Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:5143

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
23-07-2018
Datum publicatie
23-07-2018
Zaaknummer
13/650171-13 (A) en 13/669132-14 (B) (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

“De rechtbank veroordeelt de verdachte tot vier jaar gevangenisstraf, waarvan één jaar voorwaardelijk voor seks tegen betaling met een minderjarig meisje, verleiding van drie meisjes die zich deels ontbloot op een foto en voor de webcam hebben getoond aan de verdachte en poging tot ontucht met een jongen en een meisje. De opgelegde straf is verminderd vanwege aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn.”

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummers: 13/650171-13 (A) en 13/669132-14 (B) (Promis)

Datum uitspraak: 23 juli 2018

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen en verblijvende op het adres [adres] te

[woonplaats] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van

14 juni 2018, 25 juni 2018 en 9 juli 2018.

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd. Deze zaken worden hierna zaak A en zaak B genoemd.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. N.M. Smits, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. A.W.J. van Galen, naar voren hebben gebracht.

De rechtbank heeft tenslotte kennisgenomen van de schriftelijke vorderingen benadeelde partij van

[benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] en van de toelichting die mr. S. van Gijn namens [benadeelde partij 3] ter terechtzitting heeft gegeven.

2 Tenlastelegging

Zaak A

Verdachte wordt – kort gezegd – verweten dat hij ontucht heeft gepleegd met [benadeelde partij 3] , terwijl zij nog geen zestien jaar oud was.

Zaak B

De officier van justitie heeft ter terechtzitting van 14 juni 2018 de wijziging van de tenlastelegging ten aanzien van het onder feit 1 ten laste gelegde gevorderd. Deze wijziging houdt in een omschrijving van de ontuchtige handelingen ten aanzien van [slachtoffer 1] . De vordering noemt alleen de onder 1 primair ten laste gelegde aanranding. De onder 1 subsidiair ten laste gelegde verleiding wordt op de vordering tot wijziging van de tenlastelegging niet genoemd.

De rechtbank gaat ervan uit dat feit 1 subsidiair slechts abusievelijk niet op de vordering tot wijziging van de tenlastelegging is opgenomen en verder dat het onmiskenbaar de bedoeling van de officier van justitie is geweest om ook de feitelijke handelingen ten aanzien van [slachtoffer 1] onder het onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde nader te omschrijven, zodat de verfeitelijking van de ontuchtige handelingen zoals ten laste gelegd onder feit 1 primair en 1 subsidiair hetzelfde blijft luiden. De rechtbank ziet zich in dat oordeel gesterkt door de omstandigheid dat de raadsman ter terechtzitting van 25 juni 2018 ook verweer heeft gevoerd op het onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde, zodat hij de vordering kennelijk ook op die manier heeft opgevat. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat ook de wijziging van het onder feit 1 subsidiair ten laste gelegde aan de orde is.

In zaak B wordt verdachte, na wijziging van de tenlastelegging, het volgende verweten.

Onder feit 1 wordt verdachte de aanranding van zes minderjarige meisjes verweten. Hij zou hen door middel van het voeren van seksueel getinte chatgesprekken, kort samengevat, hebben gedwongen tot het plegen van ontuchtige handelingen voor de webcam en tot het maken van foto’s. Dit is subsidiair als verleiding ten laste gelegd. Het betrof de volgende meisjes:

  • -

    [naam 1]

  • -

    [slachtoffer 1]

  • -

    [naam 2]

  • -

    [naam 3]

  • -

    [benadeelde partij 2]

  • -

    [naam 4]

Onder feit 2 wordt verdachte verweten dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan grooming. Verdachte zou meisjes, waarvan hij wist of moest vermoeden dat zij nog geen zestien jaar oud waren, in chatgesprekken een ontmoeting hebben voorgesteld om met hen ontuchtige handelingen te plegen. Dit betrof de volgende meisjes:

  • -

    [benadeelde partij 1]

  • -

    [naam 5]

  • -

    [naam 6]

  • -

    [naam 7]

Onder feit 3 wordt verdachte verweten dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan ontucht met – waaronder ook begrepen het seksueel binnendringen van – [benadeelde partij 2] , terwijl zij tussen de twaalf en zestien jaar oud was. Ook is ten laste gelegd dat verdachte haar daartoe zou hebben verleid.

Ten slotte is onder feit 4 ten laste gelegd dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot ontucht met [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] , terwijl zij nog geen zestien jaar oud waren.

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in bijlage I, die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Voorvragen

3.1

Partiële nietigheid van de dagvaarding

3.1.1

Het standpunt van de verdediging

De dagvaarding dient ten aanzien van het in zaak B onder 2 ten laste gelegde nietig te worden verklaard, omdat een feitelijke omschrijving van de daarin opgenomen term ‘ontuchtige handelingen’ ontbreekt.

De dagvaarding dient daarnaast ten aanzien van het in zaak B onder feit 4, tweede gedachtestreepje, ten laste gelegde partieel nietig te worden verklaard, omdat aan de daarin opgenomen term ‘seksuele handelingen’ onvoldoende feitelijk betekenis toekomt en een nadere uitwerking van die term in de tenlastelegging ontbreekt.

3.1.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het verweer van de raadsman moet worden verworpen.

3.1.3

Het oordeel van de rechtbank

Onder feit 2 is aan verdachte ‘grooming’ ten laste gelegd, zoals strafbaar gesteld in artikel 248e Sr. Het is vaste jurisprudentie dat het begrip ‘ontuchtige handelingen’ onvoldoende feitelijk is in de zin van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering en dat er in de tenlastelegging een nadere omschrijving moet worden gegeven van de feitelijke gedragingen. Voor strafbaarheid ter zake van ‘grooming’ hoeft een daadwerkelijke ontmoeting tussen verdachte en het beoogde slachtoffer nog niet te hebben plaatsgevonden en kunnen de feitelijke gedragingen dientengevolge wellicht nog niet tot in detail worden aangegeven. Dat neemt echter niet weg dat in de tenlastelegging het begrip ‘ontuchtige handelingen’ nader dient te worden ingevuld. Bij gebreke daarvan dient de dagvaarding ter zake van het in zaak B onder feit 2 nietig te worden verklaard (vgl. Rechtbank Gelderland, 5 november 2015, ECLI:NL:RBGEL:2015:6828).

Onder feit 4 is aan verdachte ten laste gelegd de poging tot het plegen van ontuchtige handelingen. In het tweede gedachtestreepje is als verfeitelijking van de poging tot ontucht opgenomen dat ‘[verdachte] genoemde personen heeft gevraagd om voor de webcam te verschijnen en zich uit te kleden en/of seks te hebben en/of seksuele handelingen bij elkaar te plegen’. De rechtbank is van oordeel dat aan de woorden ‘seksuele handelingen’, zoals hier gebezigd, wel voldoende feitelijke betekenis toekomt. Derhalve voldoet de tenlastelegging van feit 4 ook zonder nadere uitwerking van dit begrip aan artikel 261 Sv (HR, 19 september 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX9215). De rechtbank verwerpt het verweer en zal de dagvaarding ter zake van zaak B onder feit 4 dan ook niet nietig verklaren.

3.2

Ontvankelijkheid van de officier van justitie

3.2.1

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair bepleit dat er sprake is van een vijftal onherstelbare vormverzuimen in het vooronderzoek die ieder afzonderlijk, dan wel in onderlinge samenhang bezien, dienen te leiden tot de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie (verder: OM) in de vervolging van verdachte, een en ander zoals opgenomen in de overgelegde en aan het proces-verbaal gehechte pleitnota van de raadsman.

De raadsman heeft, kort samengevat, het volgende aangevoerd.

I. In de zaken betreffende [benadeelde partij 3] , [benadeelde partij 2] en [naam 3] is de Aanwijzing opsporing en vervolging inzake seksueel misbruik, zoals deze gold in de periode van 1 januari 2011 tot en met 30 april 2016 (verder: de Aanwijzing), niet nageleefd. Van zorgvuldigheid, controleerbaarheid en neutraliteit bij het horen van [benadeelde partij 3] , [benadeelde partij 2] en [naam 3] is geen sprake geweest. De door hen afgelegde verklaringen zijn daarnaast niet volledig, niet duidelijk en op een groot aantal punten in strijd met de waarheid in processen-verbaal van verhoor neergelegd. De politie heeft in onderhavige zaak niet professioneel en zelfs misleidend gehandeld. Dit vormverzuim moet worden getoetst aan het [naam criterium] -criterium en aan het [naam criterium] -criterium.

II. In strijd met voornoemde Aanwijzing en de Aanwijzing auditief en audiovisueel registreren van aangevers, getuigen en verdachten (verder: de Aanwijzing auditief en audiovisueel registeren), zijn de eerste gesprekken tussen de politie en [naam 4] , [benadeelde partij 2] , [naam 7] , [naam 6] en [benadeelde partij 1] niet auditief geregistreerd, waardoor de juistheid van die gesprekken niet is te controleren.

Het OM dient (partieel) niet-ontvankelijk te worden verklaard ten aanzien van het onder feit 1 primair en subsidiair ten laste gelegde, voor zover het betreft de zaken [naam 4] en [benadeelde partij 2] , het onder feit 2 ten laste gelegde, voor zover het betreft de zaken [naam 7] , [naam 6] en [benadeelde partij 1] , en het onder 3 ten laste gelegde. Dit vormverzuim moet worden getoetst aan het [naam criterium] -criterium.

III. De verdediging is ten onrechte voorgehouden dat er geen auditieve opname is van het eerste gesprek met [benadeelde partij 2] (van 5 juni 2014). Dit vormverzuim moet worden getoetst aan het [naam criterium] -criterium.

IV. Het OM heeft de verdediging, de rechtbank en het gerechtshof in strijd met de inhoud van het dossier ten onrechte voorgehouden dat onder verdachte kinderporno is aangetroffen. Daarmee is sprake van een schending van de te respecteren verhouding tussen de rechterlijke macht en het OM die de kern van het wettelijk systeem aantast. Dit vormverzuim moet aldus worden getoetst aan het [naam criterium] -criterium. Daarnaast is ook aan de ex-partner en de oud-werkgever van verdachte voorgehouden dat er ‘een grote hoeveelheid kinderporno’ op de computer van verdachte zou zijn aangetroffen. Dit heeft geleid tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst van verdachte en tot beëindiging van het ouderlijk gezag.

V. Er is sprake van overschrijding van de redelijke termijn.

Subsidiair heeft de raadsman bepleit dat de hiervoor onder I en II genoemde vormverzuimen dienen te leiden tot bewijsuitsluiting. Daarnaast is zowel de inbeslagname als de doorzoeking van de gegevensdragers van verdachte onrechtmatig geweest. Daarvoor heeft de rechter-commissaris toestemming gegeven die was gebaseerd op onjuiste informatie. Die informatie was namelijk afkomstig uit het proces-verbaal van verhoor van [benadeelde partij 3] . Dit is een vormverzuim. Bij een juiste weergave van de verklaring van [benadeelde partij 3] in het proces-verbaal van verhoor was er geen sprake geweest van een redelijk vermoeden van schuld in de zin van artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering (Sv), zodat de resultaten van de doorzoeking en inbeslagneming volgens de raadsman eveneens van het bewijs moeten worden uitgesloten. De rechtbank zal naar het beroep op dit vormverzuim refereren als vormverzuim I.b.

Uiterst subsidiair dienen de vormverzuimen te leiden tot strafvermindering, aldus de raadsman.

3.2.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft het standpunt van de raadsman, kort gezegd, bestreden en betoogd dat het OM ontvankelijk is in de vervolging van verdachte.

De officier van justitie heeft in het bijzonder nog het volgende aangevoerd.

I. Dat het verhoor met [benadeelde partij 3] op onzorgvuldige wijze in het proces-verbaal van verhoor is samengevat, is betreurenswaardig, maar levert geen onherstelbaar vormverzuim op. Er is geen sprake van ongeoorloofde wijze van vragen stellen aan [benadeelde partij 2] , dan wel van ongeoorloofde druk van de zijde van de verbalisanten. De in het eerste gesprek met [naam 3] gedane uitlatingen, betroffen algemene opmerkingen. Een en ander dient niet te leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het OM, noch tot bewijsuitsluiting.

