Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:5149

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
18-07-2018
Datum publicatie
23-08-2018
Zaaknummer
AMS 17-2346 T
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

WIA-zaak, tussenuitspraak. Verweerder dient alsnog gemotiveerd in te gaan op eisers beroep op het ILO-verdrag en daarbij de criteria te betrekken uit de uitspraak van de Raad van 27 juli 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:2461).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 17/2346 T

tussenuitspraak van de meervoudige kamer van 18 juli 2018 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. T.A. Vetter),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder

(gemachtigde: [naam] ).

Procesverloop

Bij besluit van 22 november 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder geweigerd per

12 september 2016 een Ziektewetuitkering aan eiser toe te kennen.

Bij besluit van 3 april 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 mei 2018.

Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

Wat voorafging aan deze procedure

1. Eiser was laatstelijk werkzaam via een uitzendbureau als [functie] . Eiser heeft zich op 19 juni 2015 ziekgemeld vanwege een bedrijfsongeval waarbij hij letsel aan zijn linkerhand heeft opgelopen. Op 19 juni 2015 is eisers dienstverband ook geëindigd. Bij besluit van 14 juli 2015 is aan eiser met ingang van 22 juni 2015 een Ziektewetuitkering toegekend.

2. Bij besluit van 9 juni 2016 is in het kader van een Eerstejaars Ziektewet-beoordeling (EZWb) eisers Ziektewetuitkering beëindigd vanaf 18 juli 2016. Daarvoor heeft verweerder als reden gegeven dat eiser weliswaar zijn oude werk als [functie] niet meer kan doen maar dat eiser wel in staat is andere passende arbeid te verrichten. Verweerder heeft drie functies (en vijf reservefuncties) geduid waarmee eiser meer kan verdienen dan 65% van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd. Aan eiser is per 18 juli 2016 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet toegekend. Eiser heeft zich op 12 september 2016 opnieuw ziekgemeld.

3. Bij het primaire besluit heeft verweerder per 12 september 2016 geweigerd een Ziektewetuitkering aan eiser toe te kennen. Daarvoor heeft verweerder als reden gegeven dat eiser geschikt is om één van de eerder in het kader van de EZWb geduide functies te verrichten. Aan het primaire besluit heeft verweerder de rapportage van verzekeringsarts in opleiding [naam] ( [naam] ), mede voor akkoord ondertekend door verzekeringsarts [naam] , van 21 november 2016 ten grondslag gelegd.

4. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd. Aan het bestreden besluit heeft verweerder de rapportages van verzekeringsarts bezwaar en beroep [naam] ( [naam] ) van 16 januari 2017 en 3 april 2017 en van arbeidsdeskundige bezwaar en beroep [naam] ( [naam] ) van 3 april 2017 ten grondslag gelegd.

De beoordeling door de rechtbank

Wettelijk kader

5. Artikel 19, eerste lid, van de Ziektewet luidt als volgt:

De verzekerde heeft bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte recht op ziekengeld overeenkomstig het bij of krachtens deze wet bepaalde.

Eerste arbeidsongeschiktheidsdag

6. Allereerst is in geschil of verweerder terecht is uitgegaan van 12 september 2016 als eerste ziektedag voor eisers aanspraak op een Ziektewetuitkering.

7. Eiser stelt dat zijn arbeidsongeschiktheid eerder is ingetreden dan op 12 september 2016. In ieder geval binnen vier weken na de beëindiging van zijn Ziektewetuitkering op 18 juli 2016 was hij al arbeidsongeschikt en daarom had hij recht op een aaneengesloten Ziektewetuitkering. Zijn psychische problematiek en de hiermee samenhangende energetische problematiek, waaronder met name de urenbeperking, waren volgens hem reeds aanwezig vóór 15 augustus 2016. Eiser verwijst hiervoor naar een brief van het Hand & Pols Centrum Amsterdam van 16 februari 2016 en naar een e-mail van 25 april 2017 van GZ-psycholoog [naam]

8. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen reden is om een andere eerste ziektedag aan te nemen. Ter onderbouwing heeft verweerder verwezen naar de rapportage van de (opvolgend) verzekeringsarts bezwaar en beroep, [naam] ( [naam] ), van 25 september 2017. [naam] schrijft dat [naam] dit al in zijn overwegingen heeft betrokken in zijn rapportage van 3 april 2017 en dat [naam] geen reden zag om aan te nemen dat eiser al arbeidsongeschikt was voor de datum ziekmelding op 12 september 2016. Bij de EZWb is met eiser ook gesproken over psychische klachten; er was sprake van aanpassingsproblematiek. Eiser ervaart dus al langere tijd klachten, maar dat is wat anders dan dat er sprake is van arbeidsongeschiktheid door psychische klachten. Er zijn geen concrete objectiveerbare gegevens dat er in genoemde periode al beduidend psychische beperkingen waren. Eiser was toen nog niet onder behandeling en heeft zich ook niet eerder ziekgemeld met die klachten. Daarbij was er geen medische reden dat eiser zich niet eerder ziek had kunnen melden.

9. De rechtbank stelt voorop dat de beëindiging van de Ziektewetuitkering per 18 juli 2016 in rechte vast staat. Voor zover eiser heeft verzocht om van die beslissing terug te komen, zal verweerder, zoals de gemachtigde van verweerder op de zitting heeft toegelicht, op dat verzoek een primair besluit nemen. Dat verzoek, alsmede de vraag of eiser vanaf 18 juli 2016 doorlopend recht heeft op een Ziektewetuitkering, valt echter buiten de reikwijdte van deze procedure.

10. Verder stelt de rechtbank vast dat eiser bij brief van 12 september 2016 aan verweerder heeft doorgegeven dat hij vanaf 12 september 2016 ziek is. Daarbij heeft eiser niet vermeld dat hij al vóór 12 september 2016 ziek was. De rechtbank is van oordeel dat [naam] en [naam] voldoende hebben gemotiveerd waarom er geen reden is om van een eerdere ziektedag uit te gaan. Uit de medische stukken waar eiser naar verwijst, blijkt naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende objectief dat al vóór 12 september 2016 sprake was van dusdanige psychische klachten die leiden tot arbeidsongeschiktheid. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder terecht is uitgegaan van 12 september 2016 als eerste ziektedag. De hiertegen gerichte beroepsgrond slaagt niet.

Medische beperkingen

11. Eiser stelt dat zijn medische beperkingen zijn onderschat.

12. De rechtbank is van oordeel dat de rapportages van de verzekeringsartsen over eiser zorgvuldig tot stand zijn gekomen. Alle beschikbare (medische) informatie en de door eiser aangegeven klachten zijn in de beoordeling van de verzekeringsartsen betrokken. Verder zijn de bevindingen en conclusies in de rapportages van de verzekeringsartsen voldoende gemotiveerd. Eiser heeft in beroep zijn standpunt, dat zijn medische beperkingen zijn onderschat, niet onderbouwd. Hij heeft evenmin (medische) stukken ingebracht waaruit blijkt dat er meer beperkingen hadden moeten worden aangenomen. De rechtbank ziet geen reden om aan de conclusies in de rapportages van de verzekeringsartsen te twijfelen. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat de beperkingen van eiser correct zijn vastgelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 3 april 2017. Dat betekent dat de hiertegen gerichte beroepsgrond niet slaagt.

Maatstaf begrip “zijn arbeid”

13. Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat eiser met zijn beperkte belastbaarheid nog steeds geschikt is voor de functie van [functie] met SBC-code [code] . Dit is één van de reservefuncties die in het kader van de EZWb zijn geduid. Deze SBC-code bestaat uit twee functienummers (beide [functie] ): één eindigt op [code] en een ander functienummer eindigt op [code] .

14. Eiser stelt dat [naam] slechts één deelfunctie geschikt heeft bevonden voor eiser per 12 september 2016. Deze functie valt onder de reservefunctie met SBC-code [code] . Eiser vindt het niet acceptabel dat een deelfunctie, vallend onder een reservefunctie, als “zijn arbeid” wordt aangemerkt. Onder deze omstandigheden kan niet meer worden gesproken van gangbare arbeid in de zin van artikel 19 van de Ziektewet. Dit staat volgens eiser te ver af van de bedoeling van de wetgever.

