Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:5012

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
12-07-2018
Datum publicatie
17-07-2018
Zaaknummer
13/689275-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Ontucht, bestaande uit seksueel binnendringen, met een meisje van 15 jaar. Gevangenisstraf van zes maanden waarvan vier voorwaardelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT VONNIS

Parketnummer: 13/689275-16

Datum uitspraak: 12 juli 2018

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1995,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] .

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 28 juni 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. S. de Klerk, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. C. Maat, naar voren hebben gebracht.

2 Inleiding

Op 21 november 2015 loopt de 15-jarige [persoon 1] weg uit de Jeugdinrichting de [vestiging jeugdinrichting] . In de dagen die volgen regelt [persoon 2] onderdak voor haar. Met hem bespreekt [persoon 1] ook de mogelijkheid om geld te verdienen door als escort te werken. [persoon 2] probeert klanten te werven en in de nacht van 23 op 24 november 2015 heeft [persoon 1] seks tegen betaling met drie mannen.

Op 25 augustus 2016 wordt [persoon 2] door de rechtbank veroordeeld voor (onder meer) het medeplegen van mensenhandel. Dit vonnis is onherroepelijk (ECLI:NL:RBAMS:2016:5852).

2.1.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 23 november 2015 tot en met 24 november 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met [persoon 1] , geboren op 17 september 2000, die toen de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of

meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die (mede) bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) zijn en/of hun penis(sen) in de vagina en/of de mond van voornoemde [persoon 1] gebracht.

3 Waardering van het bewijs

3.1.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde kan worden bewezen. Zij heeft dit standpunt als volgt onderbouwd.

[persoon 1] heeft verklaard dat zij met drie klanten in een grijze Volkswagen Golf is meegegaan naar de woning van één van hen. Dit blijkt [persoon 3] te zijn. [persoon 1] heeft met hen alle drie orale en vaginale seks gehad. De verklaringen van [persoon 1] zijn consistent en gedetailleerd en vinden voldoende steun in de overige onderzoeksresultaten. Zij verklaart dat zij eerst met de bestuurder van de auto seks had. De bestuurder had haar en [persoon 2] al eerder van Amsterdam Oost naar IJburg gebracht. Verdachte is in het bezit van een grijze Volkswagen Golf. De telefoon van verdachte straalt op 24 november 2015 om 0.55 uur een zendmast aan die het gebied bedient waar de woning van medeverdachte [persoon 3] is gelegen. Daarnaast is het zo dat de telefoon van verdachte in de ten laste gelegde periode veelvuldig contact heeft met de telefoon van [persoon 2] en die van medeverdachten [persoon 3] en [persoon 4] . Ten slotte is het zo dat verdachte door [persoon 1] is herkend van een foto.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit en zij heeft hiertoe het volgende aangevoerd.

De herkenning van verdachte door aangeefster is niet sterk. Het dossier bevat twee foto’s met nummer 47, zodat niet duidelijk is welke foto aan aangeefster is getoond. Daarbij komt dat aangeefster erg twijfelt bij de vermeende herkenning. Zij zegt: ‘volgens mij is het hem wel.’ Omdat niet duidelijk is welke foto is getoond en omdat aangeefster erg twijfelt, kan de vermeende herkenning niet als bewijsmiddel dienen. Dat verdachte een grijze Golf bezit is niet relevant, dat is een kenmerk dat niet onderscheidend is omdat er heel veel van dergelijke auto’s bestaan. Als het over de bestuurder gaat, heeft aangeefster het vaak over [bijnaam] . Dat kan dus niet verdachte zijn. Uit de zendmastgegevens blijkt niet dat verdachte naar IJburg is geweest, terwijl aangeefster beweert dat de bestuurder van de Golf haar eerder die dag naar IJburg heeft gebracht. Dat de telefoon van verdachte een keer een mast in Amsterdam Zuid Oost aanstraalt zegt heel weinig, dat gebeurt al als je over de A10 rijdt.

3.3.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan. De rechtbank komt tot dit oordeel op grond van het volgende.

De rechtbank stelt allereerst vast dat [persoon 1] op hoofdlijnen consistent is in haar afgelegde verklaringen en deze verklaringen worden ondersteund door andere onderzoeksbevindingen in het dossier waaronder de verklaringen van getuige [getuige] en verdachte (thans veroordeelde) [persoon 5] .

Aangeefster [persoon 1] heeft verklaard dat zij met drie mannen seks heeft gehad in het huis van één van hen, genaamd [persoon 6] . Een ander wordt [bijnaam persoon 4] genoemd en de derde was de bestuurder van de auto waarmee zij naar de woning zijn gereden. De seks bestond uit pijpen en vaginale seks. [persoon 1] beschrijft de woning waar de seks heeft plaatsgevonden. De inrichting van de woning van medeverdachte [persoon 6] [persoon 3] komt overeen met de beschrijving die [persoon 1] geeft van de woning waarin de seks plaats vond. Ook het uitzicht vanuit de woning stemt overeen met haar verklaring.

