Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:5010

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
12-07-2018
Datum publicatie
17-07-2018
Zaaknummer
13/680012-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Poging tot medeplegen van mensenhandel. Minderjarig slachtoffer. Gevangenisstraf van 8 maanden waarvan 4 voorwaardelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/680012-16 (Promis)

Datum uitspraak: 12 juli 2018

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag 1] 1994,

ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres [adres] .

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 28 juni 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. S. de Klerk, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. R.G.M. Rijkhoff, naar voren hebben gebracht.

2 Inleiding

Op 21 november 2015 loopt de 15-jarige [slachtoffer] weg uit de [naam inrichting] . In de dagen die volgen regelt [medeverdachte 1] onderdak voor haar. Met hem bespreekt [slachtoffer] ook de mogelijkheid om geld te verdienen door als escort te werken. [medeverdachte 1] probeert klanten te werven en in de nacht van 23 op 24 november 2015 heeft [slachtoffer] seks tegen betaling met drie mannen.

Op 25 augustus 2016 is [medeverdachte 1] door de rechtbank veroordeeld voor (onder meer) het medeplegen van mensenhandel. Dit vonnis is onherroepelijk (ECLI:NL:RBAMS:2016:5852).

2.1.

Tenlastelegging

Aan verdachte wordt verweten dat hij in de periode van 21 november 2015 tot en met 24 november 2015 voor medeverdachte [medeverdachte 1] klanten voor [slachtoffer] heeft proberen te werven . Verdachte heeft hiertoe contact onderhouden met [medeverdachte 1] via WhatsApp en heeft hem onder meer om foto’s van [slachtoffer] verzocht om deze aan potentiële klanten te kunnen laten zien.

Het voorgaande is aan verdachte - na wijziging op de zitting van 28 juni 2018 - kort gezegd ten laste gelegd als het medeplegen van mensenhandel, te weten uitbuiting in de prostitutie (primair), een poging tot het medeplegen van mensenhandel (subsidiair), medeplichtigheid aan mensenhandel (meer subsidiair) en medeplichtigheid aan een poging tot mensenhandel (meest subsidiair).

De tekst van de gehele tenlastelegging is opgenomen in bijlage I bij dit vonnis.

3 Waardering van het bewijs

3.1.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde kan worden bewezen. Dit standpunt heeft zij als volgt onderbouwd.

Verdachte heeft via WhatsApp contact gehad met [medeverdachte 1] , waarin hij onder meer vraagt om foto’s van [slachtoffer] . Uit de chatgesprekken blijkt dat verdachte contact onderhield met [medeverdachte 1] en een klant die bereid was om tegen betaling seks te hebben met een minderjarige. Hierdoor heeft verdachte handelingen ondernomen waarvan hij en zijn mededader wisten dat [slachtoffer] zich daardoor beschikbaar stelde tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling. De faciliterende werkzaamheden zijn van voldoende gewicht om te kwalificeren als mensenhandel, zo volgt onder meer uit HR 20 mei 2014, NJ 2014/292.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft integrale vrijspraak bepleit en zij heeft hiertoe het volgende aangevoerd.

Verdachte ontkent de berichten te hebben gestuurd, hij leende zijn telefoon vaak uit. De ontkenning van verdachte wordt niet weerlegd door het dossier. Reeds daarom dient vrijspraak te volgen. Daarnaast is er geen sprake van oogmerk van uitbuiting. Uit niets blijkt dat verdachte wist van het weglopen van [slachtoffer] , de minderjarigheid en de afspraak die zij had met [medeverdachte 1] . Op grond van het dossier kan niet worden vastgesteld dat er een voltooid delict is. Van het primaire en meer subsidiaire dient verdachte te worden vrijgesproken. Ten slotte is het zo dat medeplegen of medeplichtigheid niet aan de orde is. De samenwerking – mocht die er al zijn – is niet nauw en bewust geweest. Er is niet voldaan aan het vereiste van dubbel opzet.

3.3.

Oordeel van de rechtbank

3.3.1.

Vrijspraak van het primair ten laste gelegde (medeplegen mensenhandel)

De rechtbank acht niet bewezen wat primair ten laste is gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken. De rechtbank komt tot dit oordeel op grond van het volgende.

