Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:5043

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
18-07-2018
Datum publicatie
22-08-2018
Zaaknummer
17/470
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ambtenarenzaak. Voorwaardelijke ontslag op grond van toekenning IVA-uitkering.

De cao UMC kent een gesloten ontslagsysteem en een voorwaardelijk arbeidsongeschiktheidsontslag is niet in de cao UMC geregeld. Dat betekent dat de wettelijke grondslag voor het voorwaardelijk ontslag ontbreekt. Mede gelet op de ingrijpende, niet meer (goed) terug te draaien gevolgen van een ontslag, gaat de rechtbank ervan uit dat bij de totstandkoming van artikel 12.10, derde lid, van de cao UMC werd beoogd om een ontslag op grond van duurzame arbeidsongeschiktheid pas mogelijk te maken zodra de toekenning van een IVA-uitkering onherroepelijk is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 17/470

uitspraak van de meervoudige kamer van 18 juli 2018 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. R.J. Ouderdorp),

en

de raad van bestuur van het Academisch Medisch Centrum bij de Universiteit van Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. A.C. Siemons).

Procesverloop

Met het besluit van 27 oktober 2015 (het primaire besluit I) heeft verweerder aan eiser eervol voorwaardelijk ontslag wegens ziekte verleend per 1 november 2015.

Met het besluit van 4 augustus 2016 (het primaire besluit II) heeft verweerder het eerdere voorwaardelijke ontslag per 1 november 2015 omgezet in een onvoorwaardelijk ontslag per deze datum.

Met het besluit van 13 december 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juni 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Aan de zijde van verweerder waren verder [naam] , [functie] , en
[naam] , [functie] , aanwezig.

Overwegingen

Wat aan de procedure voorafging

1.1.

Eiser is op 1 april 1989 in dienst getreden bij (de rechtsvoorganger van) verweerder.

Vanaf 1 april 2003 was eiser werkzaam in de functie van [functie] bij de afdeling [naam] . In het kader van een reorganisatie is deze functie in mei 2008 komen te vervallen, waarna eiser van 1 september 2008 tot 1 oktober 2009 was gedetacheerd bij de [naam] . Op 6 november 2009 heeft eiser zich ziek gemeld met klachten van overspannenheid en burn-out.

1.2.

Eiser is per 1 december 2009 aangemeld als herplaatsingskandidaat. Bij besluit van 29 december 2011 heeft verweerder eiser met ingang van 1 april 2012 eervol ontslag verleend. Dit betrof een reorganisatieontslag wegens opheffing van de functie. Hiertegen is bezwaar, beroep en hoger beroep ingesteld.

1.3.

Eiser heeft met ingang van 2 november 2012 op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen een arbeidsongeschiktheidsuitkering gekregen wegens volledige arbeidsongeschiktheid. Per 11 maart 2015 is eiser volgens het UWV niet alleen volledig, maar ook duurzaam arbeidsongeschikt. Om die reden is zijn uitkering per die datum gewijzigd naar een zogenoemde Inkomensverzekering voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten (IVA-uitkering). Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt. Op dit bezwaar is ten tijde van deze uitspraak nog niet beslist.

1.4.

De rechtbank Amsterdam heeft op 9 december 2014 in de beroepszaak van eiser uitspraak gedaan (AMS 11/2723 en AMS 13/798) en kort gezegd geoordeeld dat eiser ondanks zijn arbeidsongeschiktheid als herplaatsingskandidaat kon worden aangemerkt, maar dat verweerder niet heeft voldaan aan de eisen van de te volgen herplaatsingsprocedure. Om die reden mocht verweerder eiser niet ontslaan wegens reorganisatie. De Centrale Raad van Beroep (de Raad) heeft deze uitspraak van de rechtbank Amsterdam met zijn uitspraak van 23 juni 20161 bevestigd.

1.5.

Op 27 oktober 2015 heeft verweerder het primaire besluit I genomen. Dit voorwaardelijke ontslag is gegrond op artikel 12.10, derde lid, van de cao UMC, op basis waarvan eervol ontslag wegens ziekte kan plaatsvinden zodra een IVA-uitkering is toegekend. In het besluit is vermeld dat het ontslag voorwaardelijk wordt opgelegd omdat verweerder in afwachting is van de uitkomst van de hoger beroep procedure inzake eisers ontslag vanwege de opheffing van zijn functie per 1 april 2012. Hiertegen heeft eiser tijdig bezwaar gemaakt.

1.6.

