Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:5136

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
19-07-2018
Datum publicatie
19-07-2018
Zaaknummer
13/650251-17 (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 58-jarige man wordt veroordeeld voor het medeplegen van mensenhandel van een veertienjarig meisje (artikel 273f sub 2 en 5 Sr) in de periode van begin november 2016 tot en met 20 januari 2017. Verdachte heeft zijn woning ter beschikking gesteld zodat het meisje daar klanten voor seksafspraken kon ontvangen. Aan hem wordt een gevangenisstraf van 12 maanden opgelegd, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar. Daarnaast wordt aan hem een vrijheidsbenemende maatregel ex. artikel 38v Sr opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/650251-17 (Promis)

Datum uitspraak: 19 juli 2018

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1960,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] , [woonplaats]

.

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 29 en 30 mei en 9 juli 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. S.M. Hoogerheide en van wat verdachte en zijn raadsman mr. R.P.G. van der Weide naar voren hebben gebracht.

Het onderzoek 13Coalinga richt zich op de volgende verdachten: [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [verdachte] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] . Alle verdachten worden verder in dit vonnis bij hun achternaam genoemd. Laatstgenoemde heeft afzonderlijk terecht gestaan bij de kinderrechter.

2 Tenlastelegging

Aan [verdachte] is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan

het medeplegen van mensenhandel ten aanzien van de minderjarige [slachtoffer 1] ,
[slachtoffer 2] en andere onbekend gebleven personen in de periode van 1 oktober 2016 tot en met 21 januari 2017.

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in bijlage I, die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Voorvragen

3.1.

Geldigheid van de dagvaarding

De rechtbank is van oordeel dat de dagvaarding ten aanzien van de in de tenlastelegging opgenomen zinsneden ‘andere tot op heden onbekend gebleven personen die de leeftijd van achttien jaren nog niet hebben bereikt’ en ‘en/of die andere personen’ onvoldoende duidelijk is. Er kan niet van [verdachte] worden verwacht, ook niet tegen de achtergrond van het dossier, dat hij zich ten aanzien van de betreffende zinssneden op adequate wijze verdedigt. Dit brengt mee dat de dagvaarding ten aanzien van die onderdelen niet voldoet aan de eisen gesteld door artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering (Sv), en partieel nietig zal worden verklaard.

3.2.

Overige voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat zij bevoegd is tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Inleiding

Op 16 januari 2017 werd door een medewerker van de jeugdinrichting ‘ [naam jeugdinrichting] ’ aangifte gedaan van de vermissing van de op dat moment veertienjarige [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ). Tijdens haar weekendverlof was zij van huis weggelopen na een ruzie met haar moeder en niet teruggekeerd naar de jeugdinrichting.

In het op haar kamer gevonden dagboek van [slachtoffer 1] stonden onder andere teksten die betrekking leken te hebben op prostitutiewerkzaamheden en op een meisje met de naam ‘ [medeverdachte 4] ’. Deze ‘ [medeverdachte 4] ’ bleek later [medeverdachte 4] (hierna: [medeverdachte 4] ) te zijn, een meisje dat ook in ‘ [naam jeugdinrichting] ’ verbleef.

Nadat het vermissingsbericht van [slachtoffer 1] in de media was verschenen, zijn er tips binnengekomen dat [slachtoffer 1] op internet in een advertentie zou worden aangeboden voor het verrichten van seksuele handelingen. In de advertentie werd het telefoonnummer * [nummer] vermeld, waarop direct een technische actie is aangesloten. Het telefoonnummer behoorde volgens medewerkers van ‘ [naam jeugdinrichting] ’ toe aan [medeverdachte 4] .

De technische actie op het telefoonnummer leidde de politie op 20 januari 2018 naar [plaats] , waar [slachtoffer 1] in de woning aan de [adres 1] werd aangetroffen in het bijzijn van [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] .

Uit het onderzoek dat volgde, bleek volgens het Openbaar Ministerie de betrokkenheid van [verdachte] bij mensenhandel ten aanzien van de minderjarige meisjes [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ). [verdachte] heeft steeds elke betrokkenheid ontkend.

4.2.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft, overeenkomstig het op schrift gestelde requisitoir, gemotiveerd het standpunt ingenomen dat [verdachte] dient te worden veroordeeld voor het ten laste gelegde medeplegen van mensenhandel van [slachtoffer 1] . Zij heeft hierbij onder andere gewezen op de verklaringen van [slachtoffer 1] , [medeverdachte 4] , [getuige 1] en [verdachte] zelf, en de WhatsApp-gesprekken tussen [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] . Er is onvoldoende bewijs dat [verdachte] betrokken was bij de mensenhandel ten aanzien van [slachtoffer 2] .

4.3.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich – kort samengevat – op het standpunt gesteld dat [verdachte] dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde.

Uit het dossier kan enkel worden afgeleid dat [verdachte] zijn woning beschikbaar heeft gesteld. [verdachte] betwist nadrukkelijk en herhaald dat hij wist dat hij zijn woning beschikbaar stelde voor de prostitutie van een minderjarige en hier is ook geen bewijs voor.

Dat [verdachte] een enkele keer een tientje heeft gehad voor het beschikbaar stellen van zijn woning, moet bezien worden in het licht van zijn jarenlange drugsverslaving. Wanneer [verdachte] een tientje kon krijgen om drugs te gaan kopen, stelde hij hier verder geen vragen over. Het geld is hem bovendien aangeboden, hij heeft hier niet om gevraagd. [verdachte] vertrouwde op [medeverdachte 2] , die in zijn woning verbleef en daar ook gasten ontving. De prostitutie heeft zich letterlijk aan zijn zicht onttrokken, omdat hij vaak niet in de woning aanwezig was.

Indien de rechtbank wel tot een bewezenverklaring mocht komen, kan hoogstens sprake zijn van medeplichtigheid. Nu dit niet is ten laste gelegd, dient [verdachte] te worden vrijgesproken.

4.4.

Oordeel van de rechtbank

4.4.1.

Bevindingen

De rechtbank gaat op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting uit van de volgende feiten en omstandigheden ten aanzien van de betrokkenheid van [verdachte] bij de prostitutiewerkzaamheden van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] .

In de voetnoten wordt kort verwezen naar stukken in het dossier. Een volledig overzicht van de stukken die de rechtbank als bewijsmiddelen heeft gebruikt is opgenomen in bijlage II, die aan dit vonnis is gehecht.

