Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:5247

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
23-01-2018
Datum publicatie
26-07-2018
Zaaknummer
99/000441-21
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Mondelinge uitspraak
Inhoudsindicatie

Beslissing op de vordering ex artikel 15i, tweede lid van het Wetboek van Strafrecht tot het gedeeltelijk herroepen van de voorwaardelijke invrijheidstelling. De rechtbank wijst de vordering toe (veroordeelde moet nog 120 dagen vrijheidsstraf ondergaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

VI-zaaknummer : 99/000441-21

Parketnummer : 13/670983-11 (23-000644-13)

Beslissing op de vordering van het Openbaar Ministerie ex artikel 15i, tweede lid van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) tot het herroepen van de voorwaardelijke invrijheidstelling (hierna v.i.) van

[veroordeelde] (hierna: veroordeelde),

geboren op [geboortedag] 1977 te [geboorteplaats] ,

ingeschreven in de Basisregistratie Persoonsgegevens op het adres [BRP-adres] , wonende op het adres [verblijfadres] , thans gedetineerd in [plaats detentie] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

1.1.

De beslissing is genomen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 23 januari 2018.

1.2.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

  • -

    het arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 15 mei 2014;

  • -

    het besluit v.i. (algemene en bijzondere voorwaarden) van 7 juni 2017;

  • -

    het bevel tot aanhouding van de veroordeelde van 9 januari 2018;

  • -

    het reclasseringsadvies (herroeping v.i.) van 10 januari 2018 opgemaakt door P.C. Olie, reclasseringswerker;

  • -

    de vordering van de officier van justitie van 10 januari 2017 (de rechtbank leest: 2018);

  • -

    het bevel tot schorsing van de v.i. van de rechter-commissaris van 11 januari 2018;

  • -

    het proces-verbaal van verhoor van veroordeelde betreffende de schorsing van de v.i. van de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Amsterdam van 11 januari 2018.

1.3.

De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. P. van Laere, en van wat de veroordeelde en zijn raadsvrouw, mr. D.M. Rupert, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

2. Procesgang

2.1.

Bij onherroepelijk geworden arrest van de meervoudige strafkamer van het Gerechtshof Amsterdam van 15 mei 2014, is aan de veroordeelde een gevangenisstraf opgelegd van acht jaren, met aftrek van de tijd die door de veroordeelde in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht.

2.2.

De tenuitvoerlegging van deze straf is met ingang van 3 juni 2014 gestart.

2.3.

Bij beslissing van de rechtbank Amsterdam van 9 maart 2017 is de v.i. voor de duur van 120 dagen uitgesteld.

2.4.

Veroordeelde is, gelet op artikel 15 en 15a Sr, op 5 juli 2017 voorwaardelijk in vrijheid gesteld, onder de algemene voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt/zal maken aan een strafbaar feit en onder de bijzondere voorwaarden, dat hij gedurende de proeftijd:

  • -

    op vooraf door de reclassering vastgestelde tijdstippen aanwezig zal zijn op het adres [BRP-adres] ( [instelling] ), zolang de reclassering dat noodzakelijk acht;

  • -

    zal verblijven in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te weten [instelling] , althans in een soortgelijke instelling, en dat hij zich zal houden aan het (dag-)programma dat deze instelling in overleg met de reclassering heeft opgesteld.

2.5.

Op 9 januari 2018 heeft de advocaat-generaal van het Ressortsparket vestiging Arnhem/Leeuwarden de aanhouding van veroordeelde bevolen omdat veroordeelde zich niet heeft gehouden aan (een van) de voorwaarden en/of zich anderszins heeft misdragen.

2.6.

De schriftelijke vordering van het Openbaar Ministerie is op 10 januari 2018 op de griffie van de rechtbank ontvangen.

2.7.

Op 11 januari 2018 heeft de rechter-commissaris op vordering van het Openbaar Ministerie de schorsing van de voorwaardelijke invrijheidstelling bevolen.

3 De inhoud van vordering

3.1.

De vordering van de officier van justitie strekt ertoe dat de rechtbank de voorwaardelijke invrijheidstelling – voor een periode van 120 dagen – herroept.

