Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:5246

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
23-01-2018
Datum publicatie
02-08-2018
Zaaknummer
99/000424-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Beslissing op de vordering ex artikel 15c van het Wetboek van Strafrecht tot het verlengen van de proeftijd van de voorwaardelijke invrijheidstelling. De rechtbank wijst de vordering af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling Publiekrecht

Teams Strafrecht

VI-zaaknummer : 99/000424-13

Parketnummer : 13/524191-05 (23/004433-10)

Beslissing op de vordering ex artikel 15c van het Wetboek van Strafrecht van het Openbaar Ministerie tot het verlengen van de proeftijd van de voorwaardelijke invrijheidstelling (hierna v.i.) van

[veroordeelde] (hierna: de veroordeelde),

geboren op [geboortedag] 1975 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),

ingeschreven in de Basisregistratie Persoonsgegevens op het adres [adres 1] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

1.1.

De beslissing is genomen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 23 januari 2018.

1.2.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

  • -

    het extract van het arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 3 mei 2013 in de zaak met parketnummer 23/004433-10 (13/524191-05);

  • -

    het besluit v.i. van 22 september 2015;

  • -

    het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 15 juli 2016 in de zaak met parketnummer 13/741057-16;

  • -

    het verlengingsadvies van Reclassering Nederland van 15 november 2017;

  • -

    het wijzigingsbesluit v.i. van het Openbaar Ministerie van 27 december 2017;

  • -

    de vordering tot verlenging van de v.i. van de officier van justitie van 11 januari 2017 (de rechtbank leest: 2018);

  • -

    het uittreksel uit de Justitiële Documentatie betreffende veroordeelde van 12 januari 2018;

1.3.

De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. P. van Laere, en van wat de veroordeelde en zijn raadsman, mr. R.A. Bruinsma, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

1.4.

De rechtbank heeft verder L.H.F. Janssen, reclasseringswerker, als deskundige gehoord.

2 Procesgang

2.1.

Bij onherroepelijk geworden arrest van de meervoudige strafkamer van het Gerechtshof Amsterdam van 3 mei 2013, is aan de veroordeelde – onder meer – een gevangenisstraf opgelegd van drie jaren en zes maanden, met aftrek van de tijd die door de veroordeelde in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht.

2.2.

Op grond van artikel 15 van het Wetboek van Strafrecht is veroordeelde op 2 oktober 2015 voorwaardelijk in vrijheid worden gesteld onder de algemene voorwaarden dat hij zich voor het einde van de proeftijd van 425 dagen niet schuldig maakt aan een strafbaar feit en dat veroordeelde zijn medewerking moet verlenen aan het reclasseringstoezicht. Tevens zijn hierbij de bijzondere voorwaarden gesteld dat veroordeelde gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [persoon] , geboren op [geboortedatum] 1986 te Amsterdam en dat hij zich binnen drie dagen na zijn invrijheidsstelling moet melden bij het Leger des Heils ( [adres 2] te Amsterdam) en dat hij zich gedurende de proeftijd moet melden bij de reclassering zolang en zo vaak zij dit noodzakelijk acht.

2.3.

Bij vonnis van deze rechtbank van 15 juli 2016 is de v.i. voor een periode van dertig dagen herroepen, omdat veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd had schuldig gemaakt aan een nieuw strafbaar feit.

2.4.

De proeftijd van de voorwaardelijke invrijheidstelling zal thans eindigen op 10 februari 2018.

2.5.