Uit het dossier blijkt dat [persoon 2] de persoon is aan wie door de drie mannen is betaald voor de seks met [persoon 1] . De telefoon van verdachte heeft in de ten laste gelegde periode veelvuldig contact met die van [persoon 2] . Juist ook in de avond van 23 november 2015, zowel met de telefoon in gebruik bij [persoon 2] eindigend op nummer * [nummer 2] , als met de zogenoemde werktelefoon in gebruik bij [persoon 2] (op naam van [persoon 5] die eveneens is veroordeeld voor haar rol bij de uitbuiting van [persoon 1] ) eindigend op * [nummer 1] .

Verdachte heeft hier geen verklaring voor gegeven. Verdachte heeft ook geen verklaring gegeven voor het feit dat zijn telefoon in diezelfde periode contact heeft met beide medeverdachten.

Ten aanzien van de zendmastgegevens overweegt de rechtbank dat daaruit niet direct blijkt dat verdachte één van de drie mannen is geweest. Anderzijds is het zo dat deze gegevens met betrekking tot de telefoon van verdachte niet uitsluiten dat verdachte één van de drie mannen is geweest waar aangeefster over heeft verklaard. De rechtbank stelt vast dat het voorgaande opgaat voor de zendmastgegevens van de telefoons van alle drie de (mede)verdachten.

Verder is het zo dat verdachte in het bezit is van een grijze Volkswagen Golf en was hij volgens aangeefster [persoon 1] de bestuurder van de auto.

Tijdens het verhoor van [persoon 1] worden haar foto’s getoond. Op foto 46 herkent [persoon 1] medeverdachte [persoon 4] , zijn bijnaam is [bijnaam persoon 4] . Op foto 47 herkent zij verdachte als de bestuurder van de auto. Het dossier bevat twee foto’s met nummer 47. Op één daarvan is verdachte afgebeeld en op de andere medeverdachte [persoon 4] . De rechtbank stelt vast dat uit de verklaring van [persoon 1] valt af te leiden dat zij op de foto’s die worden getoond, twee verschillende verdachten herkent, namelijk medeverdachte [persoon 4] en verdachte.

De raadsvrouw heeft gesteld dat er twee foto’s met nummer 47 zijn en dat het dus mogelijk is dat aangeefster niet verdachte maar medeverdachte [persoon 4] heeft herkend als de bestuurder van de auto. De rechtbank acht dit niet aannemelijk, omdat aangeefster [persoon 4] al heeft herkend op foto 46. De rechtbank stelt vast dat de drie foto’s duidelijk onderscheidend zijn, zodat de door de raadsvrouw veronderstelde vergissing, niet aannemelijk is.

De rechtbank komt op grond van al het voorgaande in onderlinge samenhang bezien tot het oordeel dat verdachte één van de drie mannen is geweest waar aangeefster [persoon 1] die nacht seks mee heeft gehad. Daarmee is de ten laste gelegde ontucht bewezen.

Ten slotte overweegt de rechtbank dat het dossier geen aanknopingspunt geeft dat van medeplegen sprake is. De drie mannen waren weliswaar in dezelfde woning die nacht, maar hebben ieder voor zich ontucht gepleegd met aangeefster. Van het medeplegen wordt verdachte vrijgesproken.

3.4.

Bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

in de periode van 23 november 2015 tot en met 24 november 2015 te Amsterdam, met [persoon 1] , geboren op 17 september 2000, die toen de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, immers heeft verdachte zijn penis in de vagina en de mond van voornoemde [persoon 1] gebracht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 Strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straf

7.1.

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan acht maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

7.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht om, gelet op het tijdsverloop, geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Verdachte is niet eerder voor soortgelijke feiten veroordeeld en de afgelopen vijf jaar heeft hij ook geen andere strafbare feiten gepleegd. Bij het bepalen van de straf moet ook rekening worden gehouden met de omstandigheid dat er geen sprake was van dwang en dat [persoon 1] tegen de drie mannen had gezegd dat ze 17 was. Ten slotte is het zo dat in vergelijkbare zaken meestal lagere straffen worden opgelegd dan de straf die tegen verdachte is geëist. De persoonlijke omstandigheden van verdachte spelen ook een rol. Op jonge leeftijd kreeg hij veel voor zijn kiezen. Verdachte is mantelzorger en heeft dus wel degelijk een goede dagbesteding.

7.3.

