Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:5259

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
24-07-2018
Datum publicatie
26-07-2018
Zaaknummer
13/845051-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belastingfraude door opzettelijk onjuiste aangiften omzetbelasting te doen waarbij verdachte fictieve bedragen aan omzet en voorbelasting opgaf. Gevangenisstraf van tien maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 01-08-2018
FutD 2018-2123
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/845051-17 (Promis)

Datum uitspraak: 24 juli 2018

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1989,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres

[BRP-adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

De rechtbank wijst dit vonnis naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 10 juli 2018. Verdachte was hierbij aanwezig.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M. Kattouw en van wat verdachte en zijn raadsman mr. J.W. Spanjer naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

2.1

Verdachte wordt er – kort gezegd – van beschuldigd dat hij zich in de periode van 2015/2016 heeft schuldig gemaakt aan

1.omzetbelastingfraude;

2.feitelijk leidinggeven aan omzetbelastingfraude;

3.valsheid in geschrifte;

4.feitelijk leiding geven aan het beschikbaar stellen van valse of vervalste boekhouding/ bescheiden of gegevensdragers aan de Belastingdienst.

2.2

De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

2.3

De rechtbank leest het in de tweede regel van het onder 4 ten laste gelegde vermelde “16 januari 2016” als “12 januari 2016”, omdat van een kennelijke misslag sprake is. De verbetering van deze misslag schaadt verdachte niet in zijn verdediging.

3 Waardering van het bewijs

3.1

Inleiding

Verdachte heeft in de periode november 2014 tot en met december 2015 twee eenmanszaken gedreven en meerdere besloten vennootschappen (hierna: B.V.) opgericht, waaronder de vier B.V.’s die op de tenlastelegging staan vermeld. Het viel de Belastingdienst op dat bijna alle ingediende aangiften omzetbelasting van deze bedrijven negatief waren en dat de in die aangiften opgegeven voorbelasting hoger was dan de af te dragen omzetbelasting. De Belastingdienst heeft daarop vragenbrieven naar verdachte en zijn B.V.’s gestuurd met het verzoek om een toelichting te geven en om stukken te sturen die de opgegeven voorbelasting aantonen. Naar aanleiding van de reacties op de vragenbrieven en de overige bevindingen is bij de Belastingdienst het vermoeden ontstaan dat door verdachte opzettelijk onjuiste aangiften omzetbelasting zijn ingediend (feit 1 en 2) en valse facturen zijn opgemaakt en overgelegd (feit 3 en 4). De rechtbank buigt zich over de vraag of dit inderdaad het geval is geweest.

3.2

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de aan verdachte ten laste gelegde feiten bewezen kunnen worden. Verdachte heeft in zijn politieverhoor aangeven dat de genoemde bedrijven van hem zijn, dat hij de aangiften heeft ingediend en dat alles met betrekking tot het voeren van de administratie door hem zelf werd gedaan. Uit het dossier blijkt dat de door verdachte geclaimde voorbelasting niet kan worden onderbouwd, dat de door hem toegezonden facturen niet voldoen aan de wettelijke vereisten en dat twee valse facturen zijn opgemaakt en overlegd. Kortom, hij heeft opzettelijk onjuiste aangiften omzetbelasting gedaan.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat verdachte geen opzet heeft gehad op het benadelen van de Belastingdienst. Verdachte wilde zich als ondernemer bewijzen zonder dat hij een opleiding heeft gevolgd en is daarbij volledig het zicht kwijt geraakt. Hem kan wellicht verweten worden dat hij onkundig te werk is gegaan en dat hij zijn administratie niet goed heeft bijgehouden, maar dit is onvoldoende om opzet bewezen te verklaren. Hij dient dan ook van feit 1 en 2 te worden vrijgesproken.

Verdachte heeft bekend dat hij de factuur van [naam B.V. 1] B.V. heeft vervalst. Het vervalsen van deze factuur kan bewezen worden. Hij ontkent daarentegen het vervalsen van de factuur van [naam 1] . Van het vervalsen van deze factuur dient hij partieel te worden vrijgesproken. Allereerst is het niet in één oogopslag duidelijk dat de factuur van [naam 1] is vervalst nu zelfs de vennoot van [naam 1] bij zijn broer moest navragen of de factuur klopt. Voorts is de verklaring van de ex-medewerkster – inhoudende dat verdachte de factuur met Paint heeft vervalst – onvoldoende om tot een bewezenverklaring te komen. Te meer nu sprake kan zijn van een rancuneuze getuigenis omdat zij op staande voet door verdachte is ontslagen.

3.4

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.1 De inhoud van elk bewijsmiddel – ook in onderdelen – wordt slechts gebruikt tot het bewijs van het ten laste gelegde feit waarop het, zoals blijkt uit de inhoud, kennelijk betrekking heeft.

