Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:5229

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
17-07-2018
Datum publicatie
27-07-2018
Zaaknummer
13/680276-17 (ontneming)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel (artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummers: 13/680276-17 (ontneming)

Datum uitspraak: 17 juli 2018

Verkort vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam, op vordering van de officier van justitie als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak, behorende bij de strafzaak met parketnummer 13/680276-17, tegen:

[veroordeelde] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [BRP-adres] , gedetineerd in [detentieadres]

1 Het onderzoek ter terechtzitting

De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van de vordering van de officier van justitie en het onderzoek op de terechtzitting van 3 juli 2018.

2 De vordering

De inleidende vordering van de officier van justitie van 23 april 2018 strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en het aan [veroordeelde] opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van dat geschatte voordeel tot een maximumbedrag van € 33.565,74.

Ter terechtzitting van 3 juli 2018 heeft de officier van justitie haar vordering gewijzigd in dier voege dat zij het maximumbedrag stelt op € 3.830,70.

De rechtbank begrijpt de vordering, gezien de stukken waarop de vordering berust en waarnaar deze vordering verwijst, aldus dat deze betrekking heeft op feiten waarvoor [veroordeelde] in de onderliggende strafzaak is veroordeeld en andere strafbare feiten waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door [veroordeelde] zijn begaan.

3 Grondslag van de vordering

[veroordeelde] is bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 17 juli 2018 ter zake van onder meer de volgende strafbare feiten veroordeeld:

Diefstal gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, in een woning, door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt, door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en verbreking.

Uit de stukken van de strafzaak is de rechtbank gebleken van een andere strafbaar feit, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat dit door [veroordeelde] is begaan, te weten:.

Medeplegen van voorbereiding van of medeplichtigheid aan diefstal gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd, op een besloten erf waarop een woning staat, door iemand die zich aldaar buiten weten of tegen de wil van de rechthebbende bevindt, door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak of verbreking.

4 Het wederrechtelijk verkregen voordeel

De rechtbank is van oordeel dat [veroordeelde] door middel van voornoemde strafbare feiten wederrechtelijk voordeel verkregen dat zij schat op € 1.456,44. De rechtbank ontleent deze schatting aan de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Bij de woninginbraak op het adres [naam 2] zijn sieraden gestolen ter waarde van € 7.090,00. Het is gebruikelijk dat helers minimaal 25% van de opgegeven waarde van juwelen/sieraden betalen (Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 5 februari 2016 – ECLI:NL:GHARL:2016:801). De opbrengst van deze inbraak is na verkoop van de buit dus € 1.772,50 geweest. Uit het dossier komt naar voren dat [veroordeelde] de inbraak samen met een ander heeft gepleegd. Het is aannemelijk dat hij de opbrengst met zijn mededader deelt. De conclusie is dat verdachte € 886,25 aan wederrechtelijk verkregen voordeel heeft verkregen.

Bij de inbraak op 22 oktober 2017 bij [naam 1] zijn in totaal 1.615 kratten gestolen. Uit het dossier volgt dat één krat € 1,50 opbrengt. In totaal was de opbrengst voor de daders dus € 2.250,00. De inbraak is gepleegd door drie daders terwijl [veroordeelde] een voorbereidende rol heeft gehad of als medeplichtige kan worden aangemerkt. [veroordeelde] was gemiddeld € 141,76 per dag kwijt aan het huren van een bus. De rechtbank acht het aannemelijk dat de opbrengt en de kosten door vieren zijn gedeeld. [veroordeelde] heeft aldus wederrechtelijk € 570,19 (€ 2.422,50 : 4 - € 141,76 : 4) aan voordeel verkregen.

De officier van justitie heeft aangevoerd dat [veroordeelde] ook betrokken is geweest bij de (niet aan hem ten laste gelegde) inbraken bij [naam 1] op 23 september 2017 en 8 oktober 2017 en dat hij door middel daarvan nog eens € 2.374,12 wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. De officier van justitie heeft gevorderd ook dat bedrag te ontnemen. De rechtbank is van oordeel dat niet boven redelijke twijfel is verheven dat [veroordeelde] ook bij deze inbraken betrokken is geweest. Zij is met andere woorden van oordeel dat er onvoldoende aanwijzingen dat die inbraken mede door [veroordeelde] zijn begaan. Bij de inbraken is een groep van daders betrokken die in wisselende samenstellingen strafbare feiten hebben gepleegd. De rechtbank zal daarom de officier van justitie in zoverre niet in haar vordering volgen.

5 De verplichting tot betaling

De rechtbank bepaalt het te ontnemen bedrag op € 1.456,44.

6 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

7. Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Stelt vast als wederrechtelijk verkregen voordeel een bedrag van € 1.456,44.

Legt op aan [veroordeelde] de verplichting tot betaling van € 1.456,44 (éénduizend vierhonderdzesenvijftig euro en vierenveertig cent) aan de Staat.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.H.J. Evers, voorzitter,

mrs. W.M.C. van den Berg en R.A.J. Hübel, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. M. Cordia, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 17 juli 2018.

De oudste rechter is buiten staat

dit vonnis mede te ondertekenen.