4.4.1.1. Prostitutiewerkzaamheden

- Dagboek [slachtoffer 1]

Een aantal teksten in het dagboek van [slachtoffer 1] lijken betrekking te hebben op prostitutiewerkzaamheden. Zo had [slachtoffer 1] onder andere op 4 december 2016 opgeschreven:

“Volgende week kan ik soa test doen ik hoop da ik geen herpes heb die mokro klant zag der niet egt verzorgt uit”;

“Wat als ik [naam 1] ziekte geef dan gaat dat sowieso heel de trap rond dan gaat niemand me meer leuk vinden dan ben ik een dome hoer met ziektes”;

“Ik denk dat ik ga overstappen naar strippen”.1

Ook heeft ze opgeschreven:

“Ik zit nu op 7 kills die ik heb gekaatst. We maken dr max 12 van verschillende daarna als ik 1.000 heb gemaakt stop ik”.2

- Verklaringen [slachtoffer 1]

heeft verklaard dat zij in oktober 2016 als prostituee voor [medeverdachte 4] heeft gewerkt. [slachtoffer 1] kende [medeverdachte 4] uit ‘ [naam jeugdinrichting] ’. [medeverdachte 4] had haar gevraagd mee te gaan naar het ‘traphouse’, waar ze heen werden gebracht door de vriend van [medeverdachte 4] die [medeverdachte 1] , maar ook wel ‘ [bijnaam] ’ werd genoemd.3

Volgens [slachtoffer 1] had [medeverdachte 4] haar samen met [medeverdachte 1] gevraagd of ze ‘geld wilde maken’ en tegen haar gezegd dat ze in dat geval onderaan moest beginnen en eerst als prostituee moest gaan werken. [medeverdachte 4] heeft naaktfoto’s van [slachtoffer 1] gemaakt voor de seksadvertentie die zij op de website [website] geplaatst heeft. Klanten reageerden op de advertentie, waarna [slachtoffer 1] de klanten ontving in een kamertje in [adres 2] (de rechtbank begrijpt: een woning in de buurt van het metrostation [adres 2] ). Daar had ze seks met de klanten. [medeverdachte 4] was degene die het telefonische contact met de klanten had en in eerste instantie het geld van de klanten ontving. De werkzaamheden van [slachtoffer 1] kostten 150 euro per uur en 70 euro voor pijpen. Als de klant weg was, kreeg [slachtoffer 1] 60 of 65 euro van [medeverdachte 4] . In de periode oktober/november 2016 heeft zij 10 tot 20 klanten gehad.4

In januari 2017 is [slachtoffer 1] samen met [slachtoffer 2] weggelopen en weer naar het ‘traphouse’ in [adres 2] gegaan. [medeverdachte 4] had ook naaktfoto’s gemaakt van [slachtoffer 2] voor een seksadvertentie.5 Na 2 dagen in het ‘traphouse’ is [slachtoffer 1] samen met [medeverdachte 4] , [medeverdachte 1] en 2 andere jongens verplaatst naar een woning in [plaats] . [medeverdachte 1] bepaalde dat ze naar [plaats] ging.6 Daar heeft ze onder andere seks gehad met een jongen die [naam 2] heette.7 In januari heeft ze 6 à 7 klanten gehad.8

[slachtoffer 1] denkt dat ze alles bij elkaar 400 tot 500 euro aan haar prostitutiewerkzaamheden heeft overgehouden.9

[medeverdachte 1] was volgens [slachtoffer 1] op de achtergrond betrokken bij haar prostitutiewerkzaamheden. Hij kreeg een deel van het geld, zocht onderdak en regelde het vervoer. [slachtoffer 1] moest van [medeverdachte 1] tegen klanten zeggen dat ze 18 jaar was, en tegen de jongens in het ‘traphouse’ dat ze 16 jaar was.10 [slachtoffer 1] gaf het geld aan [medeverdachte 4] , maar zij splitte het met [medeverdachte 1] .11 In oktober 2016 had [medeverdachte 1] tegen [medeverdachte 4] gezegd dat ze eerst moesten kijken of [slachtoffer 1] ‘flex’ en te vertrouwen was, wat ze wilden testen met [medeverdachte 2] .12

- Verklaring [slachtoffer 2]

heeft verklaard dat ze in het weekend van 15 januari 2017 samen met [slachtoffer 1] is weggelopen en naar een woning in de wijk [adres 2] in [plaats] is gegaan. Zij en [slachtoffer 1] hebben 2 nachten in de woning geslapen. Haar was gevraagd of ze geld wilde verdienen met prostitutiewerkzaamheden. Ze wilde het uiteindelijk wel gaan doen, maar het is er nooit van gekomen omdat ze terug werd geplaatst in ‘ [naam jeugdinrichting] ’.13

- Verklaringen [medeverdachte 4]

De verklaringen die [medeverdachte 4] heeft afgelegd over de prostitutiewerkzaamheden sluiten aan bij de verklaringen van [slachtoffer 1] .

[medeverdachte 4] heeft verklaard [slachtoffer 1] te hebben leren kennen in ‘ [naam jeugdinrichting] ’ en zij zou haar om hulp hebben gevraagd.14 [medeverdachte 4] wist de leeftijd van [slachtoffer 1] en had gezegd dat ze tegen klanten moesten zeggen dat 16 of 17 jaar was.15 Ze had van [slachtoffer 1] contactgegevens van bestaande klanten gekregen en heeft voor haar een aantal afspraken met klanten gemaakt. [slachtoffer 1] heeft een aantal klanten ontvangen in de woning van [verdachte] . [medeverdachte 4] was degene die het geld van de klanten aannam. [slachtoffer 1] ontving 75 tot 80 euro per klant gemiddeld en achteraf betaalde [medeverdachte 4] 60 tot 70 euro aan [slachtoffer 1] . Het tientje dat ze overhield spaarde ze of gaf ze aan [verdachte] .16 De eerste keer dat [slachtoffer 1] een klant had was bij [verdachte] thuis in [adres] . Dit was in oktober/november 2016. [slachtoffer 1] heeft ongeveer 10 klanten gehad, waarvan 7 bij [verdachte] thuis. Ze heeft in oktober/november 2016 een advertentie voor [slachtoffer 1] aangemaakt, waarin ze haar eigen telefoonnummer, dat eindigde op [nummer] , had genoemd. Ze heeft 2 seksadvertenties voor [slachtoffer 1] aangemaakt en daarvoor naaktfoto’s van [slachtoffer 1] gemaakt.17

[slachtoffer 1] was in januari 2017 met [slachtoffer 2] uit ‘ [naam jeugdinrichting] ’ weggelopen en naar haar toegekomen om bij [verdachte] te verblijven. Toen bleek dat [slachtoffer 1] als vermist was opgegeven, zijn ze naar een woning in [plaats] verplaatst. De woning was geregeld zodat ze (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 1] ) daar kon verblijven en eventueel klanten zou kunnen ontvangen.18

[medeverdachte 1] heeft volgens [medeverdachte 4] geholpen met het vinden van een plek voor [slachtoffer 1] waar zij seks kon hebben. Hij heeft 1, 2 of 3 keer gereden om [slachtoffer 1] naar een klant te brengen.19 Hij kreeg daar niet echt voor betaald, maar [medeverdachte 4] heeft een keer zijn benzine betaald.20 Bij de ongeveer 10 klanten van [slachtoffer 1] werd het geld verdeeld tussen [slachtoffer 1] , [verdachte] , [medeverdachte 1] en zijzelf.21

- Bevindingen in mobiele telefoons

In de telefoons van [slachtoffer 1] en [medeverdachte 4] zijn bevindingen gedaan die hun verklaringen over de prostitutiewerkzaamheden bevestigen.

