Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:5276

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
25-07-2018
Datum publicatie
25-07-2018
Zaaknummer
AMS 17/6070
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) hoeft niet al haar documenten over de vondst van Aziatische tijgermuggen in Veenendaal volledig openbaar te maken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 17/6070

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 juli 2018 in de zaak tussen

Platform Stop invasieve exoten, te Amsterdam, eiser

(vertegenwoordiger: W.F.E. Reinhold)

en

Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA), verweerder

(gemachtigde: mr. D.H.P. Fiktorie-Smits).

Procesverloop

Bij besluit van 4 april 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder geweigerd zes documenten openbaar te maken en 27 documenten gedeeltelijk openbaar gemaakt naar aanleiding van het verzoek van eiser in het kader van de Wet openbaarheid bestuur (Wob).

Bij besluit van 4 september 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft de stukken waarvan openbaarmaking (deels) is geweigerd overgelegd met een beroep op artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en tevens een verweerschrift ingediend. Eiser heeft de rechtbank toestemming verleend om kennis te nemen van de niet openbaar gemaakte documenten als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 april 2018.

Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Namens verweerder is ook verschenen mr. M.G.A de Jong.

Overwegingen

1. Namens eiser heeft [naam bestuurslid] , enig bestuurslid van eiser, bij brief van 27 september 2016 verzocht om openbaarmaking van alle documenten (inclusief e-mails) die bij het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en bij de onder haar verantwoordelijkheid werkzame organisaties (waaronder NVWA, CMV en RIVM) aanwezig zijn met betrekking tot de vondsten, de uitvoering van de monitoring, de vangstgegevens, de bestrijding, het overleg met de gemeente en het onderzoek naar de herkomst inzake de tijgermuggen in Veenendaal.

2. Verweerder heeft 43 documenten aangetroffen die nog niet openbaar zijn. Bij het primaire besluit heeft verweerder geweigerd om zes daarvan openbaar te maken; 27 documenten worden gedeeltelijk openbaar gemaakt en tien worden volledig openbaar gemaakt. Verweerder heeft zich bij dit besluit beroepen op artikel 10, tweede lid, aanhef en onder e van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) (persoonlijke levenssfeer) en op artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob (onevenredige bevoordeling of benadeling).

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard. Verweerder heeft die beslissing als volgt toegelicht.

De stukken waarvan openbaarmaking is geweigerd (stukken 2, 7, 8, 18, 19 en 28.3) betreffen satellietfoto’s met daarop gebiedsgrenzen, vindplaatsen en buffers. Omdat het hier om een klein gebied gaat, is het gemakkelijk te herleiden tot individuele adressen. Bewoners kunnen door media worden geconfronteerd met vragen over tijgermuggen. Openbaarmaking van deze stukken wordt in hun geheel geweigerd, omdat het niet mogelijk is om foto’s onleesbaar te maken.

In documenten 2, 5, 6, 7, 8, 13 tot en met 21, 23 tot en met 28, 28.3 tot en met 39 staan gegevens die de persoonlijke levenssfeer betreffen. Die gegevens zijn onleesbaar gemaakt.

Meer specifiek heeft verweerder uiteengezet dat in documenten 14 en 35 namen staan van bedrijven; openbaarmaking zou deze bedrijven kunnen schaden (reputatie/financiële schade).

Verweerder is van mening dat deze documenten geen milieu-informatie bevatten. De overige stukken bevatten namen van natuurlijke personen, adressen, huisnummers, e-mailadressen en X- en Y-coördinaten. Deze zijn alle onleesbaar gemaakt ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer.

4. Eiser bestrijdt dat de markeringen van de vindplaatsen op de satellietfoto’s direct zijn te herleiden tot individuele adressen. Als dit wel het geval is dan had verweerder de vindplaatsen ook kunnen vervagen zodat de markering meerdere woonadressen bestrijkt. De op de satellietfoto’s aangegeven gebiedsgrenzen en buffers betreffen een groter gebied dan de markering van een vindplaats en van inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van specifieke bewoners kan dan geen sprake zijn.