Ten aanzien van de eenmanszaken

Verdachte [verdachte] heeft twee eenmanszaken met de respectievelijke BTW nummers: [BTW-nummer 1] (hierna: B02) en [BTW-nummer 2] (hierna: B03)2. Tussen 23 juli 2015 en 2 januari 2016 zijn over de tijdvakken vierde kwartaal 2014, eerste kwartaal 2015, tweede kwartaal 2015, derde kwartaal 2015, oktober 2015, november 2015 en december 2015 de aangiften omzetbelasting betreffende B02 elektronisch binnengekomen op de computersystemen van de Belastingdienst.3 Tussen 23 juli 2015 en 2 januari 2016 zijn over de tijdvakken tweede kwartaal 2015, derde kwartaal 2015, oktober 2015, november 2015 en december 2015 de aangiften omzetbelasting betreffende B03 elektronisch binnengekomen op de computersystemen van de Belastingdienst.4 Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de aangiften van beide BTW nummers heeft ingediend. In de aangifte van B02 is door verdachte over de hiervoor genoemde tijdvakken in totaal € 69.061,- aan af te dragen omzetbelasting opgegeven en € 98.899,- aan voorbelasting geclaimd. In de aangifte van B03 is door verdachte over de hiervoor genoemde tijdvakken in totaal € 58.128,- aan af te dragen omzetbelasting opgegeven en € 98.045,- aan voorbelasting geclaimd.5 Om in aanmerking te komen voor aftrek van voorbelasting moet een belastingplichtige in het bezit zijn van een factuur die aan de factuurvereisten voldoet. Verdachte heeft ter onderbouwing van de voorbelasting 13 januari 2016 facturen gestuurd (gericht aan [verdachte] en [naam 2] )6. De omschrijvingen op de ontvangen (inkoop)facturen zijn erg onduidelijk en summier. Het is ook onduidelijk op welke ondernemingen de facturen betrekking hebben. Daarnaast staan de hoeveelheid en de aard van de geleverde goederen of de omvang en de aard van de verrichte diensten niet op de facturen vermeld.7 Hiermee voldoen de facturen niet aan de vereisten van artikel 53a van de Wet op de omzetbelasting8. Het recht op voorbelasting is vervolgens niet goed gekeurd door de Belastingdienst9.

Ten aanzien van [naam B.V. 5] Beheer B.V.

Verdachte is bestuurder en enig aandeelhouder van [naam B.V. 5] Beheer B.V.10. Dit wordt door verdachte ook bevestigd.11 Op 2 januari 2016 is over het tijdvak vierde kwartaal 2015 de aangifte omzetbelasting van deze B.V. elektronisch binnen gekomen.12Verdachte heeft ter terechtzitting bekend dat hij de aangiften heeft ingediend. In de aangifte is door verdachte over het hiervoor genoemde tijdvak € 55.298,- aan af te dragen omzetbelasting opgegeven en € 118.144,-aan voorbelasting geclaimd.13 Om in aanmerking te komen voor aftrek van voorbelasting moet een belastingplichtige in het bezit zijn van een factuur die aan de factuurvereisten voldoet. Verdachte heeft op 8 maart 2016 ter onderbouwing van de voorbelasting een uitdraai uit het grootboek en facturen opgestuurd. Dit betreft facturen van [naam B.V. 7] B.V. gericht aan [naam 6] , Sailfish reclame gericht aan [naam 7] , Newway gericht aan [naam B.V. 6] B.V. en [naam 1] gericht aan [naam B.V. 6] B.V.14 De toegestuurde facturen hebben geen van alle betrekking op [naam B.V. 5] B.V. Daarnaast hebben drie bedrijven verklaard dat nog een groot bedrag open staat dat verdachte nog moest betalen.15 Verder blijkt dat de diverse verkoopfacturen van [naam B.V. 5] Beheer BV een verschillende lay-out hebben, verschillende informatie bevatten, summier zijn voor wat betreft de verkochte goederen en een onlogische nummering hebben. Voorts bevat het grootboek van [naam B.V. 5] Beheer BV feitelijke onjuistheden en/of onvolkomenheden, het sluit niet aan op de grootboeken van gelieerde ondernemingen voor wat betreft de verkopen, het laat een aantal bankboekingen zien die niet worden gestaafd met de bankmutaties en het komt niet overeen met de door de gelieerde ondernemingen overgelegde kopie facturen.16 Het recht op voorbelasting is vervolgens niet goed gekeurd door de Belastingdienst17.