In de telefoon van [slachtoffer 1] zijn WhatsApp-gesprekken tussen [slachtoffer 1] en [medeverdachte 4] aangetroffen, waarin [slachtoffer 1] op verzoek van [medeverdachte 4] een aantal foto’s van zichzelf en telefoonnummers van klanten naar haar doorstuurt.2223 Vanaf 14 november 2016 deelde [medeverdachte 4] meerdere malen aan [slachtoffer 1] mee dat ze een klant zou gaan ontvangen.24

Uit onderzoek aan de telefoon van [medeverdachte 4] is naar voren gekomen dat [medeverdachte 4] tussen
9 en 20 januari 2017 via WhatsApp contact had met klanten over het maken van seksafspraken voor [slachtoffer 1] . In deze gesprekken werden als ontvangstadressen [adres 3] te [plaats] en [adres 1] te [plaats] genoemd.25

In de mobiele telefoon van [medeverdachte 1] zijn bevindingen gedaan ten aanzien van de betrokkenheid van [medeverdachte 1] bij de prostitutiewerkzaamheden van [slachtoffer 1] .

Er is onderzoek gedaan aan de mobiele telefoon van het merk LG die onder [medeverdachte 1] in beslag is genomen bij zijn aanhouding.26 Op de telefoon van [medeverdachte 1] zijn WhatsApp-gesprekken aangetroffen die zijn gevoerd door de gebruiker van het telefoonnummer * [nummer] met de gebruikersnaam ‘ [gebruikersnaam] ’. [medeverdachte 1] heeft verklaard dat het telefoonnummer * [nummer] aan hem toebehoorde.27 Het telefoonnummer * [nummer] is, met uitzondering van één dag, van 24 september 2016 tot en met 20 januari 2017 gekoppeld geweest aan het IMEI-nummer behorend bij de LG-telefoon van [medeverdachte 1] .28

Uit de WhatsApp-gesprekken tussen de gebruiker van het telefoonnummer * [nummer] ( [medeverdachte 1] ) en die en [medeverdachte 4] is naar voren gekomen dat zij vanaf 5 november 2016 met elkaar spraken over de prostitutie van [slachtoffer 1] . Zo is onder andere het volgende naar voren gekomen:

- Op 13 november 2016 berichtte [medeverdachte 4] : “Heb heeel erg goed nieuws. Over [slachtoffer 1] ” en “heb klanten voor [slachtoffer 1] ”29 en “k wil der vandaag al laten neuken”, waarop de gebruiker van * [nummer] antwoordde: “Saaang ik ga ff bellen kijken waar we kunnen gaan”.30

- Op 16 november 2016 berichtte de gebruiker van * [nummer] : “Vandaag moeten we wel een money maken met [slachtoffer 1] ”31en “We moeten voorzichtig zijn als we geklemd worden dan gaan we lang weg”32en “Ik heb je back je bent me bonnie”, waarop [medeverdachte 4] antwoordde: “Ja schat jij mijn clyde”. De gebruiker van * [nummer] zei daarop: “Ze moet onze bitch blijven…Imperium opbouwen”.33

- Op 18 november 2016 berichtte [medeverdachte 4] : “We hebben 2 klanten. Dus laat [naam 1] een plek fixen”34en “Waar kan ze bij [medeverdachte 3] ?”, waarop de gebruiker van * [nummer] reageerde: “Ja. Geregeld. 642”.35

- Op 22 november 2016 berichtte [medeverdachte 4] : “Jij moet ook klanten regelen”36 en “We hebben een klant voor [slachtoffer 1] ” en “we moeten der brengen”.37

- Op 19 januari 2017 berichtte de gebruiker van * [nummer] : “Heeft [slachtoffer 1] al klannies vandaag. We moeten bewegen”.38

In de telefoon van [medeverdachte 4] is ook een WhatsApp-gesprek aangetroffen met de gebruiker van het telefoonnummer * [nummer] ( [medeverdachte 1] ) van 25 november 2016, waarin [medeverdachte 4] berichtte: “Ben beetje klaar hiermee vanaf vandaag ga k een advertentie plaatsen”39, en op 28 november 2016: “Kom we gaan vandaag ff in een belhuis op de pc advertentie plaatsen. Heb foto’s van [slachtoffer 1] en een naakt dus komt helemaal goed”.40

Met het telefoonnummer van [medeverdachte 4] zijn op 16, 17 en 18 januari 2017 in totaal 3 advertenties aangemaakt op de website [website] .41

- ‘ ‘Traphouse’

[slachtoffer 1] heeft verklaard dat de prostitutiewerkzaamheden onder andere zouden hebben plaatsgevonden in een ‘traphouse’.

Een ‘traphouse’ is volgens [slachtoffer 1] een woning waar drugs wordt gemaakt en gedeald en waar ook prostitutie plaatsvindt. [slachtoffer 2] heeft het ‘traphouse’ in [adres 2] , waar zij in januari 2017 met [slachtoffer 1] verbleef, beschreven als een huis waar drugs wordt verhandeld en geld wordt verdiend. Naar haar idee zaten in de woning junkies, pooiers en drugsdealers.42 In de woning hadden oudere mannen seks met jonge meisjes. Ook hadden mensen seks met elkaar in de woonkamer.43

[medeverdachte 4] heeft een ‘traphouse’ omschreven als een plek waar je kan ‘chillen’. De hele Bijlmer zit vol met ‘traphouses’.44

[medeverdachte 2] heeft verklaard dat er door heel Amsterdam locaties zijn die ‘traphouse’ genoemd worden. Hij heeft het omschreven als een soort buurthuis.45

