Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:5263

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
24-07-2018
Datum publicatie
26-07-2018
Zaaknummer
13/993677-14 (ontneming)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontneming. De vorderingen van de benadeelde partijen worden in mindering gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel. De rechtbank bepaalt het te ontnemen bedrag op € 118.859,44.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Parketnummer: 13/993677-14 (ontneming)

Datum uitspraak: 24 juli 2018

Tegenspraak

VONNIS

Vonnis van de meervoudige economische kamer van de rechtbank Amsterdam, op vordering van de officier van justitie als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), in de zaak, behorende bij de strafzaak met parketnummer 13/993677-14, tegen:

[veroordeelde] , hierna te noemen veroordeelde,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1976,

ingeschreven [BRP adres]

.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van de vordering van de officier van justitie en het onderzoek op de terechtzittingen van 22 januari 2015 en 10 juli 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de ontnemingsvordering en van wat de officier van justitie, mr. L.S. van Haeringen, en de gemachtigd raadsvrouw van veroordeelde, mr. M.N. de Bruijn, op de zitting naar voren hebben gebracht.

2 De vordering en de grondslag daarvan

De officier van justitie heeft op 18 september 2014 een ontnemingsvordering ingediend bij de rechtbank. Op 5 maart 2015 heeft de rechtbank een tussenvonnis gewezen. Tijdens de beraadslaging is toen gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest en de rechtbank heeft de officier van justitie verzocht om zes vragen te beantwoorden. Deze vragen zijn beantwoord in een aanvullend opgemaakt proces-verbaal van 7 mei 2015. De rechtbank buigt zich nu opnieuw over de ontnemingsvordering.

Veroordeelde is bij het onherroepelijk geworden arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 28 juni 2016 veroordeeld voor “overtreding van het voorschrift gesteld bij artikel 47 van de Wet op het consumentenkrediet”. Veroordeelde heeft volgens de officier van justitie € 142.230,00 (het wederrechtelijk verkregen voordeel) verdiend door verboden schuldbemiddeling. Dat bedrag zou veroordeelde aan de staat moeten betalen. De ontnemingsvordering is dan ook gebaseerd op artikel 36e Sr (van de toenmalig geldende wettekst) en beoogt het uit het feit waarvoor veroordeelde in de onderliggende strafzaak is veroordeeld wederrechtelijk voordeel te ontnemen .

Ter terechtzitting van 10 juli 2018 heeft de officier van justitie aangegeven dat zij niet-ontvankelijk moet worden verklaard als blijkt dat de schadevergoedingen van de benadeelde partijen in de strafzaak door veroordeelde in zijn geheel zijn betaald. Dit is zo toegezegd door de toenmalige zaaksofficier van justitie. Indien dit niet is gebeurd, moet worden uitgegaan van het gestelde bedrag van € 142.230,00.

3 Voorvragen

Ontvankelijkheid van de officier van justitie

De raadsvrouw heeft gesteld dat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering. Zij stelt dat de toenmalige officier van justitie mondeling aan haar kantoorgenoot (de vorige advocaat van veroordeelde) kenbaar heeft gemaakt dat de ontnemingsvordering wordt ingetrokken als het gerechtshof te Amsterdam de vorderingen van de benadeelde partijen zou hebben toegewezen en dat arrest onherroepelijk zou zijn geworden. Zij stelt dat de mondelinge toezegging wordt bevestigd in een mail van 21 juni 2017 van de vorige advocaat van veroordeelde aan de officier van justitie. Nu het arrest waarbij het gerechtshof de vorderingen van de benadeelde partijen heeft toegewezen op 14 november 2017 onherroepelijk is geworden, dient de officier van justitie te worden gehouden aan deze mondelinge toezegging.

De rechtbank is van oordeel dat de raadsvrouw onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de toenmalige officier van justitie dit inderdaad zo heeft toegezegd. De mail die de raadsvrouw heeft overgelegd is daarvoor te onduidelijk. Verder heeft de officier van justitie op de zitting duidelijk uiteengezet dat de toezegging slechts inhield dat niet-ontvankelijkheid pas aan de orde is als blijkt dat veroordeelde de schadevergoedingen in zijn geheel heeft betaald, hetgeen niet is gebeurd. Het verweer zal dus worden gepasseerd. De officier van justitie is ontvankelijk in haar ontnemingsvordering.