Heeft verdachte de WhatsApp-gesprekken met [medeverdachte 1] gevoerd?

De rechtbank ziet zich allereerst gesteld voor de vraag of verdachte degene is die via WhatsApp contact heeft gehad met [medeverdachte 1] . Uit het dossier blijkt dat [medeverdachte 1] WhatsApp-contact heeft met ‘ [naam whatsapp] ’. Deze [naam whatsapp] gebruikt een telefoonnummer waarvan verdachte zegt dat het zijn telefoonnummer is. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij één telefoon heeft en deze wel eens uitleent en dat daarom mogelijk iemand anders met zijn telefoon de in zijn telefoon aangetroffen berichten met [medeverdachte 1] heeft uitgewisseld. Verdachte weet niet aan wie hij in de betreffende periode zijn telefoon heeft uitgeleend. Daarnaast heeft verdachte de mogelijkheid naar voren gebracht dat zijn telefoon is gehackt en dat iemand anders, op afstand, met zijn telefoon berichten heeft verzonden.

De rechtbank stelt vast dat het dossier geen begin van aannemelijkheid bevat dat de telefoon van verdachte is gehackt. De verklaring van verdachte op dat punt wordt dan ook als onaannemelijk terzijde geschoven.

Het scenario dat iemand anders met de telefoon van verdachte met [medeverdachte 1] WhatsApp-gesprekken heeft gevoerd acht de rechtbank ongeloofwaardig. De rechtbank overweegt op dit punt het volgende.

Uit het dossier blijkt dat er op 21 november 2015 omstreeks 22.23 uur en op 23 november 2015 van ongeveer 01.33 uur tot ongeveer 2.00 uur WhatsApp-contact is geweest met [medeverdachte 1] . De inhoud van de WhatsApp-gesprekken op deze beide data hebben betrekking op het sturen van foto’s. Er zijn ook daadwerkelijk seksueel getinte foto’s van [slachtoffer] gestuurd naar de telefoon van verdachte door [medeverdachte 1] . Dat een ander dan verdachte deze WhatsApp-gesprekken met [medeverdachte 1] zou hebben gevoerd met de telefoon van verdachte op die tijdstippen is weinig geloofwaardig. Dat verdachte deze gesprekken en de foto’s niet zou hebben opgemerkt maken zijn verklaring nog minder aannemelijk. Daarnaast zijn er uitgaande telefonische contacten vastgesteld vanaf de zogenoemde werktelefoon in gebruik bij [medeverdachte 1] , op naam van [medeverdachte 2] (eveneens veroordeeld vanwege haar rol bij de uitbuiting van [slachtoffer] ) [telefoonnummer] , naar de telefoon van verdachte op 23 november 2015 tussen 21.00 en 22.22 uur. Uit het dossier blijkt verder dat [medeverdachte 3] op deze datum om 21.15 uur telefonisch contact heeft met de telefoon van verdachte en minuten daarvoor en erna ook met [medeverdachte 1] . [medeverdachte 3] wordt ervan verdacht een van de drie mannen te zijn die in de nacht van 23 op 24 november 2015 met [slachtoffer] seks tegen betaling heeft gehad.

Deze omstandigheden in onderlinge samenhang bezien leiden de rechtbank tot de conclusie dat het verdachte is die de betreffende contacten waaronder de WhatsApp-gesprekken heeft gehad met [medeverdachte 1] en niet een onbekend gebleven derde. Voor het gestelde uitlenen is onder genoemde omstandigheden geen begin van aannemelijkheid.

Interpretatie van de berichten

De rechtbank leidt uit de berichten af dat verdachte voor [medeverdachte 1] op zoek is gegaan naar klanten die tegen betaling seks wilden hebben met [slachtoffer] . Hij heeft in dat verband [medeverdachte 1] om foto’s van [slachtoffer] gevraagd, zodat hij deze aan de potentiële klanten kon laten zien. Zo schrijft verdachte via WhatsApp aan [medeverdachte 1] ‘Stuur is piccas van der’.

