26 mei 2016 op Curaçao was.

3.2

Het standpunt van de raadsman van verdachte

De raadsman van verdachte heeft zich ten aanzien van het bewijs in zaak A gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Hij heeft wel verzocht rekening te houden met de omstandigheid dat er sprake was van een problematische relatie tussen aangeefster en verdachte, dat er in de ten laste gelegde periode nog contact is geweest over spullen van verdachte en over een auto, en dat zij elkaar nog amicaal troffen op een Halloweenfeest in november 2014.

Ten aanzien van zaak B heeft de raadsman van verdachte integrale vrijspraak verzocht. Er was geen sprake van een bedreiging, maar van het debiteren van een seksuele fantasie met een kinky ondertoon. Verder is er te veel twijfel over de vraag of er nu wel of niet aan de haren van aangeefster is getrokken. Daarnaast had verdachte geen opzet op de vernieling van de ruit. Dit ging per ongeluk.

Ten aanzien van zaak C heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, Wel merkt hij op dat er over een deel van de periode vrijspraak dient te volgen en dat het aantal keer dat gebeld zou zijn mee valt.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank gaat op basis van het dossier en de behandeling op de terechtzitting van 5 juli 2018 uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Zaak A

Aangeefster heeft op 10 juli 2014 aangifte gedaan tegen haar ex-partner, verdachte. Zij heeft onder meer verklaard dat zij in oktober 2013 de relatie met hem definitief heeft beëindigd en hem vanaf december 2013 niet meer wilde spreken. Ze verklaart dat hij vanaf dat moment nog veel contact met haar probeerde te zoeken. Op 13 juni 2014 begon verdachte aangeefster veel te bellen. Dit ging de hele avond en ochtend door. Nadat aangeefster na 13 juni 2014 zijn nummer had geblokkeerd, werd zij gebeld door een anoniem telefoonnummer. Aangeefster werd na de nacht van 13 juni 2014 veelvuldig door verdachte gebeld, minimaal 8 keer per dag tot maximaal 24 keer per dag. Aangeefster nam de telefoon een aantal keren op en herkende de stem van verdachte. Het klonk alsof hij dronken was. Ook sprak hij haar voicemail in en ontving zij e-mailberichten. Dit verschilde van 3 e-mailberichten per dag tot 10 e-mailberichten per dag. Aangeefster heeft verklaard meermalen kenbaar te hebben gemaakt dat zij geen contact met verdachte wil en dat zij bang is dat er iets met haar gebeurt.

Op 23 augustus 2014 heeft aangeefster wederom aangifte gedaan. Zij heeft verklaard dat zij nog steeds door verdachte wordt gestalkt en dat hij haar elke dag meermalen belt, meestal in de nachtelijke uren. Als hij belt is hij meestal dronken. Hij belt altijd anoniem omdat zij verdachte heeft geblokkeerd. Aangeefster herkent hem aan zijn stem. Daarnaast spreekt hij haar voicemail in en stuurt hij haar e-mailberichten. Aangeefster heeft verklaard dat ze geen leven meer heeft. Ze is bang dat verdachte haar of haar kinderen iets aandoet.

Uit de historische gegevens van de telefoons van verdachte en aangeefster over de periode van 1 december 2013 tot 1 december 2014 blijkt dat verdachte aangeefster 535 keer heeft gebeld en dat hij 678 keer haar voicemail heeft ingesproken. Opvallend is dat de voicemailberichten tot aan november 2014 relatief kort zijn, namelijk korter dan een minuut. Vanaf ongeveer 2 november 2014 zijn er in verhouding meer voicemailberichten en duren deze langer, namelijk vijf minuten.

Verdachte heeft op de zitting verklaard dat de relatie met aangeefster in juni 2014 werd verbroken en dat voor hem een moeilijke periode volgde. Hij erkent dat hij vaak contact heeft opgenomen met aangeefster en dat hij daarin te ver is gegaan, maar stelt dat het voor hem vooral een manier was om contact te houden, mede omdat hij nog spullen van aangeefster kreeg. Ook zou aangeefster contact met hem hebben gezocht.

