Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:5255

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
23-07-2018
Datum publicatie
27-07-2018
Zaaknummer
6708661 CV EXPL 18-5102
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Het UWV moet de schade vergoeden die een vrouw heeft geleden als gevolg van het ontvangen van twee uitkeringen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer: 6708661 CV EXPL 18-5102

vonnis van: 23 juli 2018

vonnis van de kantonrechter

I n z a k e

[eiseres]

wonende te [woonplaats]

eiseres

nader te noemen: [eiseres]

gemachtigde: mr. E. Doornbos

t e g e n

de publiekrechtelijke rechtspersoon Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen

gevestigd te Amsterdam

gedaagde

nader te noemen: UWV

gemachtigde: mr. M.A.I. Gerards

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

De volgende stukken bevinden zich in het procesdossier:

- dagvaarding van 23 februari 2018 met producties;
- conclusie van antwoord met producties;
- instructievonnis;
- dagbepaling comparitie.

De comparitie heeft plaatsgevonden op 19 juni 2018. [eiseres] is verschenen, vergezeld door haar gemachtigde. UWV is verschenen bij haar gemachtigde. Partijen zijn gehoord en hebben vragen van de kantonrechter beantwoord.

Vonnis is bepaald op heden.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Feiten

1. Als gesteld en niet (voldoende) weersproken staat het volgende vast:

1.1.

[eiseres] ontving in 2011 een WW-uitkering van UWV.

1.2.

In augustus 2011 heeft [eiseres] medegedeeld dat zij zwanger was. Zij ontving hierna een ZW-uitkering.

1.3.

Naast de ZW-uitkering bleef UWV ook de WW-uitkering aan [eiseres] betalen.

1.4.

Naar aanleiding hiervan heeft [eiseres] verschillende malen telefonisch contact opgenomen met het Klantencontactcentrum van UWV.

1.5.

Bij beslissing van 23 januari 2012 heeft UWV aan [eiseres] medegedeeld dat zij vanaf 3 augustus 2011 teveel (WW-)uitkering heeft ontvangen en dat zij in verband daarmee een bedrag van € 6.421,02 bruto terug dient te betalen. Het bezwaar van [eiseres] tegen deze beslissing is door UWV ongegrond verklaard.

1.6.

Bij beslissing van 24 september 2012 deelde UWV mee dat [eiseres] ingaande
28 september 2012 geen ZW-uitkering meer zou ontvangen. Het bezwaar van [eiseres] tegen die beslissing werd gegrond verklaard bij beslissing d.d.
18 december 2012, waardoor de ZW-uitkering vanaf 28 september 2012 werd voortzet (met nog een nabetaling vanaf 6 juli 2012). Op 8 januari 2013 heeft [eiseres] een nettobedrag van € 2.509,74 ontvangen.

1.7.

Bij brief van 13 maart 2013 heeft [eiseres] UWV aansprakelijk gesteld voor de door [eiseres] geleden schade als gevolg van het doorbetalen van de WW-uitkering als bedoeld in 1.3 en als gevolg van het pas in 2013 uitkeren van ZW-uitkering over 2012 als bedoeld in 1.6.

1.8.

Bij brief van 2 juli 2013 heeft UWV betwist dat er sprake is geweest van onrechtmatig handelen harerzijds en heeft zij voorts gesteld dat [eiseres] heeft nagelaten haar schade zoveel mogelijk te beperken. In die brief werd verwezen naar het Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 5 augustus 2009 betreffende de toepassing van de hardheidsclausule bij ten onrechte ontvangen looninkomsten, welk besluit ook was bijgesloten.

1.9.

Vervolgens hebben partijen uitgebreid gecorrespondeerd over deze kwesties.

1.10.