De woning van [verdachte] was volgens [slachtoffer 1] een ‘traphouse’, en later was het een woning daarboven.4647 Ook volgens [medeverdachte 4] was het huis van [verdachte] een ‘traphouse’.48 In de woning van [verdachte] werd volgens haar van alles gebruikt en het zou kunnen dat er drugs gemaakt en verkocht werd.49 Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat ze weleens in de woning van [verdachte] op [adres] in de Bijlmer kwam, waar veel drugs werd gebruikt, gemaakt en verkocht.50 Volgens [getuige 1] kwamen er ook jonge meisjes in de woning die daar seks tegen betaling hadden.51

Volgens verschillende personen in het dossier was de woning van ‘ [naam 3] ’, die zich boven de woning van [verdachte] zou bevinden, ook een ‘traphouse’. Deze ‘ [naam 3] ’, die bleek te zijn genaamd [naam 3] , heeft verklaard dat er in zijn woning jonge jongens komen om te chillen en om drugs te verkopen. Er komen ook veel meiden langs om met de jongens seks te hebben.52

4.4.1.2. Betrokkenheid [verdachte]

- Verklaringen [slachtoffer 1] en [medeverdachte 4]

[slachtoffer 1] heeft [verdachte] als ‘Oom [medeverdachte 3] ’ herkend. Volgens [slachtoffer 1] was het huis van [verdachte] in [adres] een ‘traphouse’. In het huis van [verdachte] was ook prostitutie en [slachtoffer 1] is daar geweest. [verdachte] dacht dat [slachtoffer 1] 16 jaar was en wist dat zij in de prostitutie werkte.53

[medeverdachte 4] heeft verklaard dat [slachtoffer 1] een aantal klanten heeft ontvangen in de woning van [verdachte] . Het tientje dat ze overhield aan de prostitutiewerkzaamheden van [slachtoffer 1] gaf ze aan [verdachte] .54 Hij wist dat er in zijn woning afspraken met klanten gemaakt werden. [verdachte] deed vaak de deur open als [medeverdachte 4] kwam.55 Volgens [medeverdachte 4] wordt in de WhatsApp-gesprekken tussen haar en [medeverdachte 1] met ‘ [medeverdachte 3] ’ of ‘oom [medeverdachte 3] ’ [verdachte] bedoeld.56 Het gebeurde volgens [medeverdachte 4] vaker dat veel mensen in de woning van [verdachte] kwamen zonder dat hij er zelf was. Ze was ook wel in de woning met [slachtoffer 1] zonder dat [verdachte] er was.57

- Bevindingen in mobiele telefoons

Uit onderzoek aan de telefoon van [medeverdachte 4] is naar voren gekomen dat [medeverdachte 4] tussen 9 en 20 januari 2017 via WhatsApp contact had met klanten over het maken van seksafspraken voor [slachtoffer 1] . In deze gesprekken werd onder andere als ontvangstadres [adres 3] te [plaats] genoemd.58

In de mobiele telefoon van [medeverdachte 1] zijn bevindingen gedaan ten aanzien van de betrokkenheid van [verdachte] bij de prostitutiewerkzaamheden van [slachtoffer 1] . Uit de WhatsApp-gesprekken tussen de gebruiker van het telefoonnummer * [nummer] ( [medeverdachte 1] ) en [medeverdachte 4] , welke aanvingen op 5 november 2016, komt onder andere het volgende naar voren:

- Op 18 november 2016 berichtte [medeverdachte 4] : “We hebben 2 klanten. Dus laat [naam 1] een plek fixen” en “Waar kan ze bij [medeverdachte 3] ?”, waar de gebruiker van * [nummer] op reageerde: “Ja. Geregeld. 642”.59

- Op 20 november 2016 berichtte de gebruiker van * [nummer] op de vraag van [medeverdachte 4] over waar ze een klant konden ontvangen: “ [medeverdachte 3] ”.60[medeverdachte 4] berichtte daarna: “We moeten [medeverdachte 3] ook wat geven”.61

- Op 21 november antwoordde [medeverdachte 4] op de vraag van de gebruiker van * [nummer] waar de klant heen wilde: “Denk bij [medeverdachte 3] rond 6/7”.62

- Op 23 november 2016 vroeg [medeverdachte 4] : “Baby kan je [naam 1] vragen of we 11 uur bij [medeverdachte 3] kunnen?”63, waarop de gebruiker van * [nummer] antwoordde: “we kunnen naar [medeverdachte 3] ”.64

- Op 17 januari 2017 berichtte [medeverdachte 4] : “ [slachtoffer 1] heeft zo een klant met uurtje” en “en vanavond nog 2 klannies geven we [medeverdachte 3] een donnie”.65

Op de telefoon van [medeverdachte 4] is een aantal spraakberichten aangetroffen. Een spraakbericht van 25 november 2016 wordt toegeschreven aan [medeverdachte 4] . In het bericht zei zij: “Nou maar ff serieus kunnen we niet gewoon naar oom [medeverdachte 3] (fon) gaan? Als oom [medeverdachte 3] gek doet zeg ik oom [medeverdachte 3] ik betaal u toch? Hallo, dan moet ik wel kunnen komen wanner ik een klant heb, ja dag”.66

- Verklaringen [verdachte]

heeft bij de politie verklaard dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] met [slachtoffer 1] naar zijn woning kwamen en dat [slachtoffer 1] 2 dagen in zijn woning heeft verbleven. Hij kreeg hier 10 euro per nacht voor. 2 maanden voordat het vermissingsbericht van [slachtoffer 1] op AT5 kwam, had [slachtoffer 1] ook al bij hem geslapen.67

[verdachte] heef ter terechtzitting verklaard dat [medeverdachte 2] bij hem verbleef omdat hij zijn woning was kwijtgeraakt. [medeverdachte 1] , [medeverdachte 4] en [slachtoffer 1] kwamen bij [medeverdachte 2] op bezoek. Hij liet ze soms alleen in de woning en het zou kunnen dat er dan seks plaatsvond. Hij was daar echter op dat moment niet van op de hoogte. Hij heeft nooit gevraagd naar de leeftijd van [slachtoffer 1] . [medeverdachte 4] heeft hem een keer 10 euro gegeven omdat ze in zijn woning bleven slapen en rommel maakten. In januari 2017 is [slachtoffer 1] één nacht blijven slapen. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] vroegen via [medeverdachte 2] of dat mocht. Hij ging vaak weg als er mensen in zijn woning waren. Nadat [verdachte] kennis had genomen van het vermissingsbericht van [slachtoffer 1] heeft hij [medeverdachte 4] , [medeverdachte 1] en [slachtoffer 1] uit zijn woning gezet.68

4.4.2.