Vervalste factuur [naam 1]

Een van de ontvangen facturen die verdachte op 8 maart 2016 namens [naam B.V. 5] Beheer B.V. heeft opgestuurd aan de Belastingdienst is de factuur van [naam 1] gericht aan [naam B.V. 6] B.V. d.d. 28 november 201518. Bij [naam 1] is een derdenonderzoek ingesteld. Door dit bedrijf zijn facturen en betaalbewijzen gestuurd.19 Uit het derdenonderzoek volgt dat er geen factuur van 28 november 2015 bij de door [naam 1] toegestuurde facturen zit en dat het bedrag van € 10.605,65 (zoals staat vermeld op de factuur die verdachte heeft overgelegd) ook niet voorkomt in de door hen toegestuurde facturen.20

Voor beantwoording van de vraag of deze factuur vals dan wel vervalst is vindt de rechtbank het volgende van belang. Verdachte ontkent dat hij de factuur van [naam 1] heeft vervalst, maar deze verklaring van verdachte acht de rechtbank niet aannemelijk. Dat de factuur door verdachte is vervalst volgt niet alleen uit de hiervoor genoemde bevindingen, maar wordt ook ondersteund door de verklaring van [naam 1] , een van de eigenaren van [naam 1] B.V. Hij heeft verklaard dat de factuur die door verdachte is opgestuurd een valse factuur betreft omdat zij geen BTW op facturen vermelden en omdat de borg van € 8.000,- niet klopt21. Verder valt op dat op alle facturen van [naam 1] 0% BTW staat vermeld en dat bij de factuur die verdachte heeft gestuurd 0% BTW met een bedrag van € 1.840,65 staat vermeld. Verder heeft het kader op de door verdachte aangeleverde factuur een iets andere kleur heeft dan de facturen van [naam 1] en tot slot zijn door [naam 1] twee aparte facturen overlegd (met ook nog eens een ander bedrag) in plaats van één factuur zoals door verdachte is overgelegd.22 Gelet op al deze niet kloppende omstandigheden en de verklaring van [naam 1] acht de rechtbank dan ook bewezen dat verdachte de factuur van [naam 1] heeft vervalst (feit 3) en aan de Belastingdienst ter beschikking heeft gesteld waardoor te weinig belasting werd geheven (feit 4).

Ten aanzien van [naam B.V. 2] B.V.

Tijdvak 24 september 2015 tot en met 30 september 2015

Verdachte is bestuurder en enig aandeelhouder van [naam B.V. 2] B.V.23. Dit wordt door verdachte ook bevestigd.24 Op 30 oktober 2015 is een papieren aangifte voor startende ondernemers ingediend over het tijdvak 24 september 2015 tot en met 30 september 201525. Verdachte heeft ter terechtzitting bekend dat hij de aangifte heeft ingediend. In de aangifte is door verdachte over het hiervoor genoemde tijdvak in totaal € 5.806,- aan af te dragen omzetbelasting opgegeven en € 24.942,- aan voorbelasting geclaimd.26Om in aanmerking te komen voor aftrek van voorbelasting moet een belastingplichtige in het bezit zijn van een factuur die aan de factuurvereisten voldoet. Verdachte heeft op 12 januari 2016 ter onderbouwing van de voorbelasting een uitdraai uit het grootboek en een factuur van [naam B.V. 1] B.V.27 opgestuurd28. De originele factuur welke in het kader van het derdenonderzoek is verstuurd door [naam B.V. 1] B.V. was niet gelijk aan de toegestuurde factuur door verdachte. Het recht op voorbelasting is vervolgens niet goed gekeurd door de Belastingdienst.29

Valse factuur [naam B.V. 1] B.V.

Bij [naam B.V. 1] B.V. is een derdenonderzoek ingesteld. De directrice van [naam B.V. 1] B.V., [naam 3] , heeft verklaard dat [naam B.V. 2] B.V. geen klant is van [naam B.V. 1] B.V. en dat de factuur niet door haar is gemaakt, niet is verstuurd en de betaling daarop niet heeft plaatsgevonden. De factuur is volgens haar absoluut vervalst.30 Verdachte heeft ter terechtzitting bekend dat hij de factuur inderdaad vals heeft opgemaakt en naar de Belastingdienst heeft verstuurd.

Het valselijk opmaken van deze factuur (feit 3) en het ter beschikking stellen van deze valse factuur aan de Belastingdienst waardoor te weinig belasting werd geheven (feit 4) acht de rechtbank dan ook bewezen.

Vierde kwartaal 2015

Op 2 januari 2016 is over het tijdvak vierde kwartaal 2015 nog een tweede aangifte omzetbelasting van [naam B.V. 2] B.V. elektronisch binnen gekomen.31Verdachte heeft ter terechtzitting bekend dat hij ook deze aangifte heeft ingediend. In de aangifte is door verdachte over het hiervoor genoemde tijdvak in totaal € 0,- aan af te dragen omzetbelasting opgegeven en € 7.530,- aan voorbelasting geclaimd32. Verdachte heeft op 10 februari 2016 ter onderbouwing van de voorbelasting een uitdraai uit het grootboek en facturen opgestuurd. Dit betreft facturen van [naam 2] gericht aan [verdachte] en [naam B.V. 5] gericht aan [naam B.V. 2] B.V.33 De factuur van [naam 2] B.V. is echter niet gericht aan [naam B.V. 2] B.V.. Op de factuur met nummer 826 van [naam B.V. 5] Beheer B.V. wordt een levering van mobiele telefoons, computerapparatuur, tablets (iPad) en aansluitingen vermeld. In het grootboek van [naam B.V. 5] Beheer B.V. komt dit factuurnummer niet voor. Deze verkopen verricht door [naam B.V. 5] Beheer B.V. zijn zeer onwaarschijnlijk, mede gezien de bedrijfsomschrijving bij de Kamer van Koophandel (hierna: KVK), te weten “het houden van aandelen in andere vennootschappen, het voeren van management en beheer”34. Het recht op voorbelasting is vervolgens niet goed gekeurd door de Belastingdienst.35

Ten aanzien van [naam B.V. 3] B.V.

Verdachte is bestuurder en enig aandeelhouder van [naam B.V. 3] B.V.36. Dit wordt door verdachte ook bevestigd.37 Op 2 januari 2016 is over het tijdvak vierde kwartaal 2015 de aangifte omzetbelasting van deze B.V. elektronisch binnen gekomen38. Verdachte heeft ter terechtzitting bekend dat hij de aangifte heeft ingediend. In de aangifte is door verdachte over het hiervoor genoemde tijdvak in totaal € 491,- aan af te dragen omzetbelasting opgegeven en € 22.800,- aan voorbelasting geclaimd39. Om in aanmerking te komen voor aftrek van voorbelasting moet een belastingplichtige in het bezit zijn van een factuur die aan de factuurvereisten voldoet. Verdachte heeft op 11 maart 2016 ter onderbouwing van de voorbelasting een uitdraai uit het grootboek en facturen opgestuurd. Dit betreft facturen van [naam B.V. 5] Beheer B.V. gericht aan [naam B.V. 3] B.V.40 Op de facturen van [naam B.V. 5] Beheer B.V. wordt een levering vermeld van diverse dieren, inventaris en verzorgingsproducten. Deze verkopen verricht door [naam B.V. 5] Beheer B.V. komen niet overeen met de verkopen volgens het grootboek verkoop van [naam B.V. 5] Beheer B.V. De verkopen zijn gezien de hoge bedragen en summiere omschrijving zeer onwaarschijnlijk. De facturen voldoen hiermee niet aan de voorwaarden gesteld in art 35a van de Wet op de Omzetbelasting. Het recht op voorbelasting is vervolgens niet goed gekeurd door de Belastingdienst.41

Ten aanzien van [naam B.V. 4] B.V.

Verdachte is via [naam B.V. 5] B.V. bestuurder en enig aandeelhouder van [naam B.V. 4] B.V.42. Dit wordt door verdachte ook bevestigd43. Op 8 januari 2016 is over het tijdvak vierde kwartaal 2015 de aangifte omzetbelasting van deze B.V. elektronisch binnen gekomen44. Verdachte heeft ter terechtzitting bekend dat hij de aangiften heeft ingediend. In de aangifte is door verdachte over het hiervoor genoemde tijdvak in totaal € 629,- aan af te dragen omzetbelasting opgegeven en € 26.455,- aan voorbelasting geclaimd45. Om in aanmerking te komen voor aftrek van voorbelasting moet een belastingplichtige in het bezit zijn van een factuur die aan de factuurvereisten voldoet. Verdachte heeft op 8 maart 2016 ter onderbouwing van de voorbelasting een uitdraai uit het grootboek en facturen opgestuurd. Dit betreft facturen van [naam B.V. 5] Beheer B.V. gericht aan [naam B.V. 4] B.V.46. Op de facturen van [naam B.V. 5] Beheer B.V. wordt een levering vermeld van diverse dieren, inventaris en verzorgingsproducten. Deze verkopen verricht door [naam B.V. 5] Beheer B.V. komen niet overeen met de verkopen volgens het grootboek verkoop van [naam B.V. 5] Beheer B.V. De factuurnummers roepen ook vragen op. De verkopen zijn gezien de hoge bedragen en summiere omschrijving zeer onwaarschijnlijk. De facturen voldoen hiermee niet aan de voorwaarden gesteld in art 35a van de Wet op de Omzetbelasting. Het recht op voorbelasting is vervolgens niet goed gekeurd door de Belastingdienst.47

