Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:5232

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
25-07-2018
Datum publicatie
06-09-2018
Zaaknummer
C/13/635438 / HA ZA 17-951
Rechtsgebieden
Goederenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

5:37 BW; onrechtmatige hinder door bouw schuur voor raam en ventilatiegaten van een garage

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/635438 / HA ZA 17-951

Vonnis van 25 juli 2018

in de zaak van

1 [eiser sub 1] ,

2. [eiser sub 2],

beiden wonende te [woonplaats eisers] ,

eisers,

advocaat mr. K.R. Lieuw On te Amsterdam,

tegen

1 [gedaagde sub 1] ,

2. [gedaagde sub 2],

beiden wonende te [woonplaats gedaagden] ,

gedaagden,

advocaat mr. H.D. Wind te Amsterdam.

Partijen zullen hierna ook [eisers] en [gedaagden] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 31 augustus 2017 met producties,

- de conclusie van antwoord,

  • -

    het ambtshalve gewezen tussenvonnis van 21 februari 2018 waarin een comparitie van partijen is gelast,

  • -

    het naar aanleiding van het tussenvonnis nagekomen opname rapport opstal aan de zijde van [eisers] ,

  • -

    het proces-verbaal van descente, tevens comparitie van 18 april 2018, met de daarin genoemde processtukken en proceshandelingen.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Sedert 26 september 2011 is [eiser sub 1] eigenaar van een garagebox aan de [adres garagebox sub 1] in [woonplaats eisers] (hierna: de garage). [eiser sub 2] (vader van [eiser sub 1] ) is medegebruiker van de garage. De garage is één van vijf aaneengeschakelde garages, waarvan deze de laatste is. Aan de achterkant grenst de garage aan de achtertuin behorend tot het huis aan de [woonadres eiser sub 1] in [plaats] , dat sedert 2009 eigendom van [gedaagden] is.

2.2.

In de achtermuur van de garage zijn bij de bouw in de jaren ‘50 in het metselwerk ventilatiegaten aangebracht en een raamkozijn van 40 bij 60 centimeter met daarin een ondoorzichtig raam van glas en ijzerdraad voor lichtdoorlating.

2.3.

In 2016 is door [gedaagden] in zijn achtertuin een schuur (hierna: de schuur) gebouwd tegen de achterwand van de garage. Daarbij is de opening - voor zover aanwezig - tussen de garage en de schuur aan de bovenkant dichtgemaakt met een afwerking.

2.4.

Op 1 februari 2017 is [gedaagde sub 1] namens [eisers] aangeschreven tot herstel in de oude situatie ten aanzien van de lichtinval en de ventilatiegaten van de garage. Aan dit verzoek is geen gevolg gegeven.

2.5.

Een op 8 oktober 2017 in opdracht van [eisers] opgesteld rapport van [naam rapporteur] van B22 Bouwkundig Teken- & Adviesbureau BV (hierna: het rapport) vermeldt als conclusie het volgende:

Door plaatsing van deze berging (…) is de daglichttoetreding en zijn de ventilatiemogelijkheden van de garageboxen (…) volledig ontnomen. Door het ontbreken van daglicht is de garagebox (…) minder aantrekkelijk en daardoor slechter te verhuren. Door het ontbreken van de ventilatie ontstaat een muf milieu in de box en schimmelvorming op de garagedeur.”

3 Het geschil

3.1.

[eisers] vordert – samengevat - bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

- primair: veroordeling van [gedaagden] tot afbraak van de schuur, althans deze te verplaatsen op zodanige wijze dat de lichtinval en ventilatie (de rechtbank leest: van de garage) wordt hersteld naar het niveau voordat de schuur tegen de garage werd geplaatst, althans een door de rechtbank te bepalen niveau, binnen een week na de datum van het vonnis of een door de rechtbank te bepalen termijn en oplegging van een dwangsom van € 150,00 per dag dat [gedaagden] in gebreke blijven bij de uitvoering;

- subsidiair: veroordeling van [gedaagden] tot zodanige aanpassingen aan de schuur dat het hiervoor genoemde niveau van lichtinval en ventilatie wordt hersteld binnen de zelfde termijn en onder de last van dezelfde dwangsom;

- meer subsidiair: veroordeling van [gedaagden] tot vergoeding van de schade nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens het recht, althans tot betaling van de schade begroot op € 5.000,00 of een door de rechtbank te bepalen bedrag, alles vermeerderd met de wettelijke rente;

en veroordeling van [gedaagden] in de buitengerechtelijke kosten en de kosten van de procedure.

3.2.

[eisers] legt aan zijn vordering ten grondslag dat [gedaagden] in strijd handelt met artikel 5:37 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). Als gevolg van de bouw van de schuur tegen zijn garagemuur komt er in de garage geen daglicht meer en kan er geen natuurlijke ventilatie meer plaatsvinden, waardoor het binnenklimaat in de garage negatief beïnvloed wordt. Dit is onrechtmatig en [eisers] lijdt daardoor schade. De garage is minder bruikbaar en is minder goed verhuurbaar. [eisers] heeft daarover reeds tijdens de bouw van de schuur geklaagd, maar daar heeft [gedaagden] zich niets van aangetrokken.

3.3.

[gedaagden] voert als verweer dat het belang van licht in een garage gering is, zodat niet snel van onrechtmatige hinder sprake is en dat [eisers] geen bijzonder belang heeft gesteld. Volgens [gedaagden] is [eiser sub 2] niet ontvankelijk in zijn vordering, omdat hij geen eigenaar is en geen belang heeft bij de door [eisers] ingestelde vordering. [gedaagden] voert aan dat hij binnen een jaar na aankoop van zijn huis in 2009 alle ramen van de garages heeft dichtgetimmerd, zodat [eisers] reeds toen geen uitzicht had en zijn recht heeft verwerkt, nu daarover niet geklaagd is. De ventilatiegaten zijn niet afgesloten en er is tussen de garagemuur en de muur van de schuur voldoende ruimte voor ventilatie. Het causaal verband tussen de bouw van de schuur en het gebrek aan ventilatie wordt betwist. Volgens een inspecteur van de gemeente mocht de schuur vergunningsvrij gebouwd worden, had ter plekke in het verleden ook een schuur gestaan en zou bovendien het uitzicht uit de ramen van de garages in strijd zou zijn met het bepaalde in artikel 5:50 lid 1 BW. De gestelde waardedaling van de garage is niet onderbouwd.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De rechtbank stelt voorop dat artikel 5:37 BW bepaalt dat de eigenaar van een erf niet op een wijze die volgens artikel 6:162 BW onrechtmatig is, aan eigenaars van andere erven hinder mag toebrengen zoals door onder meer het onthouden van licht of lucht. Volgens vaste jurisprudentie hangt het antwoord op de vraag of sprake is van onrechtmatige hinder af van de aard, de ernst en de duur van de hinder en de daardoor toegebrachte schade in verband met de verdere omstandigheden van het geval, waarbij onder meer rekening moet worden gehouden met het gewicht van de belangen die door de hinder toebrengende activiteit worden gediend, en de mogelijkheid - mede gelet op de daaraan verbonden kosten - en de bereidheid om maatregelen ter voorkoming van schade te treffen (zie o.m. HR 21 oktober 2005, NJ 2006, 418, ECLI:NL:HR:2005:AT8823).

ontvankelijkheid [eiser sub 2]

4.2.

Artikel 5:37 BW biedt niet alleen bescherming aan eigenaars, maar ook aan gebruikers van naburige erven. Nu onvoldoende betwist is dat [eiser sub 2] medegebruiker is van de garage van zijn zoon, is er geen grond hem niet ontvankelijk te verklaren in zijn vordering.

rechtsverwerking

4.3.

[gedaagden] heeft gesteld dat hij het garageraam reeds binnen een jaar na aankoop van zijn huis heeft geblindeerd en dat uit luchtfoto’s en mededelingen van een gemeenteambtenaar blijkt dat ter plekke van de schuur al eerder een schuur heeft gestaan. [gedaagden] doet een beroep op rechtsverwerking en verwijst naar artikel 6:89 BW. [eisers] heeft betwist dat het garageraam geblindeerd was toen hij de garage kocht en stelt dat pas door de bouw van de schuur de lichtinval belemmerd werd.

4.4.

Voor een beroep op rechtsverwerking is enkel tijdsverloop of enkel stilzitten onvoldoende. Vereist is de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden als gevolg waarvan hetzij bij [gedaagden] het vertrouwen is gewekt dat [eisers] zijn aanspraak niet (meer) geldend zou maken, hetzij [gedaagden] in zijn positie onredelijk benadeeld zou worden in geval [eisers] zijn aanspraak alsnog geldend zou maken. Zulke bijzondere omstandigheden waaraan [gedaagden] de verwachting mocht ontlenen dat [eisers] zich niet op zijn recht zou beroepen, zijn niet gesteld of gebleken. Zelfs indien de feitelijke stellingen over het dichttimmeren van het raam juist zouden zijn, hetgeen in het licht van de betwisting door [eisers] niet vaststaat, faalt het beroep op rechtsverwerking. Het bewijsaanbod omtrent die feitelijke stellingen wordt derhalve gepasseerd.

onrechtmatige hinder

4.5.

