Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:5134

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
19-07-2018
Datum publicatie
19-07-2018
Zaaknummer
13/650148-17 (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 33-jarige man wordt veroordeeld voor het medeplegen van mensenhandel van een veertienjarig meisje (artikel 273f sub 2, 5, 8 Sr) in de periode van begin november 2016 tot en met 21 januari 2017. Verdachte zorgde ervoor dat er een plek was waar het meisje haar werkzaamheden kon uitvoeren en hij bracht haar naar klanten. Ook deelde hij in de opbrengst. Aan hem wordt een gevangenisstraf van drie jaar opgelegd. Daarnaast wordt aan hem een vrijheidsbenemende maatregel ex. artikel 38v Sr opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/650148-17 (Promis)

Datum uitspraak: 19 juli 2018

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1985,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in het Huis van Bewaring “ [naam huis van bewaring] ” te [plaats] .

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 29, 30 en 31 mei en 9 juli 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. S.M. Hoogerheide en van wat verdachte en zijn raadsman mr. Y. Moszkowicz naar voren hebben gebracht.

Het onderzoek 13Coalinga richt zich op de volgende verdachten: [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] . Alle verdachten worden verder in dit vonnis bij hun achternaam genoemd. Laatstgenoemde heeft afzonderlijk terecht gestaan bij de kinderrechter.

2 Tenlastelegging

Aan [verdachte] is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan:

het medeplegen van mensenhandel ten aanzien van de minderjarige [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en andere onbekend gebleven personen in de periode van 1 oktober 2016 tot en met 21 januari 2017.

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in bijlage I, die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Voorvragen

3.1.

Geldigheid van de dagvaarding

3.1.1.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht de tenlastelegging partieel nietig te verklaren.

In de tenlastelegging worden ‘één of meer onbekend gebleven personen die de leeftijd van achttien jaren nog niet hebben bereikt’ en verderop ‘en/of die andere personen’ als 'slachtoffers' van de vermeende mensenhandel opgevoerd. De verdediging kan op basis van de tenlastelegging en het dossier niet nagaan wie de andere vermeende slachtoffers zouden zijn.

Voorts dient de zinsnede ‘een (aanzienlijk) deel van de ontvangsten heeft/hebben ingenomen’ nietig te worden verklaard, omdat dit punt niet voldoet aan de eisen die artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) hieraan stelt. Voor de verdediging is onvoldoende duidelijk wat hiermee wordt bedoeld, nu ‘aanzienlijk’ onbepaald en subjectief van aard is. Bovendien wordt door het plaatsen van het woord ‘aanzienlijk’ tussen haakjes de mogelijkheid opengehouden dat ook een ‘deel’ aan [verdachte] zou zijn toegekomen, hetgeen innerlijk tegenstrijdig is.

3.1.2.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich al bij haar voordracht op het standpunt gesteld dat de dagvaarding ten aanzien van de in de tenlastelegging opgenomen zinsneden ‘andere tot op heden onbekend gebleven personen die de leeftijd van achttien jaren nog niet hebben bereikt’ en ‘en/of die andere personen’ nietig dient te worden verklaard.

Dat met de zinsnede ‘een (aanzienlijk) deel van de ontvangsten heeft/hebben ingenomen’ de opbrengst van de prostitutiewerkzaamheden van [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ) en [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ) wordt bedoeld, is volgens de officier van justitie voldoende duidelijk. De dagvaarding voldoet daarmee op dit punt aan de vereisten van artikel 261 Sv.

3.1.3.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de dagvaarding ten aanzien van de in de tenlastelegging opgenomen zinsneden ‘andere tot op heden onbekend gebleven personen die de leeftijd van achttien jaren nog niet hebben bereikt’ en ‘en/of die andere personen’ onvoldoende duidelijk is. Er kan niet van [verdachte] worden verwacht, ook niet tegen de achtergrond van het dossier, dat hij zich ten aanzien van de betreffende zinssneden op adequate wijze verdedigt. Dit brengt mee dat de dagvaarding ten aanzien van die onderdelen niet voldoet aan de eisen gesteld door artikel 261 Sv, en partieel nietig zal worden verklaard.

De rechtbank is van oordeel dat het, tegen de achtergrond van het dossier, voor de verdediging voldoende duidelijk is dat met de zinsnede ‘een (aanzienlijk) deel van de ontvangsten heeft/hebben ingenomen’ wordt gedoeld op het innemen van een deel van de opbrengst van de prostitutiewerkzaamheden van [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] . De rechtbank oordeelt dat de tenlastelegging op dit punt voldoende feitelijk, begrijpelijk en niet innerlijk tegenstrijdig is, en daarmee voldoet aan de eisen van artikel 261 Sv. Het verweer wordt verworpen.

De rechtbank verklaart de dagvaarding voor het overige geldig, zodat deze inhoudelijk kan worden beoordeeld.

3.2.

Overige voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat zij bevoegd is tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Inleiding

Op 16 januari 2017 werd door een medewerker van de jeugdinrichting ‘ [naam jeugdinrichting] ’ aangifte gedaan van de vermissing van de op dat moment veertienjarige [slachtoffer 1] . Tijdens haar weekendverlof was zij van huis weggelopen na een ruzie met haar moeder en niet teruggekeerd naar de jeugdinrichting.

In het op haar kamer gevonden dagboek van [slachtoffer 1] stonden onder andere teksten die betrekking leken te hebben op prostitutiewerkzaamheden en op een meisje met de naam ‘ [medeverdachte 4] ’. Deze ‘ [medeverdachte 4] ’ bleek later [medeverdachte 4] (hierna: [medeverdachte 4] ) te zijn, een meisje dat ook in ‘ [naam jeugdinrichting] ’ verbleef.

Nadat het vermissingsbericht van [slachtoffer 1] in de media was verschenen, zijn er tips binnengekomen dat [slachtoffer 1] op internet in een advertentie zou worden aangeboden voor het verrichten van seksuele handelingen. In de advertentie werd het telefoonnummer * [nummer] vermeld, waarop direct een technische actie is aangesloten. Het telefoonnummer behoorde volgens medewerkers van ‘ [naam jeugdinrichting] ’ toe aan [medeverdachte 4] .

De technische actie op het telefoonnummer leidde de politie op 20 januari 2017 naar [plaats] , waar [slachtoffer 1] in een woning aan de [adres 1] werd aangetroffen in het bijzijn van [medeverdachte 4] en [verdachte] .

Uit het onderzoek dat volgde, bleek volgens het Openbaar Ministerie de betrokkenheid van [verdachte] bij mensenhandel ten aanzien van de minderjarige meisjes [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . [verdachte] heeft steeds elke betrokkenheid ontkend.

4.2.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft, overeenkomstig het op schrift gestelde requisitoir, gemotiveerd het standpunt ingenomen dat [verdachte] dient te worden veroordeeld voor het ten laste gelegde medeplegen van mensenhandel van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Zij heeft hierbij onder andere gewezen op de verklaringen van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 3] en de WhatsApp-gesprekken tussen [verdachte] en [medeverdachte 4] . Uit het dossier blijkt dat [verdachte] geen ondergeschikte rol had.

4.3.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich – kort samengevat onder verwijzing naar zijn pleitnota – op het standpunt gesteld dat [verdachte] dient te worden vrijgesproken van het tenlastegelegde.

Volgens de raadsman is er sprake van een onherstelbaar vormverzuim in de zin van artikel 359a Sv ten aanzien van het onderzoek aan de telefoons van [verdachte] . De raadsman heeft hierbij verwezen naar een arrest van de Hoge Raad van 4 april 2017.1 De gehele inhoud van de onder [verdachte] op 20 januari 2017 inbeslaggenomen telefoon van het merk LG is onderzocht. Er is geen onderscheid gemaakt tussen voor het onderzoek relevante en daarvoor niet relevante gegevens. Nu [verdachte] geen toestemming heeft gegeven voor het doen van onderzoek aan zijn telefoons, is er een (zeer) ingrijpende inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer gemaakt en daarmee op artikel 8 EVRM. Naar het oordeel van de raadsman kan aan het onherstelbare vormverzuim geen ander rechtsgevolg worden verbonden dan de gehele inhoud van de telefoons van [verdachte] uit te sluiten van het bewijs.

Indien de rechtbank tot het oordeel mocht komen dat de inhoud van de telefoon van [verdachte] wel voor het bewijs mag worden gebruikt, kan niet worden vastgesteld dat [verdachte] de aangetroffen WhatsApp-gesprekken heeft gevoerd. [verdachte] heeft verklaard dat hij zijn telefoon niet steeds bij zich had en dat anderen de berichten hebben verstuurd. Het telefoonnummer van [verdachte] is aan meerdere IMEI-nummers gekoppeld geweest. Bovendien kan een WhatsApp-account aan willekeurige telefoons worden gekoppeld.

Ten aanzien van het vermeende slachtoffer [slachtoffer 2] heeft de raadsman opgemerkt dat zij en [verdachte] hebben verklaard elkaar niet te kennen. Er moet worden geconcludeerd dat het [medeverdachte 4] is geweest die [slachtoffer 2] heeft geworven en dat er bij [verdachte] geen oogmerk van uitbuiting was. Hij kende [slachtoffer 2] niet eens. Uit het dossier blijkt niet dat [verdachte] voordeel heeft getrokken uit de seksuele handelingen van [slachtoffer 2] of dat hij haar ertoe heeft gebracht zich beschikbaar te stellen voor prostitutie, dan wel hiertoe handelingen heeft ondernomen. Van medeplegen is geen sprake, nu [verdachte] geen intellectuele of materiële bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd. [verdachte] heeft nooit de opzet gehad op het ten laste gelegde of op de deelneming daaraan.

