Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:5098

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
18-07-2018
Datum publicatie
18-07-2018
Zaaknummer
C/13/612070 / HA ZA 16-706
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Geschil tussen franchisenemers en franchisegever over de inhoud en reikwijdte van een tussen hen gesloten vaststellingsovereenkomst en over de betekenis van een addendum bij de franchiseovereenkomst waarin de afspraken rondom e-commerce zijn vastgelegd. Uitleg aan de hand van de zgn. Haviltex-maatstaf. De franchisegever heeft onvoldoende ingebracht tegen de door de franchisenemers bepleite uitleg van de vaststellingsovereenkomst. De franchisenemers mochten het in de gegeven omstandigheden zo begrijpen dat bij het opstellen van een normenkader ten behoeve van de financiële afrekening, niet van de contractueel neergelegde ‘uitgangspunten’ en ‘criteria’ kon worden afgeweken. Evenmin hoefden de franchisenemers er vanuit te gaan dat de opstelling van het normenkader nog beïnvloed kon worden door, en voorafgegaan moest worden door, een evaluatie van de ontwikkelingen op de e-commercemarkt. Er is geen grond voor ontbinding van de vaststellingsovereenkomst. Toewijzing van de door de franchisenemers gevorderde verklaring voor recht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/612070 / HA ZA 16-706

Vonnis van 18 juli 2018

in de zaak van

1. de vereniging

VERENIGING VAB,

gevestigd te Weert,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

WARENHUIS BARNEVELD B.V.,

gevestigd te Barneveld,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiser 3] ,

gevestigd te [plaats] ,

eiseressen in conventie,

verweersters in reconventie,

advocaat mr. R.F.K. Visser te Bosch en Duin,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

HEMA B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. J.S. 't Hart te Rotterdam.

Partijen zullen hierna VAB, Barneveld, [eiser 3] (tezamen VAB c.s.) en HEMA genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het vonnis in het incident van 4 januari 2017 en de daarin genoemde stukken

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie zijdens HEMA, met producties

  • -

    het tussenvonnis van 15 maart 2017

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie van de zijde van VAB c.s., met producties

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 22 september 2017 en de daarin genoemde stukken en proceshandelingen

  • -

    de brieven van 6 oktober 2017 zijdens HEMA en van 9 oktober 2017 zijdens VAB c.s. naar aanleiding van dit proces-verbaal.

1.2.

Aan het slot van de comparitie is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

HEMA is een onderneming die zich bezighoudt met de groot- en detailhandel in consumentengoederen, het verrichten van diensten en alles wat met deze activiteiten verband houdt. Zij exploiteert een winkelformule onder de naam HEMA, deels door middel van eigen vestigingen. De overige HEMA-winkels worden geëxploiteerd door de franchisenemers, ook aangeduid als aangesloten bedrijven.

VAB is een belangenvereniging van de franchisenemers van HEMA. Barneveld en [eiser 3] drijven als franchisenemers van HEMA een warenhuis en zijn beide lid van VAB.

2.2.

In 1997 hebben VAB en HEMA een standaard-franchiseovereenkomst vastgesteld, die hierna diverse malen is aangevuld met addenda. Een daarvan is een op of omstreeks 25 november 2005 overeengekomen addendum terzake van e‑commerce (hierna: het E‑commerce addendum). Met e‑commerce wordt in dat addendum gedoeld op de verkoop van artikelen en diensten via elektronische weg, ook als de levering plaatsvindt in een HEMA-winkel, door thuisbezorging of op andere niet elektronische wijze.

2.3.

De (financiële) afspraken tussen HEMA en haar franchisenemers ingevolge de franchiseovereenkomst komen in grote lijnen op het volgende neer. De aangesloten bedrijven kopen de in hun winkels te verkopen zaken en diensten, behorend tot het productassortiment van HEMA, bij HEMA in, tegen de geadviseerde verkoopprijzen minus een zogenaamd rabat. Daarnaast zijn zij een dienstenvergoeding van 8 % en een Sales Promotion-bijdrage (SP-bijdrage) van 0,34 % van de bruto verkoopprijzen aan HEMA verschuldigd.

2.4.

Ingevolge het E‑commerce‑addendum zal jaarlijks aan HEMA 50 % van de rabat berekend over de totale e‑commerce‑omzet (zowel van de eigen vestigingen als de aangesloten bedrijven) toekomen terzake van gepleegde en te plegen investeringen ten behoeve van e‑commerce. De overige 50 % van de rabat wordt tussen HEMA en franchisenemer verdeeld naar evenredigheid van het aandeel in de realisatie van de omzet via e‑commerce (artikel 2.1 tot en met 2.3). De aangesloten bedrijven genieten derhalve ook rabat uit e‑commerce‑omzet. Daarnaast is in het E‑commerce addendum onder meer bepaald:

“(…) 2.4. De dienstenvergoeding (fee) en, (…) de SP-bijdrage is/zijn niet van toepassing op de rabat inzake de omzet via e‑commerce, zolang de in art. 2.1 t/m 2.3 weergegeven regeling van toepassing is.

3 Duur e‑commerce regeling

3.1.

HEMA zal jaarlijks aan de (…) VAB (…) inzage verschaffen inzake de investeringen als hiervoor bedoeld (…) [verwezen wordt naar investeringen die HEMA heeft gepleegd teneinde de verkoop via e‑commerce te faciliteren en bevorderen, rb.]

3.2.

VAB is gerechtigd desverlangd en op eigen kosten de door HEMA aan de e‑commerce toegekende kosten te doen controleren door een registeraccountant.

3.3.

HEMA zal jaarlijks een overzicht verschaffen van de totale bijdragen van de Franchisenemers als hiervoor in art. 2 omschreven.

3.4.

Indien en zodra in enig jaar de totale bijdrage van de Franchisenemers de totale investeringen van HEMA in e‑commerce overschrijden, zal de in dit Addendum vastgelegde regeling vervallen en zal over de via e‑commerce behaalde omzet weer de reguliere dienstenvergoeding en in het voorkomende geval de SP-bijdrage door Franchisenemer aan HEMA verschuldigd worden (…)”

In de bij het E‑commerce addendum behorende brief van VAB van 25 november 2005, namens HEMA voor akkoord getekend op 29 november 2005, staat voorts onder meer het volgende vermeld:

“2. E‑commerce

HEMA heeft een aantal investeringen gepleegd ten behoeve van de activiteiten op het gebied van E‑commerce. Wij hebben een regeling besproken waarbij aan deze investeringen wordt bijgedragen door de AB-en [aangesloten bedrijven, rb.]. De regeling laat zich als volgt samenvatten….:

a. (…)

e. indien in enig jaar een zodanig bedrag uit het rabat aan HEMA is toegevloeid dat de totale investering is geamortiseerd, dan wordt de regeling beëindigd. Vanaf dat moment zullen de normale – thans vigerende – afspraken gaan gelden. Dit impliceert dat de AB-en over de door hen gerealiseerde omzet recht hebben op het normale bruto rabat, terwijl over de gerealiseerde omzet 8 % dienstenvergoeding is verschuldigd en 0,34 % SP-bijdrage;

(…)

g. in de jaren waarin deze bijzondere regeling van toepassing is, is over de E‑commerce omzet geen dienstenvergoeding verschuldigd, noch de 0,34 % SP-bijdrage.”