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft seks gehad met een minderjarig, kwetsbaar meisje van 15 jaar. Dit is een ernstig strafbaar feit. Seks met een minderjarige is strafbaar gesteld omdat iemand op die leeftijd volop in ontwikkeling is, ook op seksueel gebied. Om deze ontwikkeling normaal te laten verlopen, moet een minderjarige beschermd worden tegen seksueel contact met volwassenen. De Amsterdamse oriëntatiepunten, dit zijn de door de rechtbank zelf ontwikkelde oriëntatiepunten, geven voor ontucht met iemand tussen de 12 en 16 jaar waarbij sprake is van seksueel binnendringen, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 2 tot 3 jaar aan. Enige verwijzing naar de opgelegde straffen in de ‘Valkenburgse zedenzaak’ is alleen daarom al niet op zijn plaats (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RBLIM:2015:6255). Het kan niet zo zijn dat door betaling voor seks met een minderjarige een geheel andere straf (zowel wat betreft duur als modaliteit) wordt opgelegd dan wanneer niet voor dezelfde seks is betaald.

De rechtbank weegt in de zaak tegen verdachte de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd mee. Verdachte en de twee medeverdachten hebben betaald om seks te kunnen hebben met [persoon 1] . Vervolgens hebben verdachte en de twee medeverdachten [persoon 1] meegenomen in een auto naar de woning van een van hen, om vervolgens aan hen overgeleverd te zijn. In die woning hebben zij beurtelings seks met haar gehad, waarbij zij hen moest pijpen en vaginaal seks met hen moest hebben. [persoon 1] heeft daarover verklaard dat zij ervan uitging dat zij met twee mannen orale seks zou hebben en dat haar op het laatst door [persoon 2] is toegevoegd dat er voor drie betaald was. Eenmaal in de woning bleek haar dat deze mannen alle drie ook vaginale seks met haar wilden. Uit het dossier blijkt dat [persoon 1] ook nu nog, lange tijd later, te maken heeft met psychische problemen als gevolg van de gebeurtenissen die nacht. Daarbij rekent de rechtbank het verdachte aan dat hij geen verantwoordelijkheid neemt voor zijn handelen en niet laat blijken het kwalijke van zijn handelen in te zien.

De rechtbank is van oordeel dat bij een dergelijk ernstig feit een gevangenisstraf van enige duur moet worden opgelegd. Bij de bepaling van de duur ervan weegt de rechtbank ook de leeftijd van verdachte mee (hij was toen 20), en de omstandigheid dat hij niet eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld. Verder heeft het lang geduurd voordat de zaak inhoudelijk is afgedaan en is verdachte in de tussentijd niet opnieuw met justitie in aanraking gekomen. Dit alles maakt dat de rechtbank aanzienlijk lager zal straffen dan de oriëntatiepunten aangeven.

Om verdachte er extra van te doordringen dat op zo’n manier omgaan met meisjes onacceptabel is en te voorkomen dat hij dit opnieuw zal doen, zal de rechtbank een deel van de straf voorwaardelijk opleggen.

De rechtbank legt aan verdachte een gevangenisstraf op van zes maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

8 Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij, [persoon 1] , vordert € 5.000,00 aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering geheel dient te worden toegewezen en dat daarbij de schadevergoedingsmaatregel dient te worden opgelegd. De raadsvrouw heeft verzocht om de benadeelde partij niet ontvankelijk te verklaren, subsidiair om het toe te wijzen bedrag te matigen.

Oordeel van de rechtbank

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien er een ernstige inbreuk is gepleegd op haar lichamelijke integriteit.

De hoogte van de vordering is ter terechtzitting betwist.

Dat de benadeelde partij door hetgeen zij heeft moeten ondergaan in de betreffende nacht psychische schade heeft opgelopen staat voor de rechtbank vast. Wat het aandeel daarin is geweest van verdachte, nu er drie mannen zijn betrokken en de omstandigheid van haar uitbuiting door [persoon 2] en [persoon 5] , is moeilijker vast te stellen. Om dat te onderzoeken is onevenredig belastend voor dit strafproces. De rechtbank is van oordeel dat voor een bedrag van € 2.500,00 dit niet het geval is. Dit bedrag zal dan ook worden toegekend. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. De benadeelde partij kan dit deel van haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer, [persoon 1] , naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen geachte feit is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 2.500,00 (zegge: vijfentwintighonderd euro).

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 63 en 245 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10 Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

‘met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam.’

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte] , daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van ZES (6) MAANDEN.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot VIER (4) MAANDEN, van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van twee (2) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Wijst de vordering van [persoon 1] , wonende te Amsterdam, toe tot € 2.500,00 (zegge: vijfentwintighonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 24 november 2015 tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [persoon 1] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in haar vordering.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [persoon 1] , € 2.500,00 (zegge: vijfentwintighonderd euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 24 november 2015 tot aan de dag van de algehele voldoening, aan de Staat te betalen. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting door hechtenis van vijfendertig (35) dagen vervangen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. E.M.M. Gabel, voorzitter,

mrs. W.M.C. van den Berg en A.E.M. van Loon, rechters,

in tegenwoordigheid van mrs. D.C. Wagter en A.L. Wagenaar, griffiers

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 12 juli 2018.

Mr. W.M.C. van den Berg en mr. A.L. Wagenaar is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.