Weging van de bevindingen

4.4.2.1. Wettelijk kader

- Algemeen

Het ten laste gelegde artikel 273f, eerste lid, sub 2, 5 en 8 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) ziet op de bescherming van minderjarigen tegen seksuele uitbuiting door anderen en op het profiteren daarvan. Een minderjarige op enigerlei wijze faciliteren tot een rol in de prostitutie is strafbaar, onafhankelijk van de wil van de minderjarige. Hierbij is niet van belang of een verdachte bekend is met de minderjarigheid van het slachtoffer, aangezien de minderjarigheid een geobjectiveerd bestanddeel is. Door het tewerkstellen van minderjarigen in de prostitutie is er in het algemeen sprake van een grote inbreuk op de lichamelijke en geestelijke integriteit van de minderjarige.

- Sub 2

Artikel 273f, eerste lid, sub 2 Sr ziet, voor zover thans van belang, op het werven, vervoeren, overbrengen, huisvesten of opnemen van een ander met het oogmerk van uitbuiting van die ander, terwijl die ander nog geen achttien jaren oud is. Deze bepaling is niet beperkt tot uitbuiting in de prostitutie, maar ziet op alle intermenselijke relaties waarbij uitbuiting van een minderjarige aan de orde is. Het begrip ‘uitbuiting’ is door de wetgever niet gedefinieerd, behoudens voor zover in artikel 273f, tweede lid Sr – voor zover thans van belang - is bepaald dat ‘uitbuiting ten minste omvat uitbuiting van een ander in de prostitutie en andere vormen van seksuele uitbuiting’.

- Sub 5 en 8

Het in artikel 273f, eerste lid, sub 5 respectievelijk sub 8 Sr bepaalde ziet op het strafbaar stellen van, voor zover thans van belang, het brengen van een minderjarige in de prostitutie, respectievelijk het voordeel trekken uit de prostitutie door een minderjarige. Deze strafbepalingen waren vóór de invoering van artikel 273f Sr opgenomen in het, inmiddels vervallen, artikel 250a, sub 3, respectievelijk sub 5 Sr. Dat artikel zag blijkens de wetsgeschiedenis op de strafbaarstelling van een aantal vormen van exploitatie van onvrijwillige prostitutie en van prostitutie waarbij minderjarigen zijn betrokken.

Ter gelegenheid van de invoering van artikel 273f Sr heeft de wetgever omtrent het in het voorgestane nieuwe artikel te incorporeren artikel 250a Sr onder meer opgemerkt dat dit artikel beoogt alle vormen van uitbuiting voor prostitutie en andere vormen van seksuele uitbuiting strafbaar te stellen, en verder dat de eis van dwang in brede zin of misleiding niet geldt voor seksuele uitbuiting van kinderen: ‘uitbating van prostitutie door minderjarigen is zonder meer strafbaar.’ Ook heeft de wetgever ten aanzien van artikel 273f, eerste lid sub 5 Sr nog opgemerkt dat deze bepaling ziet op bescherming van kinderen en om die reden de eis van het gebruik van dwangmiddelen ontbreekt en (voor zover hier van belang) ten aanzien van sub 8 dat dit, evenals sub 5, is beperkt tot profijt uit seksuele uitbuiting van kinderen.69

Uit de wetsgeschiedenis vloeit dan ook voort dat de wetgever ten aanzien van de strafbaarstelling van handelingen gericht op de prostitutie van minderjarigen, niet heeft willen weten van een eis van verdergaande specifieke, een uitbuitingsituatie kenmerkende, omstandigheden. Het brengen van een minderjarige in de prostitutie of het profiteren van de opbrengst van prostitutiewerkzaamheden door een minderjarige is door de wetgever aangemerkt als een aan mensenhandel gerelateerde vorm van uitbuiting. Dat aan een bewezenverklaring van artikel 273f, eerste lid, sub 5 respectievelijk sub 8 Sr door de wetgever zwaardere eisen werden gesteld dan in artikel 250a Sr werden verwoord, is niet gebleken.

Het voorgaande brengt mee dat het begrip ‘uitbuiting’ niet als bestanddeel in voormelde strafbepaling moet worden ingelezen en afzonderlijk worden bewezen, maar dat het handelen zoals in deze strafbepaling neergelegd uitbuiting oplevert en wordt gekwalificeerd als mensenhandel.

4.4.2.2. Gedeeltelijke vrijspraak ten aanzien van [slachtoffer 2]

De rechtbank is, met de officier van justitie en de verdediging, van oordeel dat niet kan worden bewezen dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel ten aanzien van [slachtoffer 2] , zoals hem is ten laste gelegd. [verdachte] zal hiervan worden vrijgesproken.

4.4.2.3. Ten aanzien van [slachtoffer 1]

- Handelingen

Op grond van de hiervoor in paragraaf 4.4.1. beschreven feiten en omstandigheden stelt de rechtbank vast dat [slachtoffer 1] in de ten laste gelegde periode prostitutiewerkzaamheden heeft verricht terwijl zij op dat moment 14 jaar was. [slachtoffer 1] heeft hierover vanaf oktober 2016 contact gehad met [medeverdachte 4] , die zij vanuit ‘ [naam jeugdinrichting] ’ kende. [medeverdachte 4] heeft naaktfoto’s van [slachtoffer 1] gemaakt ten behoeve van seksadvertenties en contact met klanten gehad voor het maken van seksafspraken met [slachtoffer 1] . [slachtoffer 1] had seks met de klanten in onder andere de woning van [verdachte] , een zogenoemd ‘traphouse’.

[medeverdachte 4] ontving het geld van de klanten en gaf daarna een gedeelte aan [slachtoffer 1] . Toen [slachtoffer 1] vanaf december 2016 voor een aantal weken was teruggeplaatst in ‘ [naam jeugdinrichting] ’ hebben [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] contact met haar onderhouden om haar daarna weer in te zetten in de prostitutie. Immers, vanaf medio januari 2017 is [medeverdachte 4] verder gegaan met het maken van seksafspraken voor [slachtoffer 1] . Nadat op 17 januari 2017 het vermissingsbericht van [slachtoffer 1] in de media verscheen, is zij verplaatst naar een woning in [plaats] , met de bedoeling haar te kunnen blijven inzetten in de prostitutie.

Ook [medeverdachte 1] was betrokken bij de prostitutiewerkzaamheden van [slachtoffer 1] . [medeverdachte 1] zorgde ervoor dat er een plek was waar [slachtoffer 1] haar werkzaamheden kon uitvoeren en hij bracht [slachtoffer 1] naar klanten. Ook deelde hij mee in de opbrengst.