Ten aanzien van opzet van verdachte op het plegen van omzetbelastingfraude

Verdachte heeft aangegeven dat hij te veel hooi op zijn vork heeft genomen en dat hij veel fouten heeft gemaakt, maar dat hij bij het indienen van de aangiften omzetbelasting ten aanzien van de eenmanszaak en de voornoemde vier B.V.’s geen opzet heeft gehad op het benadelen van de Belastingdienst. De rechtbank acht dit niet aannemelijk. Alleen al uit de wijze waarop verdachte te werk ging bij het indienen van de aangiften omzetbelasting blijkt al dat bij hem sprake is geweest van opzet. Hij wist dat de aangiften niet klopten. De administratie van de eenmanszaak en de B.V.’s was niet juist. De overgelegde grootbroeken sloten onderling niet aan en de facturen die de voorbelasting moesten onderbouwen voldeden niet aan de vereisten48. Daarbij komt dat verdachte, zoals hiervoor al is opgenomen, ook nog eens twee valse facturen aan de Belastingdienst heeft verzonden (namens [naam B.V. 5] Beheer B.V. en [naam B.V. 2] B.V.). Voor verdachte moet evident zijn geweest dat de geclaimde voorbelasting niet in verhouding stond tot zijn werkelijke inkoop. Dat verdachte zoals zijn raadsman heeft bepleit door onkunde een chaos van zijn administratie heeft gemaakt kan zo zijn, maar uit het vorenstaande concludeert de rechtbank dat verdachte door het onjuist invullen van de aangiften belastingvoordeel wilde behalen. Dat dit zijn bedoeling is geweest wordt tevens ondersteund door de verklaringen van [naam 4] , de voormalig werkneemster van verdachte, en de vader van verdachte. Getuige [naam 4] heeft verklaard dat verdachte facturen veranderde en gebruikte om geld terug te krijgen van de Belastingdienst49. Verdachte heeft aangevoerd dat die verklaring als onbetrouwbaar moet worden aangemerkt, maar daarin gaat de rechtbank niet mee omdat er onvoldoende concreet is aangevoerd waarom haar verklaring niet als betrouwbaar zou moeten worden beschouwd. Ook de vader van verdachte, [naam 5] , heeft verklaard dat zijn zoon veel geld terugkreeg van de Belastingdienst, maar dat daar geen verkopen tegenover stonden50.

Kortom, in de belastingaangiften voor de omzetbelasting is telkens een onjuist bedrag, namelijk een fictief bedrag, aan voorbelasting vermeld. Het resultaat hiervan is dat de belastingaangiften stoelen op onjuiste terug te vragen bedragen, met het doel om de Belastingdienst te bewegen tot het ten onrechte uitkeren van belastinggeld. Dit strekte ertoe dat te weinig belasting werd geheven in de zin van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR).

Benadelingsbedrag

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het totaal aan geclaimde voorbelasting, te weten € 396.785,00, als benadelingsbedrag dient te worden beschouwd. De verdediging heeft gesteld dat dient te worden uitgegaan van de daadwerkelijk uitbetaalde voorbelasting.

De rechtbank gaat uit van het door de FIOD berekende strafrechtelijk nadeel van € 127.882,09.51

Ten aanzien van de strafbaarheid van de rechtspersonen

Het kader

Ingevolge artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) kunnen strafbare feiten worden begaan door rechtspersonen. De Hoge Raad heeft invulling gegeven aan de vereisten waaraan moet worden voldaan. De beantwoording van de vraag of de verboden gedraging redelijkerwijs aan de rechtspersoon kan worden toegerekend, is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waartoe mede behoort de aard van de (verboden) gedraging. Een belangrijk oriëntatiepunt bij de toerekening is of de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon (zie ook: ECLI:NL:HR:2003:AF7938).

Het kader toegepast op de huidige zaak

Het indienen van de aangiften omzetbelasting van [naam B.V. 5] Beheer B.V., [naam B.V. 2] B.V., [naam B.V. 3] B.V. en [naam B.V. 4] B.V. en het ter beschikking van de valse/vervalste facturen door [naam B.V. 5] Beheer B.V. en [naam B.V. 2] B.V. moeten worden toegerekend aan de betreffende rechtspersonen, nu het indienen van deze aangiften en het ter beschikking stellen van de facturen gebeurde in de sfeer van deze rechtspersonen en deze gedragingen bij uitstek pasten in de normale bedrijfsvoering van de B.V.’s.

Gelet op het hiervoor overwogene acht de rechtbank bewezen dat de verboden handelingen (feiten 2 en 4) opzettelijk door de genoemde bedrijven zijn gepleegd.

Ten aanzien van verdachte als feitelijk leidinggever

Nu de vennootschappen als dader kunnen worden aangemerkt is de vraag of verdachte feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedragingen. Voor de beoordeling van de vraag of verdachte als feitelijk leidinggever strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gehouden voor de strafbare gedragingen, is relevant of hij van die gedragingen op de hoogte is geweest en de mogelijkheid heeft gehad om deze te beëindigen.