2.5.

De afspraken in het E‑commerce addendum zijn bij memorandum van 12 februari 2009 (de zogenaamde Handleiding-Pashouwers) nader uitgewerkt. Onder meer is daarin uitgewerkt wat als investering in e‑commerce heeft te gelden en welke operationele kosten ter zake van de e‑commerce bij de berekening van het e‑commerce rabat worden meegenomen. Over die investeringen is onder meer vermeld (onder “2.2 Investeringen”): “Het betreft hier investeringen in de website en het internet distributiecentrum op Lage Weide (het “EDC”)(bouw, inrichting en inventaris)”. Ook is (onder “4.1 E‑commerce”) onder meer opgenomen: “De afspraken met betrekking tot de verrekening van investeringen ten behoeve van e‑commerce gelden voor de jaren 2009 tot en met 2011.”

2.6.

Tussen VAB en HEMA is gediscussieerd over de verdeling van kosten en opbrengsten van e‑commerce vanaf 2012, terwijl ook over andere onderwerpen geschillen zijn gerezen. Met betrekking tot één daarvan, de verdeling van HEMA’s Marketing Strategy Fund (MSF), hebben VAB c.s. in september 2014 een arbitrale procedure tegen HEMA aangespannen, waarbij HEMA in reconventie het onderwerp e‑commerce betrok en zich op het standpunt stelde dat vanaf 2012 over e‑commerce genoten rabat door de aangesloten bedrijven moest worden terugbetaald. In een notitie van VAB van 9 september 2015 is een overzicht gegeven van de circa 20 op dat moment levende geschilpunten tussen partijen. In de periode van 10 tot en met 24 oktober 2015 hebben partijen over en weer verschillende concepten voor een vaststellingsovereenkomst aan elkaar gezonden.

2.7.

In een op 10 oktober 2015 door VAB c.s. aan HEMA toegezonden concept voor een vaststellingsovereenkomst was het volgende opgenomen:

“E‑commerce
(…)

Partijen erkennen dat het E‑commerce Addendum ook na 2011 onverkort van toepassing is, inclusief de daarin vastgelegde rabatregeling.

(…)

Aangesloten Bedrijven verklaren bereid te zijn om ook na 2011 te blijven bijdragen in de investeringen en operationele kosten ter zake van E‑commerce conform de in het E‑commerce Addendum overeen gekomen regeling.

Partijen hebben overeenstemming bereikt over de voor 2012 te betalen bijdrage in de investeringen en operationele kosten en hebben daartoe het volgende normenkader afgesproken voor de berekening van de over de jaren 2013 en volgende te betalen bijdragen:1

De voor de bijdrage regeling in aanmerking komende investeringen:

a. [ ];

b. [ ];

De voor de bijdrageberekening in aanmerking komende operationele kosten:

a. [ ];

b. [ ];

Over de over 2012 verschuldigde bijdragen zal geen rente verschuldigd zijn.

Op basis van de berekening van de bijdrage 2012 zullen Partijen een schatting maken van de bijdragen over 2013, 2014 en 2015 en die schatting zal worden meegenomen in de betalingsregeling als verwoord in artikel XXI.

Partijen streven er naar om de berekeningen van de bijdragen voor 2013 en 2014 gereed te hebben voor 1 december 2015. Op basis daarvan zullen Partijen een schatting maken voor de bijdrage voor 2015. (…)

De Aangesloten Bedrijven betalen geen dienstenvergoeding noch een extra SP bijdrage zoals die van 0,34% zolang wordt bijgedragen in de betreffende investeringen.

Toekomstige ontwikkelingen

Partijen zijn het er over eens, dat de succesfactor van E‑commerce ligt in de gezamenlijke benadering en synergie tussen HEMA en de Aangesloten Bedrijven, (…).

Gezien de complexiteit en voortdurende ontwikkelingen binnen de E‑commerce markt is zorgvuldigheid ten aanzien van het maken van structurele afspraken daaromtrent van eminent belang.

Partijen onderkennen in dat kader, dat het in het belang van de HEMA-formule noodzakelijk is dat zowel HEMA als de Aangesloten Bedrijven aansluiting blijven zoeken bij voornoemde ontwikkelingen.

Partijen zullen daarom binnen afzienbare tijd met elkaar in gesprek treden om in constructief overleg de bestaande afspraken te evalueren en vervolgens te bezien of die bestaande afspraken niet meer aansluiten bij de gesignaleerde ontwikkelingen en of op grond daarvan aanpassing van de bestaande afspraken noodzakelijk is.

De evaluatie zal plaats vinden op basis van onderling tussen partijen uitgewisselde transparante en volledige informatie over de kosten en opbrengsten van de verschillende kanalen en –activiteiten, opdat een goed inzicht bestaat in de gehele e‑commerce operatie, inclusief de kosten van retouren. Transparantie, samenwerking en de benodigde flexibiliteit om te anticiperen op nieuwe ontwikkelingen binnen de E‑commerce markt zullen hierbij een wezenlijke doelstelling zijn. In dat kader zullen de Aangesloten Bedrijven en de VAB, middels het vormen van werkgroepen actief betrokken worden bij de gedachtenvorming binnen HEMA over de ontwikkelingen op het gebied van E‑commerce (en eventuele andere ontwikkelingen die alsdan een effect (kunnen) hebben op de tussen Partijen bestaande afspraken).

Zolang Partijen geen overeenstemming hebben bereikt over een aanpassing van de bestaande afspraken volgens het E‑commerce Addendum, zullen die afspraken blijven gelden.

1 Nader te bepalen en in te vullen n.a.v. de van HEMA te ontvangen cijfers voor 2012 en het op 14/10 geplande overleg met [naam 1] en [naam 2] ”

2.8.