Ten aanzien van [slachtoffer 1] heeft de raadsman aangevoerd dat uit de verklaringen van [slachtoffer 1] en [medeverdachte 4] volgt dat [medeverdachte 4] degene is geweest die [slachtoffer 1] heeft geworven en haar ertoe heeft gebracht om in de prostitutie te gaan werken. Overigens kan niet worden vastgesteld dat dit is gebeurd met het oogmerk van uitbuiting. Dit geldt ook indien er vanuit wordt gegaan dat het steeds [verdachte] is geweest die de WhatsApp-berichten vanaf het telefoonnummer * [nummer] heeft verstuurd. Enkel kan worden vastgesteld dat [verdachte] een aandeel heeft gehad in het onderbrengen van [slachtoffer 1] in [plaats] . De rest werd gedaan door [medeverdachte 4] . [slachtoffer 1] heeft verklaard dat [verdachte] er wel bij betrokken was, maar dat dit op de achtergrond was. De rol van [verdachte] was ondergeschikt aan die van [medeverdachte 4] en deze was ook inwisselbaar. Er was dus geen sprake van medeplegen.

4.4.

Oordeel van de rechtbank

4.4.1.

Ten aanzien van het gestelde vormverzuim

Nu de raadsman verweer heeft gevoerd met betrekking tot het onderzoek aan de ‘telefoons’ van [verdachte] begrijpt de rechtbank het verweer aldus dat dit ziet op het onderzoek aan zowel de LG smartphone (5324118) als de Samsung smartphone (539707) die onder [verdachte] in beslag zijn genomen.

De Samsung smartphone speelt in de bewijsvoering van het aan [verdachte] tenlastegelegde feit geen rol en zal daarom bij de bespreking van het verweer buiten beschouwing blijven.

Op 23 januari 2017 is een zogenaamde ‘image’ gemaakt van de datagegevens op de onder [verdachte] in beslag genomen LG smartphone. Die datagegevens, waaronder WhatsAppgesprekken en contactgegevens, zijn onderzocht.

De Hoge Raad heeft, in haar arrest van 4 april 2017, dat is na het hiervoor genoemde onderzoek, het toetsingskader uiteengezet voor het doen van onderzoek aan een smartphone door de politie.2 In dit arrest werd overwogen dat een onderzoek aan een smartphone door een opsporingsambtenaar onrechtmatig kan zijn, indien een min of meer compleet beeld is verkregen van bepaalde aspecten van het persoonlijk leven van de gebruiker. Hiervan kan volgens de Hoge Raad sprake zijn wanneer het gaat om onderzoek van alle opgeslagen of beschikbare gegevens met gebruikmaking van technisch hulpmiddelen. De Hoge Raad noemt daarnaast ook het gebruik van software voor het verrichten van het onderzoek. Wanneer het onderzoek aan een smartphone een meer dan beperkte inbreuk maakt op de persoonlijke levenssfeer van de gebruiker, dan is dit onderzoek pas rechtmatig indien de officier van justitie een bevel daartoe heeft gegeven. Ook kan het onderzoek worden verricht door een rechter-commissaris.

Gelet op het arrest van de Hoge Raad is de rechtbank met de raadsman van oordeel dat het onderzoek aan de LG smartphone van [verdachte] een meer dan beperkte inbreuk op zijn persoonlijke levenssfeer heeft gemaakt. Het onderzoek aan de LG smartphone van [verdachte] is namelijk niet beperkt gebleven tot het enkel raadplegen van een gering aantal bepaalde gegevens. [verdachte] heeft geen toestemming gegeven voor het onderzoek aan zijn smartphone en het onderzoek is niet voorafgegaan door een bevel van een officier van justitie of verricht door een rechter-commissaris. Weliswaar heeft de officier van justitie ter zitting verklaard dat zij toestemming heeft gegeven voor het onderzoek aan de smartphone, maar uit het dossier is deze toestemming niet kenbaar. In zoverre is er naar het oordeel van de rechtbank dan ook sprake van een vormverzuim, nu hierdoor het in artikel 8 EVRM gewaarborgde recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van [verdachte] is geschonden.

In hoeverre er gevolgen dienen te worden verbonden aan dat vormverzuim hangt af van het belang van het geschonden voorschrift, de ernst van het verzuim en het nadeel dat hierdoor is veroorzaakt.

Het belang van [verdachte] dat er geen belastend bewijsmateriaal, ten aanzien van strafbare feiten die door hem gepleegd zouden zijn, wordt ontdekt, kan niet worden aangemerkt als een rechtens te respecteren belang en kan niet gelden als nadeel in de zin van artikel 359a lid 2 Sv. Het geleden nadeel bestaat voor [verdachte] daaruit dat verbalisanten kennis hebben kunnen nemen en hebben genomen van privégegevens die [verdachte] op zijn telefoon had staan, terwijl hij recht had op bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer.

Met betrekking tot de ernst van het verzuim houdt de rechtbank rekening met het gegeven dat het onderzoek plaatsvond in het kader van de verdenking van een zeer ernstig misdrijf (mensenhandel ten aanzien van minderjarigen). Het onderzoek aan de LG smartphone is vormgegeven zoals op dat moment uit beschikbare regelgeving en jurisprudentie mocht worden afgeleid. Voorts kan nog worden opgemerkt dat, gelet op de mededeling van de officier van justitie dat zij toestemming heeft verleend voor het onderzoek aan de telefoon, kan worden aangenomen dat zij destijds een bevel tot onderzoek aan de smartphone zou hebben gegeven. Van enig moedwillig handelen met veronachtzaming van de te respecteren belangen van [verdachte] is de rechtbank niet gebleken.

Gelet hierop acht de rechtbank de onderhavige schending niet een dermate grote inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van [verdachte] , dat die schending ertoe moet leiden dat dient te worden overgegaan tot de door de raadsman bepleite bewijsuitsluiting. Gesteld noch gebleken is dat de kennisneming door de verbalisanten van privégegevens van [verdachte] , anders dan in het kader van de onderzochte strafzaak, heeft geleid tot enige verdere verspreiding van privégegevens of enig ander concreet nadeel. Evenmin acht de rechtbank om die reden strafvermindering passend en gerechtvaardigd. De rechtbank zal, alles afwegende, volstaan met constatering van het verzuim.

4.4.2.

Bevindingen

De rechtbank gaat op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting uit van de volgende feiten en omstandigheden ten aanzien van de betrokkenheid van [verdachte] bij de prostitutiewerkzaamheden van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] .

In de voetnoten wordt kort verwezen naar stukken in het dossier. Een volledig overzicht van de stukken die de rechtbank als bewijsmiddelen heeft gebruikt is opgenomen in bijlage II, die aan dit vonnis is gehecht.

4.4.2.1. Prostitutiewerkzaamheden

- Dagboek [slachtoffer 1]

Een aantal teksten in het dagboek van [slachtoffer 1] lijken betrekking te hebben op prostitutiewerkzaamheden. Zo heeft [slachtoffer 1] onder andere op 4 december 2016 opgeschreven:

“Volgende week kan ik soa test doen ik hoop da ik geen herpes heb die mokro klant zag der niet egt verzorgt uit”;

“Wat als ik [naam 1] ziekte geef dan gaat dat sowieso heel de trap rond dan gaat niemand me meer leuk vinden dan ben ik een dome hoer met ziektes”;

“Ik denk dat ik ga overstappen naar strippen”.3

Ook heeft ze opgeschreven:

“Ik zit nu op 7 kills die ik heb gekaatst. We maken dr max 12 van verschillende daarna als ik 1.000 heb gemaakt stop ik”.4

- Verklaringen [slachtoffer 1]

heeft verklaard dat zij in oktober 2016 als prostituee voor [medeverdachte 4] heeft gewerkt. [slachtoffer 1] kende [medeverdachte 4] uit ‘ [naam jeugdinrichting] ’. [medeverdachte 4] had haar gevraagd mee te gaan naar het ‘traphouse’, waar ze heen werden gebracht door de vriend van [medeverdachte 4] die [verdachte] , maar ook wel ‘ [bijnaam] ’ werd genoemd.5

Volgens [slachtoffer 1] had [medeverdachte 4] samen met [verdachte] gevraagd of ze ‘geld wilde maken’ en tegen haar gezegd dat ze in dat geval onderaan moest beginnen en eerst als prostituee moest gaan werken. [medeverdachte 4] heeft naaktfoto’s van [slachtoffer 1] gemaakt voor de seksadvertentie die zij op de website [website] geplaatst heeft. Klanten reageerden op de advertentie, waarna [slachtoffer 1] de klanten ontving in een kamertje in [adres 2] (de rechtbank begrijpt: een woning in de buurt van het metrostation [adres 2] ). Daar had ze seks met de klanten. [medeverdachte 4] was degene die het telefonische contact met de klanten had en in eerste instantie het geld van de klanten ontving. De werkzaamheden van [slachtoffer 1] kostten 150 euro per uur en 70 euro voor pijpen. Als de klant weg was, kreeg [slachtoffer 1] 60 of 65 euro van [medeverdachte 4] . In de periode oktober/november 2016 heeft zij 10 tot 20 klanten gehad.6

