Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:510

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
19-01-2018
Datum publicatie
11-04-2018
Zaaknummer
C/13/640722 / JE RK 17/1304
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Beschikking verlenging ondertoezichtstelling. Onderhavig verzoek is gelijktijdig behandeld met het verzoek tot terugplaatsing van de minderjarige met zaaknummer C/13/639682 / JE RK 17/1228. Die laatste uitspraak is eveneens gepubliceerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Familie- en Jeugdrecht

zaakgegevens : C/13/640722 / JE RK 17/1304

datum uitspraak: 19 januari 2018

Beschikking verlenging ondertoezichtstelling

in de zaak van

JEUGDBESCHERMING REGIO AMSTERDAM, gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen: JBRA,

betreffende

[minderjarig kind] , geboren op [geboortedatum] 2006, hierna te noemen: [minderjarig kind] ,

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[moeder] , wonende te [woonplaats] , hierna te noemen: de moeder, advocaat mr. D.G.M. Ceder te Amsterdam,

[minderjarig kind] ,

mevrouw [pleegmoeder], hierna te noemen: de pleegmoeder,

advocaat mr. M.E. van Zutphen te Amsterdam.

Het procesverloop


Het procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- het verzoekschrift, met bijlagen, van JBRA, ingekomen ter griffie op
11 december 2017;

- de beschikking van de kinderrechter van 3 januari 2017,

- de beschikking van de kinderrechter van 2 juni 2017,

- de beschikking van de kinderrechter van 5 januari 2018.


Op 17 januari 2018 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld.

Verschenen en gehoord zijn:

de moeder bijgestaan door haar advocaat,

de pleegmoeder bijgestaan door haar advocaat,

mevrouw [naam medewerker JBRA] namens JBRA.

Ter terechtzitting van 17 januari 2018 is ook het verzoek van JBRA behandeld met zaaknummer 639682 / JE RK 17/1228, welk verzoek strekt tot wijziging van de verblijfplaats van [minderjarig kind] .

De feiten

Het ouderlijk gezag over [minderjarig kind] wordt uitgeoefend door de moeder.

Sinds 6 januari 2016 is [minderjarig kind] onder toezicht gesteld. In het kader daarvan is machtiging verleend voor verblijf van [minderjarig kind] in een voorziening voor pleegzorg.

Bij beschikking van 3 januari 2017 is de ondertoezichtstelling tot 6 januari 2018 verlengd en is de machtiging uithuisplaatsing verlengd tot 6 juni 2017.

Bij beschikking van 2 juni 2017 is de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd tot 6 januari 2018.

Partijen waren aanvankelijk opgeroepen voor de zitting van 5 januari 2018. De raadsman van de pleegmoeder heeft verzocht om die zitting te verdagen, omdat hij verhinderd was de zitting bij te wonen en hij heeft verzocht om ter overbrugging van de termijn tot een nieuwe zitting de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing te verlengen met veertien dagen.

Bij beschikking van 5 januari 2018 is de ondertoezichtstelling van [minderjarig kind] verlengd voor de duur van twee weken met ingang van 6 januari 2018 tot en met 19 januari 2018 en is de machtiging uithuisplaatsing van [minderjarig kind] in het netwerkpleeggezin van de pleegmoeder verlengd voor de duur van twee weken met ingang van 6 januari 2018 tot en met 19 januari 2018.

[minderjarig kind] verblijft sinds januari 2014 bij de pleegmoeder, die tevens zijn tante is.

Het verzoek


JBRA heeft verzocht om de ondertoezichtstelling van [minderjarig kind] te verlengen voor de duur van een jaar.

De standpunten van partijen


JBRA heeft aan het verzoek ten grondslag gelegd dat de kinderrechter in de beschikking van 3 januari 2017 heeft overwogen dat [minderjarig kind] in een loyaliteitsconflict tussen de moeder en de pleegmoeder (tante) verkeert. De strijd die is ontstaan over de opvoeding van [minderjarig kind] tussen de moeder en de pleegmoeder dient doorbroken en verminderd te worden. Belanghebbenden dienen met elkaar samen te werken en voorts dient duidelijkheid te ontstaan over het toekomstperspectief van [minderjarig kind] . JBRA is hierna met de opdracht van de kinderrechter aan de slag gegaan. Spirit heeft geweigerd om aan de beslisboog mee te werken, omdat Spirit de kans op terugplaatsing van [minderjarig kind] bij zijn moeder gering achtte. JBRA heeft zich op het standpunt gesteld dat [minderjarig kind] de kans moet krijgen om op te groeien bij zijn moeder, mits dat veilig is voor [minderjarig kind] en de moeder in staat blijkt om bij [minderjarig kind] aan te kunnen sluiten, hem te kunnen stimuleren en hem kan sturen en begrenzen. JBRA heeft daarom de moeder en [minderjarig kind] aangemeld bij De Bascule (PGB-traject) met als opdracht de haalbaarheid van het opvoedbesluit dat JBRA heeft genomen te toetsen en er uitvoering aan te geven. Het PGB-traject is op 21 april 2017 bij De Bascule aangevraagd. De moeder is op 1 oktober 2017 gestart met haar deel van het traject. De uitkomst daarvan heeft zowel De Bascule als JBRA hebben besloten om de tweede fase van het traject in te gaan. Vanaf 15 oktober 2017 verblijft [minderjarig kind] met de moeder op De Bascule. In de weekenden is [minderjarig kind] veelal met de moeder mee naar huis gegaan en hij zal ook twee weken naar de pleegmoeder gaan. Op 9 november 2017 heeft een tussentijdse evaluatie plaatsgevonden en is besloten dat het mogelijk is dat [minderjarig kind] en de moeder de derde fase van het traject zullen afronden. Gelet op de ontwikkelingen die de moeder de laatste periode heeft doorgemaakt is JBRA van mening dat de moeder de kans moet krijgen om voor [minderjarig kind] te zorgen. De situatie wordt bemoeilijkt doordat er nog steeds veel strijd is tussen de moeder en de pleegmoeder.