Bij het primaire besluit II heeft verweerder aan eiser meegedeeld dat uit de onder 1.4 genoemde uitspraak van de Raad volgt dat eiser nog bij verweerder in dienst was toen het primaire besluit I werd genomen. Daarom stelt verweerder vast dat het primaire besluit I geen voorwaardelijk karakter meer heeft en dat eiser per 1 november 2015 op grond van dat besluit is ontslagen wegens langdurige arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel 12.10 van de cao UMC. Verweerder wijst erop dat het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit I op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede betrekking heeft op dit besluit.

1.7.

Bij brief van 4 november 2016 heeft de Adviescommissie Awb advies over het bezwaar van eiser uitgebracht aan verweerder. De commissie heeft hierbij overwogen dat met het primaire besluit II het eerdere voorwaardelijke ontslagbesluit, het primaire besluit I, is omgezet in een onvoorwaardelijk ontslag. Verweerder kon volgens de adviescommissie aan eiser eervol ontslag verlenen wegens ziekte, omdat aan eiser een IVA-uitkering is toegekend. De omstandigheid dat eiser bezwaar heeft gemaakt tegen de toekenning van de IVA-uitkering maakt dit niet anders. Verder blijkt uit rechtspraak van de Raad dat een gebrek aan een ontslagbesluit kan worden hersteld met een nieuw ontslagbesluit en dat het in dat geval op zichzelf niet ongeoorloofd is om de oorspronkelijke ontslagdatum te handhaven.

1.8.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het ontslag per 1 november 2015 onder verwijzing naar het advies van de Adviescommissie gehandhaafd.

Standpunt van eiser

2.1.

Eiser voert in beroep aan dat beide primaire besluiten geen besluit in de zin van de Awb zijn, omdat er geen sprake is van een rechtsgevolg. Een voorwaardelijk rechtsgevolg (zoals in het primaire besluit I) is geen rechtsgevolg in de zin van de Awb en in het primaire besluit II wordt enkel bevestigd wat al in het primaire besluit I staat. Als al geconcludeerd wordt dat het primaire besluit II een besluit is in de zin van de Awb, dan nog kan dit niet in de plaats treden voor het primaire besluit I, omdat dit gezien het voorwaardelijke karakter geen besluit is. Een besluit kan niet in de plaats komen van een ‘niet-besluit’.

2.2.

Ook meent eiser dat het nemen van een voorwaardelijk besluit in strijd is met de systematiek van de Awb en dat ten tijde van het nemen van het primaire besluit I de uitspraak van de rechtbank Amsterdam (te weten dat het reorganisatieontslag geen stand kon houden) leidend was. Verweerder had daarom een onvoorwaardelijk besluit over het ontslag moeten nemen, maar dat is niet gebeurd. Bovendien kent de cao UMC geen voorwaardelijk ontslag wegens ziekte. Daarbij kan een na het genomen besluit voorgevallen nieuw feit niet met terugwerkende kracht rechtsgeldigheid aan het besluit verlenen.

2.3.

Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de toekenning van de IVA-uitkering, hier is thans nog geen beslissing op genomen. Het had op de weg van verweerder gelegen om de beslissing over het ontslag wegens ziekte aan te houden. Als er uiteindelijk geen IVA-uitkering wordt toegekend, dan kan het ontslag niet meer ongedaan worden gemaakt. Eiser stelt dat er nog voldoende re-integratiemogelijkheden bij verweerder zijn en dat hij nog steeds voldoende voor het AMC kan betekenen.

2.4.

Tot slot maakt eiser aanspraak op schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Standpunt van verweerder

3. Verweerder stelt dat het primaire besluit I wel een besluit is in de zin van de Awb en dat het rechtsgevolg de beëindiging van de aanstelling van eiser is. Dat ten tijde van het besluit nog niet vaststond of het rechtsgevolg zou intreden, doet niet af aan het feit dat het besluit gericht was op een rechtsgevolg. De reden dat het ontslag wegens ziekte voorwaardelijk is gegeven, is dat nog niet duidelijk was of de uitspraak van de rechtbank, waarbij het reorganisatie-ontslagbesluit is vernietigd, in hoger beroep in stand zou blijven. Er zou juist rechtsonzekerheid zijn ontstaan, indien direct onvoorwaardelijk ontslag was gegeven. Verweerder heeft eiser ook geen valse hoop willen geven en verwachtingen willen wekken dat eiser nog een toekomst bij verweerder zou kunnen hebben. Met het primaire besluit II is bevestigd dat het rechtsgevolg, dat in het primaire besluit I was aangekondigd, daadwerkelijk is ingetreden. Hierdoor is het voorwaardelijk karakter aan het primaire besluit I ontvallen. Verder stelt verweerder dat een ontslag op grond van artikel 12.10, derde lid, van de cao UMC mogelijk is, zodra een IVA-uitkering is toegekend. Het is altijd mogelijk dat de betrokkene op enig moment na een ontslag weer belastbaar is, maar dit is geen reden om het ontslag te vernietigen.