I.b. De doorzoeking is niet onrechtmatig geweest. Ook zonder de verklaring van [benadeelde partij 3] was er voldoende belastend materiaal om de doorzoeking te rechtvaardigen. Er is geen sprake van ‘verboden vruchten’ die van het bewijs moeten worden uitgesloten.

II. De eerste gesprekken werden door de verhorende verbalisanten niet gezien als informatieve gesprekken als bedoeld in de Aanwijzing, maar hadden het karakter van identificerende gesprekken. Achteraf bezien was het beter geweest om deze gesprekken wél auditief te registreren, maar niet kan worden gezegd dat daarmee sprake is van dermate nalatig handelen dat dit dient te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het OM, noch tot bewijsuitsluiting.

IV. Er is daadwerkelijk kinderpornografisch materiaal aangetroffen op gegevensdragers van verdachte, namelijk in de vorm van printscreens van minderjarige meisjes die daarop deels naakt te zien zijn. De kinderpornografische inhoud volgt bovendien uit de inhoud en strekking van de chatgesprekken. De keuze van het OM het bezit van kinderporno niet aan verdachte ten laste te leggen, is ingegeven door een combinatie van tijdsverloop en capaciteit van de politie. Dat de politie tegen de ex-partner en de oud-werkgever van verdachte zou hebben gezegd dat er kinderporno zou zijn aangetroffen op de computer van verdachte is speculatie van de zijde van de verdediging en kan niet voor rekening van het OM komen. Op basis daarvan kan niet worden gesteld dat met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan zijn recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.

V. Er is sprake van overschrijding van de redelijke termijn. Deze termijnoverschrijding heeft deels te maken met de door de verdediging ingediende onderzoekswensen, maar deels ook met – kort gezegd – de keuze van het OM de zaak, in afwachting van de uitkomst in een artikel 12 Sv procedure bij het gerechtshof, niet eerder voor inhoudelijke behandeling aan te brengen. De overschrijding van de redelijke termijn dient echter niet te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het OM, maar dient te worden verdisconteerd in de op te leggen straf.

3.2.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal eerst kort uiteen zetten in welk geval plaats is voor niet-ontvankelijkverklaring van het OM in de vervolging van verdachte en vervolgens ingaan op de door de verdediging aangevoerde niet-ontvankelijkheidsverweren. Ten behoeve van de overzichtelijkheid zal de rechtbank in deze rubriek ook de verweren strekkende tot bewijsuitsluiting bespreken.

Inleidend

Indien in het voorbereidend onderzoek sprake is van een onherstelbaar vormverzuim kan dat op grond van artikel 359a Sv leiden tot niet-ontvankelijkheid van het OM, tot bewijsuitsluiting, of tot compensatie in de strafoplegging. Ook kan de rechter volstaan met het constateren van het verzuim zonder daar enig rechtsgevolg aan te verbinden. Bij de bepaling van de aan vormverzuimen te verbinden gevolgen houdt de rechter rekening met het belang van het geschonden voorschrift, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor is veroorzaakt. Niet-ontvankelijkheid van het OM komt slechts in uitzonderlijke gevallen als rechtsgevolg in aanmerking. Het vormverzuim moet dan daarin hebben bestaan dat de met opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan (het [naam criterium] -criterium: HR, 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533).

Ook strijdigheid met bepalingen van het Europese Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en fundamentele vrijheden (EVRM) kan aanleiding zijn tot enige vorm van sanctionering, zoals niet-ontvankelijkheid van het OM.

Daarnaast kan in een zeer uitzonderlijk geval de niet-ontvankelijkheid van het OM worden aangenomen zonder dat de belangen van verdachte zijn geschonden. Het gaat dan om gevallen van zeer fundamentele inbreuken op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waarbij de belangen van verdachte weliswaar niet zijn geschaad, maar het wettelijke systeem in de kern is geraakt (het [naam criterium] -criterium: HR, 1 juni 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1143).

I. Het niet naar waarheid, althans niet professioneel, adequaat en zorgvuldig opmaken/opnemen van aangifte en getuigenverklaring

De rechtbank stelt voorop dat processen-verbaal een uit de wet volgende bijzondere bewijskracht in het strafproces hebben. Als belangrijk fundament van het strafproces behoren processen-verbaal dan ook correct en naar waarheid te worden opgemaakt. Daarop moet kunnen worden vertrouwd. Enige onjuistheid moet niet eerst aan het licht komen na verificatie door de verdediging. Vanwege de fundamentele aard van dit uitgangspunt is het daarmee gemoeide belang – van een verzuim in dit verband - navenant groot. Dat betekent evenwel (nog) niet dat iedere onjuistheid in (een) proces(sen)-verbaal daarmee ook onmiddellijk tot een ernstig en onherstelbaar vormverzuim leidt.

[benadeelde partij 3]

is op 7 februari 2013 in een zogenaamd studioverhoor gehoord, nadat door haar moeder aangifte was gedaan van – kort gezegd – ontucht door verdachte. Van de door [benadeelde partij 3] afgelegde verklaring is – in samengevatte vorm – proces-verbaal opgemaakt (p. 2 2001 e.v.). Nadat de raadsman de auditieve registratie van dit verhoor had uitgeluisterd, is het verhoor op verzoek van de raadsman woordelijk uitgewerkt. De raadsman heeft een aantal ongerijmdheden geconstateerd tussen de verklaring van [benadeelde partij 3] en de weergave daarvan in het proces-verbaal van verhoor. Dit heeft uiteindelijk geleid tot een klachtprocedure op grond van artikel 12 Sv bij het gerechtshof Amsterdam, wegens de beslissing van het OM niet tot vervolging wegens meineed en valsheid in geschrift van (onder andere) de betreffende verbalisant over te gaan. Het gerechtshof heeft het beklag bij beschikking van 4 augustus 2016 afgewezen.

De rechtbank constateert op basis van de woordelijke uitwerking van het studioverhoor van [benadeelde partij 3] , in navolging van het gerechtshof Amsterdam in voornoemde beschikking, dat de samenvatting van de verklaring van [benadeelde partij 3] zoals neergelegd in het proces-verbaal van verhoor op een aantal punten geen getrouw beeld geeft van hetgeen in het studioverhoor op die punten naar voren kwam. Dan gaat in het bijzonder om de uitlating van [benadeelde partij 3] dat verdachte met zijn hand in haar onderbroek zou zijn gegaan en dat hij haar zou hebben verteld kindjes met haar te willen maken. De samenvatting op deze twee punten komt niet overeen met de woorden die [benadeelde partij 3] heeft gebruikt en suggereren ten onrechte dat sprake zou zijn geweest van dat handelen dat mogelijk als ontuchtig zou kunnen worden gekwalificeerd. Daardoor is op die punten een onjuist beeld ontstaan dat afwijkt van de inhoud van de verklaring van [benadeelde partij 3] . Zoals het gerechtshof heeft overwogen, is daarmee sprake geweest van (vergaande) onzorgvuldigheid van de betreffende verbalisant.

Alhoewel hiermee de volgens de Aanwijzing te betrachten zorgvuldigheid bij het verhoor van [benadeelde partij 3] en het relateren daarvan in proces-verbaal niet in acht is genomen, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv dat dient te leiden tot niet-ontvankelijkheid of bewijsuitsluiting. Het verhoor is nadien uitgeluisterd en woordelijk uitgewerkt, zodat van onherstelbaarheid van het verzuim geen sprake is. Evenmin is met voormelde wijze van verhoren/opmaken van proces-verbaal sprake van een dermate fundamentele inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde, dat daarmee het wettelijke systeem in de kern is geraakt.

De rechtbank zal voor het bewijs uitgaan van de woordelijke uitwerking van het verhoor van [benadeelde partij 3] en slechts die onderdelen daarvan voor het bewijs gebruiken die bevestiging vinden in objectief bewijsmateriaal (chatgesprekken) of de verklaring van verdachte.

[benadeelde partij 2]

Ook het verhoor van [benadeelde partij 2] , zoals afgelegd op 12 juni 2014, is op verzoek van de raadsman woordelijk uitgewerkt. De rechtbank is met de raadsman van oordeel dat de in het proces-verbaal van verhoor samengevat weergegeven verklaring van [benadeelde partij 2] (p. 2 1049 e.v.) op essentiële punten afwijkt van hetgeen zij blijkens de woordelijke uitwerking van het verhoor daadwerkelijk heeft verklaard. Ook blijkt uit die woordelijke uitwerking dat de verklaring van [benadeelde partij 2] op een andere manier tot stand is gekomen dan uit het proces-verbaal van verhoor lijkt te volgen. Zo is er veelal sprake geweest van een gesloten vraagstelling door de verhorende verbalisanten, waarbij de chatgesprekken tussen verdachte en [benadeelde partij 2] leidend zijn geweest en door de verhoorders als vaststaande feiten aan haar zijn gepresenteerd. Daarbij is [benadeelde partij 2] gevraagd om aan de hand van de chatgesprekken te bevestigen wat er wel en niet echt was gebeurd.

De rechtbank heeft echter niet de indruk dat [benadeelde partij 2] de verhorende verbalisanten naar de mond heeft willen praten. Dit blijkt onder meer uit het feit dat zij op diverse punten, ondanks herhaalde vragen van de verbalisant, de ruimte heeft genomen om te verklaren dat dingen niet zijn gebeurd, zoals op het punt dat zij verklaart niet voor de webcam te zijn geweest (p. 3 1411) en dat verdachte wél een condoom zou hebben gedragen (p. 3 1434).

Naar het oordeel van de rechtbank hebben de verhorende verbalisanten bij het verhoren van [benadeelde partij 2] en het weergeven van haar verklaring in het proces-verbaal van verhoor, in strijd met de Aanwijzing, onvoldoende zorgvuldigheid betracht en op enkele punten in strijd met de waarheid geverbaliseerd. Deze werkwijze van de verbalisanten acht de rechtbank kwalijk. Dit geldt in het bijzonder in een zedenzaak, waarbij het bewijs veelal alleen afkomstig is van de verklaringen van betrokken personen die bovendien vaak lijnrecht tegenover elkaar staan. Alhoewel het optreden van de verbalisanten bij het verhoren van [benadeelde partij 2] en het opmaken van het proces-verbaal van verhoor ernstig moet worden bekritiseerd, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv dat dient te leiden tot niet-ontvankelijkheid of bewijsuitsluiting. Het verhoor is nadien uitgeluisterd en woordelijk uitgewerkt, waarmee voor de verdediging en de rechtbank controleerbaar is geworden wat de verklaring van [benadeelde partij 2] inhoudt en hoe die verklaring tot stand is gekomen, zodat van volledige onherstelbaarheid geen sprake is. Naar oordeel van de rechtbank is met voormelde wijze van verhoren/opmaken van proces-verbaal niet sprake van een dermate fundamentele inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde, dat daarmee het wettelijke systeem in de kern is geraakt.

De rechtbank zal bij de beoordeling van de tenlastelegging uitgaan van de woordelijke uitwerking van de verklaring van [benadeelde partij 2] van 12 juni 2014 en slechts die onderdelen gebruiken waarvan de rechtbank overtuigd is dat het een authentieke verklaring van [benadeelde partij 2] betreft die niet is ontstaan door sturing door de verhorende verbalisanten. Verder zal de rechtbank slechts die onderdelen van de woordelijke uitwerking voor het bewijs gebruiken die bevestiging vinden in ander, objectief, bewijsmateriaal (chatgesprekken) of in de verklaring van verdachte.