3.2.

De vordering rust op de grond dat veroordeelde zich niet heeft gehouden aan de bijzondere voorwaarden die zijn verbonden aan de v.i. Veroordeelde is tijdens zijn verblijf bij [instelling] betrokken geraakt bij een ernstig geweldsincident waarbij veroordeelde heeft gevochten en waardoor het voor hem niet meer mogelijk is bij [instelling] te verblijven. Hij voldoet hierdoor niet aan de bijzondere voorwaarde dat hij moet meewerken aan begeleid wonen bij [instelling] .

3.3.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gepersisteerd bij de vordering tot gedeeltelijke herroeping van de v.i.

4 Het standpunt van veroordeelde en zijn raadsvrouw

4.1.

De veroordeelde heeft zich ter terechtzitting niet verzet tegen de gevorderde herroeping van de v.i. Hij heeft benadrukt dat hij weliswaar de aanleiding vormde voor het incident, maar dat hij geen geweld heeft gebruikt en ook niemand heeft bedreigd. Veroordeelde heeft verder aangevoerd dat hij niet op zijn plek zat bij [instelling] en dat hij de herroepen v.i. zal gebruiken om op een goede plek terecht te komen en dat hij de vier maanden gevangenisstraf die hij alsnog zal moeten ondergaan niet als straf ziet.

4.2.

De raadsvrouw van veroordeelde heeft terechtzitting opgemerkt dat veroordeelde niet op zijn plek zat bij [instelling] waar hij moeite had met het gevoerde beleid. Veroordeelde wilde bij zijn trauma’s worden geholpen, maar er was geen geld en tijd voor behandeling. Hij kon ook zijn kinderen niet zien. Hij wil vanuit de penitentiaire inrichting naar een kliniek.

5 Het oordeel van de rechtbank

5.1.

Volgens de v.i.-regeling geldt als uitgangspunt dat een veroordeelde, als is voldaan aan het bepaalde in artikel 15 Sr, vervroegd in vrijheid wordt gesteld na het ondergaan van het in dit artikel omschreven deel van de gevangenisstraf. De v.i. kan echter geheel of gedeeltelijk worden herroepen indien de veroordeelde een daaraan verbonden voorwaarde niet heeft nageleefd (artikel 15g Sr).

5.2.

Hoewel uit het reclasseringsrapport naar voren komt dat veroordeelde op 8 januari 2018 geen geweld heeft gebruikt, stelt de rechtbank wel vast dat veroordeelde zich door zijn toedoen niet heeft gehouden aan de bijzondere voorwaarde, dat hij bij [instelling] moet verblijven. Veroordeelde heeft zich op 8 januari 2018 tijdens een groepsgesprek irritant en provocerend gedragen. Zijn gedrag was de aanleiding tot een geweldsincident. Het incident van 8 januari 2018 stond niet op zichzelf. Veroordeelde was al eerder in conflict gekomen met zijn medebewoners doordat hij zich provocerend had gedragen. Naar aanleiding van het laatste incident heeft [instelling] besloten dat veroordeelde daar niet langer mocht verblijven. De leiding acht zijn aanwezigheid niet langer verantwoord. Er wordt gevreesd voor de veiligheid van veroordeelde, andere bewoners en die van het personeel.

5.3.

De rechtbank is van oordeel dat de vordering van de officier van justitie dient te worden toegewezen aangezien veroordeelde een bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

6 Beslissing

De rechtbank wijst de vordering tot gedeeltelijke herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling toe en gelast dat het gedeelte van de vrijheidsstraf dat als gevolg van de voorwaardelijke invrijheidstelling niet ten uitvoer is gelegd alsnog gedeeltelijk moet worden ondergaan, te weten 120 (honderdtwintig) dagen.

Deze beslissing is gegeven door

mr. R.A. Overbosch, voorzitter,

mrs. C.M. Degenaar en J.M.L.I. van Hommerich, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. Cordia, griffier.

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 23 januari 2018.

De oudste rechter en de jongste rechter

zijn buiten staat te tekenen.