Op 14 oktober 2015 heeft een bespreking tussen HEMA en VAB c.s. plaatsgevonden over de e‑commerce verrekening over de jaren 2012 tot en met 2015. De avond daarvoor heeft HEMA aan VAB c.s. per e‑mail een voorstel gezonden voor de e‑commerce afrekening over 2012 en voor de systematiek voor de e‑commerce afrekening over 2013-2015, voorzien van de uitgangspunten die bij de berekening voor 2012 waren gehanteerd. Als uitgangspunten voor de berekening voor 2012 was onder meer vermeld dat onder operationele kosten niet werden meegenomen “de kosten van de afdeling e‑commerce, met name salariskosten” en “de kosten van sales promotion ten behoeve van e‑commerce”; deze kosten werden volledig door HEMA gedragen. Als operationele kosten en investeringen werden daarentegen wél meegenomen “de operationele kosten betreffen[de] de kosten van het EDC (e‑commerce distributiecentrum) en de website hosting kosten”, en de met dat centrum en die website gemoeide investeringen. Ook was vermeld dat investeringen voor buitenlandse websites niet werden doorbelast aan de aangesloten bedrijven.

2.9.

VAB c.s. heeft naar aanleiding van deze afrekening per e‑mail van 19 oktober 2015 aan HEMA verschillende vragen gesteld en inzage verlangd in onderliggende stukken. Op 20 oktober 2015 heeft HEMA aan VAB c.s. bericht dat zij niet in staat zou zijn om de vragen voor de gestelde deadline van 23 oktober 2015 af te handelen, dat partijen dus evenmin voordien tot een door beide geaccepteerd “normenkader” zouden komen en dat partijen dus moesten afstemmen wat dit betekende “voor een eventuele afronding van de overeenkomst”.

2.10.

Op 24 oktober 2015 zijn partijen de vaststellingsovereenkomst (hierna: de VOK) aangegaan. De arbitrage is daarop beëindigd. Artikel VIII. van de VOK, op de pagina’s 8-11 daarvan, luidt als volgt:

“VIII. E‑commerce

Partijen zijn het erover eens, dat E‑commerce onderdeel is van en onlosmakelijk verbonden is met de HEMA formule. Ten aanzien van het door HEMA gecreëerde of te creëren aparte kanaal voor online‑only artikelen (…), online diensten (…) en/of andere (nieuwe of toekomstige) E‑commerce activiteiten van HEMA, zal de rabatsystematiek op de leveringen op basis van het postcodegebied van toepassing zijn, tenzij Partijen anders overeenkomen.

Partijen erkennen dat het E‑commerce Addendum ook na 2011 onverkort van toepassing is, inclusief de daarin vastgelegde rabatregeling.

HEMA zal geen vorderingen instellen ter zake van sedert 2011 door de Aangesloten Bedrijven ten onrechte ontvangen E‑commerce rabat. De reeds gestuurde facturen (inclusief BTW) zullen door HEMA worden gecrediteerd.

Aangesloten Bedrijven verklaren bereid te zijn om ook na 2011 te blijven bijdragen in de investeringen en operationele kosten ter zake van E‑commerce conform de in het E‑commerce Addendum overeengekomen regeling.

HEMA stelt VAB jaarlijks een investeringsplanning en budget voor E‑commerce voor het daaropvolgende boekjaar ter kennisneming ter beschikking. Materiële afwijkingen van die planning zullen vooraf met de VAB worden besproken.

Daarnaast zal HEMA haar strategische visie ten aanzien van E‑commerce, na vaststelling ervan voor een bepaalde periode, aan de VAB ter kennisneming ter beschikking stellen.

Partijen hebben overleg gehad over de voor 2012 door de Aangesloten Bedrijven aan HEMA te betalen bijdrage in de investeringen en operationele kosten van E‑commerce van HEMA zal door partijen worden voortgezet om in dat kader gezamenlijk tot een normenkader ten aanzien van 2012, 2013, 2014 & 2015 (en daaropvolgende jaren) te komen. Partijen zijn het er over eens dat Aangesloten Bedrijven uitsluitend zullen bijdragen in de door of namens HEMA te plegen investeringen in de E‑commerce activiteiten en de operationele kosten van de afdeling E‑commerce Distributiecentrum (“EDC”) van Hema.

In het gezamenlijk af te spreken normenkader zal onder meer worden vastgelegd op welke wijze allocatie van uitgaven van HEMA aan E‑commerce activiteiten plaatsvindt en welke uitgaven door of namens HEMA kwalificeren als een “investering” in E‑commerce activiteiten of als aan die activiteiten toe te rekenen “operationele kosten”. Partijen stellen vast dat de volgende uitgangspunten en criteria, rekening houdend met de gehanteerde gedragslijn in de afrekeningen t/m 2011, daarbij van belang zijn:

 Kwalificeert een bepaalde uitgave van HEMA als een “investering” of als “kosten”, waarbij om als een investering gekwalificeerd te kunnen worden tenminste vereist is dat de uitgave beoogt effect te hebben over meerdere jaren;

 Als sprake is van een investering, wordt vastgesteld of die investering kwalificeert als een e‑commerce investering;

 Wordt de investering aangemerkt als een e‑commerce investering, dan wordt vastgesteld of deze betrekking heeft op uitsluitend Nederland of uitsluitend het buitenland of op beiden betrekking heeft;

 Aangesloten Bedrijven dragen uitsluitend bij aan investeringen van of namens HEMA in E‑commerce activiteiten in Nederland

 Aangesloten Bedrijven dragen alleen bij in de operationele kosten van de afdeling E‑commerce Distributiecentrum (“EDC”) van HEMA en uitdrukkelijk niet in de algemene of overhead kosten van (het hoofdkantoor van) HEMA, waaronder onder meer de kosten van de afdeling E‑commerce op het hoofdkantoor, (met name de salariskosten vaan de afdeling E‑commerce op het hoofdkantoor van HEMA) en de kosten van de Sales Promotion van HEMA ten behoeve van de E‑commerce activiteiten.

 Het normenkader zal bepalen dat en op elke wijze Aangesloten Bedrijven zullen worden gecompenseerd voor de in hun filialen retour gekomen artikelen;

Partijen spreken af dat ieder een eigen deskundig adviseur aanstelt die Partijen gezamenlijk zullen adviseren en bijstaan bij het op- en vaststellen van het voornoemde E‑commerce normenkader. In het geval de beide adviseurs van Partijen niet tot een gemeenschappelijk eensluidend advies (kunnen) komen over het E‑commerce normenkader zullen zij gezamenlijk een derde deskundig adviseur benoemen die Partijen bindend adviseert over de inhoud van het door Partijen vast te stellen E‑commerce normenkader. De kosten van de eigen deskundig adviseur draagt iedere Partij zelf. De eventueel door de beide adviseurs van Partijen gezamenlijk aan te wijzen derde (bindend) deskundig adviseur wordt door Partijen ieder voor de helft gedragen.