[medeverdachte 1] heeft vervolgens ook daadwerkelijk een aantal seksueel getinte foto’s van [slachtoffer] aan verdachte gestuurd. Uit de berichten blijkt dat verdachte al klanten heeft benaderd. Nadat verdachte van [medeverdachte 1] via WhatsApp het bericht krijgt: ‘Die wijf zegt ze wil niet naakt sturen wel als ze met hem is wil ze wel laten zien”, geeft verdachte aan, ‘Ik sta nu voor schut bij die gast omdat ik met lege handen kom aanlopen’ en ‘Die man heeft doekoe alleen hij wilt kijken of ze het waard is of niet’. Verdachte heeft [medeverdachte 1] gevraagd hoe oud ze is, en als [medeverdachte 1] antwoordt ’16 maat lijkt wel 18’ reageert verdachte “Onder de 18 kan hij je niet helpen heb misschien gasten in me klas die haar willen ballen’.

Wettelijk kader

Algemeen

Het ten laste gelegde artikel 273f, eerste lid, sub 2, 5 en 8 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) ziet op de bescherming van minderjarigen tegen seksuele uitbuiting door anderen en op het profiteren daarvan. Een minderjarige op enigerlei wijze faciliteren tot een rol in de prostitutie is strafbaar, onafhankelijk van de wil van de minderjarige. Hierbij is niet van belang of een verdachte bekend is met de minderjarigheid van het slachtoffer, aangezien de minderjarigheid een geobjectiveerd bestanddeel is. Door het tewerkstellen van minderjarigen in de prostitutie is er in het algemeen sprake van een grote inbreuk op de lichamelijke en geestelijke integriteit van de minderjarige.

Sub 2

Artikel 273f, eerste lid, sub 2 Sr ziet, voor zover thans van belang, op het werven, vervoeren, overbrengen, huisvesten of opnemen van een ander met het oogmerk van uitbuiting van die ander, terwijl die ander nog geen achttien jaren oud is. Deze bepaling is niet beperkt tot uitbuiting in de prostitutie, maar ziet op alle intermenselijke relaties waarbij uitbuiting van een minderjarige aan de orde is. Het begrip ‘uitbuiting’ is door de wetgever niet gedefinieerd, behoudens voor zover in artikel 273f, tweede lid Sr – voor zover thans van belang - is bepaald dat ‘uitbuiting ten minste omvat uitbuiting van een ander in de prostitutie en andere vormen van seksuele uitbuiting’.

Sub 5 en 8

Het in artikel 273f, eerste lid, sub 5 respectievelijk sub 8 Sr bepaalde ziet op het strafbaar stellen van, voor zover thans van belang, het een minderjarige in de prostitutie brengen, respectievelijk het voordeel trekken uit de prostitutie door een minderjarige. Deze strafbepalingen waren vóór de invoering van artikel 273f Sr opgenomen in het, inmiddels vervallen, artikel 250a, sub 3, respectievelijk sub 5 Sr. Dat artikel zag blijkens de wetsgeschiedenis op de strafbaarstelling van een aantal vormen van exploitatie van onvrijwillige prostitutie en van prostitutie waarbij minderjarigen zijn betrokken.

Ter gelegenheid van de invoering van artikel 273f Sr heeft de wetgever omtrent het in het voorgestane nieuwe artikel te incorporeren artikel 250a Sr onder meer opgemerkt dat dit artikel beoogt alle vormen van uitbuiting voor prostitutie en andere vormen van seksuele uitbuiting strafbaar te stellen, en voorts dat de eis van dwang in brede zin of misleiding niet geldt voor seksuele uitbuiting van kinderen: ‘uitbating van prostitutie door minderjarigen is zonder meer strafbaar.’ Voorts heeft de wetgever ten aanzien van artikel 273f, eerste lid, sub 5 Sr nog opgemerkt dat deze bepaling ziet op bescherming van kinderen en om die reden de eis van het gebruik van dwangmiddelen ontbreekt en (voor zover hier van belang) ten aanzien van sub 8 dat dit, evenals sub 5, is beperkt tot profijt uit seksuele uitbuiting van kinderen.

Uit de wetsgeschiedenis vloeit dan ook voort dat de wetgever ten aanzien van de strafbaarstelling van op de prostitutie van minderjarigen gericht handelen, van een eis van verdergaande specifieke, een uitbuitingsituatie kenmerkende, omstandigheden niet heeft willen weten. Het brengen van een minderjarige in de prostitutie of het profiteren van de opbrengst van prostitutiewerkzaamheden door een minderjarige is door de wetgever aangemerkt als een aan mensenhandel gerelateerde vorm van uitbuiting. Dat aan een bewezenverklaring van artikel 273f, eerste lid, sub 5 respectievelijk sub 8 Sr door de wetgever zwaardere eisen werden gesteld dan in artikel 250a Sr werden verwoord, is niet gebleken.