[naam 3]

Uit de woordelijke uitwerking van het intakegesprek met [naam 3] blijkt dat door de verhorende verbalisanten bij aanvang van het gesprek enige informatie is verstrekt over (de omvang van) het lopende opsporingsonderzoek. De rechtbank sluit dan ook niet uit dat deze informatie mogelijk de verklaringsbereidheid van [naam 3] heeft vergroot. Echter, niet is gebleken dat door de verbalisanten informatie is verstrekt die van invloed is geweest op de inhoud van de door [naam 3] afgelegde verklaring. De raadsman heeft in dat verband nog gewezen op het ‘influisteren’ van informatie over de leeftijd van verdachte ten tijde van de chatgesprekken met [naam 3] door de verhorende verbalisanten. De rechtbank is echter van oordeel dat het verhoor op dit punt weliswaar anders had gemoeten, maar dat geen sprake is van het influisteren van informatie die de kern van het verwijt, namelijk het plegen dan wel dulden van ontuchtige handelingen, raakt. De rechtbank is ook ten aanzien van het verhoor van [naam 3] van oordeel dat geen sprake is van een onherstelbaar vormverzuim dat dient te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het OM of tot uitsluiting van bewijsmateriaal.

De rechtbank zal evenwel ook bij het gebruik van de verklaring van [naam 3] voor het bewijs de nodige behoedzaamheid betrachten, overeenkomstig het hiervoor bij [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 2] overwogene.

I.b. Onrechtmatige doorzoeking gegevensdragers

De aanvraag tot doorzoeking ter inbeslagneming van 19 februari 2013 is gestoeld op de aangifte van de moeder van [benadeelde partij 3] , de door haar aan de politie overhandigde chatberichten tussen [benadeelde partij 3] en verdachte, de samenvatting van het daarop volgende studioverhoor van [benadeelde partij 3] en een politiemutatie uit 2009, waarin is vermeld – kort gezegd – dat verdachte MSN contact had met twee minderjarige kinderen, waarin hij hen had gezegd dat hij hen wel wilde zien neuken op de achterbank van zijn auto en dat hij deze kinderen ook daadwerkelijk in hun woonplaats had opgezocht. Op basis van deze informatie kon de rechter-commissaris, ook indien de achteraf gebleken onjuistheden in de samengevatte verklaring van [benadeelde partij 3] in het geheel buiten beschouwing zouden zijn gelaten, naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid tot de beslissing komen om een doorzoeking in de woning van de verdachte te laten plaatsvinden. Naar het oordeel van de rechtbank is de doorzoeking van de woning van verdachte en de inbeslagneming van zijn gegevensdragers dan ook rechtmatig geweest en is er geen sprake van een vormverzuim dat dient te leiden tot bewijsuitsluiting.

II. Het in strijd met de Aanwijzing niet auditief registeren van een groot aantal eerste gesprekken

De Aanwijzing schrijft voor dat in zedenzaken altijd een informatief gesprek wordt gevoerd, tenzij dit vanwege een acute situatie niet mogelijk is. Dit gesprek wordt auditief geregistreerd en in een proces-verbaal vastgelegd. De rechtbank neemt deze Aanwijzing als uitgangspunt, nu deze een strenger en dus voor verdachte gunstiger beleid voorschrijft dan de Aanwijzing auditief en audiovisueel registreren.

De raadsman heeft partiële niet-ontvankelijkheid van het OM wegens schending van deze registratieverplichting bepleit ten aanzien van het in zaak B onder feit 1 primair en subsidiair ten laste gelegde in de zaken [naam 4] en [benadeelde partij 2] , het in zaak B onder 2 ten laste gelegde voor zover het betreft [naam 7] , [naam 6] en [benadeelde partij 1] en ten aanzien van het in zaak B onder feit 3 ten laste gelegde ( [benadeelde partij 2] ). Hoewel de rechtbank hiervoor reeds heeft overwogen dat de dagvaarding ten aanzien van het in zaak B onder 2 nietig zal worden verklaard, zal de rechtbank het verweer wel bespreken, nu de raadsman het standpunt heeft ingenomen dat de vormverzuimen in hun gezamenlijkheid raken aan de algehele ontvankelijkheid van het OM.

Ter terechtzitting van 25 juni 2018 heeft de rechtbank vastgesteld dat de opname van het eerste gesprek met [benadeelde partij 2] , te weten het gesprek van 5 juni 2014, wél auditief is geregistreerd. De rechtbank verwerpt in zoverre het verweer, wegens gebrek aan feitelijke grondslag.

De rechtbank stelt voorts vast dat de eerste gesprekken met [naam 4] , [naam 7] , [naam 6] en [benadeelde partij 1] niet auditief zijn geregistreerd. De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of de eerste gesprekken met [naam 4] , [naam 7] , [naam 6] en [benadeelde partij 1] moeten worden gekwalificeerd als informatief gesprek als bedoeld in de Aanwijzing. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe dat deze eerste gesprekken weliswaar primair de identificatie van de betreffende meisjes tot doel hadden, maar dat uit de processen-verbaal waarin deze gesprekken zijn neergelegd, blijkt dat deze gesprekken inhoudelijk niet kunnen worden onderscheiden van een ‘informatief gesprek’ als bedoeld in (bijlage 2 bij) de Aanwijzing.

Het niet auditief vastleggen van deze eerste gesprekken is in strijd met het (dwingend voorgeschreven) beleid zoals neergelegd in de Aanwijzing. Dit levert een onherstelbaar vormverzuim op als bedoeld in artikel 359a Sv. Naar het oordeel van de rechtbank is met het niet registreren van deze gesprekken echter geen sprake geweest van een doelbewuste schending of grove veronachtzaming van de belangen van verdachte, dan wel van schending van normen die het fundament van een behoorlijke strafrechtspleging in de kern raken. Het vormverzuim is niet van die (zeer uitzonderlijke) orde, dat van een eerlijk proces tegen verdachte niet langer sprake kan zijn, zodat het verzuim niet leidt tot de niet-ontvankelijkheid van het OM in de vervolging van verdachte.

Met het niet auditief registreren van de eerste gesprekken, is het verloop van deze gesprekken en de weergave daarvan in de processen-verbaal echter niet meer te controleren. Dit klemt te meer, aangezien in de gevallen waarbij de verhoren wél konden worden uitgeluisterd en gecontroleerd sprake was van een min of meer sturende wijze van vragen stellen en een onzorgvuldige wijze van relateren in het proces-verbaal (zie hiervoor onder I). Dit raakt aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van [naam 4] , [naam 7] , [naam 6] en [benadeelde partij 1] . De rechtbank zal aan het vormverzuim echter niet de verstrekkende consequentie van bewijsuitsluiting verbinden, aangezien enige compensatie van het door het verzuim veroorzaakte nadeel wel mogelijk was geweest, bijvoorbeeld door middel van het horen van [naam 4] , [naam 7] , [naam 6] en [benadeelde partij 1] of de verhorende verbalisanten als getuige. De verdediging heeft een dergelijk verzoek echter niet gedaan. De rechtbank zal evenwel, net als in de zaken betreffende [benadeelde partij 3] , [benadeelde partij 2] en [naam 3] , de nodige behoedzaamheid betrachten bij het gebruik van de verklaring van [naam 4] voor het bewijs. De rechtbank zal haar verklaring slechts voor het bewijs gebruiken indien en voor zover zij bevestiging vindt in objectief bewijsmateriaal (chatberichten) of de verklaring van verdachte. Nu de dagvaarding betreffende de ‘grooming’ van [naam 7] , [naam 6] en [benadeelde partij 1] nietig wordt verklaard, komt de rechtbank aan een verdere bespreking van deze verklaringen niet toe.

III. Ten onrechte voorhouden aan de verdediging dat er geen auditieve opname is van het eerste gesprek met [benadeelde partij 2]

De raadsman heeft de officier van justitie bij brief van 15 augustus 2014 gevraagd of het intakegesprek met [benadeelde partij 2] auditief was geregistreerd. De officier van justitie heeft de raadsman hierop meegedeeld dat dit niet het geval was. In het proces-verbaal van bevindingen van 16 december 2014 is vervolgens de reden van het niet auditief registreren van onder andere het eerste gesprek met [benadeelde partij 2] opgenomen. Uit de woordelijke uitwerking van het tweede verhoor van [benadeelde partij 2] (verhoor van 12 juni 2014) blijkt echter dat door de verhorende verbalisant is gezegd ‘dat hij het vorige gesprek (de rechtbank begrijpt: het gesprek van 5 juni 2014) had opgenomen en uitgeluisterd’. Naar aanleiding van deze passage heeft de raadsman de officier van justitie nogmaals verzocht om de verdediging in de gelegenheid te stellen het verhoor van 5 juni 2014 uit te luisteren. Hierop werd – kort gezegd – meegedeeld dat de politie geen geluidsopname kon vinden.

Zoals hiervoor onder II is overwogen, heeft de rechtbank ter terechtzitting van 25 juni 2018 vastgesteld dat de opname van het eerste gesprek met [benadeelde partij 2] (van 5 juni 2014) wél auditief was geregistreerd. Derhalve is de raadsman ten onrechte meerdere malen meegedeeld dat er géén auditieve opname van dit gesprek was gemaakt. De rechtbank acht dit kwalijk, te meer nu de raadsman meerdere malen een onderbouwd verzoek heeft gedaan om de betreffende auditieve opname uit te luisteren en uit het verhoor van 12 juni 2014 kon worden opgemaakt dat deze auditieve opname wél bestond. Naar het oordeel van de rechtbank is hiermee sprake van een ernstige onzorgvuldigheid van de zijde van de politie en het OM. Van opzettelijk handelen of een doelbewuste schending van de belangen van verdachte is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Ook is geen sprake van een dermate fundamentele inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde, dat daarmee het wettelijke systeem in de kern is geraakt. Een en ander leidt derhalve niet tot niet-ontvankelijkheid van het OM.

Gelet op de wijze waarop de verklaring van [benadeelde partij 2] van 12 juni 2014 tot stand is gekomen (zie hiervoor onder I), acht de rechtbank het evenwel aannemelijk dat de verklaring van [benadeelde partij 2] van 5 juni 2014 op eenzelfde wijze tot stand is gekomen. Zoals de rechtbank onder I reeds heeft overwogen, zal de rechtbank voor het bewijs uitgaan van de woordelijke uitwerking van het verhoor van 12 juni 2014 (en daarbij de nodige behoedzaamheid betrachten) en de verklaring van 5 juni 2014 buiten beschouwing laten.

IV. Herhaaldelijk ten onrechte voorhouden dat onder verdachte kinderporno is aangetroffen

De raadsman heeft allereerst gesteld dat de officier van justitie in de appelmemorie van 4 april 2013, ter zake van het hoger beroep tegen de beslissing tot schorsing van de voorlopige hechtenis van verdachte, ten onrechte heeft opgenomen dat op de laptop van verdachte kinderporno was aangetroffen, aangezien uit het dossier niet blijkt dat verdachte kinderporno in bezit heeft gehad. Het bezit van kinderporno is verdachte bovendien ook niet ten laste gelegd, aldus de raadsman.

De rechtbank overweegt hieromtrent dat van kinderporno na de doorzoeking en inbeslagneming in 2013 op de gegevensdragers van verdachte weliswaar niet is gebleken, maar dat deze mededeling in de appelmemorie ook niet tot enig nadeel voor verdachte heeft geleid. Immers heeft het gerechtshof de beslissing tot schorsing van de voorlopige hechtenis bekrachtigd.

Daarnaast zou de officier van justitie in de appelmemorie van 23 juni 2014, ter zake van het hoger beroep tegen de afwijzing van de vordering tot inbewaringstelling, ten onrechte hebben opgenomen dat: “uit onderzoek naar de inbeslaggenomen computerapparatuur en gegevensdragers is komen vast te staan dat verdachte enige kinderpornografische afbeeldingen in bezit heeft gehad en/of heeft vervaardigd”.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende. Uit de inhoud van de zich in het dossier bevindende chatgesprekken en diverse verklaringen van minderjarige meisjes, die zich op 23 juni 2014 reeds in het dossier bevonden, valt op te maken dat sprake is geweest van seksueel getinte chatgesprekken met minderjarige meisjes, waarbij ook sprake was van webcamcontact en het sturen van foto’s. Bovendien zijn na de doorzoeking en inbeslagname van gegevensdragers van verdachte op 17 juni 2014 daadwerkelijk foto’s van deels ontklede minderjarige meisjes aangetroffen. Mede gelet op de context waarbinnen deze foto’s in het bezit van verdachte zijn gekomen, namelijk de seksueel getinte chatgesprekken met minderjarige meisjes, is de rechtbank van oordeel dat daarmee sprake is van kinderpornografisch materiaal. Van een feitelijk onjuiste mededeling van de officier van justitie is dan ook geen sprake geweest. Het opportuniteitsbeginsel brengt mee dat de beslissing om het bezit van kinderporno op te nemen op de tenlastelegging aan de officier van justitie is voorbehouden.