In januari 2017 is [slachtoffer 1] samen met [slachtoffer 2] weggelopen en weer naar het ‘traphouse’ in [adres 2] gegaan. [medeverdachte 4] had ook naaktfoto’s gemaakt van [slachtoffer 2] voor een seksadvertentie.7 Na 2 dagen in het ‘traphouse’ is [slachtoffer 1] samen met [medeverdachte 4] , [verdachte] en 2 andere jongens verplaatst naar een woning in [plaats] . [verdachte] bepaalde dat ze naar [plaats] ging.8 Daar heeft ze onder andere seks gehad met een jongen die [naam 2] heette.9 In januari 2017 heeft ze 6 à 7 klanten gehad.10

[slachtoffer 1] denkt dat ze alles bij elkaar 400 tot 500 euro aan haar prostitutiewerkzaamheden heeft overgehouden.11

- Verklaring [slachtoffer 2]

heeft verklaard dat ze in het weekend van 15 januari 2017 samen met [slachtoffer 1] is weggelopen en naar een woning in de wijk [adres 2] in [plaats] is gegaan. Zij en [slachtoffer 1] hebben 2 nachten in de woning geslapen. Haar was gevraagd of ze geld wilde verdienen met prostitutiewerkzaamheden. Ze wilde het uiteindelijk wel gaan doen, maar het is er nooit van gekomen omdat ze terug werd geplaatst in ‘ [naam jeugdinrichting] ’.12

- Verklaringen [medeverdachte 4]

De verklaringen die [medeverdachte 4] heeft afgelegd over de prostitutiewerkzaamheden sluiten aan bij de verklaringen van [slachtoffer 1] .

[medeverdachte 4] heeft verklaard [slachtoffer 1] te hebben leren kennen in ‘ [naam jeugdinrichting] ’ en [slachtoffer 1] zou haar om hulp hebben gevraagd.13 [medeverdachte 4] wist de leeftijd van [slachtoffer 1] en had gezegd dat ze tegen klanten moest zeggen dat 16 of 17 jaar was.14 Ze had van [slachtoffer 1] contactgegevens van bestaande klanten gekregen en heeft voor haar afspraken met klanten gemaakt. [slachtoffer 1] heeft een aantal klanten ontvangen in de woning van [medeverdachte 2] . [medeverdachte 4] was degene die het geld van de klanten aannam. [slachtoffer 1] ontving 75 tot 80 euro per klant gemiddeld en achteraf betaalde [medeverdachte 4] 60 tot 70 euro aan [slachtoffer 1] . Het tientje dat ze overhield spaarde ze of gaf ze aan [medeverdachte 2] .15 De eerste keer dat [slachtoffer 1] een klant had was bij [medeverdachte 2] thuis in [plaats] . Dit was in oktober/november 2016. [slachtoffer 1] heeft ongeveer 10 klanten gehad, waarvan 7 bij [medeverdachte 2] thuis. Ze heeft in oktober/november 2016 een advertentie voor [slachtoffer 1] aangemaakt, waarin ze haar eigen telefoonnummer, dat eindigde op [nummer] , had genoemd. Ze heeft 2 seksadvertenties voor [slachtoffer 1] aangemaakt en daarvoor naaktfoto’s van [slachtoffer 1] gemaakt.16

[slachtoffer 1] was in januari 2017 met [slachtoffer 2] weggelopen en naar haar toegekomen om bij [medeverdachte 2] te verblijven. Toen bleek dat [slachtoffer 1] als vermist was opgegeven, zijn ze naar een woning in [plaats] verplaatst. De woning was geregeld zodat ze (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 1] ) daar kon verblijven en eventueel klanten zou kunnen ontvangen.17

De verklaringen van [medeverdachte 4] sluiten ook aan bij de verklaring van [slachtoffer 2] . Volgens [medeverdachte 4] heeft zij voor [slachtoffer 2] ook een seksadvertentie aangemaakt, maar [slachtoffer 2] heeft uiteindelijk geen klanten ontvangen.18

- Bevindingen in mobiele telefoons

In de telefoons van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [medeverdachte 4] zijn bevindingen gedaan die hun verklaringen over de prostitutiewerkzaamheden bevestigen.

In de telefoon van [slachtoffer 1] zijn WhatsApp-gesprekken tussen [slachtoffer 1] en [medeverdachte 4] aangetroffen, waarin [slachtoffer 1] op verzoek van [medeverdachte 4] een aantal foto’s van zichzelf en telefoonnummers van klanten naar haar doorstuurt.1920 Vanaf 14 november 2016 deelde [medeverdachte 4] meerdere malen aan [slachtoffer 1] mee dat ze een klant zou gaan ontvangen.21

Uit onderzoek aan de telefoon van [medeverdachte 4] is naar voren gekomen dat [medeverdachte 4] tussen 9 en 20 januari 2017 via WhatsApp contact had met klanten over het maken van seksafspraken voor [slachtoffer 1] . In deze gesprekken werden als ontvangstadressen [adres 3] en [adres 1] te [plaats] genoemd.22

Ook is in de telefoon van [medeverdachte 4] een WhatsApp-gesprek aangetroffen van 25 november 2016 met de gebruiker van het telefoonnummer * [nummer] , die aan [verdachte] wordt toegeschreven (zie hierna bij voetnoten 50 en 51): “Ben beetje klaar hiermee vanaf vandaag ga k een advertentie plaatsen”23, en op 28 november 2016: “Kom we gaan vandaag ff in een belhuis op de pc advertentie plaatsen. Heb foto’s van [slachtoffer 1] en een naakt dus komt helemaal goed”.24Met het telefoonnummer van [medeverdachte 4] zijn op 16, 17 en 18 januari 2017 in totaal 3 advertenties aangemaakt op de website [website] .25

Uit onderzoek aan de telefoon van [slachtoffer 2] is gebleken dat er op 16 januari 2017 met het e-mailadres van [slachtoffer 2] en met het telefoonnummer van [medeverdachte 4] een advertentie is aangemaakt op de website [website] . De advertentie was echter nooit bevestigd en daardoor niet online geplaatst.26 Uit WhatsApp-gesprekken tussen [slachtoffer 2] en [medeverdachte 4] is gebleken dat [medeverdachte 4] een klant voor [slachtoffer 2] had geregeld op 18 januari 2017.27

- ‘ ‘Traphouse’

[slachtoffer 1] heeft verklaard dat de prostitutiewerkzaamheden onder andere zouden hebben plaatsgevonden in een ‘traphouse’.

Een ‘traphouse’ is volgens [slachtoffer 1] een woning waar drugs wordt gemaakt en gedeald en waar ook prostitutie plaatsvindt. [slachtoffer 2] heeft het ‘traphouse’ in [adres 2] , waar zij in januari 2017 met [slachtoffer 1] verbleef, beschreven als een huis waar drugs wordt verhandeld en geld wordt verdiend. Naar haar idee zaten in de woning junkies, pooiers en drugsdealers.28 In de woning hadden oudere mannen seks met jonge meisjes. Ook hadden mensen seks met elkaar in de woonkamer.29

[medeverdachte 4] heeft een ‘traphouse’ omschreven als een plek waar je kan ‘chillen’. De hele Bijlmer zit vol met ‘traphouses’.30

[medeverdachte 1] heeft verklaard dat er door heel Amsterdam locaties zijn die ‘traphouse’ genoemd worden. Hij heeft het omschreven als een soort buurthuis.31

De woning van [medeverdachte 2] was volgens [slachtoffer 1] een ‘traphouse’, en later was het een woning daarboven.3233 Ook volgens [medeverdachte 4] was het huis van [medeverdachte 2] een ‘traphouse’.34 In de woning van [medeverdachte 2] werd volgens haar van alles gebruikt en het zou kunnen dat er drugs gemaakt en verkocht werd.35 Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat ze weleens in de woning van [medeverdachte 2] op [adres 3] in de Bijlmer kwam, waar veel drugs werd gebruikt, gemaakt en verkocht.36 Volgens [getuige 1] kwamen er ook jonge meisjes in de woning die daar seks tegen betaling hadden.37

Volgens verschillende personen in het dossier was de woning van ‘ [naam 3] ’, die zich boven de woning van [medeverdachte 2] zou bevinden, ook een ‘traphouse’. Deze ‘ [naam 3] ’, die bleek te zijn genaamd [naam 3] , heeft verklaard dat er in zijn woning jonge jongens komen om te chillen en om drugs te verkopen. Er komen ook veel meiden langs om met de jongens seks te hebben.38

4.4.2.2. Betrokkenheid [verdachte]

- Verklaringen [slachtoffer 1] en [medeverdachte 4]

[slachtoffer 1] en [medeverdachte 4] hebben beiden verklaard over de betrokkenheid van [verdachte] bij de prostitutiewerkzaamheden van [slachtoffer 1] .

