Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:5195

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
11-01-2018
Datum publicatie
19-09-2018
Zaaknummer
AMS 16/3456
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wbp, specificatie van verzoek, uitzonderingsgrond van art 43 onder e van de Wbp, kenteken, gefaseerde inzage.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 16/3456

uitspraak van de meervoudige kamer van 11 januari 2018 in de zaak tussen

[naam 1] , te [woonplaats] , eiser, hierna: [naam 1]

en

de staatssecretaris van Financiën, verweerder, hierna: de staatssecretaris

(gemachtigden: mr. I. Huppertz en mr. W. van Wendel de Joode).

Procesverloop

Met het besluit van 8 december 2015 (het primaire besluit) heeft de staatssecretaris beslist op een verzoek van [naam 1] om inzage in persoonsgegevens op grond van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp).

Met het besluit van 11 april 2016 (het bestreden besluit) heeft de staatssecretaris het bezwaar van [naam 1] ongegrond verklaard.

[naam 1] heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld op de zitting van 20 september 2016. [naam 1] is verschenen. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Het onderzoek op de zitting is geschorst om de uitkomst van een andere zaak bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) af te wachten. De Afdeling heeft op 26 juli 2017 uitspraak gedaan in die andere zaak. Partijen hebben daarop vervolgens een reactie gegeven.

De rechtbank heeft op grond van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) partijen in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken kenbaar te maken of zij op een nadere zitting gehoord willen worden. Na afloop van deze termijn heeft de rechtbank bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft.

Overwegingen

Inleiding

1. [naam 1] is enig bestuurder en enig aandeelhouder van [bedrijf 1] . (hierna: [bedrijf 1] ). [bedrijf 1] is enig aandeelhouder van [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2] ). [naam 1] is enig bestuurder van [bedrijf 2] . [naam 1] rijdt een auto waarvan het kenteken ( [nummer] ) op naam staat van de [bedrijf 2] .

2. Met brieven van 10 juni 2015 en 17 september 2015 heeft [naam 1] op grond van artikel 35 van de Wbp verzocht om verstrekking van een volledig en begrijpelijk overzicht van alle persoonsgegevens die de Belastingdienst verwerkt en heeft opgeslagen vanaf 1 januari 2010 van [naam 1] in privé, [bedrijf 1] , [bedrijf 2] en het kenteken op naam van [bedrijf 2] . Daarnaast heeft [naam 1] verzocht om een omschrijving van de doeleinden van de verwerking, de categorieën van gegevens waarop de verwerking betrekking heeft, de ontvanger of categorieën van ontvangers en de beschikbare informatie over de herkomst van de gegevens.

Besluitvorming en standpunten van partijen

3. Met het primaire besluit heeft de staatssecretaris op het verzoek van [naam 1] beslist. De staatssecretaris heeft aangegeven dat de Belastingdienst persoonsgegevens van [naam 1] verwerkt. De staatssecretaris heeft het verzoek om verstrekking van een overzicht van de persoonsgegevens die over [naam 1] zijn vastgelegd afgewezen vanwege het bijzonder ruime karakter van dat verzoek.

4. Met het bestreden besluit heeft de staatssecretaris het bezwaar van [naam 1] ongegrond verklaard. Volgens de staatssecretaris is het verzoek van [naam 1] te algemeen gesteld. De Belastingdienst beschikt over een grote hoeveelheid gegevens die verdeeld zijn over een grote hoeveelheid systemen. Het uitzoeken van de persoonsgegevens van [naam 1] in al die systemen neemt te veel tijd in beslag en brengt onevenredige kosten met zich. Het kenteken staat op naam van een niet-natuurlijk persoon, zodat op grond van artikel 1 van de Wbp de gegevens van de Automatic Number Plate Recognition (ANPR-gegevens) niet kwalificeren als persoonsgegevens. Het verzoek van [naam 1] om verstrekking van de gegevens van zijn ondernemingen wordt afgewezen, omdat de Wbp alleen van toepassing is op natuurlijke personen en dus niet op rechtspersonen.

5. In beroep voert [naam 1] aan dat de staatssecretaris ten onrechte weigert te voldoen aan de wettelijke verplichting van artikel 35 van de Wbp. [naam 1] wil inzage in zijn dossier, onder meer om invulling te kunnen geven aan het recht op verbetering, aanvulling en verwijdering ex artikel 36 van de Wbp.

Juridisch kader

6. Op grond van artikel 1, aanhef en onder a, van de Wbp wordt onder persoonsgegeven verstaan elk gegeven betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon.

7. Op grond van artikel 35, eerste lid, van de Wbp heeft de betrokkene het recht zich vrijelijk en met redelijke tussenpozen tot de verantwoordelijke te wenden met het verzoek hem mede te delen of hem betreffende persoonsgegevens worden verwerkt. De verantwoordelijke deelt de betrokkene schriftelijk binnen vier weken mee of hem betreffende persoonsgegevens worden verwerkt.