Verder stelt de verdediging dat de politie tegen de ex-partner van verdachte zou hebben gezegd dat er kinderporno op de computer van verdachte zou zijn aangetroffen, hetgeen in een civiele procedure heeft geleid tot beëindiging van het gezamenlijk ouderlijk gezag. De rechtbank overweegt dat dit speculatie betreft waarvoor geen onderbouwing is aangedragen door de verdediging. Ook stelt de verdediging dat de oud-werkgever van verdachte (Hewlett-Packard, verder: HP) ten onrechte zou zijn voorgehouden dat op de laptop van verdachte een aanzienlijke hoeveelheid kinderporno zou zijn aangetroffen, zoals zou blijken uit de brief van HP betreffende de beëindiging van de arbeidsovereenkomst. De rechtbank overweegt dat uit het proces-verbaal van bevindingen van het gesprek tussen de politie en HP (p. 3 1029) blijkt dat de politie tegen HP heeft gezegd dat er ‘strafbaar materiaal’ op de laptop van verdachte was aangetroffen. Dat het om ‘een aanzienlijke hoeveelheid kinderporno’ zou gaan, betreft een kennelijke invulling door HP.

Anders dan de raadsman stelt, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden vastgesteld dat sprake is geweest van herhaaldelijk en ten onrechte voorhouden dat onder verdachte kinderporno is aangetroffen. Van een vormverzuim dat dient te leiden tot niet-ontvankelijkheid van het OM is dan ook geen sprake.

V. Overschrijding van de redelijke termijn

Op grond van artikel 6, eerste lid, van het EVRM heeft een verdachte recht op een behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn. In geval sprake is van een verdachte die niet in voorlopige hechtenis verkeert, geldt dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen. Dit geldt tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals onder meer: a) de ingewikkeldheid van de zaak, b) de invloed van verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop, en c) de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.

De rechtbank gaat er in onderhavige zaak van uit dat de redelijke termijn op 19 februari 2013 is aangevangen. Dit is de dag waarop verdachte voor de eerste keer in verband met het onderzoek in onderhavige zaak in verzekering is gesteld. In beginsel geldt dan ook dat de zaak in februari 2015 had moeten zijn afgerond met een eindvonnis. Mede gezien de ingewikkeldheid van de zaak en de omvang van het onderzoek is de rechtbank van oordeel dat de zaak in ieder geval vóór eind 2015 met een eindvonnis afgerond had kunnen zijn. Nu de zaak niet eerder dan met onderhavig vonnis van 23 juli 2018 wordt afgedaan, is de redelijke termijn met ten minste tweeëneenhalf jaar overschreden.

De officier van justitie heeft gesteld dat zij de beslissing van het gerechtshof naar aanleiding van de eerder genoemde klachtprocedure heeft afgewacht, alvorens de zaak voor inhoudelijke behandeling op zitting aan te brengen. De rechtbank is echter van oordeel dat het tijdsverloop als gevolg van deze artikel 12 Sv-procedure niet aan verdachte mag worden tegengeworpen, in het bijzonder in aanmerking genomen dat het gerechtshof van oordeel was dat bij het opmaken van het proces-verbaal van verhoor van [benadeelde partij 3] sprake is geweest van (vergaande) onzorgvuldigheid.

Uit bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat een overschrijding van de redelijke termijn niet tot niet-ontvankelijkheid van het OM in de strafvervolging leidt, ook niet in uitzonderlijke gevallen. Regel is dat overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd indien de termijn niet zou zijn overschreden. Dit kan slechts anders zijn indien de overschrijding van de redelijke termijn zodanig is dat de beginselen van een behoorlijke procesorde wezenlijk zijn geschonden, doordat de waarheidsvinding, de basis van ieder strafvorderlijk optreden, in het gedrang is gekomen (Gerechtshof Den Haag, 2 februari 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:628).

Hoewel inderdaad sprake is van een aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn, is deze overschrijding, gelet op alle omstandigheden van het geval, naar het oordeel van de rechtbank niet zodanig dat dit tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie zou moeten leiden. In onderhavige zaak kan niet worden gezegd dat de waarheidsvinding vanwege het tijdsverloop in het gedrang is gekomen. De rechtbank zal de door de Hoge Raad bepaalde algemene regel toepassen en het nadeel dat verdachte van de termijnoverschrijding heeft ondervonden, verdisconteren in een eventueel op te leggen straf.

3.3

Conclusie voorvragen

De dagvaardingen zijn geldig, met uitzondering van de dagvaarding ter zake van het in zaak B onder feit 2 tenlastegelegde. De dagvaarding wordt ten aanzien van dat feit nietig verklaard. Deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten.

Gelet op hetgeen is overwogen onder 3.2. leiden de geconstateerde vormverzuimen op zichzelf noch in onderlinge samenhang beschouwd tot de niet-ontvankelijkheid van het OM. De officier van justitie is dan ook ontvankelijk in de vervolging van verdachte.

Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Algemeen beeld

Voordat de rechtbank ingaat op de beoordeling van de ten laste gelegde feiten, zal eerst een algemeen beeld worden geschetst zoals dat uit het dossier naar voren komt.

Op 5 februari 2013 heeft de moeder van [benadeelde partij 3] aangifte gedaan van – kort gezegd – ontucht met haar toen negenjarige dochter door de vader van een vriendinnetje: verdachte [verdachte] . Dit zou zijn gebeurd tijdens een logeerpartijtje in de zomervakantie van 2012. Ook zou [benadeelde partij 3] chatcontact met verdachte hebben gehad via WhatsApp en Facebook. Dit zouden seksueel getinte gesprekken zijn geweest.1

Nadat de politie – naar aanleiding van bovenvermelde aangifte – verdachte in de politiesystemen had opgezocht, kwamen zij een melding tegen uit maart 2009. Deze melding hield – kort gezegd – in dat [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] , destijds 13 en 14 jaar oud, via MSN in contact waren gekomen met een man van in de 40. [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] wilden het contact met hem verbreken, maar de man bleef hen lastig vallen. Hij zou met de auto vanuit Amsterdam naar [plaats] zijn gekomen, alwaar hij [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] hebben opgewacht en aangesproken. De man zou onder meer tegen hen hebben gezegd dat hij hen wilde zien neuken op de achterbank van zijn auto. Deze man bleek verdachte [verdachte] te zijn. Er werd destijds besloten geen aangifte tegen verdachte te doen.2

De politie heeft verdachte vervolgens op 19 februari 2013 aangehouden in zijn woning en zijn woning doorzocht. Daarbij zijn diverse gegevensdragers in beslag genomen.3 Uit onderzoek aan zijn computer en laptop bleek dat verdachte veelvuldig chatcontact had gehad met veelal minderjarige meisjes.4 Ten tijde van het voorlopig onderzoek aan de computer van verdachte kon van 19 meisjes de daadwerkelijk identiteit worden achterhaald. Op het moment dat verdachte de chat tussen hen was begonnen, waren deze meisjes tussen de 12 en 16 jaar oud.5 Uit de aangetroffen chatgesprekken kon verder ook worden opgemaakt op welke wijze verdachte de meisjes benaderde. Zo trof hij minderjarige meisjes aan op de website [website] . Als zij hun MSN-account openbaar hadden gemaakt, dan zocht verdachte via MSN chatcontact met de meisjes, waarbij hij een openingszin gebruikte als: “Ben jij niet het mooie sexy meisje van [website] ”. Ook trof verdachte minderjarige meisjes aan op Twitter. Als zij hun MSN-profiel zichtbaar hadden gemaakt, benaderde hij hen met de waarschuwing: “Weet je dat je MSN account voor een ieder te zien is op twitter?”, waarna al snel een openingszin volgde als: “Ik ben [verdachte] een gekke of rare papa van (46 jaar oud- afhankelijk van zijn leeftijd op dat moment) uit de buurt van Amsterdam . Dus nu mag je mij lekker uitschelden en wegsturen”.6 Vervolgens ontstonden er chatcontacten tussen verdachte en de meisjes die – in ieder geval in de onderhavige zaaksdossiers – maanden- tot jarenlang duurden en waarvan de inhoud overwegend seksueel van aard was.7

De politie heeft het onderzoek naar de meisjes waarmee verdachte chatcontact had, voortgezet en de meisjes van wie de daadwerkelijke identiteit kon worden achterhaald, benaderd. Door of namens een aantal minderjarigen is aangifte tegen verdachte gedaan. Een aantal anderen is als getuige gehoord, maar heeft afgezien van het doen van aangifte, waarna de officier van justitie in een aantal gevallen is overgegaan tot ambtshalve vervolging van verdachte. Ook [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] zijn naar aanleiding van hun melding in 2009 door de politie benaderd. Zij hebben alsnog aangifte tegen verdachte gedaan. Inclusief de zaken betreffende [benadeelde partij 3] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] is de officier van justitie uiteindelijk in 13 zaken tot vervolging van verdachte overgegaan, zoals in onderhavige zaak aan verdachte is ten laste gelegd.

Ter terechtzitting van 14 juni 2018 heeft verdachte verklaard dat hij de gebruiker was van de in zijn woning in beslag genomen gegevensdragers en dat hij de daarop aangetroffen chatgesprekken heeft gevoerd. Dit geldt in ieder geval ook voor de chatgesprekken die zijn opgenomen in rubriek 9 van het procesdossier.8

De politie heeft processen-verbaal opgemaakt en daarin – per meisje – de chatgesprekken samengevat. Daarbij zijn de gevoerde chatgesprekken (zoals ook opgenomen in rubriek 9 van het dossier) als bijlage gevoegd. De rechtbank zal voor het bewijs uitgaan van die samenvattende processen-verbaal aangezien de inhoud daarvan overeenkomt met de inhoud van de chatgesprekken en de verdediging daartegen ook geen verweer heeft gevoerd.

De rechtbank moet de vraag beantwoorden of de aan verdachte ten laste gelegde feiten kunnen worden bewezen.

4.2

Zaak A – ontucht [benadeelde partij 3]

4.2.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De ten laste gelegde ontucht met [benadeelde partij 3] kan worden bewezen voor zover het betreft het betasten van de billen, het wrijven en aaien over de benen en billen, het op de mond kussen en het vastpakken van de hand van [benadeelde partij 3] en die vervolgens op verdachtes been vlakbij zijn penis leggen. Het aanraken van de vagina van [benadeelde partij 3] door verdachte en het doen van zijn hand in haar onderbroek kan niet worden bewezen. Voor het bewijs gaat de officier van justitie uit van de verklaring van de moeder van [benadeelde partij 3] , met name waar zij verklaart over de waargenomen emoties van [benadeelde partij 3] , en de verklaring van [benadeelde partij 3] , in samenhang met de WhatsAppgesprekken en het chatgesprek tussen verdachte en een ander meisje, [benadeelde partij 1] . Het ontuchtige karakter van het handelen volgt volgens de officier van justitie onder meer uit hetgeen verdachte tegen [benadeelde partij 3] heeft gezegd, zowel tijdens het begaan van de handelingen als in de WhatsAppgesprekken die hij met [benadeelde partij 3] heeft gevoerd. Aan de verklaring van verdachte dat deze gesprekken voor hem geen seksuele lading hadden, moet worden voorbij gegaan.