In de brief van 18 oktober 2013 heeft UWV erkend dat zij door de onder 1.7 bedoelde ZW-uitkering te laat aan [eiseres] uit te betalen in beginsel onrechtmatig jegens [eiseres] heeft gehandeld. Voorts heeft UWV daarin onder meer medegedeeld dat [eiseres] haar schade dient te beperken door een beroep te doen op de zogenoemde middelingsregeling. Naar aanleiding van een en ander heeft UWV een bedrag van € 606,- aan [eiseres] betaald als vergoeding voor schade als gevolg van verminderde zorgtoeslag en kindgebonden budget.

1.11.

Wegens van door [eiseres] over 2012 en 2013 geleden ‘fiscale schade’ als gevolg van het onder 1.6 bedoelde handelen heeft UWV in 2016 een bedrag van
€ 243,- toegekend, daarop een bedrag van € 120,- in mindering gebracht wegens voordeel uit hogere huurtoeslag, en per saldo € 123,- aan [eiseres] uitbetaald.

Vordering en verweer

2. [eiseres] vordert om bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis UWV te veroordelen tot betaling van € 4.268,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2014, als vergoeding voor de door [eiseres] geleden schade wegens het onrechtmatig handelen door UWV als bedoeld onder 1.3 en 1.6., en tot betaling van de proceskosten.

3. Aan deze vordering legt [eiseres] ten grondslag – kort samengevat – dat dit onrechtmatig handelen van UWV met name bestond uit het feitelijk doorbetalen en niet beëindigen van een WW-uitkering terwijl aan [eiseres] (op juiste gronden) een ZW-uitkering was toegekend, zelfs nadat [eiseres] daarover meerdere malen om opheldering had gevraagd bij UWV. Voorts was het beëindigen van de ZW-uitkering in september 2012 en (met name) het pas in 2013 alsnog uitbetalen daarvan onrechtmatig. Als gevolg van dit handelen heeft [eiseres] schade geleden doordat haar belastbaar inkomen in 2012 en 2013 (kunstmatig) werd verhoogd. Behalve dat zij in 2012 en 2013 (veel) meer inkomstenbelasting moest betalen ontving zij daardoor minder toeslagen, en kon zij ook minder gebruik maken van de alleenstaande ouder korting. Deze schade bedroeg in 2012 € 2.931,- en in 2013 € 1.337,-. Zij heeft getracht de belastingdienst te bewegen de negatieve gevolgen van een en ander teniet te doen of te verminderen, maar de belastingdienst verwees naar UWV en zij heeft niet of nauwelijks resultaat geboekt. De verwijzingen door UWV naar het onder 1.8 bedoelde besluit en naar de middelingsregeling zijn veel te laat gedaan, van UWV had in dit opzicht een actievere houding mogen worden verwacht, en nu UWV dit heeft nagelaten kan zij in redelijkheid geen beroep doen op de schadebeperkingsplicht van [eiseres] .

4. UWV heeft de vordering gemotiveerd betwist en voert daartoe onder meer – kort samengevat – het volgende aan. UWV betwist dat zij onrechtmatig heeft gehandeld bij het doorbetalen, beëindigen en terugvorderen van de WW-uitkering als bedoeld onder 1.3 tot en met 1.5. In het algemeen voert UWV aan dat [eiseres] ten onrechte heeft nagelaten haar schade te beperken door tijdig een beroep te doen op het onder 1.8 bedoelde besluit en op de middelingsregeling. Voorts heeft [eiseres] ook voordelen gehad als gevolg van de betreffende beslissingen. UWV betwist dat [eiseres] per saldo schade heeft geleden, althans voor zover deze nog niet door haar is vergoed. Ook betwist UWV dat er sprake is van voldoende causaal verband tussen haar handelen en de door [eiseres] gevorderde schade, het zogenoemde csqn-verband daaronder begrepen. UWV verwijst naar de door haar overgelegde berekeningen van het bedrag dat door [eiseres] feitelijk aan toeslagen etc. is ontvangen respectievelijk aan belasting etc. is betaald, en welke bedragen dit zouden zijn geweest als de ZW-uitkering over 2012 ook in 2012 zou zijn uitgekeerd, met verrekening van de door [eiseres] genoten voordelen.