Op basis van de berekening van de bijdrage 2012 hebben Partijen een schatting gemaakt van de bijdragen over 2013, 2014 en 2015 en die schatting zal worden meegenomen in de betalingsregeling als verwoord in artikel XXI. Het totale geschatte bedrag over 2012 tot en met 2015 bedraagt 5.200.000,- exclusief BTW (€ 6.300.000,- inclusief BTW).

Partijen streven ernaar om de berekeningen van de bijdragen voor 2013 en 2014 gereed te hebben voor 1 januari 2016. Over de uiteindelijk vast te stellen bijdragen 2012 tot en met 2015 zal door de Aangesloten Bedrijven geen rente verschuldigd zijn aan HEMA.

Partijen stellen vast dat zij nog tot een afrekening zullen komen terzake de e‑commerce activiteit HEMA Financial Services (“HFS”) vanaf 2009. Over de periode tot en met 2011 is door de Aangesloten Bedrijven met betrekking tot de afrekening E‑commerce, exclusief de afrekening van HFS, een bijdrage verschuldigd van EUR 1.558.948,- (…) exclusief BTW (= € 1.886.327,- inclusief BTW). Over deze verschuldigde bijdrage wordt door HEMA aan de Aangesloten Bedrijven geen rente berekend en deze bijdrage zal samen met de over 2012 berekende bijdrage en de voorlopige vaststelling van de bijdragen over 2013 tot en met 2015 worden verrekend in overeenstemming met het bepaalde in artikel XXI.

Toekomstige ontwikkelingen

Partijen zijn het er over eens, dat de succesfactor van E‑commerce ligt in de gezamenlijke benadering en synergie tussen HEMA en de Aangesloten Bedrijven, waarbij het algemene streven is dat de “bricks” en “clicks” door middel van deze gezamenlijke benadering elkaar versterken. Versterking van de interactie met de klant is van groot belang en hierbij is het van belang dat de mensen uit de fysieke winkeloperatie mee kunnen denken en mee kunnen werken aan de Omnichannel-strategie van HEMA.

Gezien de complexiteit en voortdurende ontwikkelingen binnen de E‑commerce markt is zorgvuldigheid ten aanzien van het maken van structurele afspraken daaromtrent van eminent belang.

Partijen onderkennen in dat kader, dat het ten aanzien van die structureel afspraken in het belang van de HEMA-formule noodzakelijk is dat zowel HEMA als de Aangesloten Bedrijven aansluiting blijven zoeken bij voornoemde ontwikkelingen.

Partijen zullen daarom binnen een maand na ondertekening van deze Vaststellingsovereenkomst met elkaar in gesprek treden om in constructief overleg de bestaande afspraken te evalueren en aan de hand daarvan te bezien of die bestaande afspraken nog aansluiten bij de gesignaleerde ontwikkelingen danwel de bestaande afspraken in het belang van de HEMA-formule, HEMA en de Aangesloten Bedrijven aanpassing behoeven.

De evaluatie zal plaats vinden op basis van onderling tussen partijen uitgewisselde transparante informatie over de kosten en opbrengsten van de verschillende (online en offline verkoop)kanalen en –activiteiten voor zover relevant voor die evaluatie, opdat goed inzicht bestaat in de gehele E‑commerce operatie, inclusief de kosten van retouren. Transparantie, samenwerking en de benodigde flexibiliteit om te anticiperen op nieuwe ontwikkelingen binnen de E‑commerce markt is hierbij de doelstelling. In dat kader zullen de Aangesloten Bedrijven, middels het vormen van werkgroepen actief betrokken worden bij de ontwikkelingen op het gebied van E‑commerce (en eventueel daaraan gerelateerde ontwikkelingen die alsdan een effect (kunnen) hebben op de tussen Partijen bestaande afspraken).

Zolang Partijen geen overeenstemming hebben bereikt over een aanpassing van de bestaande afspraken volgens het E‑commerce Addendum, zullen die afspraken blijven gelden.”

2.11.

HEMA en VAB hebben gezamenlijk een Werkgroep E‑commerce opgericht. Naast representanten van partijen zelf hadden daarin zitting vertegenwoordigers van de adviseurs die partijen in de arm hadden genomen. Voor VAB was dat bureau Berenschot en voor HEMA bureau Spark Optimus .

2.12.

Berenschot heeft namens VAB op 28 januari 2016 een presentatie aan HEMA en Spark Optimus gegeven met als titel “Concept Normenkader E‑Commerce”. HEMA heeft haar zienswijze hier tegenover gesteld in een op 21 maart 2016 door Spark Optimus gegeven presentatie getiteld “HEMA zienswijze verdeling inkomsten en kosten e‑commerce”. De zienswijzen lagen uiteen. Een gemeenschappelijk eensluidend advies over het E‑commerce normenkader is niet tot stand gekomen.

2.13.

Bij brief van 18 april 2016 heeft VAB onder meer het volgende aan HEMA geschreven:

“(…)Vervolgens heeft Berenschot op basis van dat overleg de roadmap verder uitgewerkt in een zeer concreet allocatiemodel en dat is ook uitvoerig op 28 januari 2016 aan HEMA gepresenteerd.

Nimmer is ter gelegenheid van de bijeenkomsten en presentaties met VAB/ Berenschot door HEMA het standpunt ingenomen, dat VAB en Berenschot ten onrechte de tot nu toe door HEMA gehanteerde gedragslijn hadden uitgewerkt.

Groot was dan ook de verrassing voor VAB dat HEMA – na herhaald uitstel gevraagd te hebben – op 21 maart 2016 ineens met een geheel andere benadering kwam die in feite een uitwerking is van de eerste inbreng van HEMA aan het begin van de VOK onderhandelingen en die met gezamenlijke instemming is verwezen naar een toekomstig overleg dat zou moeten gaan plaats vinden na evaluatie van de bestaande E‑Commerce Addendum afspraken op basis van eerst door HEMA aan te leveren transparante informatie en ervaringen van in te stellen werkgroepen.

HEMA neemt thans het standpunt in, dat ook de jaren 2012 en volgende op basis van een geheel nieuw overeen te komen e‑commerce bijdrage model zouden moeten worden afgerekend.

Dat is in strijd met de verplichtingen van HEMA uit hoofde van de VOK en voor VAB niet acceptabel.

(…)”

2.14.

Bij brief van 24 april 2016 heeft HEMA op de onder 2.13 bedoelde brief gereageerd. Daarna is verder tussen VAB en HEMA gecorrespondeerd, ook na het aanspannen van deze procedure op 8 juli 2016, waarbij partijen elkaar onder meer over en weer beschuldigd hebben van het blokkeren van overleg over e‑commerce, maar geen regeling daarvoor hebben getroffen in afwijking van of aanvulling op (artikel VIII. van) de VOK of de daarin opgenomen procedures.