15. Uit vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep1 (de Raad) blijkt dat een EZWb in zijn uitwerking dezelfde effecten heeft als een beoordeling op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) of de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). De Raad heeft bij een ziekmelding na een EZWb een gelijke uitzondering aanvaard op zijn vaste rechtspraak dat onder “zijn arbeid” wordt verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. De maatstaf die geldt bij een ziekmelding na een EZWb – als betrokkene niet in enig werk heeft hervat – is gangbare arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de EZWb. Het gaat daarbij om elk van deze functies afzonderlijk, zodat het voldoende is wanneer de hersteldverklaring wordt gedragen door ten minste één van de geselecteerde functies.

16. Op grond van rechtspraak van de Raad2 bij een ziekmelding na een eerdere WIA-beoordeling hoeft één van de geselecteerde functies niet noodzakelijk een functie te zijn die destijds in het kader van de WIA-beoordeling aan het berekenen van de resterende verdiencapaciteit ten grondslag heeft gelegen, maar mag dit ook één van de reservefuncties zijn die aan de betrokkene zijn voorgehouden. Nu de Raad, zoals hiervoor aangegeven, zoveel mogelijk aansluit bij de (uitvoerings)systematiek van de Wet WIA is de rechtbank van oordeel dat ook in het kader van een ziekmelding na een EZWb het voldoende is wanneer de geschiktheid voor arbeid wordt gedragen door één van de bij de EZWb geselecteerde (reserve)functies. In eisers geval kan dat dus ook de reservefunctie met SBC-code [code] zijn.

17. Naar het oordeel van de rechtbank mocht verweerder, ook voor zover alleen de deelfunctie met het functienummer dat eindigt op [code] binnen de reservefunctie zou overblijven, uitgaan van deze deelfunctie, omdat niet in geschil is dat deze deelfunctie, gelet op het aantal arbeidsplaatsen dat de functie vertegenwoordigt, de SBC-code zelfstandig kan dragen. De rechtbank laat dan ook in het midden of er in casu nog sprake was van één of twee deelfuncties binnen de reservefunctie.

18. De rechtbank is dus van oordeel dat verweerder terecht de reservefunctie met SBC-code [code] , [functie] , tot maatstaf van eisers arbeid heeft genomen. De hiertegen gerichte beroepsgrond slaagt niet.

De geschiktheid van de geduide functie

19. [naam] heeft in bezwaar naar aanleiding van het door eiser overgelegde bericht van het Hand & Pols Centrum Amsterdam van 16 februari 2016 aanleiding gezien voor toevoeging van beperkingen vanwege de lichte flexiebeperking en in zekere mate spelende pijnklachten van de linker wijsvinger van eiser.

In de aangepaste FML van 3 april 2017 zijn onder punt 4.3 (hand- en vingergebruik) de volgende beperkingen opgenomen:

- de bolgreep is beperkt, kan door lichte flexiebeperking linker wijsvinger links geen volledige vuist maken;

- de pengreep is beperkt, links niet langdurig krachtig (pijn linker wijsvinger);

- de pincetgreep is beperkt, links niet langdurig krachtig;

- de sleutelgreep is beperkt, links niet langdurig krachtig;

- de cilindergreep is beperkt, links moeite met smalle cilinder;

- knijp/grijpkracht is beperkt, links 50 kgf, rechts 70 kgf (= normaal);

- repetitieve hand/vingerbewegingen zijn beperkt, linker wijsvinger niet langdurig.

20. Arbeidsdeskundige [naam] heeft naar aanleiding van de gewijzigde FML de passendheid van de geduide functies nader onderzocht. In zijn rapport van 3 april 2017 is [naam] tot de conclusie gekomen dat de functie met SBC-code [code] minder passend is. De functie met SBC-code [code] acht [naam] , ook rekening houdend met de klachten van de linker wijsvinger, passend. Hij heeft dat als volgt toegelicht. De pengreep en de cilindergreep zijn naar keuze. Dit kan dus met de dominante rechterhand. Bij de pincetgreep is in de functie geen sprake van krachtig gebruik nu er gewerkt wordt met zeer kleine onderdelen. Overigens kan ook de pincetgebruik met gebruik van de middelvinger gedaan worden. Bij de repetitieve handelingen blijft de belasting binnen de mogelijkheden, omdat de grijpfunctie (pincetgreep) voor het pakken van de componenten met duim en middelvinger (links) kan worden gedaan.