Aan de genoemde verboden gedragingen heeft verdachte ook leiding gegeven. Hij was immers de bestuurder en (on)middelijk aandeelhouder van de vennootschappen, hij was eindverantwoordelijke en hij bepaalde en besliste wat er in de genoemde vennootschappen gebeurde. Van [naam B.V. 5] Beheer B.V. en [naam B.V. 2] B.V. was hij ook de enige leidinggevende.52 Voorts heeft hij zelf de valse/vervalste facturen opgemaakt en naar de Belastingdienst verstuurd.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 3.4 opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

1.
in de periode van 23 juli 2015 tot en met 2 januari 2016 te Haarlem en/of Apeldoorn, telkens opzettelijk bij de Belastingwet voorziene aangiften, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten elektronische aangiften voor de omzetbelasting over:

het vierde kwartaal 2014 (onder het OB-nr. 442 41 240 BO2) (DOC-007) en

het eerste kwartaal 2015 (onder het OB-nr. 442 41 240 BO2) (DOC-007) en

het tweede kwartaal 2015 (onder het OB-nr. 442 41 240 BO2) (DOC-007) en

het derde kwartaal 2015 (onder het OB-nr. 442 41 240 BO2) (DOC-007) en

de maand oktober 2015 (onder het OB-nr. 442 41 240 BO2) (DOC-007) en

de maand november 2015 (onder het OB-nr. 442 41 240 BO2) (DOC-007) en

de maand december 2015 (onder het OB-nr. 442 41 240 BO2) (DOC-007) en

het tweede kwartaal 2015 (onder het OB-nr. 442 41 240 B03) (DOC-008) en

het derde kwartaal 2015 (onder het OB-nr. 442 41 240 BO3) (DOC-008) en

de maand oktober 2015 (onder het OB-nr. 442 41 240 BO3) (DOC-008) en

de maand november 2015 (onder het OB-nr. 442 41 240 BO3) (DOC-008) en

de maand december 2015 (onder het OB-nr. 442 41 240 BO3) (DOC-008)

onjuist en onvolledig heeft gedaan, immers heeft verdachte telkens opzettelijk bij de (Inspecteur van de) Belastingdienst, elektronische ingediende aangiftebiljetten omzetbelasting over genoemde maanden en kwartalen telkens een te laag bedrag aan verschuldigde omzetbelasting opgegeven terwijl dat feit telkens er toe strekte dat te weinig belasting werd geheven;

2.
[naam B.V. 5] Beheer BV en [naam B.V. 2] BV en [naam B.V. 3] BV en [naam B.V. 4] BV in de periode van 24 oktober 2015 tot en met 8 januari 2016 in Nederland, telkens opzettelijk bij de Belastingwet voorziene aangiften, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (elektronische) aangiften voor de omzetbelasting over

- het vierde kwartaal 2015 ( [naam B.V. 5] Beheer BV) (D0C-009) en

- de periode 24 september 2015 t/m 30 september 2015 september 2015 ( [naam B.V. 2] BV) (DOC-029 / DOC-047) en

- het vierde kwartaal 2015 ( [naam B.V. 2] BV) (DOC-010) en

- het vierde kwartaal 2015 ( [naam B.V. 3] BV) (DOC-011) en

- het vierde kwartaal 2015 ( [naam B.V. 4] BV) (DOC-012)

onjuist en onvolledig hebben gedaan, immers hebben [naam B.V. 5] Beheer BV en [naam B.V. 2] BV en [naam B.V. 3] BV en [naam B.V. 4] BV telkens opzettelijk bij (de Inspecteur van) de Belastingdienst elektronische ingediende aangiftebiljet(ten) omzetbelasting over genoemde kwartaal en maand telkens een te laag bedrag aan verschuldigde omzetbelasting opgegeven, terwijl dat feit telkens ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven,

tot het plegen van welke bovenomschreven strafbare feiten hij, verdachte, telkens leiding heeft gegeven;

3.
in de periode van 25 september 2015 tot en met 8 maart 2016 in Nederland, een factuur van [naam 1] gericht aan [naam B.V. 6] BV ten bedrage van Euro 10.605,65 (inclusief Euro 1.840,65 aan BTW) ter zake "huur en borg December Januari 2015" (DOC-023) en een factuur van [naam B.V. 1] BV aan [naam B.V. 2] BV ten bedrage van Euro 143.713,43 (inclusief Euro 24.942,- aan BTW) ter zake "overname inventaris en goederen" (DOC-031), zijnde telkens een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft hij verdachte, valselijk en in strijd met de waarheid -zakelijk weergegeven-

op die factuur (DOC-023) vermeld dat door [naam 1] BV een bedrag van Euro 1.840,65 aan BTW en een bedrag van Euro 8.505,65 aan borg in rekening is gebracht aan [naam B.V. 6] BV, terwijl in werkelijkheid die BTW en die borg niet door [naam 1] BV aan [naam B.V. 6] BV in rekening is gebracht en

op die factuur (DOC-031) vermeld dat door [naam B.V. 1] BV goederen zijn geleverd aan [naam B.V. 2] BV, terwijl in werkelijkheid die levering van goederen niet door [naam B.V. 1] BV is verricht ten behoeve van/voor [naam B.V. 2] BV en

op die facturen factuurbedragen vermeld die in werkelijkheid geen, betrekking hebben op die in die facturen vermelde diensten of levering van goederen,

zulks telkens met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken en door anderen te doen gebruiken;