4 Het wederrechtelijk verkregen voordeel

4.1

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft het volgende aangevoerd. Uit het arrest van het gerechtshof te Amsterdam volgt dat veroordeelde, die handelde onder de naam [naam 1] (hierna: [naam 1] ), voor al haar klanten werkzaamheden uitvoerde, die door het Hof worden gekwalificeerd als schuldbemiddeling. In het (aanvullende) rapport wederrechtelijk verkregen voordeel is een berekening gemaakt van het aantal klanten dat zij in de bewezen verklaarde periode heeft gehad. Deze berekening komt neer op gemiddeld 55 klanten per jaar, en dus een totaal van 110 klanten over de genoemde periode. Verder komt naar voren dat veroordeelde tussen de € 80,82 en € 112,00 (gemiddeld € 101,50) per maand factureerde en dat zij € 75 euro intakekosten in rekening bracht. Wanneer deze bedragen worden opgeteld en vermenigvuldigd leidt dit tot de conclusie dat het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel over de genoemde periode € 142.230,00 bedraagt.

4.2

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit dat de ontnemingsvordering moet worden afgewezen. Het is geenszins aannemelijk geworden dat veroordeelde zo’n groot bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten. Allereerst blijkt niet dat zij 55 klanten per jaar heeft gehad. Verder blijkt ook niet dat deze klanten het gehele jaar klant zijn geweest en iedere maand een bedrag hebben overgemaakt. Ook is het niet aannemelijk dat de genoemde 110 klanten steeds intakekosten hebben betaald. Daarnaast is het onjuist om een gemiddelde van € 101,50 als uitgangspunt te nemen, nu het merendeel van de klanten zo’n € 80,- betaalde en slechts een enkeling € 112,00. Het bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel moet dan ook gelijk worden gesteld aan het totaal van de toegewezen vorderingen van de benadeelde partijen in de strafzaak.

4.3

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank neemt bij de beoordeling van de vordering de volgende maatstaf in acht. Het rapport wederrechtelijk verkregen voordeel is een wettig bewijsmiddel, dat zodanig is ingericht dat daarin, onder verwijzing naar of samenvatting van aan de inhoud van andere wettige bewijsmiddelen ontleende gegevens, gevolgtrekkingen zijn gemaakt over de verschillende posten die aan het in het rapport weergegeven wederrechtelijk verkregen voordeel ten grondslag worden gelegd. Geen rechtsregel staat er aan in de weg om de schatting van het wederrechtelijk voordeel uitsluitend op de inhoud van een dergelijk financieel rapport te doen berusten. Indien een gevolgtrekking uit het rapport voldoende gemotiveerd is betwist, zal de rechtbank motiveren op grond waarvan – ondanks of vanwege hetgeen tegen deze gevolgtrekking en de onderliggende feiten en omstandigheden is aangevoerd – deze gevolgtrekking al dan niet wordt aanvaard.

Het proces-verbaal van ambtshandeling wederrechtelijk verkregen voordeel1 en het aanvullend proces-verbaal herberekening wederrechtelijk verkregen voordeel2 (hierna: het rapport) gaat uit van maandelijkse bemiddelingskosten van gemiddeld € 101,50. Verder gaat het rapport uit van een gemiddelde van 55 klanten per jaar. De raadsvrouw heeft onvoldoende betwist dat deze gemiddelden niet kloppen. Het had op de weg van de raadsvrouw gelegen om aan te tonen dat het overgrote deel van de klanten veel korter dan een jaar bij veroordeelde klant is geweest. Dit heeft zij niet gedaan. Nu de aan de gemiddelden ten grondslag liggende bedragen en klanten worden bevestigd door de gehoorde getuigen komt het gebruik van het in de ambtshandeling en het rapport genoemd gemiddeld aantal klanten en gemiddeld bedrag de rechtbank dan ook niet ongegrond of onjuist voor. Het verweer wordt dan ook verworpen.

De rechtbank gaat bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit van het rapport. In afwijking van het rapport gaat de rechtbank er wel vanuit dat slechts één keer intakekosten van € 75,00 door de klanten zijn betaald en niet twee keer. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen komt de rechtbank tot de volgende berekening (met inachtneming van de in het rapport genoemde bedragen):

Per jaar betaalde een klant € 1.218,00 (€ 101,50 x 12 maanden). Dit bedrag wordt voor het eerste jaar vermeerderd met de intakekosten van € 75,00: € 1.218,00 + € 75,00- = € 1.293,-.

Het totaalbedrag komt voor het eerste jaar neer op: € 1.293,00 x 55 klanten = € 71.115,00.

Het totaalbedrag komt voor het tweede jaar neer op: € 1.218,00 x 55 klanten = € 66.990,00.