[slachtoffer 1] heeft [verdachte] herkend als [verdachte] /‘ [bijnaam] ’.39 [verdachte] was volgens [slachtoffer 1] op de achtergrond betrokken bij haar prostitutiewerkzaamheden. Hij kreeg een deel van het geld, zocht onderdak en regelde het vervoer. [slachtoffer 1] moest van [verdachte] tegen klanten zeggen dat ze 18 jaar was, en tegen de jongens in het ‘traphouse’ dat ze 16 jaar was.40 [slachtoffer 1] gaf het geld aan [medeverdachte 4] , maar zij splitte het met [verdachte] .41

[medeverdachte 4] heeft verklaard dat ze rond maart/ april 2016 een relatie met [verdachte] heeft gekregen.42 Ze besprak bijna alles met hem en hij wist wat ‘ [naam jeugdinrichting] ’ was, immers zij had er zelf ook gezeten en daarvan was [verdachte] op de hoogte.43 [verdachte] heeft volgens [medeverdachte 4] geholpen met het vinden van een plek voor [slachtoffer 1] waar zij seks kon hebben. Hij heeft 1, 2 of 3 keer gereden om [slachtoffer 1] naar een klant te brengen.44 Hij kreeg daar niet echt voor betaald, maar [medeverdachte 4] heeft een keer zijn benzine betaald.45 Bij de ongeveer 10 klanten van [slachtoffer 1] werd het geld verdeeld tussen [slachtoffer 1] , [medeverdachte 2] , [verdachte] en zijzelf.46 Volgens [medeverdachte 4] wist [verdachte] de leeftijd van [slachtoffer 1] , maar wel pas na een tijdje.47

[medeverdachte 4] heeft verklaard dat een vriend van [verdachte] een verslaafde man in [plaats] kende, waar ze een woning konden huren. Ze zijn in januari 2017 met de auto van [verdachte] naar [plaats] gereden. Het huis in [plaats] was geregeld zodat [slachtoffer 1] daar kon verblijven en eventueel klanten zou kunnen ontvangen. Het huis zou 150 euro per week kosten.48

- Bevindingen in de mobiele telefoons

In de mobiele telefoon van [verdachte] zijn bevindingen gedaan ten aanzien van de betrokkenheid van [verdachte] bij de prostitutiewerkzaamheden van [slachtoffer 1] .

Er is onderzoek gedaan aan de mobiele telefoon van het merk LG die onder [verdachte] in beslag is genomen bij zijn aanhouding.49 Hierop zijn WhatsApp-gesprekken aangetroffen die zijn gevoerd door de gebruiker van het telefoonnummer * [nummer] met de gebruikersnaam ‘ [gebruikersnaam] ’. [verdachte] heeft verklaard dat het telefoonnummer * [nummer] aan hem toebehoorde.50 Het telefoonnummer * [nummer] is, met uitzondering van één dag, van 24 september 2016 tot en met 20 januari 2017 gekoppeld geweest aan het IMEI-nummer behorend bij de LG-telefoon van [verdachte] .51

Uit de WhatsApp-gesprekken tussen de gebruiker van het telefoonnummer * [nummer] en [medeverdachte 4] is onder andere het volgende naar voren gekomen:

- Op 5 november 2016 berichtte [medeverdachte 4] dat ze goed nieuws had over “die meid van gister” en schreef ze: “ze wil voor me werken”52 en “we gaan money maken op der”.53

- Op 8 november 2016 berichtte [medeverdachte 4] : “k wil hun en jou sws nog spreken want dit meisje is jong en beïnvloedbaar dus wil niet dat daar misbruik van wordt gemaakt”.54

- Op 13 november 2016 berichtte [medeverdachte 4] : “Heb heeel erg goed nieuws. Over [slachtoffer 1] ” en “heb klanten voor [slachtoffer 1] ”55 en “k wil der vandaag al laten neuken”, waarop de gebruiker van * [nummer] antwoordde: “Saaang ik ga ff bellen kijken waar we kunnen gaan”.56

[medeverdachte 4] sprak ook over “3mans”.57

- Op 14 november 2016 berichtte [medeverdachte 4] : “Oke 6 uur heeft [slachtoffer 1] afspraak” waarop de gebruiker van * [nummer] vroeg “wat is die adres dat [slachtoffer 1] moet zijn”58Een half uur later berichtte [medeverdachte 4] “we moeten [slachtoffer 1] halen dalijk”.59

- Op 15 november 2016 berichtte de gebruiker van * [nummer] : “Vandaag weer een money met der maken”.60

- Op 16 november 2016 berichtte de gebruiker van * [nummer] : “Vandaag moeten we wel een money maken met [slachtoffer 1] ”61en “We moeten voorzichtig zijn als we geklemd worden dan gaan we lang weg”62en “Ik heb je back je bent me bonnie”, waarop [medeverdachte 4] antwoordde: “Ja schat jij mijn clyde”. De gebruiker van * [nummer] zei daarop: “Ze moet onze bitch blijven…Imperium opbouwen”.63

- Op 18 november 2016 berichtte [medeverdachte 4] : “We hebben 2 klanten. Dus laat [naam 1] een plek fixen”64en “Waar kan ze bij [medeverdachte 2] ?”, waarop de gebruiker van * [nummer] reageerde: “Ja. Geregeld. 642”.65

- Op 20 november 2016 berichtte [medeverdachte 4] : “Wij kunnen samen zijn net als bonnie en clyde echt we maken money”66en “ik wil echt ff met je praten dalijk als je wil voor dat we nog met [slachtoffer 1] naar die klant gaan”. Op de vraag of het gaat lukken met ‘die ene die om half 12 wil’ antwoordde de gebruiker van * [nummer] : “Moet [naam 1] ff bellen”67en “we moeten [medeverdachte 2] ook wat geven”68.

- Op 21 november 2016 berichtte [medeverdachte 4] : “vandaag hebben we klant. Denk bij [medeverdachte 2] rond 6/7”.69

- Op 22 november 2016 berichtte [medeverdachte 4] : “Jij moet ook klanten regelen”70 en “We hebben een klant voor [slachtoffer 1] ” en “we moeten der brengen”.71

- Op 23 november 2016 berichtte [medeverdachte 4] : “We hebben vandaag veel klannies!!”72, waarop de gebruiker van * [nummer] schreef: “Dan moeten we vroeg bewegen vandaag” en “we gaan iets groots opbouwen beloof je”73. [medeverdachte 4] vroeg: “Baby kan je [naam 1] vragen of we 11 uur bij [medeverdachte 2] kunnen? Zo niet doen ze het maar in de auto”74, waarop de gebruiker van * [nummer] antwoordde: “we kunnen naar [medeverdachte 2] ”.75

- Op 1 december 2016 berichtte [medeverdachte 4] : “ [slachtoffer 1] zit niet meer op me groep. We zijn haar kwijt kkkkkkrrrrrr”.76

- Op 17 januari 2017 berichtte [medeverdachte 4] : “ [slachtoffer 1] heeft zo een klant met uurtje” en “en vanavond nog 2 klannies geven we [medeverdachte 2] een donnie”.77

- Op 18 januari 2017 vroeg de gebruiker van * [nummer] : “Heeft ze al een klannie dan”, waarop [medeverdachte 4] zei: “Ja. Hij s er. Uurtje neuken. 130”.78

De gebruiker van * [nummer] berichtte: “de helf van die money moet je [slachtoffer 1] gevem”, waarop [medeverdachte 4] antwoordde: “Jaa ssws. 60 ga ik der geven”.79

- Op 19 januari 2017 berichtte de gebruiker van * [nummer] : “Heeft [slachtoffer 1] al klannies vandaag. We moeten bewegen”.80

- Op 20 januari 2017 stuurde de gebruiker van * [nummer] het vermissingsbericht van [slachtoffer 1] door, waarop [medeverdachte 4] vroeg: “Gaan we der terug brengen”, waarop de gebruiker van * [nummer] zei: “Wat jij wil”. [medeverdachte 4] reageerde daarop met: “Wat [slachtoffer 1] wilt. Laat het der zien wel. Morgen 1 uur hebben we klant”.81

Naast de WhatsApp-gesprekken met [medeverdachte 4] heeft de gebruiker van het telefoonnummer * [nummer] op 18 en 19 januari 2017 ook een WhatsApp-gesprek gevoerd met de gebruiker van het telefoonnummer * [nummer] , dat is toegeschreven aan [medeverdachte 3] .82 In het gesprek berichtte de gebruiker van * [nummer] onder andere:

  • -

    “Ik heb een motjo meid ze heeft alleen een plek nodig waar ze kan zijn. Kunnen we een money maken”;

  • -

    “Ze is mijn meid. We kunnen weekelijks lakken zoiezo”;

  • -

    “Ze is net achtien. Ik heb alleen een plek nodig heb al klanten”;

  • -

    Ze is van mij en [medeverdachte 4] . Ik heb geen plek voor der. Maar morgen moet ze wel dara kunnen gaan kunnen we een goede money op der maken”.

[medeverdachte 3] berichtte op 19 januari 2017: “Laat die sma vndg met me komen slapen hoor”, waarop de gebruiker * [nummer] antwoordde: “Ja kan maar we moeten wel praten over lakken”.83

Ook in de mobiele telefoon van [medeverdachte 4] zijn bevindingen gedaan ten aanzien van de betrokkenheid van [verdachte] bij de prostitutiewerkzaamheden van [slachtoffer 1] .