Beoordeling

5. Waar nodig zal hierna nader worden ingegaan op de stellingen en verweren van partijen. Geoordeeld wordt als volgt.

6. Tussen partijen is in geschil of het onder 1.3 bedoelde handelen door UWV kan worden aangemerkt als onrechtmatig handelen jegens [eiseres] .

7. Tussen partijen is niet in geschil dat [eiseres] in augustus 2011 heeft doorgegeven aan UWV dat zij zwanger was en dat UWV naar aanleiding daarvan op juiste gronden een ZW-uitkering heeft toegekend en deze (wekelijks) heeft uitbetaald. Evenmin is (thans) tussen partijen in geschil dat de nadien (per maand) doorbetaalde WW-uitkering door [eiseres] moest worden terugbetaald. [eiseres] stelt echter dat het feitelijk uitbetalen van de WW-uitkering (en daardoor het verhogen van haar belastbaar inkomen over 2011) onrechtmatig was, evenals het niet aanstonds beëindigen daarvan nadat [eiseres] daarover telefonisch om opheldering had gevraagd. UWV betwist dat sprake is geweest van onrechtmatig handelen, omdat [eiseres] volgens UWV pas in december heeft medegedeeld dat zij zowel een ZW- als een WW-uitkering ontving, terwijl zij voordien slechts vragen over de WW-uitkering stelde. Medewerkers van het Klantinformatiecentrum zijn getraind in het beantwoorden van de vragen die worden gesteld, aldus UWV.

8. Naar aanleiding van het voorgaande wordt geoordeeld als volgt. Het is evident dat UWV een fout heeft gemaakt door bij de toekenning van de ZW-uitkering, naar aanleiding van de melding door [eiseres] van haar zwangerschap, niet tevens de WW-uitkering te beëindigen. Voorts staat vast dat [eiseres] naar aanleiding van het blijven ontvangen van de WW-uitkering (naast de ZW-uitkering) veelvuldig (volgens de correspondentie van UWV ‘verschillende malen’) telefonisch contact heeft opgenomen met het Klantencontactcentrum dat UWV voor de contacten met haar uitkeringsgerechtigden in het leven heeft geroepen. Volgens UWV heeft [eiseres] pas in december 2011 expliciet medegedeeld dat zij zowel een ZW- als een WW-uitkering ontving, volgens [eiseres] heeft zij dit veel eerder medegedeeld. Wat daar ook van zij, het feit dat [eiseres] meerdere malen om opheldering omtrent haar uitkeringssituatie heeft verzocht, welke telefonische contacten bij UWV worden geregistreerd en dus voor UWV kenbaar zijn, hadden voor UWV aanleiding behoren te zijn voor nader onderzoek naar die uitkeringssituatie. Dan was direct duidelijk geworden dat het UWV bovenbedoelde fout had gemaakt. Het UWV als professionele uitkeringsinstantie kan niet verwachten dat een uitkeringsgerechtigde als [eiseres] altijd de juiste vragen stelt en de juiste opmerkingen maakt, maar zal ook actief dienen te reageren op signalen van [eiseres] dat er iets vreemds aan de hand is. Dat de medewerkers van het Klantcontactcentrum zijn getraind in het (slechts) beantwoorden van de vragen die worden gesteld en kennelijk niet doorvragen of verdere informatie over de uitkeringen van [eiseres] opvragen, kan UWV niet aan [eiseres] tegenwerpen.

9. Voorts was voor UWV voorzienbaar dat het zeer waarschijnlijke gevolg van het feitelijk blijven uitbetalen in 2011 van een dubbele uitkering zou zijn dat het belastbaar inkomen van [eiseres] over 2011 kunstmatig verhoogd zou worden, terwijl de WW-uitkering wel terug betaald zou moeten worden. Eveneens voorzienbaar was dat dit voor [eiseres] negatieve gevolgen zou hebben voor de toeslagen, kortingen etc. die op basis van het belastbaar inkomen worden toegekend, en voorts dat [eiseres] per saldo meer inkomstenbelasting verschuldigd zou kunnen zijn.