Bij besluit van 27 december 2017 heeft het Openbaar Ministerie het besluit v.i. gewijzigd in die zin dat daaraan de volgende voorwaarden zijn toegevoegd, te weten dat veroordeelde ook:

  • -

    moet meewerken aan diagnostiek en zich gedurende de proeftijd onder behandeling moet stellen van Inforsa, althans van een soortgelijke deskundige of zorginstelling, op tijden en plaatsen als door of namens die deskundige/zorginstelling aan te geven, om een behandeling te volgen gericht op delictpreventie en/of andere psychische problematiek en dat hij zich dient te houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de behandelaar zullen worden gegeven en indien de reclassering dit nodig acht, zich ten behoeve van diagnostiek kortdurend klinisch moet laten opnemen voor de duur van maximaal zeven weken;

  • -

    moet meewerken aan en een actieve inspanning moet verrichten voor (een traject gericht op) het verkrijgen en het behouden van woonruimte en een structurele en zinvolle (betaalde) dagbesteding;

  • -

    een open, gemotiveerde en meewerkende houding moet tonen met betrekking tot het toezicht en de behandeling;

  • -

    opening van zaken moet geven ten aanzien van zijn financiële situatie.

2.6.

De schriftelijke vordering van het Openbaar Ministerie is op 11 januari 2018 op de griffie van de rechtbank ontvangen.

3 De vordering van de officier van justitie

3.1.

De schriftelijke vordering van de officier van justitie strekt ertoe dat de rechtbank de proeftijd van de voorwaardelijke invrijheidstelling, die eindigt op 10 februari 2018, met 365 dagen zal verlengen.

3.2.

De vordering is gebaseerd op het “Verlengingsadvies v.i.” van de reclassering van 21 november 2017 opgesteld door reclasseringswerker D. de Vries. Hierin staat onder meer het volgende:

“Op basis van de slechte maatschappelijke inbedding in combinatie met de beperkte verstandelijke vermogens van veroordeelde en de recente recidive (geweldsdelict 13/198474-17) schatten wij in dat er een risico bestaat dat veroordeelde een ernstig (gewelds)delict zal plegen. In het kader van het reclasseringstoezicht wordt geprobeerd een stabiele woonplek alsmede een dagbesteding voor veroordeelde te realiseren waardoor er meer regelmaat komt in zijn bestaan en overlastgevend gedrag zoveel mogelijk wordt beperkt. Daarbij wordt geprobeerd veroordeelde te motiveren voor een delictvrij bestaan. Veroordeelde is momenteel matig gemotiveerd voor reclasseringsbegeleiding, mede omdat hij denkt dat hij zonder begeleiding op basis van een verouderde CIZ-indicatie in aanmerking zal komen voor huisvesting. Het gebrek aan inzicht en de beperkte motivatie van veroordeelde zijn risicofactoren voor zijn delictgedrag. Er zijn concrete voorwaarden/interventies voor gedragsverandering waaraan nog gewerkt moet worden: behandeling bij Inforsa (medewerking verlenen aan diagnostiek en zich laten behandelen in verband met delictpreventie en eventuele andere psychische problematiek en verkrijgen van een dagbesteding. Wij adviseren een verlenging voor de duur van 1 jaar. Na deze periode kan bekeken worden of een nieuwe verlenging nodig is, of dat de dan nog lopende proeftijden van parallel lopende toezichten voldoende zijn.

3.3.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gepersisteerd bij de vordering.

4 Het standpunt van (de raadsman van) veroordeelde

De raadsman van veroordeelde heeft verzocht de vordering af te wijzen en daartoe – samengevat – onder meer het volgende aangevoerd. Er lopen al verschillende toezichttrajecten naast elkaar. Er zijn dus al verschillende kaders om te bewerkstelligen wat de reclassering zou willen (bereiken). Er zijn voldoende waarborgen voor hulpverlening en de controle.

5 Het oordeel van de rechtbank

5.1.

Volgens de v.i.-regeling geldt als uitgangspunt dat als is voldaan aan het bepaalde in artikel 15 van het Wetboek van Strafrecht een veroordeelde vervroegd in vrijheid wordt gesteld na het ondergaan van het in dit artikel omschreven deel van de gevangenisstraf. Uit de wet volgt dat aan de v.i. een proeftijd wordt verbonden die op de dag van de v.i. ingaat. De proeftijd is gelijk aan de periode waarover voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend, maar bedraagt ten minste een jaar. De rechtbank kan (sinds 1 januari 2018) op grond artikel 15c, derde lid van het Wetboek van Strafrecht op vordering van het Openbaar Ministerie eenmaal de proeftijd met ten hoogste twee jaren verlengen

5.2.

Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de proeftijd alleen dient te worden verlengd wanneer en voor zo lang dat, met het oog op het recidiverisico dat van de veroordeelde uitgaat, noodzakelijk en proportioneel is. Bij de beoordeling van een verlengingsverzoek dient de rechtbank alle relevante individuele feiten en omstandigheden te betrekken, waaronder de belangen van de veroordeelde en het belang van de veiligheid van de samenleving.

5.3.1.

Veroordeelde is op 27 augustus 2015 in de zaak met parketnummer 23/000066-15 (13/669087-14) door het Gerechtshof Amsterdam veroordeeld tot onder meer een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden met een proeftijd van twee jaren. Aan deze voorwaardelijke straf zijn als bijzondere voorwaarden verbonden dat veroordeelde: 1. zich moet melden bij het Leger des Heils ( [adres 2] te Amsterdam) zolang en zo frequent als de reclassering dit noodzakelijk acht, 2. zich in het kader van het reclasseringstoezicht moet houden aan de aanwijzingen en opdrachten die de reclassering nodig acht en hem geeft, ook als dit inhoudt dat hij moet meewerken aan een hulpverlenend contact bij de ambulante instelling Groot Batelaar of soortgelijke instelling voor forensische zorg en/of het volgen van een training gericht op middelengebruik, 3. moet verblijven in een RIBW van het Leger des Heils of soortgelijke instelling en zich moet houden aan het (dag)programma dat deze instelling in overleg met de reclassering heeft opgesteld, zolang de reclassering dat nodig acht. Het arrest is op 17 januari 2017 onherroepelijk geworden. De proeftijd in deze zaak loopt tot 17 januari 2019.

5.3.2.

Veroordeelde is op 15 juli 2016 in de zaak met parketnummer 13/741057-16 door de rechtbank Amsterdam veroordeeld tot onder meer een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden met een proeftijd van drie jaren. Aan deze voorwaardelijke straf zijn als bijzondere voorwaarden verbonden dat veroordeelde 1. zich moet melden bij het Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering, 2. verplicht is mee te werken aan een behandeling, 3. moet meewerken aan een adequate dagbesteding en 4. moet verblijven bij een RIBW of een andere instelling voor maatschappelijke opvang. De proeftijd in deze zaak loopt tot 30 november 2019.

5.4.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting onderkend dat het kader om veroordeelde op het rechte pad te brengen en te houden, dat geldt in de v.i.-zaak, soortgelijk is als de kaders in de twee strafzaken.

5.5.

De proeftijd van de v.i. zou (volgens de reclassering) moeten worden verlengd omdat er concrete voorwaarden/interventies voor gedragsverandering zijn waaraan nog moet worden gewerkt. Veroordeelde staat in het kader van een voorwaardelijke gevangenisstraf tot 30 november 2019 onder toezicht van de reclassering. Hij dient zich aan bijzondere voorwaarden te houden. Diezelfde voorwaarden gelden ook in de v.i.-zaak en zijn gericht op hetgeen de reclassering in de v.i-zaak voor ogen staat (een stabiele woonplek, een dagbesteding en een behandeling bij Inforsa). De rechtbank is van oordeel dat het noodzakelijk noch proportioneel is de proeftijd van de v.i. te verlengen. Voor zover het nodig is dat alsnog bepaalde bijzondere voorwaarden moeten worden gesteld, kan het Openbaar Ministerie een daartoe strekkende vordering indienen. Gelet op het voorgaande zal de vordering tot verlenging van de proeftijd van de v.i. worden afgewezen.

6 Beslissing

De rechtbank wijst de vordering tot verlenging van de proeftijd van de voorwaardelijke invrijheidstelling af.

Deze beslissing is gegeven door

mr. R.A. Overbosch, voorzitter,

mrs. C.M. Degenaar en J.M.L.I. van Hommerich, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. Cordia, griffier.

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 23 januari 2018.

De oudste rechter en de jongste rechter

zijn buiten staat te tekenen.