4.2.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken. De raadsman heeft daartoe – kort gezegd – het volgende aangevoerd. Weliswaar kan worden bewezen dat verdachte, toen [benadeelde partij 3] bij hem op schoot zat, kort over haar benen heeft gewreven, waarbij hij mogelijk de zijkant van haar bovenbenen, ter hoogte van haar heupen, heeft aangeraakt, en dat zij hém een kus op zijn mond heeft gegeven, maar daarbij was geen sprake van een seksuele lading. Deze handelingen van verdachte hadden geen seksuele strekking die in strijd is met de sociaal-ethische norm. Ontucht kan daarom niet worden bewezen.

4.2.3.

Het oordeel van de rechtbank

Zoals de rechtbank in rubriek 3 heeft overwogen, zal de rechtbank voor het bewijs uitgaan van de woordelijke uitwerking van het verhoor van [benadeelde partij 3] en slechts die onderdelen van haar verklaring voor het bewijs gebruiken die bevestiging vinden in objectief bewijsmateriaal (chatgesprekken) of de verklaring van verdachte. De rechtbank komt op grond daarvan tot het oordeel dat verdachte, toen [benadeelde partij 3] bij hem op schoot zat, haar billen heeft betast, dat hij haar over haar benen en billen heeft gewreven/geaaid en dat [benadeelde partij 3] verdachte op zijn mond heeft gekust.

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of deze handelingen als ontuchtig zijn aan te merken. Daarbij moet worden vooropgesteld dat van een ontuchtige handeling in de zin van artikel 247 Sr sprake is in geval een handeling een seksuele strekking heeft en die handeling in strijd is met de sociaal-ethische norm. Indien niet gelijk uit de uiterlijke verschijningsvorm van de handeling duidelijk naar voren komt dat deze een seksueel karakter heeft, komt het aan op een beoordeling van alle omstandigheden van het geval. Factoren die hierbij een rol kunnen spelen zijn onder meer de verhouding tussen de betrokkenen alsook de context waarin de handeling zich voltrok. De wijze van aanraking en het lichaamsdeel dat is aangeraakt kunnen daarbij relevant zijn. De seksuele intentie van de verdachte is niet zonder meer bepalend, maar kan dat onder omstandigheden wel zijn. Dit kan het geval zijn wanneer de seksuele strekking van de handeling niet direct blijkt uit de uiterlijke verschijningsvorm van het handelen. Verder is van belang dat aanzienlijk leeftijdsverschil seksueel contact in de regel ontuchtig maakt.

Met inachtneming van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat genoemde handelingen, het betasten van de billen, het aaien en wrijven over de benen en billen en het kussen op de mond, moeten worden aangemerkt als handelingen van seksuele aard. De rechtbank overweegt daartoe dat, alhoewel naar de uiterlijke verschijningsvorm niet direct het seksuele karakter van het handelen naar voren komt, uit de WhatsAppgesprekken met [benadeelde partij 3] blijkt van de seksuele intentie van verdachte ten opzichte van [benadeelde partij 3] . Verdachte schrijft daarin onder meer: “Als jij en ik weer eens stoeien of als je bij me op schoot zit, en je zou ineens voelen dat ik een stijve had… zou je dan misselijk worden denk je?”. Ook vindt de rechtbank daarvoor steun in het chatgesprek met [benadeelde partij 1] , waarin verdachte onder meer schrijft: “ik vind het leuk om te merken dat meisjes van 9 en 10 het meest flirterig zijn met vaders […] die klimmen nog op schoot […] een buurmeisje en een vriendin van mijn jongste dochter doen zo naar mij, als ze spelen bij ons thuis en ze komen langs mijn kamer, dan komen ze soms gewoon even binnen om me een knuffel en een zoen te geven […] het is bij hun ook ondeugend knuffelen vaak, niks zo leuk als dat mijn hand bij die spelletjes per ongeluk eventjes op prive-plekken komt”. De rechtbank gaat er van uit dat het chatgesprek met [benadeelde partij 1] over [benadeelde partij 3] gaat, aangezien [benadeelde partij 3] een vriendin is van de jongste dochter van verdachte en de inhoud van het chatbericht met [benadeelde partij 1] overeenkomt met de verklaring van [benadeelde partij 3] . De verklaring van verdachte dat er geen sprake is geweest van enige seksuele lading, noch in de chatgesprekken noch in het lichamelijke contact met [benadeelde partij 3] , acht de rechtbank, gelet op het voorgaande, volstrekt onaannemelijk.

Het aanzienlijke leeftijdsverschil tussen verdachte en [benadeelde partij 3] (9 jaar oud ten tijde van het ten laste gelegde) maakt dat het handelen van verdachte in strijd is met de sociaal-ethische norm. Het handelen van verdachte is dan ook ontuchtig als bedoeld in artikel 247 Sr, zodat het in zaak A ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.

4.3

Zaak B – feit 1 (primair aanranding, subsidiair verleiding)

4.3.1.

Het standpunt van de officier van justitie

Het onder 1 primair ten laste gelegde kan ten aanzien van alle in de tenlastelegging genoemde meisjes worden bewezen. Ten aanzien van het bewijs heeft de officier van justitie aangevoerd dat verdachte een modus operandi heeft gehanteerd, waarbij hij minderjarigen heeft benaderd op social media, waarbij hij de veel geziene openingszin gebruikte dat hij een gekke papa van zoveel jaar oud is uit de omgeving van Amsterdam, dat hij al snel begint met seksueel chatten, de steeds terugkerende onderwerpen die ter sprake komen en het voorstellen van een afspraak, de ene keer concreter dan de andere keer. De verschillende aangiftes kunnen, gelet op het voorgaande, als ondersteuning voor elkaar voor het bewijs worden gebezigd.

4.3.2.

Het standpunt van de verdediging

Verdachte moet integraal worden vrijgesproken van het onder 1 primair ten laste gelegde, omdat a) niet kan worden bewezen dat sprake is geweest van ontuchtige handelingen en b) omdat niet kan worden bewezen dat sprake is geweest van ‘dwang’, zoals artikel 246 Sr vereist.

Verdachte moet ook worden vrijgesproken van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde. Niet kan worden bewezen dat verdachte enige ontuchtige handeling heeft gepleegd en ook is geen sprake geweest van ‘opzettelijk bewegen tot het plegen of dulden van ontuchtige handelingen’, in de zin van artikel 248a Sr.

4.3.3.

Het oordeel van de rechtbank

Feit 1 primair

Bij de beoordeling van de tenlastelegging moet het volgende worden vooropgesteld.

Ten aanzien van het onder 1 primair ten laste gelegde geldt dat uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad met betrekking tot de in artikel 246 Sr bedoelde dwang volgt dat slechts sprake kan zijn van “door een feitelijkheid dwingen” indien de verdachte door die feitelijkheid opzettelijk heeft veroorzaakt dat het slachtoffer de ontuchtige handelingen tegen haar wil heeft gepleegd of geduld en geen weerstand heeft kunnen bieden. Daarvoor is nodig dat uit het bewijsmateriaal volgt dat de verdachte opzettelijk een zodanige psychische druk heeft uitgeoefend of het slachtoffer in een zodanige afhankelijkheidssituatie heeft gebracht dat het slachtoffer zich daardoor niet tegen de seksuele handelingen kon verzetten, dan wel dat de verdachte het slachtoffer heeft gebracht in een zodanige, door hem opzettelijk veroorzaakte (bedreigende) situatie dat het voor het slachtoffer zo moeilijk was om zich aan die handelingen te onttrekken dat er sprake was van dwang van de zijde van de verdachte (HR, 12 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3627; HR, 12 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AY7767).

[naam 1] , [naam 2] , [naam 3] en [naam 4]

Verdachte wordt – kort gezegd – verweten dat hij [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] heeft gedwongen tot het plegen dan wel dulden van ontuchtige handelingen, waarbij de dwang daarin zou hebben bestaan dat verdachte door zijn (leeftijds)overwicht op dwingende wijze seksueel geladen chatgesprekken met hen heeft gevoerd.

Alhoewel uit het dossier een beeld naar voren komt waarin verdachte minderjarige meisjes in de chatgesprekken zo weet te bespelen dat zij als gevolg daarvan overgaan tot – kort gezegd – plegen van ontuchtige handelingen, kan – tegen de achtergrond van voornoemd toetsingskader – op grond van de ten laste gelegde feitelijkheden niet worden bewezen dat sprake is geweest van het ‘door een feitelijkheid dwingen’ als bedoeld in artikel 246 Sr. Immers kan in dat verband niet méér worden vastgesteld dan dat tussen verdachte enerzijds en [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] anderzijds sprake was van een aanzienlijk leeftijdsverschil en dat hij seksueel getinte chatgesprekken met hen heeft gevoerd. Enkel op grond daarvan kan niet worden vastgesteld dat verdachte een zodanige psychische druk op hen heeft uitgeoefend dat zij daartegen redelijkerwijs geen weerstand hebben kunnen bieden. Nu ook geen van de andere dwangmiddelen kunnen worden bewezen, dient verdachte in zoverre van het onder 1 primair ten laste gelegde te worden vrijgesproken.

[slachtoffer 1]

Verdachte wordt – kort gezegd – verweten dat hij [slachtoffer 1] heeft gedwongen zich uit het uitkleden voor de webcam, haar eigen borsten te betasten en tot het maken van een foto van haar ontblote bovenlichaam. De dwang zou daarin hebben bestaan dat verdachte door zijn (leeftijds)overwicht op dwingende wijze seksueel geladen chatgesprekken met haar heeft gevoerd.

[slachtoffer 1] heeft, kort gezegd, verklaard dat zij een foto met blote borsten aan verdachte heeft gestuurd, omdat hij erom vroeg en zij geen ‘nee’ durfde te zeggen. Ook heeft ze voor de webcam gestaan en seksuele handelingen verricht. Het ging steeds verder, omdat ze bang was om ermee te stoppen. Ze was bang dat de gesprekken zouden uitlekken of dat hij een filmpje van haar zou maken. Zij voelde zich door hem bedreigd.

De rechtbank overweegt dat, zoals hiervoor ook is overwogen, op grond van de ten laste gelegde feitelijkheden niet kan worden bewezen dat sprake is geweest van het ‘door een feitelijkheid dwingen’ als bedoeld in artikel 246 Sr, aangezien in dat verband niet méér kan worden vastgesteld dan dat tussen verdachte en [slachtoffer 1] sprake was van een aanzienlijk leeftijdsverschil en dat hij seksueel getinte chatgesprekken met haar heeft gevoerd. Op grond daarvan kan niet worden vastgesteld dat verdachte een zodanige psychische druk op [slachtoffer 1] heeft uitgeoefend dat zij daartegen redelijkerwijs geen weerstand heeft kunnen bieden.

De rechtbank stelt voorts, op grond van de chatgesprekken tussen [slachtoffer 1] en verdachte, vast dat [slachtoffer 1] zich voor de webcam aan verdachte heeft getoond, waarna verdachte heeft gezegd: “wat je net deed, doe dat niet bij iedereen.. er zijn nare mensen op MSN die foto’s maken van webcambeelden en die op (…) ik doe dat natuurlijk niet, jij kan mij harder pesten dan ik jou”. De rechtbank vat dit op als een bedekte bedreiging van verdachte jegens [slachtoffer 1] en de rechtbank kan zich voorstellen dat hierdoor bij [slachtoffer 1] de angst is ontstaan dat verdachte opnamen van haar zou maken en deze met anderen zou delen. De rechtbank kan op grond van de chatgesprekken echter niet vaststellen dat [slachtoffer 1] ten gevolge van deze door verdachte uitgeoefende bedreiging is overgegaan tot het plegen van de in de tenlastelegging omschreven ontuchtige handelingen, aangezien deze handelingen aan die opmerking van verdachte zijn voorafgegaan. Nu geen van de dwangmiddelen kunnen worden bewezen, zal verdachte van het ten aanzien van [slachtoffer 1] onder 1 primair ten laste gelegde worden vrijgesproken.

[benadeelde partij 2]

Ten aanzien van [benadeelde partij 2] overweegt de rechtbank dat aan verdachte is ten laste gelegd dat zij ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande uit – kort gezegd – het voor de webcam betasten van haar eigen borsten. Nu uit de woordelijke uitwerking van de verklaring van [benadeelde partij 2] van 12 juni 2014 blijkt dat zij heeft verklaard dat zij in de chatgesprekken met verdachte niet voor de webcam is geweest, zal verdachte daarvan worden vrijgesproken.