10. Gelet op bovenstaande omstandigheden wordt het doorbetalen van de WW-uitkering en het niet onmiddellijk beëindigen daarvan na verzoeken om opheldering van [eiseres] aangemerkt als onrechtmatig handelen door UWV. Dit omdat – kort samengevat – de fout door UWV zelf is gemaakt, deze eenvoudig kenbaar was en direct zou zijn opgevallen bij raadpleging van de gegevens over de uitkeringen van [eiseres] in de systemen van UWV, daarvoor ook alle aanleiding was omdat [eiseres] tijdig en herhaalde malen vragen heeft gesteld over haar uitkeringssituatie, en de (mogelijk) negatieve gevolgen voor [eiseres] van dit (niet) handelen van UWV voor UWV voorzienbaar was.

11. Uit het bovenstaande volgt tevens dat er voldoende causaal verband bestaat tussen bovengenoemd onrechtmatig handelen van UWV en – voor zover daarvan sprake is – de door [eiseres] geleden schade.

12. In de conclusie van antwoord heeft UWV uitvoerig uiteengezet op welke wijze en op basis waarvan zij heeft berekend wat de schade is geweest die [eiseres] per saldo – rekening houdend met de voor- en nadelen – heeft geleden. Zoals uit die uiteenzetting blijkt en door UWV ter zitting ook is bevestigd, heeft die berekening echter alleen betrekking op de gevolgen van de onder 1.6 bedoelde vertraagde uitbetaling van de ZW-uitkering eind 2012. Uit het voorgaande volgt dat UWV ook aansprakelijk is voor de (eventuele) schade als gevolg van het onder 1.3 bedoelde handelen van UWV.

13. [eiseres] heeft de omvang van de door haar gestelde schade wel enigszins onderbouwd met een globale berekening en enkele stukken, waaronder beslissingen van de belastingdienst. Naar aanleiding van hetgeen UWV bij antwoord hierover heeft aangevoerd heeft [eiseres] gesteld dat UWV een actievere rol bij de beperking van de schade (door een beroep op fiscale regelingen etc.) had moeten hebben en achteraf in redelijkheid niet mag stellen dat [eiseres] haar schade had dienen te beperken. [eiseres] heeft echter geen aan de hand van voldoende stukken controleerbare en navolgbare berekening overgelegd van de schade die zij per saldo heeft geleden. [eiseres] zal in de gelegenheid worden gesteld dit alsnog te doen, ten aanzien van alle door haar gestelde schade. Daarbij zal [eiseres] ook kunnen ingaan op hetgeen UWV bij antwoord heeft opgemerkt over haar verplichting tot schadebeperking, en op hetgeen zij feitelijk heeft gedaan om haar schade te beperken. [eiseres] zal in de gelegenheid worden gesteld daartoe een akte te nemen.

14. Nadat [eiseres] haar schade nader heeft onderbouwd als hiervoor bedoeld zal UWV in de gelegenheid worden gesteld om zich uit te laten over de (eventuele) gevolgen van het (al dan niet) nakomen door [eiseres] van haar schadebeperkingsplicht voor de door [eiseres] geleden schade als gevolg van het onder 1.3 tot en met 1.5 bedoelde handelen van UWV.

14. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

BESLISSING

De kantonrechter:

stelt [eiseres] in de gelegenheid om zich bij akte uit te laten en stukken over te leggen als hiervoor in r.o. 13. bedoeld;

verwijst deze zaak daartoe naar de rolzitting van maandag 20 augustus 2018 om 10.00 uur;

bepaalt dat UWV zich vervolgens bij akte zal kunnen uitlaten als hiervoor bedoeld in r.o. 14.;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Aldus gewezen door mr. C.L.J.M. de Waal, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 juli 2018 in tegenwoordigheid van de griffier.