21. Eiser voert aan dat [naam] de functie met SBC-code [code] heeft laten vervallen omdat de grijpfunctie voor het pakken van de onderdelen met diverse handgrepen wordt gedaan en er tevens sprake is van repetitieve handelingen. In de functie met SBC-code [code] geldt dit argument volgens eiser ook. [naam] heeft niet inzichtelijk gemaakt waarom de functie met SBC-code [code] wel geschikt is. Daarnaast moet in deze functie worden gewerkt met extreem kleine onderdelen en moet eiser beschikken over een ‘vaste hand’. Eisers handfunctie is verminderd, hij heeft tintelingen en kan zijn linker wijsvinger zeer beperkt gebruiken. [naam] stelt dat de functie van de wijsvinger makkelijk kan worden overgenomen door de middelvinger. Dit is volgens eiser nog maar zeer de vraag. Er is volgens eiser geruime tijd nodig om gewend te raken aan het overnemen van de functie van de wijsvinger door de middelvinger en in dit licht bezien, kan onmogelijk gesproken worden van een ‘vaste hand’. Eiser moet in de functie ook met links de pincetgreep hanteren. In de FML is niet aangegeven dat hij geen beperking heeft ten aanzien van de pincetgreep indien deze incidenteel plaatsvindt. Een functie waarin hij met beide handen de pincetgreep moet hanteren, is volgens eiser ongeschikt.

22. In zijn rapportage van 28 september 2017 heeft [naam] nader toegelicht dat in de functie met SBC-code [code] wordt gewerkt met zeer divers gevormde onderdelen en dat gebruik van beide handen noodzakelijk is bij het uitvoeren van de diverse handgrepen. Daarom acht hij die functie minder passend. In de functie met SBC-code [code] worden zeer kleine onderdelen gehanteerd en is met name de pincetgreep aan de orde met beide handen. De overige handgrepen zijn naar keuze en kunnen dus met de dominante rechter hand worden uitgevoerd. Het plaatsen van de componenten op de printplaat vereist een grote mate van precisie, reden waarom dit vooral met de dominante hand (rechts) wordt gedaan. Links wordt dan vooral gebruikt voor het pakken van de componenten uit de bakjes (meerdere tegelijk). Vervolgens pakt men dan vanuit de linkerhand met de dominante rechterhand de componenten voor plaatsing op de printplaat. Links is dan aanzienlijk minder nauwkeurigheid vereist. Ook worden links minder handelingen verricht. Daarnaast ziet [naam] niet in waarom het uitvoeren van een pincetgreep met duim en middelvinger langdurige oefening vereist. [naam] heeft het vorenstaande met [functie] [naam] besproken.

23. De rechtbank is van oordeel dat [naam] zorgvuldig heeft gerapporteerd en voldoende heeft gemotiveerd waarom eiser met zijn beperkingen in de functie met SBC-code [code] kan werken. De door eiser ter zitting naar voren gebrachte uitspraak van de Raad (ECLI:NL:CRVB:2008:BF4062) maakt dit niet anders, nu die zaak niet vergelijkbaar is met de onderhavige zaak. In die zaak ging het om iemand waarbij een gedeelte van de linkerhand was geamputeerd en er andere beperkingen waren aangenomen dan bij eiser. De rechtbank acht de functie met SBC-code [code] dan ook geschikt voor eiser. De hiertegen gerichte beroepsgrond slaagt niet.

Duuraanspraak

24. Eiser heeft aangevoerd dat de duuraanspraak-jurisprudentie van toepassing is. Hij stelt dat hij met zijn ziekmelding op 12 september 2016 onder meer heeft beoogd een verzoek te doen aan verweerder om terug te komen van het besluit van 9 juni 2016 waarbij zijn Ziektewetuitkering is beëindigd, zodat een beoordeling over eventuele aanspraken voor de toekomst in deze procedure aan de orde kan komen.