Conclusie

Gelet op het voorgaande zal verdachte van het onder 1 primair ten laste gelegde integraal worden vrijgesproken.

Feit 1 subsidiair

Ten aanzien van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde moet het volgende worden voorop gesteld.

Van 'bewegen' in de zin van art. 248a Sr is niet slechts sprake wanneer blijkt van het breken van psychische weerstand van het slachtoffer. Van het in deze bepaling door het bestanddeel 'beweegt' tot uitdrukking gebrachte causaal verband is sprake als voldoende aannemelijk is dat het slachtoffer mede onder invloed van giften of beloften van geld of goed, misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht of misleiding is overgegaan tot het plegen of dulden van ontuchtige handelingen (HR, 26 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:1013).

[slachtoffer 1] , [naam 2] en [naam 4]

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat [slachtoffer 1] voor de webcam haar gedeeltelijk naakte lichaam aan verdachte heeft getoond, dat zij hierbij haar eigen borsten heeft betast en dat zij een foto van haar ontblote bovenlijf naar verdachte heeft gestuurd, dat [naam 2] een foto van haar ontblote bovenlichaam heeft gemaakt en dat [naam 4] zich voor de webcam gedeeltelijk heeft uitgekleed en voor de webcam haar eigen borsten heeft betast.

Anders dan de raadsman heeft betoogd, is de rechtbank op grond van genoemd toetsingskader van oordeel dat voor het ‘bewegen tot’ in de zin van artikel 248a Sr niet slechts sprake is wanneer die persoon wordt beïnvloed en de psychische weerstand van die persoon wordt gebroken. Voldoende is dat [slachtoffer 1] , [naam 2] en [naam 4] mede onder invloed van misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht zijn overgegaan tot het plegen van ontuchtige handelingen. Naar het oordeel van de rechtbank is daar in dit geval sprake van, gezien het aanzienlijke leeftijdsverschil tussen verdachte en genoemde meisjes en de wijze waarop hij hen in de seksueel getinte chatgesprekken heeft weten te bespelen. Het onder 1 subsidiair ten laste gelegde kan in zoverre worden bewezen.

[naam 1] en [naam 3]

De rechtbank overweegt dat uit het dossier weliswaar blijkt dat verdachte [naam 1] en [naam 3] heeft bewogen tot het plegen en/of dulden van ontuchtige handelingen, maar dat niet kan worden vastgesteld wanneer deze handelingen hebben plaatsgevonden. Dientengevolge kan niet worden bewezen dat de ten laste gelegde ontuchtige handelingen hebben plaatsgevonden in de ten laste gelegde periode, te weten 1 januari 2005 tot en met 17 juni 2014. Daarom moet verdachte van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde, voor zover het betreft [naam 1] en [naam 3] , worden vrijgesproken.

[benadeelde partij 2]

Zoals de rechtbank onder 1 primair ten aanzien van [benadeelde partij 2] heeft overwogen, blijkt uit de woordelijke uitwerking van de verklaring van [benadeelde partij 2] van 12 juni 2014 dat zij heeft verklaard dat zij in de chatgesprekken met verdachte niet voor de webcam is geweest. Nu de ten laste gelegde ontuchtige handelingen niet kunnen worden bewezen, dient verdachte ten aanzien van [benadeelde partij 2] ook van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde te worden vrijgesproken.

Conclusie

Gelet op het voorgaande kan de onder 1 subsidiair ten laste gelegde verleiding van [slachtoffer 1] , [naam 2] en [naam 4] wettig en overtuigend worden bewezen. Verdachte zal worden vrijgesproken van de verleiding van [naam 1] , [naam 3] en [benadeelde partij 2] .

4.4

Zaak B – feit 2 (grooming)

Nu de rechtbank de dagvaarding ter zake van dit feit nietig zal verklaren, komt de rechtbank aan een bespreking van het bewijs niet toe.

4.5

Zaak B – feit 3 (ontucht, seksueel binnendringen, verleiding)

4.5.1.

Het standpunt van de officier van justitie

Ten aanzien van de in zaak B onder 3 ten laste gelegde ontucht, mede bestaande uit seksueel binnendringen, met- en de verleiding van de minderjarige [benadeelde partij 2] , heeft de officier van justitie betoogd dat de verklaring van [benadeelde partij 2] steun vindt in de vele chatgesprekken. Verdachte heeft bekend dat hij [benadeelde partij 2] heeft ontmoet, maar heeft ontkend dat hij – kort gezegd – seks met haar heeft gehad. Gelet op de inhoud van de chats moet aan de verklaring van verdachte voorbij worden gegaan.

4.5.2.

Het standpunt van de verdediging

Verdachte moet van feit 3 in al zijn onderdelen worden vrijgesproken, wegens gebrek aan bewijs. Ten aanzien van de eerste en tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde ontucht, waaronder seksueel binnendringen, heeft de raadsman aangevoerd – kort gezegd – dat er weliswaar ontmoetingen tussen verdachte en [benadeelde partij 2] zijn geweest, maar dat daarbij alleen sprake is geweest van knuffelen en zoenen. Het dossier bevat onvoldoende bewijs dat sprake is geweest van de ten laste gelegde ontuchtige handelingen. De verklaring van [benadeelde partij 2] is onbetrouwbaar als gevolg van de wijze waarop het verhoor heeft plaatsgevonden en omdat zij wisselend en tegenstrijdig heeft verklaard. Daarnaast geldt dat in de chatgesprekken geen bewijs, dan wel onvoldoende steunbewijs, kan worden gevonden voor het ten laste gelegde, omdat de inhoud van deze gesprekken slechts fantasie betrof. Indien de rechtbank van oordeel is dat de ontuchtige handelingen wel kunnen worden bewezen, dan kan niet worden bewezen dat die hebben plaatsgevonden vóór de zestiende verjaardag van [benadeelde partij 2] . Ten aanzien van het derde cumulatief/alternatief ten laste gelegde geldt daarnaast dat niet kan worden bewezen dat [benadeelde partij 2] ‘is bewogen tot’ het plegen van ontuchtige handelingen, zoals artikel 248a Sr vereist.

4.5.3.

Het oordeel van de rechtbank

Zoals de rechtbank in rubriek 3 heeft overwogen, zal zij bij de beoordeling van de tenlastelegging uitgaan van de woordelijke uitwerking van de verklaring van [benadeelde partij 2] van 12 juni 2014 en slechts die onderdelen gebruiken waarvan de rechtbank overtuigd is dat het een authentieke verklaring van [benadeelde partij 2] betreft die niet is ontstaan door sturing van de verhorende verbalisanten. Verder zal de rechtbank slechts die onderdelen van de verklaring voor het bewijs gebruiken die bevestiging vinden in de chatgesprekken of in de verklaring van verdachte. De verklaring van 5 juni 2014 laat de rechtbank buiten beschouwing.

Ten aanzien van de stelling van de verdediging dat de chatgesprekken met [benadeelde partij 2] slechts fantasie betroffen en daarom niet als steunbewijs voor de verklaring van [benadeelde partij 2] kunnen dienen, overweegt de rechtbank het volgende. Vaststaat dat verdachte en [benadeelde partij 2] elkaar meerdere keren daadwerkelijk hebben ontmoet. De chatgesprekken met [benadeelde partij 2] zijn zeer gedetailleerd van aard en bovendien anders van inhoud en toon dan de chatgesprekken die verdachte voerde met meisjes die hij niet in het echt had ontmoet. Zo spreekt verdachte onder meer over het aantal centimeters dat hij bij [benadeelde partij 2] naar binnen is geweest en beloofde hij haar geld als hij de volgende keer verder bij haar naar binnen mocht. De rechtbank acht de verklaring van verdachte dat tijdens de ontmoetingen met [benadeelde partij 2] alleen sprake is geweest van knuffelen en zoenen en dat alle seksuele chatgesprekken tussen hen fantasie betroffen, gelet op de inhoud van die gesprekken, in samenhang met de verklaring van [benadeelde partij 2] , volstrekt ongeloofwaardig en stelt deze verklaring ter zijde.

De rechtbank verwerpt de overige bewijsverweren van de verdediging onder verwijzing naar de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen en acht bewezen dat verdachte het hem onder 3 eerste, tweede en derde cumulatief/alternatief ten laste gelegde in de periode van 1 januari 2005 tot en met 3 mei 2007 heeft begaan zoals hierna onder 5 uitgewerkt.

4.6

Zaak B – feit 4 (poging tot ontucht)

4.6.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 4 ten laste gelegde poging tot het plegen van ontucht met [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] .

4.6.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken, wegens – kort gezegd – gebrek aan bewijs. Verdachte heeft nooit het voornemen gehad om ontucht met [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] te plegen. Daarnaast geldt dat de ten laste gelegde gedragingen naar hun uiterlijke verschijningsvorm niet kunnen worden beschouwd als begin van uitvoering van ontucht, omdat die gedragingen geen ontuchtig karakter hadden.

4.6.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat zij behoedzaamheid zal betrachten bij het gebruik van de verklaringen van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] voor het bewijs. De rechtbank ziet daartoe aanleiding in verband met het tijdsverloop tussen het tenlastegelegde en het doen van aangifte, mede gelet op de nog jonge leeftijd van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] ten tijde van het tenlastegelegde. Het tenlastegelegde heeft in de periode 2008/2009 plaatsgevonden en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] waren toen 13 en 14 jaar oud, terwijl bedoelde verklaringen pas op 27 februari 2014 zijn afgelegd. De rechtbank zal hun verklaringen dan ook voor het bewijs gebruiken voor zover zij steun vinden in de chatgesprekken of de verklaring van verdachte.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen het onder 4 ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen.

De rechtbank overweegt daartoe in het bijzonder het volgende. Een poging tot misdrijf is ingevolge artikel 45 Sr strafbaar wanneer het voornemen van de dader zich door een begin van uitvoering heeft geopenbaard. Om te kunnen spreken van een begin van uitvoering moet blijkens de jurisprudentie van de Hoge Raad sprake zijn van een gedraging welke naar haar uiterlijke verschijningsvorm moet worden beschouwd als te zijn gericht op de voltooiing van het voorgenomen misdrijf.

Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte, kort gezegd, seksueel getinte chatgesprekken heeft gevoerd met [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] waarin hij het voorstel heeft gedaan om naar [plaats] te komen, alwaar hij en [slachtoffer 3] [slachtoffer 2] konden blinddoeken en [slachtoffer 2] daarna moest raden welke ‘stijve pik’ ze in zich voelde ‘glijden’. Vervolgens is verdachte ook daadwerkelijk naar [plaats] gereden, waarbij hij met zijn auto achter [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] is aangereden en heeft geprobeerd hen klem te rijden. Naar het oordeel van de rechtbank kan op grond van het voorgaande worden vastgesteld dat verdachte het voornemen heeft gehad om ontucht met [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] te plegen. Dat voornemen heeft zich door een begin van uitvoering geopenbaard, namelijk doordat verdachte daadwerkelijk met zijn auto naar [plaats] is gereden en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] , kort gezegd, heeft opgezocht. Dat de ontucht niet heeft plaatsgevonden, is slechts te danken aan het feit dat [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] dit niet wilden en van verdachte zijn weggefietst. De rechtbank concludeert dan ook dat sprake is van een strafbare poging.