Het voorgaande brengt mee dat het begrip ‘uitbuiting’ niet als bestanddeel in voormelde strafbepaling moet worden ingelezen en afzonderlijk worden bewezen, doch dat handelen als in deze strafbepaling neergelegd uitbuiting oplevert en wordt gekwalificeerd als mensenhandel.

Beoordeling van de zaak van verdachte

De tweede vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of het betreffende WhatsApp-contact tussen verdachte en [medeverdachte 1] juridisch kan worden gezien als (het medeplegen van) een voltooide mensenhandel. Naar het oordeel van de rechtbank moet die vraag ontkennend worden beantwoord. De rechtbank komt tot dat oordeel op grond van het volgende.

Verdachte heeft een potentiële klant benaderd en zou nog anderen benaderen. Uit het dossier blijkt niet dat het zo ver is gekomen dat enige persoon daadwerkelijk besloten heeft klant te worden van [slachtoffer] . Daarom kan niet worden bewezen dat [slachtoffer] door het handelen van verdachte in de prostitutie is gebracht of gehouden (sub 5). Ten aanzien van sub 2 overweegt de rechtbank dat uit het dossier niet blijkt dat er sprake is van werven, vervoeren, overbrengen, huisvesten of opnemen. Ook blijkt niet dat verdachte er voordeel uit heeft getrokken (sub 8).

De rechtbank spreekt verdachte vrij van het primair ten laste gelegde.

3.3.2.

Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde (poging tot medeplegen mensenhandel)

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft gepleegd. De rechtbank komt tot dit oordeel op grond van het volgende.

Voor een bewezenverklaring van een poging moet sprake zijn van ‘een voornemen van de dader dat zich door een begin van uitvoering heeft geopenbaard’. Zoals hiervoor overwogen blijkt uit de berichten dat verdachte voor [medeverdachte 1] op zoek is gegaan en nog verder zou gaan naar klanten die tegen betaling seks wilden hebben met [slachtoffer] . Verdachte heeft actief klanten benaderd, heeft om foto’s gevraagd en deze heeft hij ook gekregen. Daarmee is er een begin van uitvoering en is de poging bewezen. Verdachte wist dat het ging om het brengen of houden van een minderjarige in de prostitutie. Hij wist dat [slachtoffer] minderjarig was, hij wist dat het om geld ging en hij wist dat het om seks ging. Dit alles blijkt uit het berichtenverkeer op 23 november 2015 tussen verdachte en [medeverdachte 1] .

Anders dan de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat er sprake is van medeplegen. De rol van verdachte bestond uit het aanbrengen van klanten. Daarmee moest hij contact leggen en daarvoor had hij ook foto’s nodig. Dit is een onmisbare rol voor het brengen of houden van een minderjarige in de prostitutie. Uit de berichten blijkt ook dat het niet bij het benaderen van één persoon is gebleven; een ander kon onder de 18 niet helpen en hij zou in zijn klas kijken wie zou willen ‘ballen’. Verdachte heeft daarmee een significante bijdrage geleverd aan het ten laste gelegde feit. Hij heeft hiervoor nauw en bewust met [medeverdachte 1] samengewerkt, zodat van medeplegen en niet van medeplichtigheid sprake is.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in bijlage II bij dit vonnis opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

in de periode van 21 november 2015 tot en met 24 november 2015 te Amsterdam ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander

[slachtoffer] (geboren [geboortedag 2] 2000),

ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling, terwijl die [slachtoffer] de leeftijd van achttien jaren nog niet had bereikt

(lid 1 sub 5°)

immers heeft hij, verdachte, tezamen en in vereniging met een ander

- met een mededader en/of klant(en) afspraken gemaakt omtrent het maken en/of toesturen naar hem, verdachte en/of die klant(en) van seksueel getinte foto's van [slachtoffer]

en

- klanten voor die [slachtoffer] benaderd.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 Strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straf

7.1.