Uit de verklaringen van [slachtoffer 1] , [medeverdachte 4] , [verdachte] zelf en de WhatsApp-gesprekken komt naar het oordeel van de rechtbank naar voren dat [verdachte] betrokken was bij de prostitutiewerkzaamheden van [slachtoffer 1] .

[verdachte] wist dat [slachtoffer 1] in de prostitutie werkte en dat [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] hierbij betrokken waren. Hij wist ook dat [slachtoffer 1] minderjarig was. [verdachte] stelde zijn woning in [adres] , ook wel via [medeverdachte 2] , ter beschikking aan [medeverdachte 4] , [medeverdachte 1] en [slachtoffer 1] , zodat zij daar konden verblijven. [verdachte] kreeg af en toe van [medeverdachte 4] een tientje betaald voor het verblijf van [slachtoffer 1] in zijn woning. Hij wist dat er seksafspraken plaatsvonden en dat het geld dat hij van [medeverdachte 4] kreeg in relatie stond met de prostitutiewerkzaamheden van [slachtoffer 1] . Zijn ontkenning op dit punt acht de rechtbank ongeloofwaardig, mede in het licht van de verklaringen van [medeverdachte 4] en [slachtoffer 1] . Nadat [verdachte] bekend was geworden dat [slachtoffer 1] als vermist was opgegeven, heeft hij [medeverdachte 4] , [medeverdachte 1] en [slachtoffer 1] de toegang tot zijn woning ontzegd.

Door toe te staan dat zijn woning werd gebruikt voor de prostitutiewerkzaamheden van de minderjarige [slachtoffer 1] en daarvan te profiteren, heeft [verdachte] zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van mensenhandel.

- Kwalificatie

Door te handelen zoals hiervoor beschreven heeft [verdachte] handelingen ondernomen waarvan hij wist dat [slachtoffer 1] zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling (artikel 273f, eerste lid, sub 5 Sr).

Uit hetgeen hiervoor is overwogen omtrent de wetsgeschiedenis ten aanzien van het bepaalde in artikel 273f, eerste lid, sub 5 Sr, vloeit voort dat de wetgever voor ogen heeft gehad om handelingen die kunnen worden aangemerkt als het brengen van een ander tot prostitutie als die ander minderjarig is (sub 5) aan te merken als uitbuiting van die minderjarige.

Dit brengt met zich dat ook bewezen kan worden dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan het in artikel 273f, eerste lid, sub 2 Sr bepaalde. [verdachte] heeft [slachtoffer 1] gehuisvest met het oogmerk haar te faciliteren in haar prostitutiewerk. Het oogmerk van [verdachte] is dan ook gericht geweest op uitbuiting in de zin van artikel 273f, eerste lid, sub 2 Sr.

Hoewel uit het dossier naar voren komt dat [verdachte] financieel heeft geprofiteerd van de seksuele handelingen van [slachtoffer 1] (hij kreeg immers betaald voor het beschikbaar stellen van zijn woning) luidt de verfeitelijking van dit onderdeel anders. De verfeitelijking luidt namelijk: “een (aanzienlijk) deel van de ontvangsten heeft/hebben ingenomen”, terwijl van ‘innemen’ door [verdachte] geen sprake was. Zodoende kan niet worden bewezen dat [verdachte] opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de seksuele handelingen van [slachtoffer 1] met een ander (artikel 273f, eerste lid, sub 8 Sr), en zal hij hiervan partieel worden vrijgesproken.

- Medeplegen

Voor het aannemen van medeplegen is een bewuste en nauwe samenwerking vereist. Of hiervan sprake is geweest, dient aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval te worden beoordeeld. Er dient sprake te zijn van een gezamenlijke uitvoering van een bepaald strafbaar feit, zij het dat niet alle ten laste gelegde bestanddelen door alle medeplegers behoeven te worden vervuld. Medeplegers kunnen echter alleen worden gestraft voor elkaars gedragingen voor zover deze binnen hun gezamenlijk (voorwaardelijk) opzet kunnen worden gebracht.

Uit de vastgestelde feiten en omstandigheden komt het beeld naar voren dat [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] een leidende rol hebben gehad bij de prostitutiewerkzaamheden van [slachtoffer 1] , maar ook dat [verdachte] een rol in de uitvoering van het delict heeft gehad. Uit de bewijsmiddelen volgt dat [verdachte] zijn woning ter beschikking heeft gesteld, zodat [slachtoffer 1] daar klanten kon ontvangen. Wanneer [verdachte] zijn woning niet ter beschikking had gesteld, hadden (een deel van) de seksafspraken van [slachtoffer 1] geen doorgang kunnen vinden.

Al met al blijkt uit de bewijsmiddelen dat het handelen van [verdachte] in voldoende mate meebrengt de nauwe en bewuste samenwerking met anderen die voor medeplegen is vereist en dat hij de bewezenverklaarde mensenhandel dus tezamen en in vereniging met anderen heeft gepleegd.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4. vervatte bewijsmiddelen bewezen dat [verdachte]

in de periode van 5 november 2016 tot en met 20 januari 2017 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen

een ander, te weten [slachtoffer 1] , geboren [geboortedatum] ,

  • -

    heeft gehuisvest, met het oogmerk van seksuele uitbuiting van die [slachtoffer 1] en

  • -

    ten aanzien van die [slachtoffer 1] handelingen heeft ondernomen waarvan verdachte wist dat die [slachtoffer 1] zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van seksuele handelingen

bestaande die handeling hieruit dat verdachte en zijn mededaders;

  • -

    ruimte(s) hebben geregeld voor het verrichten van prostitutiewerkzaamheden en

  • -

    (hij) zijn, verdachtes, woning ter beschikking heeft gesteld voor het verrichten van prostitutiewerkzaamheden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. [verdachte] is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 Strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van [verdachte] uitsluit. [verdachte] is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf en de maatregel

8.1.

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat [verdachte] voor het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 8 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

8.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit [verdachte] vrij te spreken van het ten laste gelegde en aan hem dus geen straf op te leggen.

8.3.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] hadden een leidende rol bij de prostitutiewerkzaamheden van de veertienjarige [slachtoffer 1] . Zij hebben deze gefaciliteerd door foto’s van haar te maken en seksadvertenties op internet te plaatsen. Ook werden er seksafspraken gemaakt met klanten, een plek geregeld waar deze afspraken konden plaatsvinden en werd [slachtoffer 1] naar woningen van klanten gebracht. Voorts werd geprofiteerd van de opbrengsten die [slachtoffer 1] had uit de seksuele handelingen die zij tegen betaling verrichtte. Het vermissingsbericht van [slachtoffer 1] vormde kennelijk geen aanleiding om de uitbuiting van [slachtoffer 1] te stoppen. Sterker nog, het was de reden dat [slachtoffer 1] op een ander adres werd ondergebracht, zodat zij onvindbaar werd en de prostitutiewerkzaamheden door konden gaan.