3 Het geschil

in conventie en in reconventie

3.1.

VAB c.s. vorderen in conventie, na wijziging van eis, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,


(I) te verklaren voor recht dat tussen VAB c.s. en HEMA het E‑commerce addendum onverminderd vanaf 2011 van toepassing is en dat het door partijen op te stellen normenkader terzake van het E‑commerce addendum dient te worden opgesteld met toepassing van - verkort weergegeven - de uitgangspunten en criteria zoals die in het hierboven onder 2.10 weergegeven citaat van artikel VIII van de VOK, voorafgegaan door zes bulletpoints, zijn weergegeven.

(II) HEMA te veroordelen om binnen veertien dagen mee te werken aan een afrekening van de door de aangesloten bedrijven verschuldigde bijdrage uit hoofde van het E‑commerce addendum over de jaren 2012 en volgende en ten aanzien van HEMA Financial Services over de jaren 2009 en volgende, op basis van de tot en met 2011 toegepaste criteria en het bepaalde in artikel VIII. van de VOK met inachtneming van de onder I. bedoelde verklaring voor recht, op straffe van dwangsommen.

(III) HEMA te veroordelen de volgende stukken ter beschikking te stellen, eveneens op straffe van dwangsommen:

  • -

    i) de specificaties ten behoeve van de afrekening HEMA Financial Services voor de jaren 2009 t/m 2015;

  • -

    ii) de ontbrekende facturen voor de e‑commerce afrekening 2012 en een beantwoording van de ten aanzien van 2012 in de e‑mail van VAB van 19 oktober 2015 gestelde vragen en gevraagde onderbouwing;

  • -

    iii) de specificaties van de e‑commerce bijdragen zoals die blijkens de VOK in rekening zijn gebracht aan de Aangesloten Bedrijven over de periode 2013 t/m 2015

(IV) HEMA te veroordelen in de (na)kosten, vermeerderd met rente.

3.2.

HEMA vordert in reconventie samengevat – bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

(I) te verklaren voor recht dat VAB c.s. toerekenbaar zijn tekortgeschoten in de nakoming van hun verplichtingen uit hoofde van artikel VIII. van de VOK.

(II) primair:

  1. de VOK te ontbinden;

  2. te verklaren voor recht dat HEMA de in de VOK bedoelde betalingen onverschuldigd aan de franchisenemers heeft gedaan en gerechtigd is deze bedragen van haar franchisenemers terug te vorderen;

  3. Barneveld te veroordelen uit dien hoofde tot terugbetaling van € 82.215,02 en

  4. [eiser 3] te veroordelen tot terugbetaling van € 80.150,23, te vermeerderen met de termijnen die HEMA vanaf 1 februari 2007 aanvullend mocht blijken te hebben voldaan, met rente

en

subsidiair:

VAB (c.s.) te veroordelen met HEMA open en reëel en met inachtneming van de eisen van de goede trouw (de rechtbank begrijpt: redelijkheid en billijkheid), op straffe van dwangsommen, verder te onderhandelen en mee te werken aan het tot volkomenheid brengen van de in de VOK gemaakte afspraken met betrekking tot:

1. een evaluatie van de bestaande afspraken en aan de hand daarvan te bezien of die nog aansluiten bij de gesignaleerde ontwikkelingen, danwel of de bestaande afspraken in het belang van de HEMA-formule, HEMA en HEMA-franchisenemers aanpassing behoeven;

2. het opstellen van een (nieuw) Normenkader E‑commerce voor de jaren 2012 t/m 2015 en volgende (in samenwerking met de door partijen aangewezen bindend adviseurs);

en

3. een afrekening ten aanzien van de E‑commerce activiteit HEMA Financial Services (HFS) vanaf 2009.

(III) (thans onvoorwaardelijk), voor het geval de subsidiair onder 2 bedoelde veroordeling niet binnen 2 maanden leidt tot een totstandkoming van een nieuw overeengekomen E‑commerce Normenkader en de door partijen aangewezen deskundigen niet binnen 5 dagen daarna een derde deskundige hebben aangewezen, een derde deskundige te benoemen teneinde partijen bindend te adviseren over de inhoud van het door partijen vast te stellen E‑commerce Normenkader,

(IV) VAB c.s. hoofdelijk te veroordelen in de (na)kosten, vermeerderd met rente.

3.3.

Partijen voeren over en weer gemotiveerd verweer.

3.4.

Op de stellingen en verweren van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling in conventie en in reconventie

De vorderingen in conventie onder I en in reconventie onder I en II, primair

4.1.

Partijen zijn het erover eens dat tussen hen nog, op basis van een vast te stellen normenkader, moet worden afgerekend over de activiteiten op het gebied e‑commerce over de jaren 2012 tot, ten minste, 2015. Zij verschillen evenwel van mening over de vraag wat de inhoud en reikwijdte is van de verplichtingen die zij in dat verband uit hoofde van de VOK zijn aangegaan. Meer in het bijzonder zijn zij verdeeld over (i) de vraag of het E‑commerce addendum nog geldt, (ii) de betekenis en reikwijdte van de in artikel VIII VOK opgenomen en met bulletpoints weergegeven “uitgangspunten” en “criteria” bij het opstellen van het normenkader, en (iii) de vraag of de “evaluatie waartoe partijen zich in de VOK hebben verbonden, vooraf moet gaan aan danwel tegelijk moet plaatsvinden met, en van invloed is op, het opstellen van het normenkader.

4.2.

VAB c.s. stellen zich op het standpunt dat artikel VIII van de VOK aldus moet worden begrepen dat:

  1. het E‑commerce addendum na 2011 nog geldt, in elk geval voor de afrekeningen over de jaren 2012-2015 en zolang geen nieuwe afspraken ter zake van e‑commerce zijn gemaakt,

  2. partijen gehouden zijn om, met behulp van adviseurs, een normenkader op te stellen waarin bepaalde allocatienormen worden uitgewerkt en waarin toepassing wordt gegeven aan de uitgangspunten en criteria die als bulletpoints in de VOK zijn opgenomen, in die zin dat - zo begrijpt de rechtbank - van deze uitgangspunten en criteria niet wordt afgeweken, en dat

  3. partijen los daarvan de verplichting zijn aangegaan tot evaluatie, en mogelijk op basis daarvan aanpassing van de bestaande afspraken aangaande e‑commerce.

4.3.