Tegen de achtergrond van het hiervoor onder 4.1 genoemde toetsingskader overweegt de rechtbank ten aanzien van de feitelijke situatie ter plaatse als volgt. Op grond van het rapport en de waarnemingen van de rechtbank ter plaatse staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat de schuur de lichtinval in het niet doorzichtige raam van de garage volledig blokkeert en dat de luchttoevoer door de ventilatiegaten in de achtermuur van de garage eveneens geheel of grotendeels geblokkeerd is. Immers, zelfs indien met [gedaagden] wordt aangenomen dat er 5 centimeter ruimte zit tussen de schuur en de garagemuur, is de toegang tot die tussenruimte aan alle kanten afgesloten, zodat er geen sprake meer is van vrije toetreding van lucht tot de ventilatiegaten. Daarmee staat het causaal verband tussen de bouw van de schuur en de door [eisers] gestelde hinder vast en tevens dat het een voortdurende hinder betreft.

4.6.

Wat betreft de belangen van [eisers] bij lichtinval en ventilatie in zijn garage en zijn schade geldt allereerst dat [eisers] als eigenaar en gebruiker een belang toekomt daarover naar eigen wens te beschikken en de voordelen die door bouw en situatie bestaan, te genieten. Het belang bij lichtinval in een garage is weliswaar wellicht in het algemeen kleiner dan bij lichtinval in een woonruimte, maar dit neemt niet weg dat een garage mét lichtinval en ventilatie meer gebruiksmogelijkheden heeft dan één zonder. [eisers] hebben in dit verband gesteld (en met het rapport onderbouwd) dat de garage door het ontbreken van daglicht minder aantrekkelijk is voor verhuur en dat door het ontbreken van ventilatie een muf milieu ontstaat in de garage en schimmelvorming op de garagedeur. Daarmee is de garage minder goed bruikbaar voor opslag. Dit is door [gedaagden] onvoldoende betwist. Voor de vaststelling dat [eisers] schade lijdt is niet vereist, dat de omvang van de schade door [eisers] wordt gekwantificeerd. Daarmee staat vast, dat [eisers] door de hinder schade lijdt. Vast staat ook dat [gedaagden] vóór de bouw van de schuur geen overleg heeft gevoerd met [eisers] en derhalve geen toestemming heeft verkregen voor het toebrengen van de hinder. .

4.7.

Voor de beantwoording van de vraag of de hinder onrechtmatig is, is van belang dat [gedaagden] als eigenaar belang heeft om naar eigen wens te kunnen beschikken over (de inrichting van) zijn tuin. Daarnaast heeft hij belang bij handhaving van zijn investeringen in zijn fraai aangelegde tuin en bij het gebruik van de schuur. Voor zover echter in de stellingen van [gedaagden] besloten ligt dat hij op grond van artikel 5:50 BW gerechtigd zou zijn het raam van [eisers] af te sluiten, kan de rechtbank hem daarin niet volgen. Immers - daargelaten dat het raam en de ventilatiegaten in de garage er sinds jaar en dag (sinds de bouw van garage en huis) zijn - het raam is ondoorzichtig zodat dit gelet op artikel 5:51 BW toelaatbaar is. [gedaagden] had dan ook bij het plaatsen van de schuur rekening moeten houden met het belang van [eisers] bij ventilatie en lichtinval in de garage. En dat had ook op eenvoudige wijze gekund. Immers [gedaagden] had juist bij het ontwerp en de bouw van de schuur met de belangen van [eisers] rekening kunnen houden door de schuur op enige afstand van het raam of op een andere plek te plaatsen, een scheve wand aan te brengen die daglicht toe zou laten op het garageraam of andere voorzieningen te treffen die aan de lichtinval en ventilatie van [eisers] tegemoet zouden zijn gekomen.

4.8.

Nu [gedaagden] dat heeft nagelaten, is de rechtbank van oordeel dat de wegneming van lichtinval en ventilatie in de garage onrechtmatig is. Dit brengt met zich mee dat [gedaagden] de onrechtmatige hinder dient te beëindigen. Daartoe is in beginsel nodig dat de lichtinval en ventilatie in de garage worden hersteld tot een niveau gelijkwaardig aan dat van vóór de bouw van de schuur.

4.9.