De rechtbank stelt voorop dat bij de beoordeling of sprake is van belaging als bedoeld in artikel 285b, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr), oftewel stalking, verschillende factoren van belang zijn: de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven van het slachtoffer. In deze zaak heeft verdachte op verschillende manieren geprobeerd om contact met aangeefster te krijgen. Hoewel aangeefster een aantal keer heeft aangegeven dat zij geen contact met verdachte wenste, is verdachte haar blijven benaderen door haar e-mailberichten te sturen, te bellen en haar voicemail in te spreken. Verdachte ontkent dit ook niet. Hij zocht gedurende ruim een half jaar op intensieve wijze, dag en nacht haar aandacht. De rechtbank is van oordeel dat verdachte hiermee inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster. Gelet op de aard en hoeveelheid van de e-mails, telefoontjes en voicemailberichten is de stelselmatigheid van die inbreuk gegeven. De rechtbank acht daarmee bewezen dat verdachte zich in de periode van 1 juni 2014 tot en met 31 december 2014 schuldig heeft gemaakt aan belaging van aangeefster.

Zaak B

Bedreiging met verkrachting (feit 1)
Op 6 december 2014 om 20.56 uur heeft aangeefster een voicemailbericht ontvangen waarin verdachte zegt: “I’m gonna rape you in your ass”. Op de zitting heeft verdachte verklaard dat hij dit niet had moeten zeggen, maar dat hij zich niet kan voorstellen dat aangeefster dit echt als bedreigend heeft ervaren. Hij had immers ook andere seksueel getinte berichten gestuurd.

De rechtbank is van oordeel dat bij aangeefster in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat zij door verdachte zou worden verkracht. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat aangeefster die avond meerdere voicemailberichten van verdachte heeft ontvangen waarin hij onder meer zegt dat hij bij haar voor de deur staat. Bovendien heeft aangeefster dit voicemailbericht ontvangen in een periode waarin zij al ruime tijd door verdachte werd gestalkt en daarvan al meermalen aangifte had gedaan. Gelet op deze context is de tekst “I’m gonna rape you in your ass” naar het oordeel van de rechtbank evident bedreigend en heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan bedreiging met verkrachting.

De rechtbank stelt vast dat sprake is van samenloop van de zojuist bewezen verklaarde bedreiging en de eerder bewezen verklaarde belaging die heeft plaatsgevonden vanaf 14 juni 2014 tot en met 31 december 2014. De rechtbank zal daar in de strafmaat rekening mee houden.

Mishandeling en vernieling (feiten 2 en 3)
Op 18 juni 2014 doet aangeefster aangifte. Zij verklaart dat zij op 14 juni 2014 een telefoontje van haar zoon ontving die zei dat verdachte in huis was. Dit vond zij vreemd, want ze wist niet dat verdachte sleutels van haar huis had. Aangeefster heeft toen haar buurvrouw [getuige 1] gebeld en die is naar de woning gegaan. Thuis aangekomen zag aangeefster dat verdachte met getuige [getuige 1] in de tuin zat. Verdachte was dronken en boos en wilde niet weggaan. Aangeefster vroeg haar sleutels terug, maar verdachte gaf haar diverse sleutels die niet pasten. Hierop ontstond in de woning een verhitte discussie waarbij aangeefster zag en voelde dat verdachte haar haar vastgreep en hieraan trok. Aangeefster gooide de sleutels in de tuin in de hoop dat verdachte deze zou gaan halen. Hij liep inderdaad naar de tuin waarop aangeefster de tuindeur dicht deed. Verdachte schopte vervolgens tegen het glas van de deur waarna het glas brak. Kort hierna is de politie gekomen.

De verbalisanten die ter plaatse komen, zien dat het dubbel glas van de schuifpui stuk was en dat de vloer vol lag met glassplinters. Ook zien zij een sleutelbos in de tuin liggen. [getuige 1] heeft het verhaal van aangeefster voor wat betreft het trekken aan de haren en trappen tegen de deur bevestigd toen zij op 25 augustus 2014 werd gehoord en op 19 april 2017 toen zij als getuige bij de rechter-commissaris werd gehoord.

Verdachte heeft op de zitting verklaard dat hij niet aan de haren van aangeefster heeft getrokken. Over de gebroken ruit heeft hij verklaard dat, toen hij zag dat de schuifpui dicht werd getrokken, hij begon te rennen omdat hij niet buitengesloten wilde worden. Al rennend kwam hij met zijn knie tegen de schuifpui. De ruit was toen nog aan het trillen, omdat aangeefster de schuifpui met een klap had dichtgegooid. Hierdoor is de ruit vermoedelijk gebroken.