25. De rechtbank is van oordeel dat de aanvraag van 12 september 2016 een nieuwe aanvraag voor een Ziektewetuitkering is. Nergens uit blijkt dat eiser hiermee verweerder vraagt terug te komen van het besluit van 9 juni 2016. Eisers verzoek, gedaan bij brief van 13 maart 2017, om het besluit van 9 juni 2016 te herzien, ligt in deze procedure dan ook niet voor. Verweerder zal hierop nog een primair besluit nemen. De rechtbank ziet dan ook geen reden om de duuraanspraak-jurisprudentie in deze zaak te bespreken. Deze beroepsgrond slaagt niet.

ILO-Verdrag 121

Het standpunt van eiser

26. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat de beëindiging van de Ziektewetuitkering per 18 juli 2016 en de weigering om aan hem per 12 september 2016 een Ziektewetuitkering te verstrekken in strijd zijn met het ILO-Verdrag 121 (het Verdrag3). Daartoe heeft hij, samengevat, het volgende aangevoerd.

27. Een uitkering vanwege een gerealiseerd beroepsrisico mag niet korter van duur zijn dan de termijn van de daaruit voortvloeiende arbeidsongeschiktheid. Een tijdelijke uitkering in geval van een structurele arbeidsongeschiktheid is dus niet toegestaan. Dit is niet te verenigen met de opzet van het Verdrag, aldus eiser. Een werknemer die is uitgevallen als gevolg van een bedrijfsongeval behoort tot aan zijn pensioen, en zelfs daarna, een uitkering te ontvangen, die in overeenstemming is met het Verdrag. Dit is bij eiser niet het geval.

28. Het Verdrag heeft volgens eiser rechtstreekse werking. Uit de Memorie van Toelichting bij de Wet WIA blijkt dat de wetgever de normen, die voortvloeien uit de artikelen 19 en 20 van het Verdrag, voldoende specifiek heeft geacht om als een ieder verbindende bepaling aan te merken in de zin van de artikelen 93 en 94 van de Grondwet. Eiser verwijst voor de rechtstreekse werking ook naar de uitspraak van de Raad van 27 juli 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:2461). Het Comité van Deskundigen van ILO is volgens eiser volstrekt helder over het antwoord op de vraag of het Verdrag rechtstreekse werking heeft en of de Wet WIA (en analoog hieraan de Wet BeZaVa) hiermee strijdig is. Het Comité kan zich alleen al vanwege de 35%-eis die wordt gesteld om toegang te krijgen tot het tweede jaar Ziektewet niet verenigen met de Wet BeZaVa. Daarnaast maakt de Wet BeZaVa geen onderscheid naar de aard van de arbeidsongeschiktheid. Het Verdrag streeft volgens eiser een minimum na voor slachtoffers van arbeidsongevallen. Binnen deze context en doel moet worden geoordeeld, ook in het licht bezien van voornoemde uitspraak van de Raad, dat de bepalingen in het Verdrag geschikt zijn voor rechterlijke toepassing.

29. Volgens eiser is voldaan aan de voorwaarden van artikel 6 van het Verdrag. In dit geval is de situatie als genoemd in artikel 6, aanhef en onder c van toepassing. Hierin is bepaald dat ook gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid wordt gedekt door het Verdrag. Dit wordt onderschreven door de rechtbank Assen (ECLI:NL:RBASS:2010:BL2373). Het enkele feit dat eiser nog benutbare mogelijkheden zou hebben en er nog theoretische functies zijn te duiden, is dus onvoldoende om hem de rechtsbescherming van het Verdrag te ontzeggen. Zolang eiser als gevolg van het bedrijfsongeval (gedeeltelijk) arbeidsongeschikt blijft voor zijn eigen werk is continuering van een (arbeidsongeschiktheids)uitkering aangewezen op grond van het Verdrag.

30. Op de zitting heeft de gemachtigde van eiser desgevraagd verklaard dat het bepaalde in artikel 6, aanhef en onder a, van het Verdrag in dit geval niet van toepassing is

Het standpunt van verweerder

31. Verweerder heeft in het bestreden besluit één zin gewijd aan het beroep dat eiser ook al in bezwaar had gedaan op het Verdrag:

“Voor wat betreft het feit dat u een beroep doet op ILO 21 merkt ondergetekende op dat niet in de Ziektewet is bepaald dat de Ziektewetuitkering niet beëindigd kan worden.”