[verdachte] wist dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] betrokken waren bij de prostitutie van de minderjarige [slachtoffer 1] . Hoewel hij niet als mede-initiator kan worden beschouwd, had [verdachte] wel een aandeel in het geheel. [verdachte] heeft niets ondernomen om [slachtoffer 1] uit de uitbuitingssituatie te halen, maar heeft haar prostitutiewerkzaamheden juist mede gefaciliteerd. Hij heeft zijn woning ter beschikking gesteld, zodat [slachtoffer 1] een plek had waar zij klanten voor seksafspraken kon ontvangen. In ruil daarvoor ontving [verdachte] een klein gedeelte van de verdiensten van [slachtoffer 1] . De woning van [verdachte] stond bovendien bekend als ‘traphouse’, een woning waar veel drugs werd gebruikt en gedeald, en waar ook prostitutie plaatsvond. [verdachte] heeft gehandeld vanuit zijn jarenlange harddrugsverslaving en vroeg daarom niet door als hij wat geld kon verdienen, en hij was vaak niet zelf in zijn woning aanwezig. Dat maakt echter de strafwaardigheid van zijn handelen niet minder. [verdachte] heeft geen verantwoordelijkheid voor zijn handelen willen nemen. Hij wist wat zich in zijn woning afspeelde, maar heeft zijn ogen hiervoor gesloten. Hiermee heeft [verdachte] zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van mensenhandel ten aanzien van [slachtoffer 1] .

[verdachte] wist dat [slachtoffer 1] minderjarig was. Niet alleen de jeugdige leeftijd van [slachtoffer 1] maakte haar kwetsbaar, maar ook het feit dat zij verbleef in de jeugdinstelling ‘ [naam jeugdinrichting] ’. [verdachte] heeft misbruik gemaakt van deze kwetsbaarheid.

De uitbuiting van [slachtoffer 1] heeft geduurd van begin november 2016 tot en met half januari 2017. Pas toen [verdachte] ervan op de hoogte was dat [slachtoffer 1] als vermist was opgegeven, heeft hij haar de toegang tot zijn woning ontzegd.

De door [verdachte] overtreden bepalingen beogen minderjarigen te beschermen, ook tegen zichzelf. Minderjarigen worden geacht, ook als er geen sprake is van dwang of misleiding, op seksueel gebied nog niet volgroeid te zijn en niet zelfstandig de emotionele gevolgen van seksueel contact voldoende te kunnen overzien. Indien de betrokken minderjarige heeft verklaard dat het haar eigen keuze is geweest om door middel van prostitutie geld te verdienen maakt dat de strafwaardigheid van het handelen van de verdachte niet minder. Met zijn handelen heeft [verdachte] [slachtoffer 1] in ernstige mate geschaad in haar lichamelijke en geestelijke integriteit op een cruciaal moment in haar ontwikkeling tot volwassen vrouw. De periode waarin [slachtoffer 1] is uitgebuit wordt door haarzelf omschreven als een zwarte bladzijde in haar leven, die er tot op de dag van vandaag ertoe leidt dat zij zich afvraagt of jongens nog wel te vertrouwen zijn. [verdachte] heeft er blijk van gegeven zijn eigen behoefte aan materieel gewin voorop te stellen, met voorbijgaan aan de belangen en het welzijn van [slachtoffer 1] .

Gezien de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een langdurige gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken, te weten seksuele uitbuiting van (jong) minderjarigen worden opgelegd. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat [verdachte] , zoals blijkt uit het op zijn naam gestelde uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 24 april 2018, niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

De rechtbank is alles overwegende van oordeel dat - in afwijking van de eis van de officier van justitie - een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden een passende en geboden reactie vormt. Een gedeelte van deze gevangenisstraf, namelijk 6 maanden, zal voorwaardelijk worden opgelegd. Gelet op de omstandigheid dat [verdachte] heeft gehandeld vanuit zijn jarenlange harddrugsverslaving welke niet snel zal verdwijnen, acht de rechtbank het namelijk van belang om [verdachte] een forse stok achter de deur te geven die hem ervan zal weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

Om te voorkomen dat [slachtoffer 1] opnieuw met [verdachte] wordt geconfronteerd zal aan hem een vrijheidsbenemende maatregel worden opgelegd als bedoeld in artikel 38v Sr, inhoudende een contactverbod met [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] . Voor het geval dat [verdachte] zich niet houdt aan deze maatregel, bepaalt de rechtbank dat bij iedere overtreding 1 week vervangende hechtenis wordt toegepast.

Nu er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat [verdachte] opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich belastend zal gedragen jegens [slachtoffer 1] wordt bevolen dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

9 Beslag

Onder [verdachte] is het volgende item in beslag genomen:

1. Telefoon Samsung (5394805)

Ten aanzien van het item genoemd op de beslaglijst gelast de rechtbank de teruggave aan [verdachte] .

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 38v, 38w, 47 en 273f van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften zijn van toepassing zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.

11 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing, waarbij [verdachte] hierna als ‘verdachte’ wordt aangeduid.

Verklaart de dagvaarding ten aanzien van de zinssneden ‘één of meer onbekend gebleven personen die de leeftijd van achttien jaren nog niet hebben bereikt’ en ‘en/of die andere personen’ nietig.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Medeplegen van mensenhandel, terwijl die persoon ten aanzien van wie het in artikel 273 f, eerste lid onder 2 en 5 omschreven feit wordt gepleegd de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

 Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 12 (twaalf) maanden.

Beveelt dat de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 6 (zes) maanden, van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

 Legt op de maatregel dat de verdachte voor de duur van 2 (twee) jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer 1] .

Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 1 (één) week voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan.

Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.

Omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen en/of zich belastend zal gedragen jegens een bepaalde persoon, beveelt de rechtbank, gelet op artikel 38v, vierde lid Sr, dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

 Ten aanzien van het item genoemd op de beslaglijst gelast de rechtbank de teruggave aan verdachte.

Dit vonnis is gewezen door

mr. E.M.M. Gabel, voorzitter,

mrs. V.V. Essenburg en I. Verstraeten-Jochemsen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. R. Stockmann, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 19 juli 2018.