Gelet op de verklaringen van aangeefster en [getuige 1] is de rechtbank van oordeel dat verdachte aangeefster heeft mishandeld door haar bij haar haren te grijpen en vervolgens aan dat haar te trekken. Ook is de rechtbank van oordeel dat verdachte de ruit van de schuifpui heeft vernield. De verbalisanten hebben waargenomen dat de ruit stuk was en aangeefster en [getuige 1] verklaren beiden dat het verdachte is geweest die de ruit heeft vernield door er tegenaan te trappen. De rechtbank gaat ervan uit dat verdachte dit opzettelijk heeft gedaan, temeer nu [getuige 1] bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat verdachte het zeker expres deed.

Zaak C

Op 7 juni 2017 doet aangeefster wederom aangifte van stalking. Ze weet bijna zeker dat het verdachte is, maar kan dit niet met zekerheid zeggen omdat er wordt gebeld met een onbekend nummer. Op 28 maart 2016 is zij twee keer gebeld en sindsdien is het stalken weer begonnen. De telefoontjes beginnen rond 20.00 uur en eindigen rond 05.00 uur.

Uit de historische gegevens van de telefoon van aangeefster blijkt dat er in de periode van 22 mei 2016 tot en met 29 juni 2016 26 keer contact is geweest met het telefoonnummer [nummer] . Dit telefoonnummer straalt zendmasten aan in de onmiddellijke omgeving van het verblijfadres van verdachte.

Op de zitting heeft verdachte bekend dat hij in die periode het telefoonnummer [nummer] in gebruik had, dat hij in maart 2016 aangeefster twee keer heeft gebeld en dat hij toen hij op 26 mei 2016 terugkwam van Curaçao aangeefster weer is gaan bellen om haar te irriteren. Verdachte heeft op de zitting stempels in zijn paspoort laten zien waaruit blijkt dat hij van 30 maart 2016 tot en met 26 mei 2016 op Curaçao is geweest.

Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat verdachte aangeefster op 28 maart 2016 heeft gebeld en in de periode van 29 mei 2016 tot en met 4 juni 2016. Dit is weliswaar een korte periode, maar vanwege de achtergrond van de stalking in 2014 en de intensiteit waarmee verdachte in die korte periode telefonisch contact heeft gezocht met aangeefster, is naar het oordeel van de rechtbank bewezen dat verdachte (opnieuw) stelselmatig inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster heeft gemaakt. Hij heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan belaging.

3.4

Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:

Zaak A

in de periode van 1 juni 2014 tot en met 31 december 2014 in Nederland wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [benadeelde partij] , met het oogmerk die [benadeelde partij] te dwingen iets te doen, te dulden en vrees aan te jagen, immers heeft hij, verdachte, meermalen

- voornoemde [benadeelde partij] opgebeld en e-mails toegezonden en
- berichten ingesproken op de voicemail van voornoemde [benadeelde partij] .

Zaak B

Feit 1

op 6 december 2014 te Amsterdam, [benadeelde partij] heeft bedreigd met verkrachting, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [benadeelde partij] dreigend de woorden toegevoegd middels het inspreken van een voicemail-bericht: "I'm gonna rape you in your ass";

Feit 2

in de periode van 14 juni 2014 tot en met 15 juni 2014 te Amsterdam opzettelijk mishandelend [benadeelde partij] eenmaal met kracht bij het hoofdhaar heeft gegrepen en vervolgens aan dat haar heeft getrokken, waardoor voornoemde [benadeelde partij] pijn heeft ondervonden;

Feit 3

in de periode van 14 juni 2014 tot en met 15 juni 2014 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk en wederrechtelijk een ruit toebehorende aan [benadeelde partij] heeft vernield door eenmaal met kracht tegen voornoemde ruit te trappen.

Zaak C

hij op 28 maart 2016 en in de periode van 29 maart 2016 tot en met 4 juni 2016 in Nederland wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [benadeelde partij] met het oogmerk voornoemde [benadeelde partij] te dwingen iets te dulden en vrees aan te jagen, immers heeft hij, verdachte, voornoemde [benadeelde partij] voornamelijk in de nachtelijke uren vele malen (met een anoniem telefoonnummer) gebeld.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

4 De strafbaarheid van de feiten en van de verdachte


Het bewezen verklaarde zijn strafbare feiten en verdachte is daarvoor ook strafbaar.

5 Motivering van de straf

5.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van tweehonderd uren. Daarnaast vordert zij een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier maanden met een proeftijd van twee jaren met hieraan gekoppeld de bijzondere voorwaarde van een gedurende de proeftijd geldend contactverbod met aangeefster en haar gezin.