HEMA bestrijdt deze uitleg van VAB c.s. Volgens haar moet artikel VIII VOK worden bezien in samenhang met de rest van de VOK, en zo worden begrepen dat:

  1. de verplichting om een normenkader op te stellen samenhangt met, en moet worden voorafgegaan door, dan wel parallel dient te lopen met, een evaluatie van de bestaande afspraken rondom e‑commerce, welke evaluatie uiterlijk een maand na ondertekening van de VOK had moeten worden opgestart en in de nakoming van welke verplichting VAB c.s. - die volgens HEMA niet tot deze evaluatie bereid waren - dus zijn tekortgeschoten;

  2. deze evaluatie erin kon resulteren dat het E‑commerce addendum niet langer geldt, ook niet voor de afrekening over de jaren 2012-2015;

  3. de in de VOK opgenomen “criteria” en “uitgangspunten” louter als vertrekpunten hebben te gelden ten behoeve van het overleg tussen partijen, maar dat partijen en/of de bindend adviseur aan de inhoud daarvan niet zijn gebonden en dus tot een geheel nieuw normenkader kunnen komen.

4.4.

Het is vaste rechtspraak dat het antwoord op de vraag hoe de verhoudingen tussen partijen in een overeenkomst zijn geregeld, niet kan worden gegeven op grond van alleen de taalkundige uitleg van de bepalingen in het contract. Het komt daarbij aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan die bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten, waarbij ook van belang kan zijn tot welke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van hen mag worden verwacht.

4.5.

In artikel VIII VOK is bepaald dat het E‑commerce addendum ook na 2011 “onverkort” van toepassing is (p. 8) en dat de afspraken in het E‑commerce Addendum blijven gelden zolang partijen geen overeenstemming hebben bereikt over een aanpassing van de bestaande afspraken (p. 11). Vast staat dat partijen nog geen andere afspraken hebben gemaakt. Ter comparitie heeft ook HEMA zelf erkend dat in de VOK is afgesproken dat de basis van de afspraken “voorlopig ligt in het E‑commerce addendum” (nr. 36 spreekaantekeningen). Daaruit volgt dus dat het E‑commerce addendum nog steeds tussen partijen geldt en dat partijen daar nog altijd - behoudens voor zover HEMA de VOK op goede gronden zou hebben ontbonden, hetgeen, zoals hierna blijkt, niet het geval is - aan gebonden zijn.

4.6.

VAB c.s. stellen dat zij artikel VIII VOK in de gegeven omstandigheden zo hebben mogen begrijpen dat bij de vaststelling van het normenkader niet van de daarin opgenomen, door bulletpoints voorafgegane, “uitgangspunten” en “criteria” kon worden afgeweken. Bovendien stellen zij dat de aan het slot van artikel VIII VOK voorgeschreven evaluatie op die vaststelling van dat normenkader geen invloed zou hebben. Ter ondersteuning hiervan hebben VAB c.s. gewezen op de volgende omstandigheden.

4.7.

Zij hebben gesteld dat aanvankelijk werd beoogd om, voorafgaand aan de ondertekening van de vaststellingsovereenkomst tot een definitieve afrekening ter zake van e‑commerce over het jaar 2012 komen, alsook een normenkader ten behoeve van de afrekening over 2013-2015 vast te stellen. Dit normenkader zou dan - zoals in het in 2.7 opgenomen concept voor de VOK ook was voorzien - opgenomen kunnen worden in de vaststellingsovereenkomst zelf. Tegen die achtergrond, zo stellen VAB c.s., heeft HEMA op 13 oktober 2015 per e‑mail aan VAB c.s. een voorstel voor de definitieve afrekening over 2012, voor de voor 2013 – 2015 te hanteren berekeningssystematiek en een toelichting op de bij de afrekening gehanteerde uitgangspunten, gezonden. VAB c.s. wijzen erop dat HEMA daarbij als uitgangspunten voor die berekening(ssystematiek) goeddeels dezelfde uitgangspunten had vermeld als die waarop de berekeningen tot 2011 op grond van de Handleiding-Pashouwers gebaseerd waren geweest. Zo werden als e‑commerce investeringen beschouwd de investeringen in de website en in het e‑commerce distributiecentrum, en werden de kosten van dat EDC en de hostingkosten van de website als kosten meegenomen. Voorts werden in de berekening voor 2012, net als in het E‑commerce addendum was vermeld, de dienstenvergoeding en de SP-bijdrage buiten beschouwing gelaten. Het lukte evenwel niet, zo hebben VAB c.s. gesteld, om het voorstel van HEMA van 13 oktober 2015 tijdig te controleren. Nadat VAB c.s. over dat voorstel nadere vragen had gesteld heeft HEMA zelf – zie de email van 19 oktober 2015 - geconcludeerd dat het niet zou gaan lukken om voor de beoogde deadline van 23 oktober overeenstemming te bereiken. Besloten is om de afrekening over 2012 en de opstelling van het normenkader, met behulp van adviseurs, zo spoedig mogelijk na het sluiten van de vaststellingsovereenkomst definitief af te ronden, hetgeen op die manier in de VOK terecht is gekomen, zo stellen VAB c.s. De ‘uitgangspunten’ en ‘criteria’ voor het normenkader, die toen in de VOK zijn opgenomen, hadden ook al de basis gevormd voor de voorgestelde afrekening voor 2012. Zo was in de 4e en 5e bulletpoints van artikel VIII VOK vermeld dat de aangesloten bedrijven alleen zouden bijdragen aan investeringen in e‑commerce activiteiten in Nederland, in kosten van de afdeling EDC en niet in de kosten van de afdeling e‑commerce van het hoofdkantoor en de SP-kosten ten behoeve van e‑commerce. Volgens VAB c.s. hoefden zij er dan ook geen rekening mee te houden dat van die uitgangspunten zou kunnen worden afgeweken bij de opstelling van het normenkader en betreft dit pas een standpunt dat HEMA nadien, vanaf februari 2016, heeft ingenomen.

Dat, anders dan HEMA aanvoert, geenszins werd beoogd om de vaststelling van het normenkader afhankelijk te maken van, of te laten beïnvloeden door, de uitkomst van de evaluatie op het gebied van e‑commerce laat zich volgens VAB c.s. inzien doordat ook het concept van de VOK van 10 oktober 2015 er al in voorzag dat, náást de omstandigheid dat een normenkader zou worden overeengekomen (en waarvan toen dus de bedoeling was dat dit in de VOK zelf zou worden vastgelegd), partijen de bestaande afspraken ter zake van e‑commerce zouden gaan evalueren. Volgens VAB c.s. stelde HEMA zich pas eind maart 2016 voor het eerst op het standpunt dat ten behoeve van de vaststelling van het normenkader de evaluatie moest worden afgewacht.