Op de telefoon van [medeverdachte 4] is een aantal spraakberichten aangetroffen. Eén van de spraakberichten van 22 november 2016 is toegeschreven aan [verdachte] . In het bericht zei hij: “Ik wil het zo met je regelen dat jij gewoon de afspraken maakt en die boys gewoon controlled en dan zorgen wij, dan zorg ik wel dat ze daar komen en dat ze veilig zijn en zo. En dan als het moet en we krijgen veel klanten zoeken we nog een meisje die net als jou ook gewoon aan de telefoon kan klantjes regelen regelen regelen”.84

- Verklaringen medeverdachten

De medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] hebben allen verklaard over de betrokkenheid van [verdachte] bij de prostitutiewerkzaamheden van [slachtoffer 1] .

Volgens [medeverdachte 1] waren [medeverdachte 4] en [verdachte] betrokken bij de prostitutie van [slachtoffer 1] . Hij hoorde [verdachte] , [medeverdachte 4] en [slachtoffer 1] hier weleens over praten als ze in de woning van [medeverdachte 2] waren.85

[medeverdachte 2] heeft verklaard dat [verdachte] en [medeverdachte 4] met [slachtoffer 1] naar zijn woning kwamen en dat [slachtoffer 1] 2 dagen in zijn woning heeft verbleven. Hij kreeg hier 10 euro per nacht voor. 2 maanden voordat het vermissingsbericht van [slachtoffer 1] op AT5 kwam, had [slachtoffer 1] ook al bij hem geslapen.86

[medeverdachte 3] heeft verklaard dat [verdachte] hem had bericht dat hij een meisje had waar hij wat mee kon doen. Hij moest daar dan wel wat voor geven. Op een dag had [verdachte] hem gebeld en toen heeft hij in [plaats] seks met [slachtoffer 1] gehad. [verdachte] en [slachtoffer 1] zeiden allebei dat [slachtoffer 1] 18 jaar was.87

4.4.3.

Weging van de bevindingen

4.4.3.1. Wettelijk kader

- Algemeen

Het ten laste gelegde artikel 273f, eerste lid, sub 2, 5 en 8 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) ziet op de bescherming van minderjarigen tegen seksuele uitbuiting door anderen en op het profiteren daarvan. Een minderjarige op enigerlei wijze faciliteren tot een rol in de prostitutie is strafbaar, onafhankelijk van de wil van de minderjarige. Hierbij is niet van belang of een verdachte bekend is met de minderjarigheid van het slachtoffer, aangezien de minderjarigheid een geobjectiveerd bestanddeel is. Door het tewerkstellen van minderjarigen in de prostitutie is er in het algemeen sprake van een grote inbreuk op de lichamelijke en geestelijke integriteit van de minderjarige.

- Sub 2

Artikel 273f, eerste lid, sub 2 Sr ziet, voor zover thans van belang, op het werven, vervoeren, overbrengen, huisvesten of opnemen van een ander met het oogmerk van uitbuiting van die ander, terwijl die ander nog geen achttien jaren oud is. Deze bepaling is niet beperkt tot uitbuiting in de prostitutie, maar ziet op alle intermenselijke relaties waarbij uitbuiting van een minderjarige aan de orde is. Het begrip ‘uitbuiting’ is door de wetgever niet gedefinieerd, behoudens voor zover in artikel 273f, tweede lid Sr – voor zover thans van belang - is bepaald dat ‘uitbuiting ten minste omvat uitbuiting van een ander in de prostitutie en andere vormen van seksuele uitbuiting’.

- Sub 5 en 8

Het in artikel 273f, eerste lid, sub 5 respectievelijk sub 8 Sr bepaalde ziet op het strafbaar stellen van, voor zover thans van belang, het brengen van een minderjarige in de prostitutie, respectievelijk het voordeel trekken uit de prostitutie door een minderjarige. Deze strafbepalingen waren vóór de invoering van artikel 273f Sr opgenomen in het, inmiddels vervallen, artikel 250a, sub 3, respectievelijk sub 5 Sr. Dat artikel zag blijkens de wetsgeschiedenis op de strafbaarstelling van een aantal vormen van exploitatie van onvrijwillige prostitutie en van prostitutie waarbij minderjarigen zijn betrokken.

Ter gelegenheid van de invoering van artikel 273f Sr heeft de wetgever omtrent het in het voorgestane nieuwe artikel te incorporeren artikel 250a Sr onder meer opgemerkt dat dit artikel beoogt alle vormen van uitbuiting voor prostitutie en andere vormen van seksuele uitbuiting strafbaar te stellen, en verder dat de eis van dwang in brede zin of misleiding niet geldt voor seksuele uitbuiting van kinderen: ‘uitbating van prostitutie door minderjarigen is zonder meer strafbaar.’ Ook heeft de wetgever ten aanzien van artikel 273f, eerste lid, sub 5 Sr nog opgemerkt dat deze bepaling ziet op bescherming van kinderen en om die reden de eis van het gebruik van dwangmiddelen ontbreekt en (voor zover hier van belang) ten aanzien van sub 8 dat dit, evenals sub 5, is beperkt tot profijt uit seksuele uitbuiting van kinderen.88

Uit de wetsgeschiedenis vloeit dan ook voort dat de wetgever ten aanzien van de strafbaarstelling van handelingen gericht op de prostitutie van minderjarigen, niet heeft willen weten van een eis van verdergaande specifieke, een uitbuitingsituatie kenmerkende, omstandigheden. Het brengen van een minderjarige in de prostitutie of het profiteren van de opbrengst van prostitutiewerkzaamheden door een minderjarige is door de wetgever aangemerkt als een aan mensenhandel gerelateerde vorm van uitbuiting. Dat aan een bewezenverklaring van artikel 273f, eerste lid, sub 5 respectievelijk sub 8 Sr door de wetgever zwaardere eisen werden gesteld dan in artikel 250a Sr werden verwoord, is niet gebleken.

Het voorgaande brengt mee dat het begrip ‘uitbuiting’ niet als bestanddeel in voormelde strafbepaling moet worden ingelezen en afzonderlijk worden bewezen, maar dat het handelen zoals in deze strafbepaling neergelegd uitbuiting oplevert en wordt gekwalificeerd als mensenhandel.

4.4.3.2. Ten aanzien van [slachtoffer 1]

- Andere gebruiker WhatsApp

Dat [verdachte] niet zelf de WhatsApp-berichten afkomstig van het telefoonnummer * [nummer] heeft verstuurd maar dat een ander van zijn telefoon gebruik heeft gemaakt, acht de rechtbank niet aannemelijk.

De stelling van de raadsman dat het telefoonnummer van [verdachte] in de ten laste gelegde periode tegelijkertijd aan 2 verschillende telefoons was gekoppeld is niet juist. Uit onderzoek is gebleken dat het telefoonnummer van [verdachte] nagenoeg de gehele periode gekoppeld is geweest aan het IMEI-nummer [nummer] . Het IMEI-nummer van de LG smartphone van [verdachte] was [nummer] . Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat slechts de combinatie van de eerste 14 cijfers het werkelijke IMEI-nummer vormen. Het laatste cijfer varieert afhankelijk van de provider en wordt uit technisch oogpunt weergegeven als een 0 als het op daadwerkelijk aansluiten van een technische actie aankomt. De genoemde IMEI-nummers betreffen dus dezelfde IMEI-nummers. Het telefoonnummer van [verdachte] is dus nagenoeg de gehele periode gekoppeld geweest aan de LG smartphone van [verdachte] .

De stelling van de raadsman dat het technisch mogelijk is om hetzelfde WhatsApp-account tegelijkertijd op meerdere elektronische apparaten als telefoons en computers te gebruiken, zonder dat daarvoor de simkaart nodig is, is juist. Echter, voor het installeren van het WhatsApp-account is in dat geval een QR-code nodig die wordt gegenereerd op de ‘oorspronkelijke’ telefoon. In casu zou hiervoor de LG smartphone van [verdachte] nodig zijn geweest. Hoewel het dus feitelijk mogelijk is dat het WhatsApp-account van [verdachte] door een ander werd gebruikt op een andere telefoon of computer, acht de rechtbank deze mogelijkheid niet aannemelijk.

De WhatsApp-berichten die zijn verstuurd door de gebruiker van het telefoonnummer * [nummer] en gebruikersnaam ‘ [gebruikersnaam] ’ zijn aangetroffen op de LG smartphone van [verdachte] . Wanneer [verdachte] WhatsApp opende, moet hij die teksten dus hebben gezien. Aangezien de gesprekken met [medeverdachte 4] bijna dagelijks werden gevoerd, moet het [verdachte] opgevallen zijn als er door een ander namens hem gesprekken met haar werden gevoerd. Nu [medeverdachte 4] de partner van [verdachte] was, is het onvoorstelbaar dat de miscommunicatie niet ter sprake zou zijn gekomen wanneer zij elkaar in persoon spraken. Daar komt bij dat geen van de personen waarmee de gebruiker van het nummer * [nummer] WhatsApp-gesprekken voerde gedurende de betrekkelijk lange periode, een vermoeden heeft geuit dat [verdachte] niet de afzender was van de berichten. Sterker nog, onder andere [medeverdachte 4] en [medeverdachte 3] hebben verklaard dat zij ervan uitgingen dat zij de WhatsApp-gesprekken met [verdachte] voerden.