5.2

Het standpunt van de raadsman van verdachte

De raadsman van verdachte heeft gelet op de oudheid van de zaken, de overschrijding van de redelijke termijn, de omstandigheid dat zowel verdachte als aangeefster zich schuldig hebben gemaakt aan laakbare gedragingen en het feit dat verdachte heeft meegewerkt aan behandeling, een taakstraf van tachtig uren verzocht met daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden met een proeftijd van twee jaren.

5.3

Het oordeel van de rechtbank

Ernst van de feiten
Verdachte heeft aangeefster in 2014 zeven maanden intensief belaagd. Ondanks dat aangeefster aan verdachte kenbaar heeft gemaakt dat zij geen contact met hem wilde, heeft hij haar meermalen gebeld, e-mailberichten gestuurd en haar voicemail ingesproken. Zij werd ’s nachts gebeld maar ook op haar werk gebeld en kon hierdoor geen normaal leven leiden. Uit de slachtofferverklaring die aangeefster op de zitting heeft voorgelezen, blijkt dat zij in die periode angstig was en bang was dat er iets met haar of haar kinderen zou gebeuren. Die angst werd versterkt doordat aangeefster in die periode door verdachte is mishandeld en doordat hij bij haar thuis een ruit heeft vernield. Bovendien heeft verdachte aangeefster via een voicemailbericht bedreigd met verkrachting, in een context waarin hij ook aangaf dat hij bij het huis van aangeefster was.

De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij in 2016 opnieuw is begonnen met het belagen van aangeefster. Dit is weliswaar een korte periode geweest, maar heeft er wel voor gezorgd dat aangeefster de angstige gevoelens die zij overhield aan de periode in 2014 opnieuw heeft moeten ervaren. Het bracht slechte herinneringen bij haar naar boven.

Ook heeft verdachte op de zitting verklaard dat hij een dag voor zitting contact heeft gehad met de buurvrouw van aangeefster. De rechtbank acht het zorgelijk dat verdachte op deze manier weer in het leven van aangeefster komt en het kwalijke hiervan niet lijkt in te zien.

Persoonlijke omstandigheden
De rechtbank heeft acht geslagen op het reclasseringsrapport van SVG reclassering Limburg Mondriaan van 27 februari 2018. Hieruit volgt onder meer dat het recidiverisico als laag kan worden ingeschat. Verdachte is een hernieuwd behandeltraject aangegaan ter verbetering van de risicofactoren op het gebied van emotieregulatie en het hiermee gepaard gaande risico op alcoholmisbruik. De behandeling verloopt positief. Er zijn al geruime tijd geen bijzonderheden te vermelden omtrent zijn persoon. Verdachte komt afspraken binnen de schorsing van de preventieve hechtenis met bijzondere voorwaarden consequent na en heeft een modus gevonden waarbinnen hij goed functioneert. De reclassering adviseert daarom een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen zonder bijzondere voorwaarden. De inschatting is dat van een eventueel dreigende gevangenisstraf een afschrikwekkend effect zal uitgaan.

Verdachte heeft op de zitting verklaard dat het goed met hem gaat en dat hij nu anders omgaat met bepaalde zaken dan in het verleden. Hij beseft dat alcohol een trigger voor hem is. Ook heeft hij verklaard dat hij momenteel deelneemt aan een ambulant behandeltraject bij Forensisch ambulante zorg Radix en dat dit traject goed verloopt.

Strafblad
Uit het strafblad van verdachte van 7 juni 2018 blijkt dat verdachte op 16 juli 2013 een voorwaardelijk sepot inzake belaging opgelegd heeft gekregen. Voor het overige heeft hij geen relevante documentatie.

Overschrijding redelijke termijn
De rechtbank heeft in het voordeel van verdachte de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM in aanmerking genomen. Als uitgangspunt geldt dat binnen een termijn van twee jaar na aanvang van de redelijke termijn vonnis moet worden gewezen. In deze zaak gaat de rechtbank uit van de datum waarop verdachte voor het eerst als verdachte is verhoord, te weten 13 december 2014, als het moment dat de redelijke termijn is aangevangen. Zaak B is op 14 oktober 2016 bij de politierechter geweest, maar is toen aangehouden. Op 13 januari 2017 zijn zaak B en zaak C wederom bij de politierechter behandeld, maar toen verwezen naar een zitting van de meervoudige strafkamer. Vervolgens hebben op 19 april 2017 verhoren bij de rechter-commissaris plaatsgevonden waarna de zaken op 5 juli 2018 op zitting zijn behandeld.