Omdat de gronden van de eerdere ondertoezichtstelling nog aanwezig zijn, is verlenging daarvan noodzakelijk. De verlenging is van belang wegens de veiligheid van [minderjarig kind] . Hij verkeert in een loyaliteitsconflict hetgeen zich uit in agressie en schooluitval. [minderjarig kind] zit op de grens van suikerziekte. Zijn gezondheid moet in de gaten worden gehouden. [minderjarig kind] is nog niet toegekomen aan het verwerken van traumatische ervaringen. Het komende jaar moet worden begonnen met therapie. De ondertoezichtstelling is nodig onafhankelijk van de woonplek van [minderjarig kind] , bij de moeder of bij de pleegmoeder gelet op zijn specifieke opvoedingsbehoeften. Het komende jaar gaat [minderjarig kind] naar de middelbare school en begint zijn puberteit. Het is van belang dat JBRA door kan gaan op het ingeslagen pad, zeker gelet op de grote veranderingen die [minderjarig kind] gaat doormaken gelet op zijn gezondheid en welbevinden.

De moeder en de pleegmoeder hebben zich niet verzet tegen de verlenging van de ondertoezichtstelling.

De beoordeling

Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan het wettelijke criterium van artikel 1:255 Burgerlijk Wetboek. Er is nog steeds sprake van dat [minderjarig kind] in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. De gronden die eerder aan de ondertoezichtstelling ten grondslag lagen doen zich nog steeds voor. Partijen verschillen daarover overigens ook niet van mening.

Tegelijkertijd met dit verzoek van de ondertoezichtstelling is ook een verzoek tot terugplaatsing van [minderjarig kind] bij moeder behandeld. Dit verzoek is afgewezen, omdat JBRA bij dit verzoek geen belang heeft. Immers, JBRA heeft uitsluitend verzocht om verlenging van de ondertoezichtstelling, zonder verlenging van de machtiging uithuisplaatsing. Doordat er geen verzoek tot uithuisplaatsing meer ligt, is daarmee de formele verblijfplaats van [minderjarig kind] weer bij moeder komen te liggen.

Uit de door JBRA overgelegde stukken, is niet gebleken dat JBRA de Raad voor de Kinderbescherming mededeling heeft gedaan van het voornemen niet langer verlenging van de machtiging uithuisplaatsing te verzoeken, zoals de wet in artikel 1:265j van het Burgerlijk Wetboek bepaalt.

De kinderrechter hecht grote waarde aan het standpunt van de Raad van de Kinderbescherming op dit punt, nu de handelwijze van JBRA in deze - ongeacht de beslissing van de rechter – tot gevolg heeft dat de formele verblijfplaats van [minderjarig kind] bij moeder wordt.

Nu JBRA de kinderrechter buitenspel zet, is het enige dat de kinderrechter kan doen om de belangen van de minderjarige te beschermen het benoemen van een bijzonder curator voor [minderjarig kind] . Deze beslissing zal worden opgenomen in de beschikking op het terugplaatsingsverzoek. [minderjarig kind] dreigt immers door de ontstane situatie volledig klem te komen zitten tussen moeder, pleegmoeder en hulpverlening, zodat een bijzonder curator zijn belangen in kaart kan brengen en behartigen.

Tot slot zal een afschrift van deze beschikking ter hand worden gesteld van de Raad voor de Kinderbescherming.

De beslissing


De kinderrechter:

- verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarig kind] met ingang van 20 januari 2018 voor de duur van een jaar tot 20 januari 2019;

- bepaalt dat een afschrift van deze beschikking door de griffie ter hand van de Raad van de Kinderbescherming wordt gesteld;

- verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.J. Wesdorp, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. W.C. van Lavieren als griffier en in het openbaar uitgesproken 19 januari 2018.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Amsterdam