4.
[naam B.V. 2] BV en [naam B.V. 5] Beheer BV in de periode van 12 januari 2016 tot en met 8 maart 2016 in Nederland, zijnde die [naam B.V. 2] BV en [naam B.V. 5] Beheer BV, als degenen die ingevolgde de Belastingwet verplicht waren het voor raadpleging beschikbaar stellen van boeken en/of bescheiden en/of (andere) gegevensdragers en/of de inhoud daarvan,

deze in valse of vervalste vorm voor dit doel ter beschikking hebben gesteld aan een ambtenaar van de Belastingdienst,

immers heeft [naam B.V. 2] BV opzettelijk een factuur van [naam B.V. 1] BV aan [naam B.V. 2] BV d.d. 25 september 2015 (DOC-031) aan een ambtenaar van de Belastingdienst ter beschikking gesteld, bestaande de valsheden hierin dat op die factuur in strijd met de waarheid melding is gemaakt dat door [naam B.V. 1] BV goederen zijn geleverd aan [naam B.V. 2] BV, terwijl in werkelijkheid die levering van goederen niet door [naam B.V. 1] BV is verricht ten behoeve van [naam B.V. 2] BV en op die factuur een factuurbedrag vermeld dat in werkelijkheid geen, betrekking heeft op die in die factuur vermelde levering van goederen,

en

heeft [naam B.V. 5] Beheer BV opzettelijk een factuur van [naam 1] aan [naam B.V. 6] BV d.d. 28 november 2015 (DOC-023) aan een ambtenaar van de Belastingdienst ter beschikking gesteld, bestaande de valsheden hierin dat op die factuur is strijd met de waarheid melding is gemaakt dat door [naam 1] BV een bedrag van Euro 1.840,65 aan BTW en een bedrag van Euro 8.505,65 aan borg in rekening is gebracht aan [naam B.V. 6] BV, terwijl in werkelijkheid die BTW en die borg niet door [naam 1] BV aan [naam B.V. 6] BV in rekening is gebracht en op die factuur een factuurbedrag vermeld dat in werkelijkheid geen, betrekking heeft op die in die factuur vermelde dienst,

terwijl die feiten er telkens toe strekten dat te weinig belasting werd geheven;

tot het plegen van welk bovenomschreven strafbare feiten hij, verdachte, feitelijke leiding heeft gegeven.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straffen

7.1

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder 1, 2, 3 en 4 bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 21 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 7 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren met als bijzondere voorwaarde een verbod voor verdachte om op te treden als bestuurder of aandeelhouder van rechtspersonen, althans een verbod voor verdachte om gedurende de proeftijd een bedrijf op zijn naam te zetten en een registratie van het vonnis bij de KVK. Zij is bij de formulering van haar strafeis uitgegaan van een strafrechtelijk nadeel van € 396.815,-.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht om verdachte een gevangenisstraf op te leggen die gelijk is aan de duur van het voorarrest en eventueel een taakstraf. Verder heeft hij verzocht om in de strafmaat uit te gaan van een strafrechtelijk nadeel van € 48.965,-, zijnde de aan verdachte uitbetaalde voorbelasting, en niet van € 396.815,- zoals door de officier van justitie is aangevoerd. Door de verdediging zijn geen bezwaren geuit tegen het opleggen van een beroepsverbod.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich, onder meer als feitelijk leidinggever van meerdere B.V.’s, schuldig gemaakt aan belastingfraude door tussen 2015 en 2016 opzettelijk onjuiste aangiften omzetbelasting te doen waarbij verdachte fictieve bedragen aan omzet en voorbelasting opgaf. Met als gevolg dat de verschuldigde omzetbelasting te laag werd vastgesteld en ten onrechte voorbelasting werd uitbetaald. Hij heeft hierbij puur uit financieel gewin gehandeld. De goede werking van het belastingsysteem staat of valt met de betrouwbaarheid, juistheid en volledigheid van aangiften. Dit systeem is namelijk mede gebaseerd op het vertrouwen dat de ondernemer een juiste aangifte doet en dat de Belastingdienst op basis daarvan in beginsel tot uitbetaling overgaat. Daarvan heeft verdachte misbruik gemaakt. Door meerdere B.V.’s te gebruiken en een chaos te maken van zijn administratie heeft hij de boel proberen te maskeren. Op die manier heeft hij de fiscus benadeeld voor een bedrag van € 127.882.09.

Verder heeft verdachte twee facturen vervalst/valselijk opgemaakt en deze aan de Belastingdienst toegezonden ter onderbouwing van geclaimde voorbelasting. Hiermee heeft verdachte misbruik gemaakt van het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer pleegt te worden gesteld in schriftelijke stukken met bewijsbestemming.

Verdachte heeft op geen enkele wijze laten zien dat hij verantwoordelijkheid neemt voor de door hem begane fouten.

De rechtbank heeft ook gekeken naar het strafblad van verdachte van 8 mei 2018. Op dat strafblad staat een veroordeling van 19 maart 2018 . Dit betekent dat de rechtbank artikel 63 Sr zal toepassen, omdat de huidige zaak bij de eerdere veroordeling had kunnen worden meegenomen.

Bij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank ook gekeken naar de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS)53. Volgens deze oriëntatiepunten is bij fraude met een bedrag tussen € 125.000,- en € 250.000,- een gevangenisstraf van 9 tot 12 maanden het uitgangspunt. De rechtbank vindt deze bandbreedte passend voor de door verdachte gepleegde fraude. In verdachtes persoonlijke omstandigheden ziet de rechtbank geen aanleiding om van deze bandbreedte af te wijken. Dit maakt dat de rechtbank uitkomt op een gevangenisstraf van tien maanden, met aftrek van het voorarrest.

Beroepsverbod

Verdachte heeft als middellijk dan wel onmiddellijk aandeelhouder en bestuurder van diverse B.V.’s omzetbelastingfraude gepleegd door onterecht voorbelasting te claimen. Alleen al de omzetbelastingfraude is reden om aan verdachte een beroepsverbod op te leggen. Daarnaast heeft hij, als onderdeel van het feitencomplex, namens de B.V.’s ook facturen vervalst en aan de Belastingdienst gestuurd. Om de maatschappij te beschermen tegen het gevaar van herhaling zal de rechtbank verdachte ontzetten van de uitoefening van het beroep van bestuurder of aandeelhouder van een rechtspersoon voor de periode van drie jaar, conform artikel 28, eerste lid, onder 5° Sr jo 235 Sr en artikel 69 lid 6 AWR.

8 Voorlopige hechtenis

De rechtbank handhaaft de schorsing van de voorlopige hechtenis.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 28, 36, 51, 57, 63, 225 en 235 Sr en de artikelen 68 en 69 AWR.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert als juridische kwalificatie op:

Ten aanzien van feit 1:

Opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van feit 2:

Feitelijk leidinggeven aan opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van feit 3:

Valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van feit 4:

Ingevolge de belastingwet verplicht zijnde tot het voor raadpleging beschikbaar stellen van boeken, bescheiden, andere gegevensdragers of de inhoud daarvan, en deze opzettelijk in valse of vervalste vorm voor dit doel beschikbaar stellen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijk leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 10 (tien) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Ontzet verdachte van de uitoefening van het beroep van statutair bestuurder, feitelijk bestuurder of aandeelhouder van enig rechtspersoon als bedoeld in artikel 51 van het Wetboek van Strafrecht, voor de duur van 3 (drie) jaren.

Beveelt dat de officier van justitie een afschrift van het vonnis verstrekt aan de Kamer van Koophandel.

Dit vonnis is gewezen door

mr. P.P.C.M. Waarts, voorzitter,

mrs. M.J.E. Geradts en F. Dekkers, rechters,

in tegenwoordigheid van mrs. M. van der Mark en F. Bahadin, griffiers,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 24 juli 2018.

De jongste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 DOC-001 en DOC-013.

3 DOC-007.

4 DOC-008.

5 DOC-013.

6 DOC-015 en DOC-016.

7 DOC-013.

8 AMB005 en DOC-027.

9 DOC-013.

10 DOC-003.

11 V01-02.

12 DOC-009.

13 DOC-020.

14 DOC-022.

15 DOC-020.

16 AMB-016.

17 DOC-020.

18 DOC-022 en DOC-023.

19 DOC-024 en DOC-025.

20 DOC-020.

21 G-002-01.

22 DOC-024 en AMB-001.

23 DOC-004.

24 V01-04.

25 DOC-047.

26 DOC-028.

27 DOC-031.

28 DOC-030.

29 DOC-028.

30 G003-01.

31 DOC-010.

32 DOC-028.

33 DOC-036.

34 DOC-003

35 DOC-028.

36 DOC-005.

37 V01-02.

38 DOC-011.

39 DOC-039.

40 DOC-041.

41 DOC-039, AMB-001, AMB-005 en DOC-027.

42 DOC-006 en DOC-003.

43 V01-04.

44 DOC-009.

45 DOC-043.

46 DOC-045.

47 DOC-043, AMB-001, AMB-005 en DOC-027.

48 AMB-016.

49 G-009-01.

50 G-008-01.

51 AMB-001, p. 18.

52 V-01-04.

53 De oriëntatiepunten zijn in het leven geroepen om de rechter een handvat te bieden en bij te dragen aan gelijke straffen in gelijke gevallen. De rechter is er niet aan gebonden.