- Handelingen

Op grond van de hiervoor in paragraaf 4.4.2. beschreven feiten en omstandigheden stelt de rechtbank vast dat [slachtoffer 1] in de ten laste gelegde periode prostitutiewerkzaamheden heeft verricht terwijl zij op dat moment 14 jaar was. [slachtoffer 1] heeft hierover vanaf oktober 2016 contact gehad met [medeverdachte 4] , die zij vanuit ‘ [naam jeugdinrichting] ’ kende. [medeverdachte 4] heeft naaktfoto’s van [slachtoffer 1] gemaakt ten behoeve van seksadvertenties en contact met klanten gehad voor het maken van seksafspraken met [slachtoffer 1] . [slachtoffer 1] had seks met de klanten in onder andere de woning van [medeverdachte 2] , een zogenoemd ‘traphouse’.

[medeverdachte 4] ontving het geld van de klanten en gaf daarna een gedeelte aan [slachtoffer 1] . Toen [slachtoffer 1] halverwege december 2016 voor een aantal weken was teruggeplaatst in ‘ [naam jeugdinrichting] ’, hebben [medeverdachte 4] en [verdachte] contact met haar onderhouden om haar daarna weer in te zetten in de prostitutie. Immers, vanaf medio januari 2017 is [medeverdachte 4] verder gegaan met het maken van seksafspraken voor [slachtoffer 1] . Nadat op 17 januari 2017 het vermissingsbericht van [slachtoffer 1] in de media verscheen, is zij verplaatst naar een woning in [plaats] , met de bedoeling haar te kunnen blijven inzetten in de prostitutie.

Uit de verklaringen van [slachtoffer 1] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] komt naar voren dat [verdachte] betrokken was bij de prostitutiewerkzaamheden van [slachtoffer 1] . [verdachte] wist dat [slachtoffer 1] minderjarig was en uit ‘ [naam jeugdinrichting] ’ kwam. Hij zorgde ervoor dat er een plek was waar [slachtoffer 1] haar werkzaamheden kon uitvoeren en hij bracht [slachtoffer 1] naar klanten. Ook deelde hij mee in de opbrengst. [verdachte] was degene die bepaalde dat [slachtoffer 1] haar werkzaamheden in januari 2017 voortzette in [plaats] en degene die daar een woning regelde.

Deze verklaringen vinden voldoende steun in andere stukken in het dossier.

Uit WhatsApp-berichten tussen [verdachte] en [medeverdachte 4] komt naar voren dat zij vanaf 5 november 2016 veelvuldig contact met elkaar hadden over de prostitutiewerkzaamheden van [slachtoffer 1] . [verdachte] en [medeverdachte 4] spraken met elkaar over het verdienen van geld met [slachtoffer 1] . Deze gesprekken vonden al plaats voorafgaand aan de eerste seksafspraak die [slachtoffer 1] had op 14 november 2016. Daarna spraken [verdachte] en [medeverdachte 4] veelvuldig over tijd-, plaats- en prijsafspraken voor seks met [slachtoffer 1] . [medeverdachte 4] vroeg [verdachte] regelmatig of hij een plek kon regelen waar [slachtoffer 1] haar werkzaamheden kon uitvoeren, waarna [verdachte] meerdere keren liet weten dat de seksafspraken konden plaatsvinden in de woning van [medeverdachte 2] . Ook werd er door [verdachte] meerdere keren gesproken over het wegbrengen van [slachtoffer 1] en ‘bewegen’ als [slachtoffer 1] klanten had.

Uit een WhatsApp-gesprek tussen [verdachte] en [medeverdachte 3] blijkt dat [verdachte] in januari 2017 [medeverdachte 3] heeft aangeboden om seks met [slachtoffer 1] te hebben. Ook heeft hij [medeverdachte 3] gevraagd om een plek te zoeken waar [slachtoffer 1] klanten kon ontvangen. [medeverdachte 3] heeft dit in zijn verklaring bevestigd.

- Kwalificatie

Door te handelen zoals hiervoor beschreven heeft [verdachte] handelingen ondernomen waarvan hij wist dat [slachtoffer 1] zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling (artikel 273f, eerste lid, sub 5 Sr).

Ook heeft hij opzettelijk voordeel getrokken uit de seksuele handelingen van [slachtoffer 1] met een ander (artikel 273f, eerste lid, sub 8 Sr).

Uit hetgeen hiervoor is overwogen omtrent de wetsgeschiedenis ten aanzien van het bepaalde in de artikelen 273f, eerste lid, sub 5 respectievelijk sub 8 Sr, vloeit voort dat de wetgever voor ogen heeft gehad om handelingen die kunnen worden aangemerkt als het brengen van een ander tot prostitutie als die ander minderjarig is (sub 5) en het profiteren van prostitutiewerk van een ander als die ander minderjarig is (sub 8), aan te merken als uitbuiting van die minderjarige.

Dit brengt met zich dat ook bewezen kan worden dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan het in artikel 273f, eerste lid, sub 2 Sr bepaalde. [verdachte] heeft [slachtoffer 1] vervoerd en gehuisvest, met het oogmerk haar te faciliteren in haar prostitutiewerk en met het oogmerk daarvan te profiteren. Het oogmerk van [verdachte] is dan ook gericht geweest op uitbuiting in de zin van artikel 273f, eerste lid, sub 2 Sr.

- Medeplegen

Voor het aannemen van medeplegen is een bewuste en nauwe samenwerking vereist. Of hiervan sprake is geweest, dient aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval te worden beoordeeld. Er dient sprake te zijn van een gezamenlijke uitvoering van een bepaald strafbaar feit, zij het dat niet alle ten laste gelegde bestanddelen door alle medeplegers behoeven te worden vervuld. Medeplegers kunnen echter alleen worden gestraft voor elkaars gedragingen voor zover deze binnen hun gezamenlijk (voorwaardelijk) opzet kunnen worden gebracht.

Uit de vastgestelde feiten en omstandigheden komt het beeld naar voren dat [medeverdachte 4] en [verdachte] een leidende rol hebben gehad bij de prostitutiewerkzaamheden van [slachtoffer 1] . [verdachte] en [medeverdachte 4] hebben veelvuldig overleg gehad over de prostitutiewerkzaamheden van [slachtoffer 1] . In dat kader spraken [medeverdachte 4] en [verdachte] over ‘we’.

Er is een aantal WhatsApp-berichten dat de samenwerking tussen [verdachte] en [medeverdachte 4] duidelijk benadrukt. Zo berichtte [verdachte] aan [medeverdachte 4] : “We moeten voorzichtig zijn als we geklemd worden dan gaan we lang weg” en “ze moet onze bitch blijven”. [verdachte] en [medeverdachte 4] bestempelden elkaar als ‘Bonnie en Clyde’ en ze hadden het over het opbouwen van een imperium. In een WhatsApp-gesprek met [medeverdachte 3] heeft [verdachte] gezegd dat [slachtoffer 1] van hem en [medeverdachte 4] was.

In een spraakbericht aan [medeverdachte 4] sprak [verdachte] over de rolverdeling tussen hen: “Ik wil het zo met je regelen dat jij gewoon de afspraken maakt en die boys gewoon controlled en dan zorgen wij, dan zorg ik wel dat ze daar komen en dat ze veilig zijn en zo. En dan als het moet en we krijgen veel klanten zoeken we nog een meisje die net als jou ook gewoon aan de telefoon kan klantjes regelen regelen regelen.”

Naast de samenwerking met [medeverdachte 4] was er ook een samenwerking tussen [verdachte] en [medeverdachte 1] . Uit de WhatsApp-gesprekken tussen [verdachte] en [medeverdachte 4] blijkt dat [verdachte] regelmatig aan [medeverdachte 1] vroeg of de woning van [medeverdachte 2] beschikbaar was, zodat [slachtoffer 1] daar klanten kon ontvangen. Ook werd [medeverdachte 1] door [verdachte] en Pareen ingeschakeld om [slachtoffer 1] naar klanten te brengen of haar daar op te halen.

Ook tussen [verdachte] en [medeverdachte 3] was er een samenwerking, in die zin dat [verdachte] in januari 2017 [medeverdachte 3] heeft aangeboden om seks te hebben met [slachtoffer 1] . Daarbij werd [medeverdachte 3] verteld dat [slachtoffer 1] ‘van [verdachte] en [medeverdachte 4] was’ en dat ze geld aan haar wilden verdienen. Ze hadden al klanten maar nog geen plek voor haar. [medeverdachte 3] heeft vervolgens op verzoek van [verdachte] de woning in [plaats] geregeld.

Al met al blijkt uit de bewijsmiddelen dat het handelen van [verdachte] in voldoende mate meebrengt de nauwe en bewuste samenwerking met anderen die voor medeplegen is vereist en dat hij de bewezenverklaarde mensenhandel dus tezamen en in vereniging met anderen heeft gepleegd.