32. In het verweerschrift is verweerder wat uitvoeriger. Verweerder voert aan dat eiser niet duidelijk heeft gemaakt waarom artikel 19 van de Ziektewet op gespannen voet staat met (artikel 9, derde lid, van) het Verdrag. Verder licht verweerder toe wanneer er inhoudelijk een beroep op het Verdrag kan worden gedaan. Verweerder verwijst naar een uitspraak van de Raad van 26 augustus 2011 (ECLI:NL:CRVB:2011:BR6146) waarin onder meer het volgende staat:

De Raad merkt op dat artikel 6, aanhef en onder c, in verbinding met artikel 1, onder b, van het Verdrag de nationale wetgever de ruimte laat een minimumpercentage vast te stellen voor gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid die tot een recht op uitkering leidt. Deze ondergrens dient volgens artikel 14, vijfde lid, van het Verdrag op een zodanig niveau te worden gesteld dat de betrokkenen niet in behoeftige omstandigheden geraken. Deze artikelen vormen geen bepalingen die naar hun aard eenieder kunnen verbinden als bedoeld in de artikelen 93 en 94 van de Grondwet.

De ILO-normverdragen dragen volgens verweerder een instructiekarakter, hetgeen in het algemeen in de weg zal staan aan de mogelijkheid van het inroepen van een rechtens afdwingbare aanspraak op een concrete prestatie in een individueel geval. Verweerder verwijst hierbij naar een uitspraak van de Raad van 29 augustus 2003 (ECLI:NL:CRVB:2003:AL7008).

33. Op de zitting heeft de gemachtigde van verweerder zich daarnaast op het standpunt gesteld dat de nieuwe ziekmelding niet rechtstreeks het gevolg is van het bedrijfsongeval maar van de toegenomen psychische klachten van eiser. Ook op grond hiervan is volgens de gemachtigde van verweerder het Verdrag niet van toepassing.

Het oordeel van de rechtbank

34. De rechtbank stelt voorop dat in deze procedure uitsluitend kan worden beoordeeld of de weigering om aan eiser per 12 september 2016 een Ziektewetuitkering toe te kennen in strijd is met het Verdrag. Voor zover eiser heeft aangevoerd dat de beëindiging van zijn Ziektewetuitkering per 18 juli 2016 in strijd is met het Verdrag geldt dat die vraag buiten het bestek van deze procedure valt.

35. In het bestreden besluit heeft verweerder niet alleen uiterst summier gereageerd op eisers al in bezwaar gedane beroep op het Verdrag, maar het is de rechtbank ook niet duidelijk wat verweerder met die zeer summiere reactie (zie hiervoor r.o. 31) precies bedoelt te zeggen. Dit betekent dat aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek kleeft.

36. Verder heeft verweerder voorafgaand aan de zitting niet gereageerd op het aanvullend beroepschrift van eiser van 18 april 2018, waarin eiser de uitspraak van de Raad van 27 juli 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:2461) onder de aandacht brengt.

37. In deze uitspraak overweegt de Raad onder meer het volgende:

4.3.4. Zoals de rechtbank Midden-Nederland heeft overwogen, heeft het leerstuk van de rechtstreekse werking sindsdien een ontwikkeling doorgemaakt. Deze rechtbank heeft de vraag naar de mogelijke rechtstreekse werking van artikel 11, lid 2, sub b, van het

VN-Vrouwenverdrag terecht beoordeeld aan de hand van de overwegingen van de Hoge Raad in zijn arrest van 10 oktober 2014, (ECLI:NL:HR:2014:2928, Rookverbodarrest), waarin als volgt wordt overwogen. Indien noch uit de tekst, noch uit de totstandkomingsgeschiedenis volgt dat geen rechtstreekse werking van de verdragsbepaling is beoogd, is de inhoud van die bepaling beslissend. Het gaat erom of deze onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig is om in de nationale rechtsorde zonder meer als objectief recht te worden toegepast. Indien het op grond van een verdragsbepaling in de nationale rechtsorde te bewerkstelligen resultaat onvoorwaardelijk is en voldoende nauwkeurig is omschreven, belet de enkele omstandigheid dat de wetgever of de overheid keuze- of beleidsvrijheid toekomt wat betreft de te nemen maatregelen ter verwezenlijking van dat resultaat, niet dat de bepaling rechtstreekse werking heeft. Of van die werking sprake is, hangt af van het antwoord op de vraag of de bepaling in de context waarin zij wordt ingeroepen, als objectief recht kan functioneren.