Relevante regelgeving

4. De voor deze zaak relevante regelgeving is in de bijlage bij deze uitspraak opgenomen. De bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.

Beoordeling door de rechtbank

Ten aanzien van het primaire besluit I

5.1.

Allereerst staat ter beoordeling de vraag of het primaire besluit I een besluit is in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Deze vraag beantwoordt de rechtbank bevestigend. Het primaire besluit I voldoet aan de in artikel 1:3 van de Awb opgesomde criteria. Meer in het bijzonder is het op rechtsgevolg gericht, omdat verweerder onmiskenbaar heeft beoogd eiser te ontslaan in het geval dat het eerder verleende ontslag wegens opheffing van de functie per 1 april 2012, en waarover nog geprocedeerd werd bij de Raad, geen stand zou houden.

5.2.

Vervolgens staat ter beoordeling of het in dit besluit verleende voorwaardelijke ontslag rechtens stand houdt. De rechtbank stelt voorop dat de cao UMC een gesloten ontslagsysteem kent en dat een voorwaardelijk arbeidsongeschiktheidsontslag niet in de cao UMC is geregeld. Dit betekent dat de wettelijke grondslag voor het voorwaardelijk ontslag ontbreekt. Gelet op het gesloten systeem van het ontslagrecht, had verweerder eiser dus niet voorwaardelijk mogen ontslaan.

5.3.

Dat betekent dat al hierom het bestreden besluit geen stand kan houden. Omdat een dergelijk voorwaardelijk ontslag wegens arbeidsongeschiktheid in het geheel niet mogelijk is, wordt dit gebrek ook niet reparabel geacht, nog afgezien van de vraag of verweerder dit gebrek inderdaad heeft geprobeerd te herstellen met het primaire besluit II. Het beroep van eiser is daarmee gegrond en het bestreden besluit zal worden vernietigd.

Ten aanzien van het primaire besluit II

6.1.

Vervolgens moet de rechtbank beoordelen of het primaire besluit II een besluit is in de zin van de Awb en, zo ja, of dit besluit als zelfstandig ontslagbesluit kan worden aangemerkt.

6.2.

Naar het oordeel van de rechtbank voldoet het primaire besluit II aan de in artikel 1:3 van de Awb opgesomde criteria. De zinsnede ‘dit betekent dat het besluit tot ongeschiktheidsontslag geen voorwaardelijk karakter meer heeft, en dat wij vaststellen dat u per 1 november 2015 op grond van dat besluit bent ontslagen wegens langdurige arbeidsongeschiktheid als bedoeld in art. 12.10 CAO UMC’ is het feitelijke rechtsgevolg van dit besluit, immers dat eiser per 1 november 2015 daadwerkelijk is ontslagen. Daarmee kan het primaire besluit II als een zelfstandig besluit in de zin van de Awb worden beschouwd.

6.3.

Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of verweerder eiser met dit primaire besluit II heeft mogen ontslaan op grond van artikel 12.10, derde lid, van de cao UMC. Eiser heeft met ingang van 11 maart 2015 een IVA-uitkering toegekend gekregen. Eiser heeft tegen deze beslissing van het UWV echter bezwaar gemaakt. Op dit bezwaar is tot op heden nog niet beslist. Dat betekent dat het toekenningsbesluit van de IVA-uitkering nog niet onherroepelijk is.

6.4.

In het derde lid van artikel 12.10 van de cao UMC staat dat ontslag kan plaatsvinden zodra een IVA-uitkering is toegekend. Een toelichting op dit artikel ontbreekt in de cao UMC. Mede gelet op de ingrijpende, niet meer (goed) terug te draaien gevolgen van een ontslag, gaat de rechtbank ervan uit dat bij de totstandkoming van het artikel werd beoogd om een ontslag op grond van duurzame arbeidsongeschiktheid pas mogelijk te maken zodra de toekenning van een IVA-uitkering onherroepelijk is. Naar het oordeel van de rechtbank had verweerder eiser daarom op 4 augustus 2016 nog niet mogen ontslaan en moeten wachten tot de toekenning van de IVA-uitkering onherroepelijk was geworden. Dat verweerder naar eigen zeggen niet bekend was met het bezwaar van eiser tegen de toekenning van de IVA-uitkering, maakt voorgaand oordeel niet anders. Het beroep van eiser slaagt.