VAB c.s. benadrukken dat die evaluatie een heel andere exercitie betrof dan de vaststelling van het normenkader. De uitgangspunten voor het normenkader lagen volgens VAB c.s. al vast en sloten aan bij de tot 2011 bestaande praktijk; het ging alleen nog om de uitwerking van allocatienormen. Die vaststelling diende bovendien op korte termijn te worden afgerond, zodat, zoals in artikel VIII VOK immers was voorgeschreven, de “berekeningen van de bijdragen voor 2013 en 2014” vóór 1 januari 2016 gereed zouden zijn, zodat niet langer met de in de VOK opgenomen geschatte bedragen hoefde te worden volstaan. Dit betrof een exercitie die ook door een bindend adviseur kon worden verricht. Bij de evaluatie ging het er volgens VAB c.s. juist om voor de toekomst te bezien of de rabattensystematiek kon worden vereenvoudigd, om ontwikkelingen op het gebied van e‑commerce te monitoren en te evalueren, en om vervolgens op basis daarvan te bezien of bestaande afspraken tussen partijen moesten worden aangepast.

4.8.

HEMA heeft tegen dit een en ander onvoldoende ingebracht. Zij heeft onvoldoende gemotiveerd betwist dat VAB c.s. in de genoemde omstandigheden artikel VIII VOK redelijkerwijs zo hebben mogen begrijpen als zij hebben gedaan. In het bijzonder heeft HEMA niet concreet en gemotiveerd het door VAB c.s. gestelde verloop van de onderhandelingen voorafgaand aan de totstandkoming van de VOK bestreden. Zij heeft evenmin voldoende toegelicht waaruit VAB c.s. hadden moeten opmaken, dat de in artikel VIII VOK opgenomen “uitgangspunten en criteria” slechts als “vertrekpunten” voor overleg over een normenkader hadden te gelden, zoals zij stelt, waarvan nog kon worden afgeweken. Zij heeft ook niet uitgelegd waarom VAB c.s. moest begrijpen - zoals zij zelf aanvoert - dat de opstelling van het normenkader nog beïnvloed zou kunnen worden, en voorafgegaan moest worden, door de uitkomst van de evaluatie van de e‑commerce afspraken, hoewel in eerdere versies van de vaststellingsovereenkomst van die koppeling nog geen sprake was geweest en hoewel partijen er eerder naar hadden gestreefd om al voor ondertekening van de vaststellingsovereenkomst afspraken over dit normenkader te maken. Bovendien heeft HEMA verzuimd om toe te lichten hoe de afrekeningen over 2013 en 2014 op basis van het nog nader vast te stellen normenkader uiterlijk 1 januari 2016 hadden kunnen zijn voltooid, zoals op grond van de VOK immers was voorgeschreven, wanneer de vaststelling van dat normenkader vooraf had moeten worden gegaan door een evaluatie van de ontwikkelingen binnen de e‑commerce markt, een markt die door partijen zelf bovendien als “complex” en “voortdurend in ontwikkeling” is gekenschetst.

4.9.

De rechtbank volgt VAB c.s. dan ook in de door hen bepleite uitleg van artikel VIII van de VOK. Anders dan HEMA steeds heeft aangevoerd, doet aan die uitleg niet af dat in de considerans van de VOK was opgenomen dat partijen hadden beoogd om een zogenaamde package deal te sluiten. Onderdeel van die package deal was kennelijk dat partijen, op basis van de eerdergenoemde uitgangspunten, het overleg ten aanzien van het normenkader zouden voortzetten en dat zij daarnaast gehouden werden de ontwikkelingen binnen de e‑commerce markt te evalueren en op basis daarvan mogelijk nieuwe afspraken te maken voor de toekomst.

4.10.

HEMA heeft zich op het standpunt gesteld dat VAB c.s. steeds heeft geweigerd om mee te werken aan een evaluatie van de ontwikkelingen en afspraken op het gebied van e‑commerce, dat VAB c.s. ten aanzien van deze verplichting in verzuim verkeren en dat deze schending zodanig ernstig is dat de VOK op grond daarvan moet worden ontbonden althans dat zij tot opschorting gerechtigd was. Ook hierin wordt HEMA niet gevolgd. VAB c.s. heeft immers gemotiveerd aangevoerd dat zij tot een evaluatie wel degelijk bereid waren en daartoe ook de nodige eerste stappen hebben gezet. De evaluatie is slechts uitgesteld, zo begrijpt de rechtbank de stellingen van VAB c.s. Tegen de achtergrond van het hiervoor geschetste verschil van inzicht over de betekenis van de evaluatie voor de vaststelling van het normenkader, valt dit standpunt van VAB c.s. goed te plaatsen. Uit haar verklaring ter comparitie maakt de rechtbank op dat VAB c.s. nog steeds bereid zijn tot een evaluatie van de afspraken op het gebied van e‑commerce en om, afhankelijk van de uitkomst daarvan, mogelijk de afspraken ter zake van e‑commerce voor de toekomst te herzien. Het verwijt van HEMA dat VAB is tekortgeschoten in de uitvoering van haar verplichtingen ingevolge artikel VIII van de VOK, is dan ook ongegrond, zodat de in reconventie door HEMA primair, onder II.A, gevorderde ontbinding van de VOK moet worden afgewezen. Hetzelfde geldt voor de door HEMA onder I gevorderde verklaring voor recht. Ook voor het overigens primair onder II.B tot en met II.D door HEMA gevorderde bestaat daarom geen grondslag, zodat ook deze vorderingen worden afgewezen.

4.11.

Het bovenstaande leidt ertoe dat de door VAB c.s. in conventie onder I. gevorderde verklaring voor recht, waarmee zij kennelijk beoogt via deze procedure duidelijkheid te krijgen in hoeverre de genoemde uitgangspunten ‘hard’ zijn c.q. de ondergrens vormen van het overeen te komen normenkader, toewijsbaar is als hierna vermeld. De gevorderde uitvoerbaarheid bij voorraad zal worden afgewezen, omdat een verklaring voor recht naar zijn aard niet uitvoerbaar is.

De vordering in conventie onder II

4.12.

Voor de vordering II. door VAB c.s. om HEMA te veroordelen binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis mee te werken aan de daar bedoelde afrekeningen is vereist dat het vorenbedoelde normenkader reeds tussen partijen is overeengekomen. Deze vordering zal worden afgewezen, alleen al omdat niet vast staat dat het normenkader reeds binnen veertien dagen na dit vonnis – al dan niet met behulp van een bindend adviseur - zal zijn vastgesteld.