Hoewel het [gedaagden] zichzelf in een positie heeft gebracht dat hij zijn investeringen in de schuur heeft gedaan zonder vooroverleg met [eisers] over de gevolgen daarvan voor de laatste, althans zonder met de belangen van [eisers] rekening te houden, is de rechtbank van oordeel dat de primaire vordering tot verwijdering of verplaatsing van de schuur disproportioneel is in het licht van de afweging tussen enerzijds het belang van [eisers] bij de lichtinval en ventilatie en anderzijds het belang van [gedaagden] bij handhaving van zijn investeringen en zijn vrijheid bij de inrichting van zijn tuin. Een dergelijke ingreep is disproportioneel vanwege de daarmee gemoeide kosten, gelet ook op het feit dat er minder vergaande oplossingen mogelijk zijn die ook lichtinval en ventilatie tot gevolg hebben. De primaire vordering kan zodoende niet worden toegewezen.

4.10.

De subsidiaire vordering van [eisers] komt op zich zelf voor toewijzing in aanmerking, maar is onvoldoende concreet om te verwachten dat partijen - indien zij vasthouden aan de onverzoenlijke houding zoals die tijdens de comparitie is gebleken – gezamenlijk kunnen vaststellen wat vereist is om te voldoen aan deze veroordeling. Bovendien is denkbaar dat ook een aanpassing in de garage door het aanbrengen van een bovenlicht en ventilatie, zoals [gedaagden] op enig moment heeft aangeboden, een voldoende voorziening zou kunnen vormen.

4.11.

Indien partijen derhalve naar aanleiding van dit vonnis niet gezamenlijk kunnen vaststellen welke maatregelen [gedaagden] zal nemen om de vastgestelde hinder weg te nemen, heeft de rechtbank behoefte aan deskundig advies om te kunnen vaststellen tot welke maatregelen [gedaagden] veroordeeld moet worden om executiegeschillen zoveel mogelijk te voorkomen. Het komt de rechtbank overigens voor dat het bereiken van onderlinge overeenstemming over de in de eerste zin van deze rechtsoverweging genoemde maatregelen, des te meer wenselijk is, nu vermoedelijk de kosten van het aanbrengen van een praktisch werkbare oplossing beperkt kunnen zijn vergeleken bij de kosten van deskundigenrapportage en de procedure die nodig is om een voldoende, concrete en aanvaardbare oplossing vast te stellen.

4.12.

Mochten partijen niet onderling tot overeenstemming komen, is de rechtbank voornemens om een deskundige te benoemen en deze de navolgende vragen voor te leggen:

4.12.1.

Welke aanpassingen aan de schuur zijn noodzakelijk om de lichtinval en ventilatie in de garage te herstellen tot een niveau overeenkomend met dat van vóór de bouw van de schuur?

4.12.2.

Zou een zodanig herstel van lichtinval en ventilatie aanzienlijk eenvoudiger en goedkoper uit te voeren zijn door bij de te nemen maatregelen niet slechts aanpassingen in de schuur aan te brengen, maar daarbij (tevens) aanpassingen aan de garage te betrekken? Zo ja, op welke wijze?

4.12.3.

Wilt u de in het antwoord op de eerder gestelde vragen te noemen maatregelen en aanpassingen zo nauwkeurig beschrijven dat op basis daarvan opdracht gegeven zou kunnen worden aan een aannemer om die ingreep uit te voeren?

4.12.4.

Heeft u verder nog opmerkingen die voor de beoordeling van de zaak van belang zouden kunnen zijn?

deskundige

4.13.

Voordat tot benoeming van de deskundige wordt overgegaan, zullen partijen in de gelegenheid worden gesteld zich bij akte uit te laten over de persoon van de te benoemen deskundige en de hiervoor geformuleerde vragen. De rechtbank verzoekt partijen om - zo mogelijk - met een eensluidend voorstel voor een deskundige te komen teneinde onnodige geschillen te voorkomen. De rechtbank zal hiertoe de zaak naar de rol verwijzen.

4.14.

De rechtbank ziet aanleiding af te wijken van het uitgangspunt van de wet dat het voorschot op de kosten van de deskundige in beginsel door de eisende partij moet worden gedeponeerd. Immers de subsidiaire vordering van [eisers] komt ten minste gedeeltelijk voor toewijzing in aanmerking en dat het moeilijk is om vast te stellen welke maatregelen concreet genomen moeten worden, ligt, naar het zich ter comparitie liet aanzien, aan de onverzoenlijke opstelling van beide partijen. Het nader vast te stellen voorschot op de kosten van de deskundige zal derhalve door beide partijen gezamenlijk elk voor de helft moeten worden gedeponeerd.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

verwijst de zaak naar de rol van 22 augustus 2018 voor het nemen van een akte door partijen waarin zij zich uitlaten over de vraag of een deskundige moet worden ingeschakeld en zo ja, de persoon van de deskundige en de aan deze te stellen vragen zoals verwoord in 4.12,

5.2.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. T.H. van Voorst Vader en in het openbaar uitgesproken op 25 juli 2018.1

1 type: vVV coll: LG