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van twaalf maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

7.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht om oplegging van een geheel voorwaardelijke straf. Zij heeft gewezen op het verstrijken van de redelijke termijn, op het blanco strafblad van verdachte en op zijn jonge leeftijd. Daarnaast heeft de raadsvrouw verzocht om rekening te houden met het beperkte aandeel van verdachte aan de zaak.

7.3.

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte is actief op zoek gegaan naar klanten die met de 15-jarige [slachtoffer] seks wilden hebben tegen betaling. Hierdoor heeft verdachte een belangrijke rol gespeeld bij de poging om haar (verder) uit te buiten in de prostitutie. Dit is een bijzonder ernstig feit. Dat het bij een poging is gebleven is niet aan verdachte te danken. Uit de berichten blijkt dat verdachte een zekere vastberadenheid had om klanten voor [slachtoffer] te werven. Als een potentiële klant afhaakte, ging verdachte naar de volgende op zoek. Verdachte heeft met zijn handelen geen enkele rekening gehouden met de gevolgen die een dergelijke uitbuiting, ook jaren later nog, voor een minderjarig meisje kunnen hebben. Uit het dossier blijkt dat [slachtoffer] ook nu nog, bijna drie jaar later, met psychische problemen te maken heeft. Vanwege de ernst van het feit is een gevangenisstraf op zijn plaats. Bij het bepalen van de duur van de gevangenisstraf houdt de rechtbank enerzijds rekening met de ernst van het feit, de jonge leeftijd van het slachtoffer en het feit dat er sprake is van medeplegen. Dit zijn strafverhogende omstandigheden. Anderzijds is het zo dat de uitbuiting door verdachte niet is voltooid, maar dat het bij een poging is gebleven. Daarnaast houdt de rechtbank rekening met de lange tijd die is verstreken sinds het feit is gepleegd. Ten slotte houdt de rechtbank rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Hij heeft een moeilijke periode achter de rug en lijkt zijn leven meer op orde te hebben.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat aan verdachte een gevangenisstraf moet worden opgelegd van acht maanden. Om verdachte in de toekomst ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen, zal van deze gevangenisstraf een gedeelte van vier maanden voorwaardelijk worden opgelegd, met een proeftijd van twee jaren.

8 Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij, [slachtoffer] , vordert € 3.000,00 aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering geheel dient te worden toegewezen en dat de schadevergoedingsmaatregel moet worden opgelegd. De raadsvrouw heeft primair verzocht om de benadeelde partij niet ontvankelijk te verklaren en subsidiair om het op te leggen bedrag sterk te matigen.

Oordeel van de rechtbank

De benadeelde partij zal niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering, omdat de behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. De rechtbank komt tot dit oordeel op grond van het volgende.

De benadeelde partij heeft zowel tegen verdachte als tegen medeverdachte [medeverdachte 1] immateriële schadevergoeding gevorderd. In de zaak tegen [medeverdachte 1] is een bedrag van € 750,00 toegewezen. In de zaak tegen verdachte wordt € 3.000,00 gevorderd. Dit is een fors verschil, terwijl verdachte wordt veroordeeld voor een poging tot het medeplegen van mensenhandel en [medeverdachte 1] is veroordeeld voor het medeplegen van de voltooide mensenhandel. De rechtbank is van oordeel dat het een onevenredige belasting is voor het strafproces om uit te zoeken waar het grote verschil in genoemde bedragen op is gebaseerd en om te bepalen welke verdachte voor welk gedeelte van de immateriële schade verantwoordelijk is. De benadeelde partij zal daarom niet ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. De benadeelde partij kan haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 45, 47 en 273f van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

10 Beslissing

Verklaart het primair ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

‘poging tot mensenhandel, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.’

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van ACHT (8) MAANDEN.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot VIER (4) MAANDEN, van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van twee (2) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Verklaart de benadeelde partij, [slachtoffer] , niet-ontvankelijk in haar vordering.

Dit vonnis is gewezen door

mr. E.M.M. Gabel, voorzitter,

mrs. W.M.C. van den Berg en A.E.M. van Loon, rechters,

in tegenwoordigheid van mrs. D.C. Wagter en A.L. Wagenaar, griffiers

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 12 juli 2018.

Mr. W.M.C. van den Berg en mr. A.L. Wagenaar zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

[[...]]

1 [[...]]