Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:5126

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
11-07-2018
Datum publicatie
13-09-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 5092 V
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzet ongegrond - rechtbank kennelijk onbevoegd - besluit op grond van de Invorderingswet 1990 (niet zijnde artt. 30, 49, 62a) is niet vatbaar voor beroep - terecht geoordeeld dat rb buiten redelijke twijfel onbevoegd is

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 17/5092 V

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 juli 2018 op het verzet van

[naam eiser] , te [woonplaats] .

Procesverloop

[naam eiser] heeft tegen een aankondiging beslaglegging van 23 augustus 2016 beroep ingesteld.

Bij uitspraak van 25 augustus 2017 heeft de rechtbank zich kennelijk onbevoegd verklaard van dat beroep kennis te nemen.

[naam eiser] heeft tegen deze uitspraak verzet ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juli 2018. [naam eiser] is verschenen. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

1. De rechtbank heeft in de beroepszaak uitspraak gedaan zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) biedt die mogelijkheid als het eindoordeel buiten redelijke twijfel staat. De rechtbank heeft zich kennelijk onbevoegd geacht. De reden hiervoor is dat de rechtbank tot de conclusie is gekomen dat de aankondiging beslaglegging geen besluit is als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb. De rechtbank heeft daarbij verwezen naar artikel 8:5 van de Awb.

2. [naam eiser] heeft in verzet meerdere brieven gestuurd naar de rechtbank. Hierin noemt hij verschillende redenen waarom hij het niet eens is met de aankondiging beslaglegging. Hij gaat niet in op de bevoegdheid van de rechtbank om van zijn beroep kennis te nemen. De rechtbank mag in deze procedure echter alleen beoordelen of zij in de buiten-zittinguitspraak terecht heeft geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat zij onbevoegd is. Aan argumenten die hier geen betrekking op hebben komt de rechtbank niet toe. De rechtbank komt verder in deze zaak pas toe aan de inhoud van de beroepsgronden als het verzet gegrond is.

3. In artikel 8:5, eerste lid, van de Awb staat dat geen beroep kan worden ingesteld tegen een besluit als bedoeld in artikel 1 van de bij deze wet behorende Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak.

4. In de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak als bedoeld in artikel 8:5 van de Awb staat dat geen beroep kan worden ingesteld tegen een besluit dat op grond van de Invorderingswet 1990 genomen is, met uitzondering van de artikelen 30, 49 en 62a.

5. De aankondiging beslaglegging is gebaseerd op artikel 14 van de Invorderingswet 1990. Dit is niet een besluit als bedoeld in de artikelen 30, 49 of 62a van de Invorderingswet 1990. Hiertegen kan dus geen beroep worden ingesteld bij de bestuursrechter. [naam eiser] kan wel een verzetschrift indienen bij de civiele rechter. Dat staat in artikel 17, eerste lid, van de Invorderingswet 1990.

6. De conclusie is dat de rechtbank in de buiten-zittinguitspraak terecht heeft geoordeeld dat buiten redelijke twijfel is dat zij onbevoegd is. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat de buiten-zittinguitspraak in stand blijft. De rechtbank komt daarom niet toe aan een beoordeling van wat [naam eiser] verder heeft aangevoerd.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.B. van Gijn, rechter, in aanwezigheid van mr. T. Rijs, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 juli 2018.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen in de bodemzaak op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending hiervan beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden.