Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:5125

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
18-07-2018
Datum publicatie
10-08-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 6986
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep ongegrond - AOW - terugvordering Svb - samenwonend ipv alleenstaand - rechtmatig huisbezoek: informed consent - wederzijdse zorg: koken en (af)wassen voor elkaar en eten samen - geen commerciële relatie: geen huurcontract

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 17/6986

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 juli 2018 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] ( Frankrijk ), eiser,

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, verweerder

(gemachtigde: mr. A. Marijnissen).

Procesverloop

Bij besluit van 28 juli 2017 (het primaire besluit I) heeft verweerder het ouderdomspensioen op basis van de Algemene Ouderdomswet (AOW) naar de norm van een alleenstaande van eiser herzien en met ingang van 12 januari 2017 omgezet naar een AOW-pensioen naar de norm van een gehuwde.

Bij besluit van 28 juli 2017 (het primaire besluit II) heeft verweerder het aan eiser te veel betaalde AOW-pensioen over de periode februari 2017 tot en met juli 2017 van totaal

€ 1.772,67 van eiser teruggevorderd.

Bij besluit van 14 november 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eiser ongegrond verklaard en de primaire besluiten gehandhaafd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 mei 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door [naam] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

Wat is er gebeurd?

1. Eiser ontvangt vanaf 7 augustus 2013 AOW-pensioen naar de norm van alleenstaande, omdat hij duurzaam gescheiden leeft van zijn echtgenote. Op 5 januari 2017 heeft eiser aan verweerder doorgegeven dat hij per 12 januari 2017 zal gaan verhuizen.

2. Op 11 april 2017 heeft verweerder een onaangekondigd huisbezoek afgelegd aan het adres van eiser. Bij dit huisbezoek bleek dat eiser een kamer huurt van [naam] (hierna: [naam] ). De bevindingen van het onderzoek zijn vastgelegd in een rapportage van 21 april 2017. Uit deze rapportage blijkt dat tijdens dit huisbezoek de formulieren ‘Checklist gezamenlijke huishouding’ en ‘Formulier aanvang onderzoek algemeen’ zijn ingevuld en eiser het formulier ‘Verklaring omtrent huisbezoek’ heeft ondertekend.

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de primaire besluiten gehandhaafd. Verweerder heeft daaraan ten grondslag gelegd dat eiser per 1 februari 2017 een gezamenlijke huishouding voert met [naam] .

Gronden

4. Eiser heeft in beroep – kort samengevat – aangevoerd dat het huisbezoek van

11 april 2017 onrechtmatig was en dat hij aan zijn informatieplicht heeft voldaan. Daarnaast heeft verweerder geen rekening gehouden met culturele verschillen tussen Nederland en Frankrijk , terwijl dit wel zou moeten, aldus eiser. In Frankrijk is het normaal om samen te eten en om als buren voor elkaar te koken en boodschappen te doen.

Wettelijk kader

5.1

Op grond van artikel 17, eerste en tweede lid, van de AOW – kort weergegeven – wordt het ouderdomspensioen ingetrokken of herzien, wanneer degene aan wie het is toegekend daarvoor niet of niet meer in aanmerking komt, onderscheidenlijk voor een hoger of lager ouderdomspensioen in aanmerking komt.

5.2

Op grond van artikel 1, derde lid, aanhef en onder a, van de AOW wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde meerderjarige die met een andere ongehuwde meerderjarige een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad.

5.3

Op grond van artikel 1, vierde lid, van de AOW is van een gezamenlijke huishouding sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

5.4

Op grond van artikel 8, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) heeft een ieder recht op respect voor zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) is geen sprake van inbreuk op het huisrecht als bedoeld in deze verdragsbepaling als de rechthebbende toestemming heeft gegeven voor het binnentreden in de woning.1 De toestemming moet vrijwillig zijn verleend en op basis van ‘informed consent’. Dit houdt in dat de toestemming van de belanghebbende berust op volledige en juiste informatie over reden en doel van het huisbezoek en over de gevolgen die het weigeren van toestemming voor, zoals in dit geval, het ouderdomspensioen ingevolge de AOW heeft. De bewijslast ten aanzien van het ‘informed consent’ bij het binnentreden in de woning berust op het bestuursorgaan. Bij de beoordeling of een inbreuk op het huisrecht heeft plaatsgevonden is het niet van belang of het huisbezoek van tevoren al dan niet is aangekondigd.

Belastend besluit

6. De rechtbank overweegt dat een besluit tot herziening van een uitkering een voor de betrokkene belastend besluit is, waarbij het aan het bestuursorgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat in dit geval de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor herziening van het ouderdomspensioen is voldaan, in beginsel op verweerder rust.

Omvang van het geding

7. Partijen verschillen van mening of eiser vanaf 1 februari 2017 een gezamenlijke huishouding voerde met [naam] . Gelet op wat eiser in beroep heeft aangevoerd en wat ter zitting is besproken, dient bij de beantwoording van die vraag eerst beoordeeld te worden of het huisbezoek op 11 april 2017 rechtmatig was en zo nee, of dat tot gevolg heeft dat de bevindingen van dat huisbezoek buiten beschouwing moeten blijven. Daarna zal de rechtbank beoordelen of verweerder terecht heeft geconcludeerd dat eiser een gezamenlijke huishouding voerde met [naam] .

Rechtmatigheid huisbezoek

8.1

Uit de rapportage van 21 april 2017 blijkt dat de aanleiding van het onderzoek is geweest een steekproefonderzoek in Frankrijk in april 2017. Daarbij wordt vermeld dat ‘OWS niet retour’ is gekomen. Ter zitting heeft verweerder verduidelijkt dat OWS staat voor Onderzoek woonsituatie. Dit formulier heeft verweerder niet retour ontvangen. Mogelijk is hier door de verhuizing van eiser iets misgegaan. Eiser heeft de “Verklaring omtrent huisbezoek” ondertekend. Uit deze verklaring blijkt dat de medewerkers zich gelegitimeerd hebben en dat het doel van het huisbezoek is geweest om te controleren of de gegevens waar verweerder over beschikt, juist zijn. Ook blijkt uit deze verklaring dat eiser heeft begrepen dat wanneer hij de medewerkers geen toestemming geeft om zijn woning binnen te gaan, dit geen directe gevolgen zal hebben voor zijn recht op pensioen. Verder blijkt uit deze verklaring dat eiser de medewerkers toestemming heeft gegeven zijn woning te betreden.

8.2

De rechtbank overweegt dat uit de rapportage van 21 april 2017 en de verklaring omtrent huisbezoek blijkt dat eiser is geïnformeerd over de aanleiding van het huisbezoek en dat hij uitdrukkelijk toestemming heeft gegeven om de woning te betreden. Dit betekent dat sprake is van ‘informed consent’ voor het huisbezoek. Dit heeft tot gevolg dat geen sprake is van inbreuk op het huisrecht als bedoeld in artikel 8 van het EVRM en dat er geen redenen zijn om de bevindingen van het huisbezoek buiten beschouwing te laten. Eisers beroepsgrond dat het onaangekondigde huisbezoek onrechtmatig is, kan dus niet slagen.

Gezamenlijke huishouding

9.1

De rechtbank zal aan de hand van de twee criteria in artikel 1, vierde lid, van de AOW beoordelen of er sprake is van een gezamenlijke huishouding. Het eerste criterium is of twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben. Het tweede criterium is dat van de wederzijdse verzorging.

9.2

Naar vaste rechtspraak van de Raad dient de vraag of in een bepaald geval sprake is van een gezamenlijke huishouding te worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria. Daarbij zijn omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie niet van belang.2

Hoofdverblijf

10. Niet in geschil is dat eiser en [naam] hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben, zodat aan het eerste criterium van een gezamenlijke huishouding, als bedoeld in artikel 1, vierde lid, van de AOW is voldaan.

Wederzijdse zorg

11. In geschil is of sprake is van wederzijdse zorg. Volgens vaste rechtspraak van de Raad kan wederzijdse zorg blijken uit een bepaalde mate van financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in zorg voor elkaar voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of aan het wederzijdse zorgcriterium in een concreet geval is voldaan.3

12. Eiser stelt dat verweerder ten onrechte heeft geconcludeerd dat hij een gezamenlijke huishouding voert met [naam] . Hun relatie is – zo begrijpt de rechtbank – te duiden als huurder-verhuurder. Eiser betaalt maandelijks een bedrag van € 300,- aan [naam] . Hij deelt de keuken en de woonkamer met [naam] , maar hij heeft een aparte badkamer en slaapkamer. Er is geen sprake van een financiële verstrengeling. Eiser stelt dat er rekening mee gehouden moet worden met wat gebruikelijk is in Frankrijk . Samenvattend stelt eiser dus dat er geen sprake is van wederzijdse zorg.

13. Verweerder stelt zich op het standpunt dat uit wat eiser op 11 april 2017 heeft verklaard, blijkt dat wordt voldaan aan het bijdrage- en zorgcriterium. Eiser en [naam] doen soms boodschappen voor elkaar en verrekenen dan alleen als het om grotere bedragen gaat. Zij lunchen bijna altijd samen. [naam] kookt 80% van de tijd. Ze wassen voor elkaar. Eiser wast regelmatig af. Ook is er geen schriftelijke huurovereenkomst en werd er eerst contant en pas vanaf mei 2017 per cheque betaald.

14.1

De rechtbank is van oordeel dat er in geringe mate sprake is van financiële verstrengeling. Eiser betaalde € 300,- per maand aan [naam] . Uit wat eiser heeft verklaard op 11 april 2017 volgt niet dat zij andere kosten delen dan de kosten van kleine boodschappen over en weer. Dit overstijgt niet wat gebruikelijk is in een zakelijke relatie.

14.2

Wel is gebleken dat eiser en [naam] voorzien in zorg voor elkaar. Eiser heeft op

11 april 2017 verklaard dat hij en [naam] huishoudelijke werkzaamheden voor elkaar uitvoeren zoals koken, wassen en afwassen en dat zij regelmatig samen eten. Dit zijn zorgelementen die naar het oordeel van de rechtbank uitstijgen boven wat in een zakelijke relatie gebruikelijk is. De beroepsgrond van eiser dat slechts sprake is van een huurder-verhuurder relatie, slaagt niet. Wat er ook zij van eventuele culturele verschillen tussen Nederland en Frankrijk , is verweerder voor de uitvoering van de AOW niet gehouden daar rekening mee te houden.

14.3

Aan het tweede criterium van een gezamenlijke huishouding, namelijk wederzijdse zorg, als bedoeld in artikel 1, vierde lid, van de AOW is naar het oordeel van de rechtbank dus ook voldaan.

Commerciële relatie

15.1

Eiser voert – zo begrijpt de rechtbank – aan dat er geen sprake is van een gezamenlijke huishouding, maar van een zakelijke relatie tussen hem en [naam] .

15.2

Volgens vaste rechtspraak is van een commerciële relatie sprake indien twee personen zowel ten aanzien van hun huisvesting als ten aanzien van onderlinge zorg hun relatie op zakelijke wijze hebben vormgegeven. Het hebben van een commerciële relatie is uitsluitend relevant als er elementen van wederzijdse zorg aanwezig zijn. Van een commerciële relatie is sprake indien zowel ten aanzien van de huisvesting als ten aanzien van de zorg geen financiële verstrengeling optreedt, aangezien aan het gebruik van de woonruimte en het voeren van de huishouding een zakelijke relatie ten grondslag ligt, in die zin dat voor de te leveren prestaties een prijs is bedongen en wordt betaald. De prijs moet in verhouding staan tot de geleverde prestaties en datgene wat in het commerciële verkeer gebruikelijk is. Een commerciële relatie dient door betrokkenen aan de hand van schriftelijke bewijsstukken te worden aangetoond. In ieder geval zijn vereist:

- een schriftelijke overeenkomst waarin de prestaties over en weer zijn omschreven, en

- betalingsbewijzen in de vorm van bank- of giroafschriften.4

15.3

Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende aannemelijk geworden dat aan de inwoning van eiser bij [naam] een commerciële relatie ten grondslag ligt. Daartoe overweegt de rechtbank dat geen schriftelijk huurcontract was opgemaakt, waaruit de wederzijdse prestaties kunnen blijken. Zoals ook verweerder heeft aangehaald volgt uit vaste jurisprudentie dat vanuit het oogpunt van goede uitvoering van de AOW het niet onredelijk is dat van een AOW-gerechtigde een schriftelijk contract ter staving van de commerciële relatie wordt verlangd. Dat van de betalingen na het huisbezoek van 11 april 2017 wel betalingsbewijzen in de vorm van cheques van € 300,- zijn overgelegd, maakt dit niet anders. Eiser heeft hiermee niet aannemelijk gemaakt dat op zakelijke basis tegen een als reëel aan te merken prijs onderdak en verzorging werd verschaft. De maandelijkse bijdrage van eiser moet dan ook aangemerkt worden als een bijdrage in de kosten van de gezamenlijke huishouding.

15.4

Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser sinds 1 februari 2017 een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met [naam] en daarom terecht het AOW-pensioen van eiser heeft herzien naar de norm van een samenwonende.

Terugvordering

16. Bij de terugvordering van € 1.772,67 moet voorop worden gesteld dat verweerder op grond van artikel 24, eerste lid, van de AOW gehouden is tot terugvordering van het onverschuldigd betaalde AOW-pensioen. Slechts in geval van dringende redenen is verweerder op grond van het vijfde lid van artikel 24 van de AOW bevoegd geheel of gedeeltelijk af te zien van terugvordering. Dringende redenen als hier bedoeld kunnen op grond van vaste rechtspraak slechts zijn gelegen in de onaanvaardbaarheid van de financiële en/of sociale gevolgen die een terugvordering voor een verzekerde heeft. Het moet dan gaan om incidentele gevallen waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is. Eiser heeft in beroep tegen de terugvordering geen specifieke gronden aangevoerd. Ook overigens zijn geen dringende redenen gebleken die maken dat verweerder had moeten afzien van terugvordering. Verweerder heeft daarom terecht besloten om het bedrag van € 1.772,67 van eiser terug te vorderen.

Conclusie

17. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen gelijk.

18. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Langeveld, rechter, in aanwezigheid van

mr. T. Rijs, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 juli 2018.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending hiervan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.

1 Centrale Raad van Beroep van 24 november 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK4064.

2 Zie bijvoorbeeld Centrale Raad van Beroep van 27 februari 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:AZ9846.

3 Centrale Raad van Beroep van 15 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4622.

4 Centrale Raad van Beroep van 28 augustus 2001, ECLI:NL:CRVB:2001:AD5137.