De rechtbank acht de verklaring van verdachte, inhoudende dat hij naar [plaats] is gereden omdat hij zich zorgen maakte over [slachtoffer 2] en dacht dat zij hulp nodig had, ongeloofwaardig. De rechtbank overweegt daartoe dat in de chatgesprekken met [slachtoffer 2] werkelijk geen enkel aanknopingspunt kan worden gevonden voor zijn beweerdelijke bezorgdheid om [slachtoffer 2] voordat hij besloot naar [plaats] te rijden. Bovendien had verdachte eerder seksuele ontmoetingen met een minderjarige gehad, namelijk zoals hiervoor in rubriek 4.5 is vastgesteld, met [benadeelde partij 2] . Dit komt de geloofwaardigheid van zijn verklaring niet ten goede.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4 vervatte bewijsoverwegingen en de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

ten aanzien van zaak A

in de periode van 1 juli 2012 tot en met 1 september 2012 in de gemeente Uithoorn, met [benadeelde partij 3] , geboren op [geboortedatum] , die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande in het ontuchtig

- betasten van de billen van die [benadeelde partij 3] en

- wrijven/aaien over de benen en billen van die [benadeelde partij 3] en

- kussen op zijn, verdachtes, mond door die [benadeelde partij 3] ;

ten aanzien van zaak B

1.

op tijdstippen in de periode van 1 januari 2005 tot en met 17 juni 2014, in Nederland, door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht, te weten

- door vanuit een positie van feitelijk overwicht, mede gezien het leeftijdsverschil tussen hem, verdachte, en de minderjarigen [naam 8] (geboren [geboortedatum] ) en [naam 9] (geboren [geboortedatum] ) en
[naam 10] (geboren [geboortedatum] ) seksueel geladen en prikkelende chatgesprekken met die [naam 8] en die [naam 9] en die [naam 10] te voeren en

- door in die chatgesprekken veelvuldig (bij) die [naam 8] en die [naam 9] en die [naam 10] aan te dringen en aan te sporen,

de minderjarigen, [naam 8] (geboren [geboortedatum] ) en [naam 9] (geboren [geboortedatum] ) en

[naam 10] (geboren [geboortedatum] ), van wie verdachte wist dat zij de leeftijd van achttien jaren nog niet hadden bereikt, opzettelijk heeft bewogen ontuchtige handelingen te plegen, te weten

[naam 8] :

- terwijl die [naam 8] door middel van een webcam voor hem, verdachte, geheel of gedeeltelijk zichtbaar was, het gedeeltelijk tonen van het deels naakte lichaam en

- terwijl die [naam 8] door middel van een webcam gedeeltelijk zichtbaar was, het betasten van haar eigen borsten en

het maken van een foto van het ontblote bovenlichaam van die [naam 8] ;

[naam 9] :

- het maken van een foto van het ontblote bovenlichaam van die [naam 9] en

[naam 10] :

- terwijl die [naam 10] door middel van een webcam voor hem, verdachte, geheel of gedeeltelijk zichtbaar was, het gedeeltelijk uitkleden en

- terwijl die [naam 10] door middel van een webcam geheel of gedeeltelijk zichtbaar was, het betasten van haar eigen borsten;

3.

op tijdstippen in de periode van 1 januari 2005 tot en met 3 mei 2007 in Nederland, met [benadeelde partij 2] , geboren op [geboortedatum] , die toen de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, telkens ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, immers heeft hij meermalen

- zijn, verdachtes, vinger in de vagina van die [benadeelde partij 2] gebracht/geduwd en

- zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [benadeelde partij 2] gebracht en/of geduwd;

en

op tijdstippen in de periode van 1 januari 2005 tot en met 3 mei 2007 in Nederland, met [benadeelde partij 2] , geboren op [geboortedatum] , die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, buiten echt ontuchtige handelingen heeft gepleegd, bestaande in het meermalen ontuchtig aanraken en betasten van het lichaam van die [benadeelde partij 2] ;

en

op tijdstippen in de periode van 1 januari 2005 tot en met 3 mei 2007 in Nederland, door giften en beloften van geld en goed en misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht, te weten

- door geld en weed te geven en

- door vanuit een positie van feitelijk overwicht, mede gezien het leeftijdsverschil tussen hem, verdachte, en de minderjarige [benadeelde partij 2] (geboren op [geboortedatum] ) seksueel geladen en prikkelende chatgesprekken met die [benadeelde partij 2] te voeren en

- door in die chatgesprekken veelvuldig (bij) die [benadeelde partij 2] aan te dringen en aan te sporen,

een persoon, [benadeelde partij 2] , geboren op [geboortedatum] , waarvan verdachte wist dat deze de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt, opzettelijk heeft bewogen ontuchtige handelingen te plegen of zodanige handelingen van verdachte te dulden, immers heeft hij, verdachte meermalen

- die [benadeelde partij 2] het lichaam van verdachte laten aanraken en betasten en

- het lichaam van die [benadeelde partij 2] aangeraakt en betast en

- zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [benadeelde partij 2] gebracht;

4.

hij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2008 tot en met 31 december 2009 te gemeente Uithoorn en [plaats] , in elk geval in Nederland, ter uitvoering van het voorgenomen misdrijf om, buiten echt, ontuchtige handelingen te plegen met personen die de leeftijd van zestien jaren nog niet hadden bereikt, [naam 11] (geboren [geboortedatum] ) en [naam 12] (geboren [geboortedatum] ),

- via MSN seksueel getinte gesprekken heeft gevoerd met genoemde personen en

- genoemde personen heeft gevraagd om voor de webcam te verschijnen en seks te hebben en seksuele handelingen bij elkaar te verrichten en

- genoemde personen geld heeft geboden om met hem, verdachte, af te spreken en

- heeft voorgesteld om naar [plaats] (waar genoemde personen woonden en op school zaten) te komen en vervolgens die [naam 11] te blinddoeken en die [naam 11] te laten voelen welke piemel ze in zich had en

- tegen genoemde personen heeft gezegd dat zij bij hem, verdachte, op de achterbank seks konden hebben en

- naar [plaats] (waar genoemde personen woonden en op school zaten) is gegaan en met zijn, verdachtes, auto achter genoemde personen is aangereden en heeft geprobeerd voornoemde personen klem te rijden,

terwijl de uitvoering van dit misdrijf niet is voltooid.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de op te leggen straf

8.1

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, met aftrek van voorarrest, waarvan één jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van vijf jaren, onder de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd, te weten een meldplicht bij de reclassering en een ambulante behandelverplichting bij De Waag.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft – uiterst subsidiair – betoogd dat de in rubriek 3 genoemde vormverzuimen dienen te worden gecompenseerd in de op te leggen straf, waarbij uitdrukkelijk aandacht is gevraagd voor de forse overschrijding van de redelijke termijn. Verder heeft de raadsman verzocht dat, ingeval de rechtbank een gevangenisstraf oplegt, het onvoorwaardelijk deel daarvan de reeds in voorarrest doorgebrachte tijd niet zal overschrijden, met eventueel daaraan gekoppeld een fors voorwaardelijk strafdeel. Ten aanzien van de aan het voorwaardelijk strafdeel te verbinden proeftijd heeft de raadsman betoogd dat uit het reclasseringsadvies, noch uit de Pro Justitia rapportages kan worden afgeleid dat sprake is van een ernstige vrees voor herhaling. Voor een proeftijd langer dan drie jaren ziet de raadsman, onder verwijzing naar artikel 14b Sr, dan ook geen ruimte.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich over een lange periode schuldig gemaakt aan diverse strafbare feiten waarbij meerdere minderjarige kinderen betrokken waren. Het handelen van verdachte, destijds rond de 40 jaar oud, bestond uit het toevoegen van minderjarige meisjes op MSN om vervolgens met hen te chatten. In de chatgesprekken bracht verdachte het onderwerp al snel op seks. Zo wilde hij weten of de meisjes al seksueel actief waren en of ze al ongesteld waren. De chats werden dan ook al snel (grof) seksueel van aard. Uiteindelijk heeft verdachte in die chatgesprekken drie meisjes ertoe verleid zichzelf voor de webcam te betasten en hem een foto van zichzelf met ontblote borsten te sturen.

Verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan een poging tot ontucht met twee minderjarige slachtoffers van destijds 13 en 14 jaar oud. In de (grof) seksuele chatgesprekken met deze minderjarigen stelde verdachte voor hen op te zoeken en seks met hen te hebben. Verdachte heeft de slachtoffers vervolgens ook daadwerkelijk opgezocht door een aanzienlijke afstand naar de woonplaats van de slachtoffers af te leggen. De slachtoffers zijn van verdachte weggefiets, zodat het gelukkigerwijs bij een poging is gebleven.

Met één meisje heeft het chatcontact wél tot echte ontmoetingen geleid. Verdachte heeft, in ruil voor geld en softdrugs, meerdere malen seks gehad met het meisje dat toen nog geen zestien jaar oud was. Dit is op zichzelf al een schokkend gegeven, maar de inhoud van de chats geven ook nog eens onthutsend inzicht in de wijze waarop die ontmoetingen zijn verlopen. Zo is onder meer in de chatgesprekken met het slachtoffer te lezen dat verdachte het slachtoffer € 70,- zou geven als hij met zijn geslachtsdeel 10 centimeter bij haar naar binnen mocht. Als zij zou roepen om te stoppen, zou het slachtoffer maar een tientje krijgen. Verdachte heeft op een ernstige manier inbreuk gemaakt op de lichamelijk integriteit van het nog minderjarige slachtoffer en zich op geen enkele wijze bekommerd om de schadelijke gevolgen van zijn handelen.

Tenslotte heeft verdachte zich ook schuldig gemaakt aan ontucht met een destijds negenjarig vriendinnetje van zijn dochter. Alhoewel de aard van de bewezen verklaarde handelingen niet zonder meer als ‘ernstig’ moet worden gekenmerkt, wordt de ernst van het handelen van verdachte wel gekleurd door de seksueel getinte chatgesprekken die hij met het slachtoffer heeft gevoerd. Uit de ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaring blijkt bovendien welke negatieve gevolgen het handelen van verdachte voor het slachtoffer heeft gehad.

Alle slachtoffers verkeerden vanwege hun jonge leeftijd in een kwetsbare positie en waren niet in staat om aan het handelen van verdachte weerstand te bieden en hadden nooit met het gedrag van verdachte geconfronteerd mogen worden. De gevolgen die het handelen van verdachte op het leven van de slachtoffers heeft gehad en in de toekomst wellicht nog zal hebben, zijn aan verdachte te verwijten. Verdachte had beter moeten weten, maar hij heeft zich enkel laten leiden door de bevrediging van zijn eigen behoeften. De nadelige gevolgen en de (emotionele) schade voor de minderjarigen hebben de verdachte niet ervan weerhouden om toe te geven aan deze behoeften.

Verdachte heeft op geen enkel moment inzicht getoond in het onacceptabele van zijn gedrag. Ook nadat verdachte in het kader van de schorsing van zijn voorlopige hechtenis een behandeling bij De Waag heeft ondergaan, is hij niet tot enig inzicht in het kwalijke van zijn gedrag en de gevolgen daarvan voor de slachtoffers gekomen. Dat verdachte ter terechtzitting evenmin enig inlevingsvermogen naar de slachtoffers heeft getoond, rekent de rechtbank verdachte aan.

Alleen al de bewezen verklaarde seks tegen betaling met een meisje jonger dan zestien is een feit dat zodanig ernstig is dat daarop niet anders kan worden gereageerd dan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van geruime duur. Dit is ook tot uitdrukking gebracht in de Amsterdamse oriëntatiepunten, waarin het oriëntatiepunt voor seksuele gemeenschap met een kind gedurende een langere periode een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie à vier jaren is. Het oriëntatiepunt voor ontucht is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van negen à twaalf maanden. De bewezen verklaarde feiten zijn naar het oordeel van de rechtbank dan ook, mede gezien genoemde oriëntatiepunten, te ernstig om af te doen met een straf die geen verdere detentie inhoudt, zoals door de raadsman van verdachte is verzocht.

Bij het bepalen van de duur van de op te leggen straf heeft de rechtbank acht geslagen op de volgende rapportages die over verdachte zijn opgemaakt.

Uit het Psychologisch onderzoek Pro Justitia van 18 april 2017, opgemaakt door dr. S. Schouws, klinisch neuropsycholoog, blijkt onder meer dat bij verdachte sprake is van een ongespecificeerde parafiele stoornis. De psycholoog adviseert om verdachte ten aanzien van de bewezen verklaarde feiten licht verminderd toerekeningsvatbaar te beschouwen. Verder schat de psycholoog het recidiverisico op korte termijn in als matig, maar daarbij is de kanttekening geplaatst dat als geen behandeling plaatsvindt het recidiverisico op langere termijn moet worden ingeschat als matig tot hoog. Een behandeling bij De Waag of Inforsa wordt dan ook noodzakelijk geacht. Omdat eerst moet worden gewerkt aan de motivatie van verdachte voor een dergelijke behandeling, adviseert de deskundige om een zo langdurig mogelijk reclasseringstoezicht op te leggen, als stok achter de deur om tot gedragsverandering te kunnen komen.

De rechtbank heeft daarnaast ook acht geslagen op een tweetal oudere Pro Justitie rapportages, te weten een Psychologisch onderzoek van 3 juli 2013, opgemaakt door drs. J. Yntema, GZ-psycholoog, en een Psychiatrisch onderzoek van 4 juli 2013, opgemaakt door dr. F.B. van der Wurff, psychiater. Hierin is onder meer vermeld dat de psycholoog en psychiater verdachte licht-, dan wel enigszins verminderd toerekeningsvatbaar achten. Ten aanzien van het recidiverisico overweegt de psycholoog dat, indien geen interventie en/of controle plaatsvindt, deze op de middellange termijn als gemiddeld wordt ingeschat. De psychiater constateert een verhoogd risico op recidive.

De rechtbank acht verdachte, met inachtneming van genoemde Pro Justitia rapportages, licht verminderd toerekeningsvatbaar ten aanzien van de bewezen verklaarde feiten. Met betrekking tot het recidiverisico overweegt de rechtbank het volgende. Gelet op hetgeen de deskundigen daaromtrent hebben geadviseerd, daarbij mede in aanmerking genomen dat verdachte tot op heden geen inzicht heeft getoond in het kwalijke van zijn handelen en hij zich tot op heden niet gemotiveerd heeft getoond voor een behandeling, is de rechtbank van oordeel dat er op langere termijn sprake is van een hoog recidiverisico. De rechtbank acht daarbij ook van belang dat verdachte weliswaar sinds zijn laatste aanhouding niet meer met politie en justitie in aanraking is geweest en hij, zoals hij ter terechtzitting heeft verklaard, geen chatgesprekken met minderjarigen meer voert, maar dat met afdoening van onderhavige strafzaak een prikkel wegvalt om verdachte in de toekomst van dergelijk gedrag te weerhouden.

De rechtbank heeft ten slotte acht geslagen op een reclasseringsadvies van Reclassering Nederland, van 27 maart 2017. De reclassering adviseert om aan verdachte een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, met de bijzondere voorwaarden van een meldplicht bij de reclassering en een ambulante behandelverplichting bij De Waag in het kader van het behandeltraject ‘seksueel grensoverschrijdend gedrag’.

De rechtbank is, alles afwegende en in bijzonder gelet op de ernst van de bewezen verklaarde feiten, van oordeel dat in onderhavige zaak – als binnen een redelijke termijn zou zijn vonnis zou zijn gewezen – een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf voor de duur van zes jaren passend en geboden zou zijn geweest. De rechtbank is zich ervan bewust dat met oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van een dergelijk lange duur geen ruimte meer zou zijn geweest voor oplegging van een voorwaardelijk strafdeel, met een eventuele behandelverplichting als bijzondere voorwaarde zoals door de deskundigen is geadviseerd. Een dergelijke behandeling had in dat geval in het kader van de voorwaardelijke invrijheidsstelling kunnen plaatsvinden.

De rechtbank overweegt evenwel dat er, zoals in rubriek 3.2.3. is vastgesteld, sprake is van een aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank zal deze overschrijding van de redelijke termijn in de strafmaat verdisconteren en, in plaats van de hiervoor genoemde straf van zes jaren, een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren opleggen. Daarvan zal één jaar voorwaardelijk worden opgelegd. Gelet op hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen met betrekking tot het recidiverisico, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De rechtbank zal daarom, gelijk de eis van de officier van justitie, aan het voorwaardelijk strafdeel een proeftijd van vijf jaar verbinden, met de bijzondere voorwaarden dat verdachte zich moet melden bij de reclassering en dat hij zich onder behandeling moet laten stellen bij De Waag. Voor een nog verdere verdiscontering in de op te leggen straf wegens vormverzuimen, zoals de raadsman heeft betoogd, ziet de rechtbank geen aanleiding. Hoewel het opsporingsonderzoek op diverse punten onzorgvuldig is geweest, zoals de rechtbank in rubriek 3 heeft overwogen, heeft compensatie reeds plaatsgevonden door de wijze waarop de rechtbank het bewijs heeft gewogen. Mede als gevolg daarvan heeft de rechtbank minder feiten bewezen verklaard dan waartoe de officier van justitie heeft gerekwireerd.

9 De vorderingen van de benadeelde partijen

9.1

De vordering van [benadeelde partij 3]

De benadeelde partij [benadeelde partij 3] vordert een bedrag van € 1.500,00 aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

9.1.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering tot schadevergoeding integraal zal worden toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

9.1.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat de benadeelde niet-ontvankelijk zal worden verklaard in haar vordering wegens het beroep op vrijspraak.

9.1.3.

Het oordeel van de rechtbank

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het in zaak A bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. De vordering is niet inhoudelijk betwist. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

Voorts wordt verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken, tot op heden begroot op nihil.

In het belang van de benadeelde partij wordt, als extra waarborg voor betaling, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

9.2

De vordering van [benadeelde partij 1]

De benadeelde partij [benadeelde partij 1] vordert een bedrag van in totaal € 830,00 ter vergoeding van geleden schade, te weten € 80,00 aan materiële- en € 750,00 aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

9.2.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering tot schadevergoeding integraal zal worden toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

9.2.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat de benadeelde niet-ontvankelijk zal worden verklaard in haar vordering wegens het beroep op vrijspraak.

9.2.3.

Het oordeel van de rechtbank

Nu de rechtbank de dagvaarding in haar zaak nietig zal verklaren, is de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering. De benadeelde partij kan haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

9.3

De vordering van [benadeelde partij 2]

De benadeelde partij [benadeelde partij 2] vordert een bedrag van € 3.500,00 aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

9.3.1.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering tot schadevergoeding integraal zal worden toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

9.3.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair verzocht de benadeelde niet-ontvankelijk te verklaren wegens het beroep op vrijspraak. Subsidiair dient de vordering te worden gematigd, omdat de chatgesprekken met [benadeelde partij 2] de suggestie wekken dat zij vaker met mannen afsprak. Daarom kan de opgevoerde schade mogelijk ook zijn ontstaan door ontmoetingen met andere mannen dan verdachte. Voor zover aansluiting wordt gezocht bij de in de vordering genoemde jurisprudentie, dan dient het in de jurisprudentie genoemde bedrag van € 1.980,20 weliswaar te worden verhoogd in verband met de indexering, maar dan slechts met enkele honderden euro’s.

9.3.3.

Het oordeel van de rechtbank

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het in zaak B onder 3 bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. In hetgeen de raadsman heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding om de gevorderde schadevergoeding te matigen. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank bepaald niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

Voorts wordt verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken, tot op heden begroot op nihil.

In het belang van de benadeelde partij wordt, als extra waarborg voor betaling, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

10 Beslag

10.1

De in beslag genomen voorwerpen

Onder verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen:

1. STK Simkaart van zaktelefoon Telfort

2. 1.00 STK Computer Kl: zwart Eminent

3. 1.00 STK Computer Kl: zwart HP

10.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de in beslag genomen voorwerpen zullen worden onttrokken aan het verkeer.

10.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat de in beslag genomen voorwerpen aan verdachte dienen te worden teruggegeven, eventueel na verwijdering van de daarop nog aanwezige bestanden. Indien verwijdering van die bestanden niet mogelijk is, heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de in beslag genomen voorwerpen niet aan verdachte behoeven te worden teruggegeven.

10.4

Het oordeel van de rechtbank

Onttrekking aan het verkeer

De onder 2 en 3 genoemde voorwerpen dienen te worden onttrokken aan het verkeer en zijn daarvoor vatbaar, aangezien met behulp van deze voorwerpen het bewezen geachte is begaan en (de inhoud van) deze voorwerpen van zodanige aard is/zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang.

Teruggave aan verdachte

De onder 1 genoemde simkaart staat niet in relatie tot het bewezen verklaarde feit.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat dit aan verdachte moet worden teruggegeven.

11 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 36b, 36c, 36f, 45, 57, 245, 247 en 248a van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van de bewezen geachte feiten.

12 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart de dagvaarding ten aanzien van het in zaak B onder 2 ten laste gelegde nietig.

Verklaart het in zaak B onder 1 primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

in zaak A

met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen;

in zaak B

ten aanzien van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde:

door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht een persoon waarvan hij weet dat deze de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, opzettelijk bewegen ontuchtige handelingen te plegen, meermalen gepleegd;

ten aanzien van het onder 3 eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde:

met iemand, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd;

ten aanzien van het onder 3 tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde:

met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd;

ten aanzien van het onder 3 derde cumulatief/alternatief ten laste gelegde:

door giften of beloften van geld en goed en misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht een persoon waarvan hij weet dat deze de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, opzettelijk bewegen ontuchtige handelingen te plegen of te dulden, meermalen gepleegd;

ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde:

poging tot met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen, meermalen gepleegd.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

 Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 1 (één) jaar, van deze gevangenisstraf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 5 (vijf) jaren vast.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich meldt bij Reclassering Nederland op het adres Wibautstraat 12 te Amsterdam, waarna hij zich blijft melden zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

- zich onder behandeling laat stellen in het kader van het behandeltraject seksueel grensoverschrijdend gedrag bij De Waag of soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij hij zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven.

Geeft aan Reclassering Nederland opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Vorderingen van de benadeelde partijen

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] toe tot een bedrag van

€ 1.500,00 (vijftienhonderd euro) aan immateriële schadevergoeding.

Veroordeelt verdachte aan [benadeelde partij 3] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] , te betalen de som van € 1.500,00 (vijftienhonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 25 (vijfentwintig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van de voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 1] niet-ontvankelijk in haar vordering.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] toe tot een bedrag van € 3.500,00 (vijfendertighonderd euro) aan immateriële schadevergoeding.

Veroordeelt verdachte aan [benadeelde partij 2] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] , te betalen de som van € 3.500,00 (vijfendertighonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 45 (vijfenveertig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van de voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Ten aanzien van het beslag

 Verklaart onttrokken aan het verkeer:

2. 1.00 STK Computer Kl: zwart Eminent

3. 1.00 STK Computer Kl: zwart HP

 Gelast de teruggave aan verdachte van:

1. 1.00 STK Simkaart van zaktelefoon Telfort

Dit vonnis is gewezen door

mr. M.J.E. Geradts, voorzitter,

mrs. F. Dekkers en P. Farahani, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. C. de Bruin, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 23 juli 2018.

1 Een proces-verbaal van aangifte d.d. 5 februari 2013 met nr. PL135D 2013029369-1, p. 21001 e.v.

2 Een proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 februari 2013 met nr. PL135D 2013029369-17 en de daarbij gevoegde bijlage, zijnde een uitdraai van BlueView Registratie Export, p. 31002 e.v.

3 Een proces-verbaal van aanhouding/doorzoeking d.d. 19 februari 2013 met nr. 2013/029369/13CAP, p. 41001 e.v.

4 Een proces-verbaal van bevindingen (Tussenstand onderzoek 13CAP) d.d. 15 maart 2013 met nr. PL135D 2013029369-31, p. 31012 e.v.

5 Een proces-verbaal van bevindingen (2d tussenstand odnerzoek 13CAP) d.d. 21 maart 2013 met nr. 2013029369, p. 31026 e.v.

6 Een proces-verbaal van bevindingen (Tussenstand onderzoek 13CAP) d.d. 15 maart 2013 met nr. PL135D 2013029369-31, p. 31012 e.v.

7 Chatgesprekken opgenomen in rubriek 9 van het procesdossier.

8 Verklaring verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 14 juni 2018.