Eiser heeft met betrekking tot de onleesbaar gemaakte passages aangevoerd dat niet de hele passages onleesbaar gemaakt had hoeven worden. Verweerder had kunnen volstaan met het onleesbaar maken van het laatste deel van de X- en Y-coördinaten en het laatste deel van een huisnummer zodat de passages niet herleidbaar zijn tot individuele woonadressen.

Document 14 bevat de naam van een [naam bedrijf] . Volgens eiser bevat dit document milieu-informatie in de zin van artikel 19.1a, eerste lid onder a van de Wet Milieubeheer. Verweerder had daarom niet met een beroep op artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob openbaarmaking mogen weigeren.

5. Eiser heeft op zitting de gronden ten aanzien van de documenten 23 en 35 ingetrokken. Document 28 is door verweerder op de zitting alsnog overgelegd.

Wettelijk kader

6. In artikel 10, eerste, tweede en zesde lid van de Wob is onder meer het volgende bepaald.

Het verstrekken van informatie ingevolge deze wet blijft achterwege voor zover dit:

a. de eenheid van de Kroon in gevaar zou kunnen brengen;

b. de veiligheid van de Staat zou kunnen schaden;

c. bedrijfs- en fabricagegegevens betreft, die door natuurlijke personen of rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn meegedeeld;

d. persoonsgegevens betreft als bedoeld in paragraaf 2 van hoofdstuk 2 van de Wet bescherming persoonsgegevens, tenzij de verstrekking kennelijk geen inbreuk op de persoonlijke levenssfeer maakt.

Het verstrekken van informatie ingevolge deze wet blijft eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen onder meer de volgende belangen:

e. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer;

g. het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden.

Het tweede lid, aanhef en onder g, is niet van toepassing op het verstrekken van milieu-informatie.

7. In artikel 19.1a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet Milieubeheer wordt het volgende bepaald.

In dit hoofdstuk en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder milieu-informatie: alle informatie, neergelegd in documenten, over:

a. de toestand van elementen van het milieu, zoals lucht en atmosfeer, water, bodem, land, landschap en natuurgebieden met inbegrip van vochtige biotopen, kust- en zeegebieden, biologische diversiteit en haar componenten, met inbegrip van genetisch gemodificeerde organismen, en de interactie tussen deze elementen.

Oordeel van de rechtbank

8. Verweerder is ter zitting teruggekomen op het bestreden besluit in die zin dat document 28 alsnog openbaar is gemaakt. Verweerder is daarmee deels tegemoet gekomen aan het beroep van eiser. Dat betekent dat het beroep van eiser gegrond is. Verweerder dient het griffierecht aan eiser te vergoeden.

Is er sprake van milieu-informatie?

9. De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of document 14 milieu-informatie bevat en daarom niet met een beroep op onevenredige voor- of benadeling had mogen worden geweigerd.

9.1

Document 14 is een nota, inhoudende de derde voortgangsrapportage over de bestrijding van exotische muggen en heeft als ondertitel “stand van zaken bestrijdingen bestaande locaties”. In de nota staat het volgende vermeld:

“ [naam bedrijf]

Bij het bedrijf (rechtbank: de naam is onleesbaar gemaakt) zijn 2 tijgermuggen aangetroffen, moet nog moleculair bevestigd worden. (…)

Een onderzoek op het bedrijf of de maatregelen naar behoren zijn uitgevoerd moet nog plaats vinden.

De vondst moet nog gemeld worden.”

9.2

Eiser is van mening dat niet de import van [naam bedrijf] hier centraal staat, maar de import, aanwezigheid en verspreiding van tijgermuggen. Omdat de tijgermug een risico vormt voor de gezondheid, is sprake van milieu-informatie. De aanwezigheid van tijgermuggen valt onder de definitie van biodiversiteit en haar componenten uit artikel 19.1a van de Wet Milieubeheer (Wm) en betreft daarom milieu-informatie.