De vorderingen in conventie onder II en III onder (i) en in reconventie, subsidiair, onder 3

4.13.

Alle vorderingen - over en weer - terzake van de dienst HEMA Financial Services (HFS) moeten worden afgewezen. Dit betreft een aparte dienst die niet of slechts zijdelings door het E‑commerce addendum wordt bestreken. Hierop is het partijdebat (verder) in het geheel niet gericht geweest, zodat deze vorderingen van onvoldoende grondslag zijn voorzien en onvoldoende zijn onderbouwd.

De overige vorderingen in conventie onder III

4.14.

VAB c.s. vorderen HEMA te veroordelen om de ontbrekende facturen voor de e‑commerce afrekening 2012 aan hen ter beschikking te stellen, over te gaan tot beantwoording van bij e‑mail van 19 oktober 2015 van VAB gestelde vragen alsmede om de specificaties van de over de periode 2013 tot en met 2015 aan de aangesloten bedrijven (voorlopig) in rekening gebrachte e‑commerce bijdragen ter beschikking te stellen. VAB c.s. hebben ter ondersteuning van deze vordering slechts gesteld “recht” te hebben op de gevraagde informatie “om de door HEMA verrekende bedragen te kunnen verifiëren” (dagvaarding onder 57), hetgeen HEMA op haar beurt heeft betwist. VAB c.s. hebben hun vorderingen verder niet van enige grondslag voorzien. Het is niet aan de rechtbank om, in de veelheid van stukken die partijen hebben overgelegd, op zoek te gaan naar een mogelijke grondslag voor deze vorderingen. Zo al sprake is van enig recht op informatie (wat beide partijen wel lijken te onderschrijven), hebben VAB c.s. verzuimd om toe te lichten waarom dit recht zich ook uitstrekt tot de door haar genoemde gegevens. Bij gebrek aan een nadere onderbouwing, moeten deze vorderingen dan ook worden afgewezen.

De subsidiaire vorderingen in reconventie

4.15.

De (subsidiaire) vordering van HEMA in reconventie strekt, voor zover thans nog van belang, in de eerste plaats tot een gebod aan VAB om door te onderhandelen over de evaluatie als bedoeld in het laatste deel van artikel VIII. van de VOK en het opstellen van een normenkader voor de jaren 2012 tot en met 2015 en volgende. Voor zover HEMA daarmee bedoelt dat de evaluatie vooraf dient te gaan aan de totstandkoming van het normenkader, is dit gebaseerd op een visie die hiervoor reeds is verworpen. Voor zover deze vordering is gestoeld op het verwijt dat VAB c.s. ten onrechte eenzijdig de onderhandelingen hebben afgebroken, vindt dit geen steun in de feiten. Die onderhandelingen zijn immers stil komen te liggen nadat tussen partijen een geschil was ontstaan over de inhoud en reikwijdte van de verplichtingen die zij uit hoofde van de VOK waren aangegaan. Deze vordering van HEMA moet dus worden afgewezen.

4.16.

De vordering ten slotte van HEMA dat de rechtbank thans een derde deskundige benoemt die HEMA en VAB bindend zou moeten gaan adviseren over de inhoud van het door partijen vast te stellen E‑commerce normenkader moet als ongegrond worden afgewezen. HEMA en VAB zijn immers overeengekomen dat de derde deskundige wordt benoemd indien de adviseurs van partijen niet tot een eensluidend advies over het E‑commerce normenkader komen. Deze vordering is dus prematuur.

Overig

4.17.

Hetgeen partijen overigens over en weer verder hebben aangevoerd kan onbesproken blijven. Ook hetgeen partijen in hun brieven van 6 en 9 oktober 2017 naar voren hebben gebracht naar aanleiding van de inhoud van het proces-verbaal van comparitie behoeft geen bespreking omdat in die brieven geen onderwerpen aan de orde worden gesteld die, gelet op het voorgaande, tot een andere beslissing kunnen leiden.

4.18.

Nu partijen over het geheel bezien over en weer deels in het ongelijk zijn gesteld, ziet de rechtbank aanleiding te bepalen dat ieder partij de eigen proceskosten draagt.

5 De beslissing

De rechtbank

in conventie:

5.1.

verklaart voor recht dat, zolang tussen VAB en HEMA geen andere afspraken over e-commerce zijn gemaakt, de afrekeningen terzake van e‑commerce tussen HEMA en de aangesloten bedrijven ook over de jaren 2012 tot en met 2015 (en daaropvolgende jaren) dienen plaats te vinden op basis van het E‑commerce addendum en dat ten aanzien van het in het normenkader te regelen onderwerp allocatie van uitgaven van HEMA aan e‑commerce activiteiten en bij de kwalificatie of deze gelden als ‘investering’ in e‑commerce activiteiten danwel als aan die activiteiten toe te rekenen ‘operationele kosten’, de volgende uitgangspunten en criteria, rekening houdend met de gehanteerde gedragslijn in de afrekeningen tot en met 2011, van belang zijn:

  • -

    Kwalificeert een bepaalde uitgave van HEMA als een “investering” of als “kosten”, waarbij om als investering gekwalificeerd te kunnen worden tenminste vereist is dat de uitgave beoogt effect te hebben over meerdere jaren;

  • -

    Als sprake is van een investering, wordt vastgesteld of die investering kwalificeert als een e‑commerce investering;

  • -

    Wordt de investering aangemerkt als een e‑commerce investering, dan wordt vastgesteld of deze betrekking heeft op uitsluitend Nederland of uitsluitend het buitenland of op beide betrekking heeft;

  • -

    Aangesloten Bedrijven dragen uitsluitend bij aan investeringen van of namens HEMA in e‑commerce activiteiten in Nederland,

  • -

    Aangesloten Bedrijven dragen alleen bij in de operationele kosten van de afdeling E‑commerce Distributiecentrum (“EDC”) van HEMA en uitdrukkelijk niet in de algemene of overhead kosten van (het hoofdkantoor van) HEMA, waaronder onder meer de kosten van de afdeling e‑commerce op het hoofdkantoor, (met name de salariskosten van de afdeling e‑commerce op het hoofdkantoor van HEMA) en de kosten van de Sales Promotion van HEMA ten behoeve van de e‑commerce activiteiten.

  • -

    Het normenkader zal bepalen dat en op welke wijze aangesloten bedrijven zullen worden gecompenseerd voor de in hun filialen retour gekomen artikelen;

5.2.

wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie:

5.3.

wijst de vorderingen af,

in conventie en in reconventie:

5.4.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.H. Marcus, mr. O.J. van Leeuwen en mr. K.M. van Hassel en in het openbaar uitgesproken op 18 juli 2018.