4.4.3.3. Gedeeltelijke vrijspraak ten aanzien van [slachtoffer 2]

De rechtbank is, met de verdediging, van oordeel dat niet kan worden bewezen dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel ten aanzien van [slachtoffer 2] , zoals hem is ten laste gelegd. Het argument dat [verdachte] en [medeverdachte 4] samen een imperium wilden opbouwen, is onvoldoende voor de conclusie dat zij samen hebben gewerkt bij het werven van [slachtoffer 2] . [verdachte] zal hiervan dus worden vrijgesproken.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4. vervatte bewijsmiddelen bewezen dat [verdachte]

in de periode van 5 november 2016 tot en met 21 januari 2017 te Amsterdam en Huizen, tezamen en in vereniging met anderen

een ander, te weten [slachtoffer 1] , geboren [geboortedatum] ,

- heeft vervoerd en gehuisvest, met het oogmerk van seksuele uitbuiting van die [slachtoffer 1]

en

- ten aanzien van die [slachtoffer 1] handelingen heeft ondernomen waarvan verdachte wist dat die [slachtoffer 1] zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van seksuele handelingen

en

opzettelijk voordeel heeft getrokken uit seksuele handelingen van die ander, te weten die [slachtoffer 1] , met een derde tegen betaling, terwijl die [slachtoffer 1] de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt,

bestaande die handelingen hieruit dat verdachte en zijn mededaders;

  • -

    die [slachtoffer 1] hebben aangezet tot het plegen van seksuele handelingen met derden tegen betaling waarbij verdachte en zijn mededaders de controle hadden over de ontvangsten en

  • -

    meerdere advertenties op internet hebben gezet waarin die [slachtoffer 1] als prostituee werd aangeboden en

  • -

    foto's van die [slachtoffer 1] hebben gemaakt die gebruikt werden voor het aanmaken van die advertentie en

  • -

    ruimtes hebben geregeld voor het verrichten van de prostitutiewerkzaamheden en

  • -

    die [slachtoffer 1] naar klanten hebben gebracht of laten brengen voor het verrichten van prostitutiewerkzaamheden en

  • -

    de contacten met klanten voor die [slachtoffer 1] tot stand hebben gebracht en

  • -

    afspraken met klanten over de datum en plaats en tijd en aard en prijs van de prostitutiewerkzaamheden hebben gemaakt en

  • -

    een deel van de ontvangsten hebben ingenomen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. [verdachte] is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6. Strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van [verdachte] uitsluit. [verdachte] is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf en maatregel

8.1.

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat [verdachte] voor het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 48 maanden, met aftrek van voorarrest.

8.2.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair bepleit [verdachte] vrij te spreken van het ten laste gelegde en aan hem dus geen straf op te leggen. Subsidiair heeft de raadsman verzocht om de strafeis matigen, nu deze gelet op de jurisprudentie disproportioneel hoog is.

8.3.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

[verdachte] en [medeverdachte 4] hadden een leidende rol bij mensenhandel ten aanzien van de veertienjarige [slachtoffer 1] . Zij hebben de prostitutiewerkzaamheden van [slachtoffer 1] gefaciliteerd door foto’s van haar te maken en seksadvertenties op internet te plaatsen. Ook werden er seksafspraken gemaakt met klanten, een plek geregeld waar deze afspraken konden plaatsvinden en werd [slachtoffer 1] naar woningen van klanten gebracht. De seksafspraken vonden veelal plaats in een ‘traphouse’, een woning waar veel drugs werd gebruikt en gedeald, en waar ook prostitutie plaatsvond. Voorts werd geprofiteerd van de opbrengsten die [slachtoffer 1] had uit de seksuele handelingen die zij tegen betaling verrichtte. Het vermissingsbericht van [slachtoffer 1] vormde kennelijk geen aanleiding om de uitbuiting van [slachtoffer 1] te stoppen. Sterker nog, het was de reden dat [slachtoffer 1] op een ander adres werd ondergebracht, zodat zij onvindbaar werd en de prostitutiewerkzaamheden door konden gaan. [verdachte] heeft ook anderen bij de mensenhandel betrokken, waaronder zijn medeverdachten.

De uitbuiting van [slachtoffer 1] heeft geduurd van begin november 2016 tot het moment dat zij door de politie in [plaats] is gevonden in januari 2017. Hoewel [slachtoffer 1] gedurende deze periode ongeveer een maand is teruggeplaatst in ‘ [naam jeugdinrichting] ’, is in die tijd het contact met [slachtoffer 1] aangehouden, met het doel om haar daarna weer te kunnen inzetten in de prostitutie.

[verdachte] wist dat [slachtoffer 1] minderjarig was. Niet alleen de jeugdige leeftijd van [slachtoffer 1] maakte haar kwetsbaar, maar ook het feit dat zij verbleef in de jeugdinstelling ‘ [naam jeugdinrichting] ’. [verdachte] heeft misbruik gemaakt van deze kwetsbaarheid.

De door [verdachte] overtreden bepalingen beogen minderjarigen te beschermen, ook tegen zichzelf. Minderjarigen worden geacht, ook als er geen sprake is van dwang of misleiding, op seksueel gebied nog niet volgroeid te zijn en niet zelfstandig de emotionele gevolgen van seksueel contact voldoende te kunnen overzien. Indien de betrokken minderjarige heeft verklaard dat het haar eigen keuze is geweest om door middel van prostitutie geld te verdienen maakt dat de strafwaardigheid van het handelen van de verdachte niet minder. Met zijn handelen heeft [verdachte] [slachtoffer 1] in ernstige mate geschaad in haar lichamelijke en geestelijke integriteit op een cruciaal moment in haar ontwikkeling tot volwassen vrouw. De periode waarin [slachtoffer 1] is uitgebuit wordt door haarzelf omschreven als een zwarte bladzijde in haar leven, die er tot op de dag van vandaag ertoe leidt dat zij zich afvraagt of jongens nog wel te vertrouwen zijn. [verdachte] heeft er blijk van gegeven zijn eigen behoefte aan materieel gewin voorop te stellen, met voorbijgaan aan de belangen en het welzijn van [slachtoffer 1] .

[verdachte] heeft geen verantwoordelijkheid voor zijn handelen willen nemen. Sterker nog, hij heeft de schuld willen afschuiven op [medeverdachte 4] , die op het moment van het bewezen geachte feit pas 17 jaar oud was. Ook heeft [verdachte] verantwoordelijkheid willen leggen bij [slachtoffer 1] zelf, omdat zij volgens hem zelf in de prostitutie wilde werken en hier al ervaring mee had. Zoals blijkt uit het WhatsApp-gesprek met [medeverdachte 4] , waarin [verdachte] zei: “we moeten voorzichtig zijn, als we geklemd worden dan gaan we lang weg”, wist [verdachte] wel degelijk dat hij zich schuldig maakte aan strafbare handelingen.

Gezien de ernst van het feit kan daar niet anders op worden gereageerd dan met het opleggen van een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken, te weten seksuele uitbuiting van (jong) minderjarigen, worden opgelegd. Daarbij is in aanmerking genomen dat [verdachte] , zoals blijkt uit het op zijn naam gestelde uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 24 april 2018, niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

[verdachte] heeft niet willen meewerken aan het opstellen van een reclasseringsrapportage.

De rechtbank acht een kortere pleegperiode bewezen met betrekking tot de mensenhandel ten aanzien van [slachtoffer 1] dan de officier van justitie. Verder zal de rechtbank [verdachte] , in afwijking van het standpunt van de officier van justitie, vrijspreken met betrekking tot mensenhandel ten aanzien van [slachtoffer 2] . Gezien het voorgaande bestaat aanleiding bij de straftoemeting naar beneden af te wijken van hetgeen door de officier van justitie is gevorderd.

De rechtbank is alles overwegende van oordeel dat een gevangenisstraf van 3 jaren een passende en geboden reactie vormt.

Om te voorkomen dat [slachtoffer 1] opnieuw met [verdachte] wordt geconfronteerd zal aan hem een vrijheidsbenemende maatregel worden opgelegd als bedoeld in artikel 38v Sr, inhoudende een contactverbod met [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] . Voor het geval dat [verdachte] zich niet houdt aan deze maatregel, bepaalt de rechtbank dat bij iedere overtreding 1 week vervangende hechtenis wordt toegepast.

Nu er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat [verdachte] opnieuw een strafbaar feit zal plegen of zich belastend zal gedragen jegens [slachtoffer 1] wordt bevolen dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

9 Beslag

Onder [verdachte] zijn de volgende items in beslag genomen:

1. Telefoon Star Kocel (5472468)

2. Telefoon Samsung (5395707)

3. Telefoon LG (5324118)

Het item genoemd onder 3 op de beslaglijst dient onttrokken te worden aan het verkeer en is daarvoor vatbaar, aangezien met behulp van dit voorwerp het bewezen geachte is begaan en dit voorwerp van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang.

Ten aanzien van de items genoemd onder 1 en 2 op de beslaglijst gelast de rechtbank de teruggave aan [verdachte] .

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 38v, 38w, 47 en 273f van het Wetboek van Strafrecht.

Deze wettelijke voorschriften zijn toepasselijk zoals geldend ten tijde van het bewezen geachte.

11 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing, waarbij [verdachte] hierna als ‘verdachte’ wordt aangeduid.

Verklaart de dagvaarding ten aanzien van de zinssneden ‘één of meer onbekend gebleven personen die de leeftijd van achttien jaren nog niet hebben bereikt’ en ‘en/of die andere personen’ nietig.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Medeplegen van mensenhandel, terwijl die persoon ten aanzien van wie het in artikel 273 f, eerste lid onder 2, 5 en 8 omschreven feit wordt gepleegd de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

 Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 (drie) jaren.

Beveelt dat de tijd die door verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

 Legt op de maatregel dat de verdachte voor de duur van 2 (twee) jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer 1] .

Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 1 (één) week voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan.

Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.

Omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen en/of zich belastend zal gedragen jegens een bepaalde persoon, beveelt de rechtbank, gelet op artikel 38v, vierde lid Sr, dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

 Verklaart het item genoemd onder 3 op de beslaglijst onttrokken aan het verkeer.

 Gelast de teruggave aan verdachte van de items genoemd onder 1 en 2 op de beslaglijst.

Dit vonnis is gewezen door

mr. E.M.M. Gabel, voorzitter,

mrs. V.V. Essenburg en I. Verstraeten-Jochemsen, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. R. Stockmann, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 19 juli 2018.

1 ECLI:NL:HR:2017:584

2 ECLI:NL:HR:2017:584

3 Proces-verbaal bevindingen dagboek [slachtoffer 1] d.d. d.d. 24 januari 2017, p. ZD 01 14 016.

4 Proces-verbaal bevindingen dagboek [slachtoffer 1] d.d. d.d. 24 januari 2017, p. ZD 01 14 021.

5 Proces verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 1] d.d. 12 april 2017, p. ZD 01 02 006.

6 Proces verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 1] d.d. 12 april 2017, p. ZD 01 02 007-008.

7 Proces verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 1] d.d. 23 mei 2017, p. ZD 01 02 015.

8 Proces verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 1] d.d. 4 augustus 2017, p. ZD 01 02 023.

9 Proces verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 1] d.d. 12 april 2017, p. ZD 01 02 009.

10 Proces verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 1] d.d. 12 april 2017, p. ZD 01 02 008.

11 Proces verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 1] d.d. 12 april 2017, p. ZD 01 02 010.

12 Proces-verbaal van studioverhoor [slachtoffer 2] d.d. 8 juni 2017, p. ZD 02 02 003.

13 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 4] d.d. 17 juli 2017, p. PD 01 08 040.

14 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 4] d.d. 24 augustus 2017, p. PD 01 08 087.

15 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 4] d.d. 17 juli 2017, p. PD 01 08 036-037.

16 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 4] d.d. 17 juli 2017, p. PD 01 08 040-042.

17 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 4] d.d. 17 juli 2017, p. PD 01 08 041-042.

18 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 4] d.d. 17 juli 2017, p. PD 01 08 042.

19 WhatsApp-gesprek d.d. 8 november 2016, p. ZD 01 14 679-681.

20 WhatsApp-gesprek d.d. 13 t/m 16 november 2016, p. ZD 01 14 689-694.

21 WhatsApp-gesprek d.d. 14 t/m 22 november 2016, p. ZD 01 14 692-698.

22 WhatsApp-gesprekken d.d. 9 t/m 20 januari 2017, p. ZD 01 14 147-276.

23 WhatsApp-gesprek d.d. 25 november 2016, p. ZD 01 14 333.

24 WhatsApp-gesprek d.d. 28 november 2016, p. ZD 01 14 338-339.

25 Proces-verbaal onderzoek gegevens [website] , p. ZD 01 06 005-008.

26 Proces verbaal onderzoek gsm Iphone [slachtoffer 2] , p. ZD 02 14 059-060.

27 WhatsApp-gesprek d.d. 17 januari 2017, p. ZD 02 14 018-019.

28 Proces-verbaal van studioverhoor [slachtoffer 2] d.d. 8 juni 2017, p. ZD 02 02 025.

29 Proces-verbaal van studioverhoor [slachtoffer 2] d.d. 8 juni 2017, p. ZD 02 02 034-035.

30 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 4] d.d. 24 augustus 2017, p. PD 01 08 084.

31 Proces-verbaal verhoor verdachte [medeverdachte 1] d.d. 10 oktober 2017, p. PD 03 08 033.

32 Proces verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 1] d.d. 23 mei 2017, p. ZD 01 02 013.

33 Proces verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 1] d.d. 4 augustus 2017, p. ZD 01 02 021.

34 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 4] d.d. 17 juli 2017, p. PD 01 08 041.

35 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 4] d.d. 24 augustus 2017, p. PD 01 08 090.

36 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 1] , p. ZD 01 03 055.

37 Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 1] , p. ZD 01 03 058.

38 Proces-verbaal van bevindingen, p. PD 06 09 001.

39 Proces verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 1] d.d. 23 mei 2017, p. ZD 01 02 013.

40 Proces verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 1] d.d. 12 april 2017, p. ZD 01 02 007 en 011.

41 Proces verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 1] d.d. 23 mei 2017, p. ZD 01 02 013.

42 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 4] d.d. 17 juli 2017, p. PD 01 08 039.

43 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 4] d.d. 24 augustus 2017, p. PD 01 08 087.

44 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 4] d.d. 17 juli 2017, p. PD 01 08 040.

45 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 4] d.d. 17 juli 2017, p. PD 01 08 041.

46 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 4] d.d. 24 augustus 2017, p. PD 01 08 086.

47 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 4] d.d. 24 augustus 2017, p. PD 01 08 087.

48 Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 4] d.d. 17 juli 2017, p. PD 01 08 042.

49 Kennisgeving van inbeslagneming d.d. 21 januari 2017, p. AD 01 02 024.

50 Proces-verbaal verhoor verdachte [verdachte] d.d. 21 januari 2017, p. PD 02 08 003.

51 Proces-verbaal van historisch telefoonverkeer * [nummer] , p. ZD 01 08 030-031.

52 WhatsApp-gesprek d.d. 5 november 2016, p. ZD 01 14 294.

53 WhatsApp-gesprek d.d. 5 november 2016, p. ZD 01 14 295.

54 WhatsApp-gesprek d.d. 8 november 2016, p. ZD 01 14 296.

55 WhatsApp-gesprek d.d. 13 november 2016, p. ZD 01 14 298.

56 WhatsApp-gesprek d.d. 13 november 2016, p. ZD 01 14 300.

57 WhatsApp-gesprek d.d. 13 november 2016, p. ZD 01 14 301.

58 WhatsApp-gesprek d.d. 14 november 2016, p. ZD 01 14 302.

59 WhatsApp-gesprek d.d. 14 november 2016, p. ZD 01 14 303.

60 WhatsApp-gesprek d.d. 15 november 2016, p. ZD 01 14 303.

61 WhatsApp-gesprek d.d. 16 november 2016, p. ZD 01 14 306.

62 WhatsApp-gesprek d.d. 16 november 2016, p. ZD 01 14 307.

63 WhatsApp-gesprek d.d. 16 november 2016, p. ZD 01 14 308.

64 WhatsApp-gesprek d.d. 18 november 2016, p. ZD 01 14 309.

65 WhatsApp-gesprek d.d. 18 november 2016, p. ZD 01 14 310.

66 WhatsApp-gesprek d.d. 20 november 2016, p. ZD 01 14 311.

67 WhatsApp-gesprek d.d. 20 november 2016, p. ZD 01 14 312.

68 WhatsApp-gesprek d.d. 20 november 2016, p. ZD 01 14 313.

69 WhatsApp-gesprek d.d. 21 november 2016, p. Zd 01 14 314-315.

70 WhatsApp-gesprek d.d. 22 november 2016, p. ZD 01 14 316.

71 WhatsApp-gesprek d.d. 22 november 2016, p. ZD 01 14 318.

72 WhatsApp-gesprek d.d. 23 november 2016, p. ZD 01 14 325.

73 WhatsApp-gesprek d.d. 23 november 2016, p. ZD 01 14 326.

74 WhatsApp-gesprek d.d. 23 november 2016, p. ZD 01 14 327.

75 WhatsApp-gesprek d.d. 23 november 2016, p. ZD 01 14 330.

76 WhatsApp-gesprek d.d. 1 december 2016, p. ZD 01 14 341.

77 WhatsApp-gesprek d.d. 17 januari 2017, p. ZD 01 14 348-349.

78 WhatsApp-gesprek d.d. 18 januari 2017, p. ZD 01 14 349.

79 WhatsApp-gesprek d.d. 18 januari 2017, p. ZD 01 14 350-351.

80 WhatsApp-gesprek d.d. 19 januari 2017, p. ZD 01 14 352.

81 WhatsApp-gesprek d.d. 19 januari 2017, p. ZD 01 14 352-353.

82 Proces-verbaal gebruik telefoonnummer * [nummer] , p. PD 04 04 008-009.

83 WhatsApp-gesprek d.d. 18 en 19 januari 2017, p. ZD 01 14 480-483.

84 Proces-verbaal spraakberichten telefoon [medeverdachte 4] , p. ZD 01 14 075.

85 Proces-verbaal verhoor verdachte [medeverdachte 1] d.d. 10 oktober 2017, p. PD 03 08 024.

86 Proces-verbaal verhoor verdachte [medeverdachte 2] d.d. 31 mei 2017, p. PD 06 08 004-005.

87 Proces-verbaal verdachte [medeverdachte 3] d.d. 10 oktober 2017, p. PD 04 08 063-064 en 072.

88 (Memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Uitvoering van internationale regelgeving ter bestrijding van mensensmokkel en mensenhandel, Tweede Kamer, vergaderjaar 2003-2004, 29291, nr. 3).