8. Op grond van het tweede lid bevat de mededeling, indien zodanige gegevens worden verwerkt, voor zover hier van belang een volledig overzicht daarvan in begrijpelijke vorm.

9. Op grond van artikel 43 van de Wbp kan de verantwoordelijke artikel 35 buiten toepassing laten voor zover dit noodzakelijk is in het belang van:

a. a) de veiligheid van de staat;

b) de voorkoming, opsporing en vervolging van strafbare feiten;

c) gewichtige economische en financiële belangen van de staat en andere openbare lichamen;

d) het toezicht op de naleving van wettelijke voorschriften die zijn gesteld ten behoeve van de belangen, bedoeld onder b en c, of

e) de bescherming van de betrokkene of van de rechten en vrijheden van anderen.

Beoordeling

10. De rechtbank moet beoordelen of de staatssecretaris het verzoek om verstrekking van een overzicht van door de Belastingdienst verwerkte persoonsgegevens van [naam 1] , [bedrijf 2] , [bedrijf 1] en het kenteken terecht heeft geweigerd.

De persoonsgegevens van [naam 1]

11. De staatssecretaris stelt dat het verzoek te ruim is geformuleerd.

12. De rechtbank overweegt het volgende. [naam 1] heeft gebruik gemaakt van zijn in artikel 35 van de Wbp omschreven recht om de verantwoordelijke te vragen hem mede te delen of zijn persoonsgegevens worden verwerkt. Zijn verzoek ziet op alle door de verantwoordelijke over de betrokkene verwerkte persoonsgegevens. Uit de Wbp volgt niet dat een betrokkene kan worden verplicht om zijn verzoek nader te specificeren. De Wbp biedt dan ook geen grond voor de afwijzing van het verzoek omdat dat verzoek te ruim is gesteld of te algemeen is geformuleerd. De hiertegen gerichte beroepsgrond slaagt.

13. De staatssecretaris doet met zijn stelling dat het verzoek te ruim is geformuleerd (indirect) een beroep op de uitzonderingsgrond van artikel 43, aanhef en onder e, van de Wbp. De Belastingdienst beschikt over een grote hoeveelheid gegevens die verdeeld zijn over een grote hoeveelheid systemen. Om een dossier in te zien, moeten allerlei systemen naast elkaar worden geopend. Geen enkele medewerker is bevoegd om in alle systemen tegelijk te kijken. Alleen het onderzoek naar de persoonsgegevens in al die systemen zal waarschijnlijk al twee dagen in beslag nemen en dus onevenredige kosten met zich brengen.

14. De rechtbank overweegt dat het beroep van de staatssecretaris op deze uitzonderingsgrond niet slaagt. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat een verantwoordelijke niet uitsluitend op grond van zijn belang om administratieve lasten te beperken een verzoek om informatie als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Wbp kan afwijzen. Volgens de Memorie van Moelichting moet de verantwoordelijke aannemelijk maken dat bij inwilliging van een dergelijk verzoek de administratieve lasten zodanig disproportioneel zijn dat hij in één van zijn rechten en vrijheden wordt aangetast of dreigt te worden aangetast (Kamerstukken II, 1997-1998, 25892, nr. 3, p. 171).1 Hoewel de rechtbank met verweerder constateert dat inwilliging van het verzoek van [naam 1] (helaas) een behoorlijk beslag zal leggen op de beschikbare middelen van de Belastingdienst, heeft de staatssecretaris met de door hem gegeven toelichting niet voldoende aannemelijk gemaakt dat de administratieve lasten in dit geval zo disproportioneel zijn dat de staatssecretaris of de Belastingdienst in één van zijn rechten en vrijheden wordt aangetast of dreigt te worden aangetast.

15. De conclusie is dat de staatssecretaris ten onrechte het verzoek tot inzage in de door de Belastingdienst verwerkte persoonsgegevens heeft afgewezen.

De gegevens van de ondernemingen en het kenteken op naam van [bedrijf 2]

16. De staatssecretaris heeft inzage in deze gegevens afgewezen omdat dit geen gegevens van natuurlijke personen zijn en daarmee geen sprake is van persoonsgegevens in de zin van de Wbp.