1 Proces-verbaal bevindingen dagboek [slachtoffer 1] d.d. d.d. 24 januari 2017, p. ZD 01 14 016.

2 Proces-verbaal bevindingen dagboek [slachtoffer 1] d.d. d.d. 24 januari 2017, p. ZD 01 14 021.

3 Proces verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 1] d.d. 12 april 2017, p. ZD 01 02 006.

4 Proces verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 1] d.d. 12 april 2017, p. ZD 01 02 007-008.

5 Proces verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 1] d.d. 23 mei 2017, p. ZD 01 02 015.

6 Proces verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 1] d.d. 4 augustus 2017, p. ZD 01 02 023.

7 Proces verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 1] d.d. 12 april 2017, p. ZD 01 02 009.

8 Proces verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 1] d.d. 12 april 2017, p. ZD 01 02 008.

9 Proces verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 1] d.d. 12 april 2017, p. ZD 01 02 010.

10 Proces verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 1] d.d. 12 april 2017, p. ZD 01 02 011.

11 Proces verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 1] d.d. 23 mei 2017, p. ZD 01 02 013.

12 Proces verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 1] d.d. 12 april 2017, p. ZD 01 02 009.

13 Proces-verbaal van studioverhoor [slachtoffer 2] d.d. 8 juni 2017, p. ZD 02 02 003.

14 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 4] d.d. 17 juli 2017, p. PD 01 08 040.

15 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 4] d.d. 24 augustus 2017, p. PD 01 08 087.

16 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 4] d.d. 17 juli 2017, p. PD 01 08 036-037.

17 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 4] d.d. 17 juli 2017, p. PD 01 08 040-042.

18 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 4] d.d. 17 juli 2017, p. PD 01 08 041-042.

19 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 4] d.d. 17 juli 2017, p. PD 01 08 040.

20 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 4] d.d. 17 juli 2017, p. PD 01 08 041.

21 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 4] d.d. 24 augustus 2017, p. PD 01 08 086.

22 WhatsApp-gesprek d.d. 8 november 2016, p. ZD 01 14 679-681.

23 WhatsApp-gesprek d.d. 13 t/m 16 november 2016, p. ZD 01 14 689-694.

24 WhatsApp-gesprek d.d. 14 t/m 22 november 2016, p. ZD 01 14 692-698.

25 WhatsApp-gesprekken d.d. 9 t/m 20 januari 2017, p. ZD 01 14 147-276.

26 Kennisgeving van inbeslagneming d.d. 21 januari 2017, p. AD 01 02 024.

27 Proces-verbaal verhoor verdachte [medeverdachte 1] d.d. 21 januari 2017, p. PD 02 08 003.

28 Proces-verbaal van historisch telefoonverkeer * [nummer] , p. ZD 01 08 030-031.

29 WhatsApp-gesprek d.d. 13 november 2016, p. ZD 01 14 298.

30 WhatsApp-gesprek d.d. 13 november 2016, p. ZD 01 14 300.

31 WhatsApp-gesprek d.d. 16 november 2016, p. ZD 01 14 306.

32 WhatsApp-gesprek d.d. 16 november 2016, p. ZD 01 14 307.

33 WhatsApp-gesprek d.d. 16 november 2016, p. ZD 01 14 308.

34 WhatsApp-gesprek d.d. 18 november 2016, p. ZD 01 14 309.

35 WhatsApp-gesprek d.d. 18 november 2016, p. ZD 01 14 310.

36 WhatsApp-gesprek d.d. 22 november 2016, p. ZD 01 14 316.

37 WhatsApp-gesprek d.d. 22 november 2016, p. ZD 01 14 318.

38 WhatsApp-gesprek d.d. 19 januari 2017, p. ZD 01 14 352.

39 WhatsApp-gesprek d.d. 25 november 2016, p. ZD 01 14 333.

40 WhatsApp-gesprek d.d. 28 november 2016, p. ZD 01 14 338-339.

41 Proces-verbaal onderzoek gegevens [website] , p. ZD 01 06 005-008.

42 Proces-verbaal van studioverhoor [slachtoffer 2] d.d. 8 juni 2017, p. ZD 02 02 025.

43 Proces-verbaal van studioverhoor [slachtoffer 2] d.d. 8 juni 2017, p. ZD 02 02 034-035.

44 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 4] d.d. 24 augustus 2017, p. PD 01 08 084.

45 Proces-verbaal verhoor verdachte [medeverdachte 2] d.d. 10 oktober 2017, p. PD 03 08 033.

46 Proces verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 1] d.d. 23 mei 2017, p. ZD 01 02 013.

47 Proces verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 1] d.d. 4 augustus 2017, p. ZD 01 02 021.

48 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 4] d.d. 17 juli 2017, p. PD 01 08 041.

49 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 4] d.d. 24 augustus 2017, p. PD 01 08 090.

50 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 1] , p. ZD 01 03 055.

51 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 1] , p. ZD 01 03 058.

52 Proces-verbaal van bevindingen, p. PD 06 09 001.

53 Proces verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 1] d.d. 23 mei 2017, p. ZD 01 02 013-014.

54 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 4] d.d. 17 juli 2017, p. PD 01 08 037.

55 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 4] d.d. 17 juli 2017, p. PD 01 08 041.

56 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 4] d.d. 24 augustus 2017, p. PD 01 08 084.

57 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 4] d.d. 24 augustus 2017, p. PD 01 08 089.

58 WhatsApp-gesprekken d.d. 9 t/m 20 januari 2017, p. ZD 01 14 147-276.

59 WhatsApp-gesprek d.d. 18 november 2016, p. ZD 01 14 310.

60 WhatsApp-gesprek d.d. 20 november 2016, p. ZD 01 14 311.

61 WhatsApp-gesprek d.d. 20 november 2016, p. ZD 01 14 313.

62 WhatsApp-gesprek d.d. 21 november 2016, p. ZD 01 14 315.

63 WhatsApp-gesprek d.d. 23 november 2016, p. ZD 01 14 327.

64 WhatsApp-gesprek d.d. 23 november 2016, p. ZD 01 14 330.

65 WhatsApp-gesprek d.d. 17 januari 2017, p. ZD 01 14 349.

66 Proces-verbaal spraakberichten telefoon [medeverdachte 4] , p. ZD 01 14 076.

67 Proces-verbaal verhoor verdachte [verdachte] d.d. 31 mei 2017, p. PD 06 08 004-005.

68 De verklaring van [verdachte] , afgelegd ter terechtzitting van 29 mei 2018.

69 (Memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Uitvoering van internationale regelgeving ter bestrijding van mensensmokkel en mensenhandel, Tweede Kamer, vergaderjaar 2003-2004, 29291, nr. 3).