Tussen de data van de verhoren en de data waarop de zaken inhoudelijk op zitting zijn behandeld, ligt een periode van 43 maanden. Dit betekent dat de redelijke termijn met 19 maanden is overschreden. Deze overschrijding is niet te wijten aan enig handelen van verdachte.

De straf
De rechtbank acht, alles afwegende, rekening houdend met de samenloop in beginsel een taakstraf voor de duur van 200 uren met een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier maanden passend en geboden, maar zal deze, gelet op het tijdsverloop en de geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn, matigen. Met inachtneming van de overige genoemde omstandigheden acht de rechtbank het passend dat verdachte een onvoorwaardelijke taakstraf van 180 uren opgelegd krijgt met een vervangende hechtenis van 90 dagen. De rechtbank zal daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden opleggen met een proeftijd van 2 jaren. Deze voorwaardelijke straf kan dienen als stimulans om geen contact met aangeefster te zoeken. De rechtbank acht een bijzondere voorwaarde in de vorm van een contactverbod met aangeefster en haar gezin ook passend en geboden.

6 De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

De benadeelde partij [benadeelde partij] heeft € 500,00 (vijfhonderd euro) aan materiële schadevergoeding en € 6.000,00 (zesduizend euro) aan immateriële schadevergoeding gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente. De materiële schade ziet op schade aan de muur en parketvloer en het vervangen van de sloten. Daarnaast vordert de benadeelde partij € 120,07 (honderdtwintig euro en zeven cent) aan reis- en verletkosten.

De vordering is op de zitting betwist. De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat er geen vernieling van de parketvloer ten laste is gelegd. Het vervangen van de sloten is geen schade die rechtstreeks samenhangt met een van de delicten. De benadeelde partij moet daarom ten aanzien van de materiële schadevergoeding niet-ontvankelijk in haar vordering worden verklaard. De vordering tot immateriële schadevergoeding is een naar civiel recht niet-onderbouwde vordering die naar civiele maatstaven dan ook niet voor toewijzing vatbaar is.

De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij ten aanzien van de materiële schadevergoeding tot een bedrag van € 500,00 niet-ontvankelijk is , omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd en het nader onderbouwen een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren. De benadeelde partij kan haar vordering desgewenst bij de burgerlijke rechter aanbrengen. Het bedrag van € 83,31 dat ziet op de reis- en verletkosten voor het doen van aangifte en verhoren in het kader van de strafzaak komen als materiële schade voor vergoeding in aanmerking.

Ten aanzien van de immateriële schadevergoeding overweegt de rechtbank dat op grond van wat de benadeelde partij heeft aangevoerd, de impact die de belaging en de andere strafbare feiten op haar hebben gehad en de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, een immateriële schadevergoeding van € 2.000,00 billijk is, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd, te weten 1 juni 2014.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken, tot op heden begroot op € 36,76 (zesendertig euro en zesenzeventig cent), zijnde de reis- en verletkosten de aangeefster heeft gemaakt in het kader van de zitting.

De schadevergoedingsmaatregel
In het belang van [benadeelde partij] wordt, als extra waarborg voor betaling van het schadevergoedingsbedrag van € 2.083,31 aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

7 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57, 285b, 300 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

8 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 3.4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Zaak A

belaging;

Zaak B

  • -

    feit 1: bedreiging met verkrachting;

  • -

    feit 2: mishandeling;

  • -

    feit 3: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen;

Zaak C

belaging.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van 180 (honderdtachtig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 90 (negentig) dagen.

Veroordeelt verdachte daarnaast tot een gevangenisstraf van 3 (drie) maanden.

Beveelt dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet aan de volgende algemene voorwaarden houdt.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

  1. zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

  2. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.

De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast indien veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarde niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde:

1. gedurende de proeftijd van 2 (twee) jaren geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [benadeelde partij], geboren op [geboortedatum slachtoffer] in [geboorteplaats slachtoffer] , en haar gezin, wonende op het adres [adres slachtoffer] .

Wijst toe de vordering van [benadeelde partij] tot € 2.083,31 (tweeduizend drieëntachtig euro en eenendertig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (te weten 1 juni 2014) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op € 36,76 (zesendertig euro en zesenzeventig cent).

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij] aan de Staat

€ 2.083,31 (tweeduizend drieëntachtig euro en eenendertig cent) te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 30 (dertig) dagen. De toepassing van die hechtenis heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. R.C.J. Hamming, voorzitter,
mrs. C.P.E. Meewisse en M.C.M. Hamer, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. D. Spaan, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 19 juli 2018.

De oudste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.