6.5.

Ten overvloede merkt de rechtbank nog het volgende op. In het primaire besluit II heeft verweerder eiser per 1 november 2015, dus met terugwerkende kracht, ontslagen. Met het wegvallen van het primaire besluit I is er echter geen sprake meer van een reparatie van een gebrek, maar is het primaire besluit II een zelfstandig ontslagbesluit. Ontslag met terugwerkende kracht is echter niet toegestaan.

Inhoudelijke conclusie

7. Gelet op het voorgaande kan het bestreden besluit geen stand houden. Het beroep is daarom gegrond. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien, in die zin dat de primaire besluiten I en II worden herroepen.

De wettelijke rente

8. Nu het bestreden besluit zal worden vernietigd en de primaire besluiten worden herroepen, heeft eiser recht op een nabetaling terzake van het verschil van het door hem ontvangen bedrag aan uitkering en de betalingen die hij zou hebben ontvangen als ware hij nog in dienst geweest. Eiser maakt in dit verband aanspraak op vergoeding van wettelijke rente over deze nog te ontvangen nabetaling. Deze vordering is toewijsbaar.

Het beroep op overschrijding van de redelijke termijn

9. Eiser maakt naar het oordeel van de rechtbank daarnaast terecht, op grond van artikel van het 6 EVRM, aanspraak op schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank stelt vast dat eiser op 18 november 2015 bezwaar heeft gemaakt tegen het primaire besluit I. Op dat moment is de redelijke termijn gaan lopen en deze is twee jaar nadien, op 18 november 2017, geëindigd, nu een bestuursrechtelijke procedure in twee instanties in beginsel twee jaar mag duren (een half jaar voor het bezwaar en anderhalf jaar in beroep). Dat betekent dat er, gelet op de datum van deze uitspraak, sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn van acht maanden. Verder constateert de rechtbank dat een groot deel van deze vertraging zich in de beroepsfase heeft voorgedaan. Ingevolge vaste rechtspraak van de Raad bedraagt de hoogte van de schadevergoeding € 500,- voor elk half jaar of deel daarvan dat de redelijke termijn is overschreden.2 Dat betekent dat de Staat der Nederlanden zal worden veroordeeld tot betaling aan eiser van een schadevergoeding van € 1.000,- wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Proceskosten en griffierecht

10. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

11. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.002,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1), alsmede € 10,- aan reiskosten.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    herroept de primaire besluiten I en II;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

  • -

    veroordeelt verweerder tot het betalen van de wettelijke rente over aan eiser verschuldigde nabetalingen;

  • -

    veroordeelt de Staat der Nederlanden tot betaling van een schadevergoeding aan eiser ten bedrage van € 1.000,-;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168,- aan eiser te vergoeden;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.012,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Hirzalla, voorzitter, mr. C.J. Polak en

mr. J.C.S. van Limburg Stirum, leden, in aanwezigheid van mr. C.L. de Rijke, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 juli 2018.

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kunt u binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Is uw zaak spoedeisend en moet er al tijdens de procedure in hoger beroep iets worden beslist wat niet kan wachten, dan kunt u de hogerberoepsrechter vragen om een voorlopige maatregel te treffen.

Bijlage: relevante regelgeving

Artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht luidt:

Onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

Artikel 12.10, eerste, tweede en derde lid, van de cao UMC 2011-2013 luidt:

1. De werkgever kan de medewerker eervol ontslag verlenen op grond van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte.

2. Een ontslag als bedoeld in het eerste lid kan slechts worden verleend indien:

a. de ongeschiktheid onafgebroken 104 weken heeft geduurd en;

b. herstel binnen een periode van zes maanden na deze 104 weken redelijkerwijs niet is te verwachten en;

c. het na een zorgvuldig onderzoek niet mogelijk is gebleken de medewerker binnen het gezagsbereik van de werkgever andere passende arbeid aan te bieden, dan wel indien de medewerker geweigerd heeft andere passende arbeid te aanvaarden.

3. In afwijking van het bepaalde in het tweede lid kan het ontslag plaatsvinden zodra een IVA-uitkering is toegekend. Voor zover op dat moment de verhindering tot het verrichten van zijn arbeid nog geen 52 weken heeft geduurd wordt de IVA-uitkering overeenkomstig artikel 8.5 tot het bereiken van de termijn van 52 weken aangevuld tot 100% van zijn bezoldiging.

1 Zie ECLI:NL:CRVB:2016:2362.

2 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 26 januari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009.