9.3

Biodiversiteit is een veelomvattend begrip dat verwijst naar alle verscheidenheid aan leven binnen soorten, tussen soorten en tussen de ecosystemen waartoe ze behoren. De tijgermug valt daarmee onder het begrip biodiversiteit. De vraag is nu of de aanwezigheid van twee tijgermuggen, die nog moleculair moeten worden bevestigd, iets zegt over de toestand van de biodiversiteit in Veenendaal. Maakt de aanwezigheid van deze twee aangetroffen tijgermuggen dat er iets is veranderd in de toestand van de biodiversiteit en zegt dit dus iets over de toestand van het milieu, zodat hier gesproken kan worden van milieu-informatie?

9.4

Verweerder heeft hier meer uitleg over gegeven op de zitting. Volgens verweerder hebben enkele tijgermuggen geen invloed op de biodiversiteit. Zij vormen nog geen populatie. De Aziatische tijgermug kan in principe knokkelkoorts overbrengen en wordt daarom bestreden. Alleen een tijgermug die al met het virus is besmet en naar Nederland overkomt, kan iemand besmetten. Deze kans is echter zeer klein. Een tijgermug leeft kort. Hij vliegt niet meer dan 300m en moet op zijn weg meerdere mensen steken om een probleem te laten ontstaan.

9.5

De visie van verweerder wordt bevestigd in het verslag van het schriftelijk overleg inzake het Preventief Gezondheidsbeleid van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 21 oktober 2013. Hierin antwoordt de minister op vragen van leden van de PvdA-fractie naar aanleiding van de brief van de minister over het beleid op invasieve exotische muggen (Kamerstuk 32 793, nr.96) het volgende: “Ten eerste wil ik benadrukken dat de Aziatische tijgermuggen niet gevestigd zijn in Nederland, en dat wij aangetroffen muggen (…) altijd bestrijden, waardoor de kans dat mensen door een Aziatische tijgermug worden gestoken in Nederland erg klein is. Een steek van een Aziatische tijgermug is op zichzelf ongevaarlijk. De kans dat een geïmporteerde mug besmet is met een virus is zeer klein, waarmee de kans dat mensen gestoken worden en vervolgens ook (een) ziekte ontwikkelen nihil is.”

9.6

De rechtbank overweegt dat het in dit geval gaat om twee tijgermuggen die nog moleculair moeten worden bevestigd. Of die bevestiging ziet op de vraag of het hier daadwerkelijk om tijgermuggen ging of op de vraag of die tijgermuggen met een virus waren besmet is onduidelijk. Duidelijk is wel dat de twee betreffende tijgermuggen meteen worden bestreden. Ook kan de rechtbank verweerder volgen in het standpunt dat twee tijgermuggen nog geen (gevestigde) populatie vormen. Onder die omstandigheden en in het licht van wat onder 9.5 is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat document 14 geen informatie bevat over de toestand van de biodiversiteit in Veenendaal. De enkele aanwezigheid van twee tijgermuggen die nog moleculair moeten worden bevestigd en meteen worden bestreden, geeft geen aanleiding te veronderstellen dat er een verandering in de biodiversiteit is opgetreden en zegt daarmee niets over de toestand van de biodiversiteit in Veenendaal. De rechtbank concludeert dan ook dat het zesde lid van artikel 10 van de Wob hier niet van toepassing kan zijn.

Belangenafweging

9.7

Vervolgens dient een belangenafweging plaats te vinden. De rechtbank kijkt daarbij naar de volgende omstandigheden. Het hier gaat om twee tijgermuggen, die nog moleculair moeten worden bevestigd, er heeft nog geen onderzoek plaats gevonden op het bedrijf naar de vraag of de maatregelen naar behoren zijn uitgevoerd en de vondst nog moet worden gemeld. Dit betekent dat nog een hoop onduidelijk is. Onder deze omstandigheden moet het belang van het bedrijf bij het voorkomen van benadeling of reputatieschade voorgaan boven het belang van openbaarmaking van de naam van dit bedrijf. De weigeringsgrond van artikel 10, tweede lid, onder g van de Wob houdt in dit geval stand.