4.3.5. Zoals de Hoge Raad heeft overwogen in zijn arrest van 1 april 2011, volgt noch uit de tekst, noch uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 11, lid 2, sub b, van het

VN-Vrouwenverdrag dat geen rechtstreekse werking van deze bepaling is beoogd. Verder laat deze bepaling aan de wetgever of de overheid een ruime keuze- of beleidsvrijheid. Duidelijk is echter het met deze bepaling nagestreefde minimumresultaat, te weten dat voor iedere vrouw die − al dan niet in loondienst − inkomensvormende arbeid verricht, enige vorm van bevallingsverlof met behoud van (een zeker) inkomen open moet staan. Geoordeeld wordt dat de bepaling in zoverre geschikt is voor rechterlijke toepassing. Het feit dat het verdrag geen tijdpad noemt waarbinnen genoemd resultaat moet worden bereikt, doet hieraan in de omstandigheden van deze gedingen niet af. De Nederlandse regelgeving bevatte immers jaren vóór het tijdvak in geding reeds een regeling voor uitkeringen bij zwangerschap en bevalling voor zelfstandigen. In die situatie kan onduidelijkheid over de implementatietermijn niet in de weg staan aan rechtstreekse werking.

4.3.6. Geoordeeld wordt voorts dat de Staat zich, door afschaffing van de bestaande regeling zonder overgangsregeling en zonder vervangende regeling, niet heeft gehouden aan zijn verplichting om dit minimumresultaat te bereiken en te behouden.

38. Op de zitting heeft de gemachtigde van verweerder op vragen van de rechtbank verklaard geen standpunt in te kunnen nemen over de vraag of aan de Verdragsbepalingen rechtstreekse werking toekomt.

39. De rechtbank acht zich vanwege het uitblijven van een inhoudelijk standpunt van verweerder over de rechtstreekse werking van het Verdrag onvoldoende voorgelicht en vindt dat het debat hierover onvoldoende is gevoerd. Verweerder dient alsnog een onderbouwd standpunt in te nemen over de vraag of eiser voor de nationale rechter een beroep kan doen op de bepalingen van het ILO-verdrag en daarbij de criteria te betrekken die de Raad in de uitspraak van 27 juli 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:2461) heeft genoemd onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 10 oktober 2014 (ECLI:NL:HR:2014:2928).

40. Daarbij verzoekt de rechtbank verweerder om ook te reageren op het standpunt van eiser dat artikel 6, aanhef en onder c, van het Verdrag ziet op zijn eigen oude arbeid als [functie] en niet op de vervangende maatstaf.

41. Tot slot verzoekt de rechtbank verweerder zich uit te laten over de zinsnede “uitgaande boven een voorgeschreven minimum” in artikel 6, onder c, van het Verdrag en aan te geven wat volgens verweerder de strekking daarvan is.

42. De rechtbank stelt verweerder daarom in de gelegenheid om met toepassing van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb, het gebrek in het bestreden besluit te herstellen door een nadere motivering te geven. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen het gebrek kan worden hersteld op zes weken, te rekenen vanaf de dag van verzending van deze tussenuitspraak.

43. Verweerder moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen.

44. Als verweerder gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiser in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van verweerder.

45. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat er over het verzoek om schadevergoeding, de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing wordt genomen.

Beslissing

De rechtbank:

- draagt verweerder op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;

- stelt verweerder in de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.T. Kruis, voorzitter, mrs. L.C. Bachrach en R. Hirzalla, leden, in aanwezigheid van mr. E.M.M. Zuidwijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 juli 2018.

de griffier is verhinderd deze voorzitter

uitspraak mede te ondertekenen

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Dat kan worden ingesteld tegelijkertijd met het hoger beroep tegen de einduitspraak in deze zaak.

1 Zie onder meer ECLI:NL:CRVB:2017:1228.

2 Zie onder meer ECLI:NL:CRVB:2016:973.

3 Verdrag betreffende de prestaties bij arbeidsongevallen en beroepsziekten, 1964, Trb. 1965, 16.