17. In de recente uitspraak van 26 juli 2017 heeft de Afdeling overwogen dat bij de beoordeling of gegevens als persoonsgegevens in de zin van de Wbp moeten worden aangemerkt van belang is of de gegevens alleen of in combinatie met andere gegevens zo kenmerkend zijn voor een natuurlijk persoon dat deze daarmee kan worden geïdentificeerd. Daarbij mogen alle middelen worden betrokken waarvan mag worden aangenomen dat zij redelijkerwijs door de verantwoordelijke of enig ander persoon zijn in te zetten om tot die identificatie te komen. De Afdeling heeft geoordeeld dat met de ANPR-gegevens van een op naam van een rechtspersoon geregistreerd motorrijtuig de natuurlijke persoon aan wie het motorrijtuig ter beschikking is gesteld, kan worden geïdentificeerd. Gelet hierop zijn dergelijke ANPR-gegevens volgens de Afdeling persoonsgegevens in de zin van de Wbp.2

18. De rechtbank is van oordeel dat de gegevens van de ondernemingen van [naam 1] en de gegevens van het kenteken op naam van [bedrijf 2] zo kenmerkend zijn voor [naam 1] dat deze daarmee kan worden geïdentificeerd. [bedrijf 2] draagt immers de naam van [naam 1] , waardoor hij direct kan worden geïdentificeerd. Voor [bedrijf 1] geldt dat [naam 1] (indirect) enig aandeelhouder en enig bestuurder is. De gegevens van [bedrijf 1] zijn daarmee met eenvoudig onderzoek naar [naam 1] te herleiden. Dit geldt ook voor de gegevens van het kenteken op naam van [bedrijf 2] . De staatssecretaris heeft dus ten onrechte beslist dat voornoemde gegevens geen persoonsgegevens zijn in de zin van de Wbp.

19. Uit het voorgaande volgt dat de staatssecretaris het verzoek om verstrekking van een volledig overzicht van de persoonsgegevens van de ondernemingen en het kenteken op naam van [bedrijf 2] ten onrechte heeft afgewezen.

Het aanbod van de staatssecretaris over de wijze van het geven van inzage

20. De vraag is vervolgens hoe de staatssecretaris inzage moet geven. Op de zitting bij de rechtbank heeft de staatssecretaris aangeboden om [naam 1] op kantoor te ontvangen om hem op die manier gefaseerd – dat wil zeggen eerst voor één fiscaal jaar en overigens alleen voor de persoonsgegevens van [naam 1] – inzage te geven in zijn persoonsgegevens. [naam 1] heeft zich verzet tegen een dergelijke wijze van inzage.

21. De rechtbank acht de door de staatssecretaris voorgestelde gefaseerde wijze van inzage, ook nu de betrokkene daar niet mee kan instemmen, niet in overeenstemming met artikel 35 van de Wbp. In artikel 35 van de Wbp staat immers dat inzage wordt gegeven door het doen van een schriftelijke mededeling, welke mededeling een volledig overzicht bevat van de persoonsgegevens die worden verwerkt. Dit betekent dat voor een gefaseerde inzage als door de staatssecretaris is voorgesteld, geen ruimte is.

Conclusie

22. De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen mogelijkheid zelf in de zaak te voorzien. De staatssecretaris zal een volledig overzicht in begrijpelijke vorm moeten verstrekken van de door de Belastingdienst verwerkte persoonsgegevens van [naam 1] , [bedrijf 1] , [bedrijf 2] en het kenteken op naam van [bedrijf 2] . Onder een volledig overzicht in begrijpelijke vorm moet worden verstaan een vorm die [naam 1] in staat stelt kennis te nemen van die gegevens en te controleren of zij juist zijn en zijn verwerkt in overeenstemming met de regelgeving. De staatssecretaris zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.

23. De rechtbank ziet op dit moment geen aanleiding om aan het nemen van een nieuw besluit door de staatssecretaris een dwangsom te verbinden, zoals door [naam 1] is verzocht.

24. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat de staatssecretaris aan [naam 1] het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

25. Daarnaast is er aanleiding voor een veroordeling van de staatssecretaris in de proceskosten. [naam 1] heeft verzocht om vergoeding van € 162,- aan verletkosten in verband met zijn aanwezigheid op de zitting van 20 september 2016 (2 uur à € 81,- per uur). Deze vergoeding wordt toegewezen.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt de staatssecretaris op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    draagt de staatssecretaris op het betaalde griffierecht van € 168,- aan [naam 1] te vergoeden;

  • -

    veroordeelt de staatssecretaris in de proceskosten van [naam 1] tot een bedrag van € 162,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.C. Langendoen, voorzitter, en mrs. C.J. Polak en J.T. Kruis, leden, in aanwezigheid van mr. L.C. Dankbaar, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 januari 2018.

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunt u hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Dit moet u doen binnen zes weken nadat de uitspraak is verzonden.

Is uw zaak spoedeisend en moet er al tijdens de procedure in hoger beroep iets worden beslist wat niet kan wachten, dan kunt u de hogerberoepsrechter vragen om een voorlopige maatregel te treffen.

1 Zie ook de uitspraak van de Hoge Raad van 29 juni 2007, ECLI:NL:PHR:2007:AZ4663.

2 ECLI:NL:RVS:2017:2008.