Weegt het belang van individuele inwoners van Veenendaal zwaarder dan het belang van openbaarmaking van de overige documenten?

10.1

Het besluit van verweerder om de overige documenten te weigeren dan wel gedeeltelijk openbaar te maken vindt zijn grondslag in artikel 10, eerste lid, onder e van de Wob (persoonlijke levenssfeer).

10.2

De rechtbank is, na bestudering van de stukken, van oordeel dat volledige openbaarmaking van al deze documenten de persoonlijke levenssfeer van diverse natuurlijke personen, inwoners van Veenendaal, zou aantasten. De kans dat deze mensen door de media worden benaderd of dat de media de vindplaatsen zal bezoeken of in beeld brengen, is niet ondenkbeeldig. Bovendien bestaat de kans dat mensen de vondst van een tijgermug niet meer melden bij de overheid, als zij weten dat hun persoonlijke gegevens openbaar worden gemaakt. Deze persoonlijke belangen en het belang van het melden van vondsten van tijgermuggen, zodat deze kunnen worden bestreden ten behoeve van de volksgezondheid, wegen zwaarder dan het belang van openbaarmaking.

Toch openbaar maken zonder aantasting van de persoonlijke levenssfeer?

10.3

Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank voldoende uiteengezet dat het niet mogelijk is om satellietfoto’s te vervagen of delen daarvan onherkenbaar te maken. De markeringen betreffen individuele woningen. Het vergroten van een markering tot enkele woningen of het vervagen van de satellietfoto’s biedt geen oplossing omdat het een klein gebied betreft en bij navraag gemakkelijk te achterhalen is op welke adressen de vondsten hebben plaats gevonden. Verder komen op een drietal documenten X- en Y-coördinaten voor. Deze zijn, ook naar het oordeel van de rechtbank, direct herleidbaar tot woonadressen. Zoals verweerders gemachtigde ter zitting heeft uitgelegd, blijft de betreffende straat ook herleidbaar, als er drie cijfers worden weggehaald.

Het argument van eiser dat het weglakken van de naam van een korte straat niet nodig is, omdat de focus hier niet op individuele woningen ligt, slaagt niet. Aangezien het om een korte straat gaat, is herleidbaarheid naar de betreffende woning of woningen groot.

Volgens eiser was het niet nodig om complete adressen weg te lakken, maar had kunnen worden volstaan met het weglakken van het laatste cijfer/letter van huisnummer of straat. De rechtbank volgt deze redenering niet. De openbaarmaking daarvan zou de kans op herleiding tot een individuele woning heel reëel maken. Document 37 betreft een e-mail en foto’s die een familie uit Veenendaal aan verweerder heeft gestuurd. Verweerder heeft ter zitting uiteengezet dat deze mail niet is opgeslagen in het systeem en daarom niet meer te vinden is. Ook het opvragen van een backup heeft geen resultaat gehad. De rechtbank ziet geen aanleiding om hieraan te twijfelen. Hetzelfde geldt voor de bijlagen bij drie e-mails van de gemeente Veenendaal aan verweerder en vier e-mails over een presentatie over tijgermuggen. De rechtbank neemt hierbij in overweging dat verweerder moeite heeft gedaan om deze stukken alsnog te achterhalen, maar dat dit niet is gelukt.

11. Concluderend is de rechtbank van oordeel dat de gronden van eiser geen doel treffen. Zoals onder 8 is overwogen is het beroep gegrond, omdat verweerder haar standpunt zoals weergegeven in het bestreden besluit niet volledig heeft gehandhaafd.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. De gemachtigde van eiser is in dienst van eiser en is geen professionele rechtsbijstandverlener.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij document 28 is geweigerd openbaar te maken;

  • -

    verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 333,- aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.A.W. Jansen, rechter, in aanwezigheid van M. van Velzen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 juli 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.