Het totaalbedrag wordt dan: € 71.115,00 + € 66.990,00 = € 138.105,00.

Kortom, naar het oordeel van de rechtbank heeft veroordeelde door middel van voornoemd strafbaar feit voordeel verkregen dat de rechtbank schat op € 138.105,00.

Kosten

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft aangevoerd dat de schadevergoedingen die daadwerkelijk door veroordeelde zijn betaald eventueel van het wederrechtelijk verkregen voordeel kunnen worden afgetrokken.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw is van mening dat de in het arrest toegekende vorderingen van de benadeelde partijen in hun geheel moeten worden afgetrokken van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank volgt de redenering van de raadsvrouw dat de toegekende vorderingen van de benadeelde partijen in het arrest in mindering moeten worden gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel op grond van artikel 36e lid 8 Sr (Oud). De rechtbank gaat daarbij uit van de aan de benadeelde partijen toegekende materiële schadebedragen met een totaal van € 12.052,82. Daar worden tevens de proceskosten met een totaal van € 5.957,003 en de wettelijke rente met een totaal van € 1.235,744 bij opgeteld. De rechtbank komt uit op een totaalbedrag van € 12.052,82 + € 5.957,00 + € 1.235,74 = € 19.245,56.

De rechtbank is met de verdediging namelijk van oordeel dat de vordering beoordeeld moet worden op grond van het recht dat van toepassing was op de periode van het begaan van de bewezen verklaarde feiten, in casu de periode van 1 januari 2012 tot en met 19 december 2013.

Ingevolge artikel 36e, achtste lid, Sr (oud) worden bij de bepaling van de omvang van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, aan benadeelde derden in rechte toegekende vorderingen in mindering gebracht. Met de wijziging van dit artikel op 1 januari 2014 is daaraan onder meer toegevoegd dat de toegekende vorderingen in mindering worden gebracht “voor zover die zijn voldaan”.

Artikel 36e, achtste lid, Sr (oud) houdt in zoverre een wijziging van wetgeving in ten aanzien van de toepasselijke regels van sanctierecht. In zo een geval dient door de rechter op grond van artikel 1, tweede lid, Sr bij verandering van wetgeving na het tijdstip waarop het feit is begaan, de voor de betrokkene gunstigste bepalingen te worden toegepast (zie Hoge Raad 18 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:653).

Bij het vonnis in de strafzaak heeft de rechtbank de vorderingen van 13 benadeelde partijen toegekend, telkens met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Betrokkene heeft deze betalingsverplichtingen nog niet voldaan. Gelet daarop heeft de per 1 januari 2014 gewijzigde bepaling van artikel 36e Sr niet een gunstiger werking dan de bepaling zoals deze gold ten tijde van het plegen van de strafbare feiten. De rechtbank zal daarom toepassing geven aan de oude bepaling van artikel 36e Sr en het totaalbedrag van de aan de benadeelde partijen toegekende vorderingen (inclusief proceskosten en wettelijke rente) ad € 19.245,56 in mindering brengen op het genoten wederrechtelijk verkregen voordeel.

Gelet op bovenstaande stelt de rechtbank het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vast op (€ 138.105,00 - € 19.245,56 =) € 118.859,44.

5 De verplichting tot betaling

De rechtbank bepaalt het te ontnemen bedrag op € 118.859,44.

6 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e Sr.

7 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Stelt vast als wederrechtelijk verkregen voordeel een bedrag van € 118.859,44.

Legt op aan [veroordeelde] de verplichting tot betaling van € 118.859,44 (honderd achttienduizend achthonderdnegenvijftig euro en vierenveertig cent) aan de Staat.

Dit vonnis is gewezen door

mr. P.P.C.M. Waarts, voorzitter,

mrs. M.J.E. Geradts en F. Dekkers, rechters,

in tegenwoordigheid van mrs. M. van der Mark en B.B.A. Frakking, griffiers,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 juli 2018.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Een proces-verbaal van ambtshandeling wederrechtelijk verkregen voordeel (AH-15), inclusief onderliggende stukken, van 21 januari 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [naam 2] en [naam 3] .

2 Een aanvullend proces-verbaal herberekening wederrechtelijk verkregen voordeel, inclusief onderliggende stukken, van 3 juli 2014, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [naam 2] en [naam 3] .

3 Dit is het totaalbedrag van de in het arrest genoemde proceskosten.

4 De proceskosten zijn berekend van 19 december 2013 tot en met 24 juli 2018.