Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:4995

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
13-07-2018
Datum publicatie
13-07-2018
Zaaknummer
13-733018-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/733018-16 (Promis)

Datum uitspraak: 13 juli 2018

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens] 1978,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

wonende te [adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 29 juni 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van de officier van justitie
mr. S.W.M. van der Linde, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. F.A. ten Berge, naar voren hebben gebracht.

2 De beschuldiging

Verdachte wordt er – kort gezegd – van beschuldigd dat hij samen met een ander of anderen bij de koop van een Mercedes een geschrift heeft vervalst of laten vervalsen.

De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in bijlage I, die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Vrijspraak

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het feit. Zij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte] hebben geprobeerd te verhullen dat de Mercedes eigenlijk van [medeverdachte] was. Om die reden is de naam op de verkoopnota aangepast. Verdachten hebben dus het voor artikel 225 lid 1 Sr benodigde oogmerk gehad om de verkoopnota als echt en onvervalst te gebruiken èn het betreft een geschrift dat bestemd was om te dienen als bewijs van enig feit, namelijk aan wie de auto toebehoorde. Op die manier probeerden verdachten de toen al onder [medeverdachte] in beslag genomen auto terug te krijgen.

Het standpunt van de verdediging

Verdachte heeft verklaard dat de auto van het bedrijf van verdachte en medeverdachte [medeverdachte] was, dat die auto grotendeels door verdachte zelf is betaald en dat de auto werd gebruikt voor hun gezamenlijke bedrijf. Hij zou zelf enkele gegevens op de tweede verkoopnota hebben ingevuld, maar niet hebben gekeken naar het te lage verkoopbedrag omdat dat voor hem niet relevant was. Hij wilde de nota namelijk alleen gebruiken om de auto terug te krijgen toen deze onder medeverdachte [medeverdachte] in beslag genomen was en bleek dat de oorspronkelijke verkoopnota kwijt was. Dat op de eerste verkoopnota de naam van [medeverdachte] stond, kwam omdat [medeverdachte] de auto had aanbetaald.

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat het oogmerk van verdachte(n) niet zag op vervalsing van de verkoopnota nu hij (zij) uitsluitend – op verzoek van de raadsvrouw – een bewijsstuk wilde(n) waarmee kon worden aangetoond dat de auto van verdachte was, zodat het beslag op de auto zou worden opgeheven. Ook heeft de raadsvrouw erop gewezen dat de herkomst van het geld en de auto niet is verhuld. De auto is betaald met spaargeld van verdachte. Dat is een legale herkomst. De raadsvrouw heeft dan ook verzocht om vrijspraak van het feit.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is niet tot de overtuiging gekomen dat de Mercedes daadwerkelijk van medeverdachte [medeverdachte] was. Er zijn wel aanwijzingen dat de auto van verdachte was (hij heeft er volgens hem en volgens [medeverdachte] € 40.500,- voor betaald, verkoper [verkoper] verklaart dat hij de auto aan ‘ [verdachte] ’ heeft verkocht, verdachte was aanwezig bij de levering van de auto en de auto stond (uiteindelijk) op zijn naam), maar er zijn ook aanwijzingen dat de auto van medeverdachte [medeverdachte] was (hij reed veelvuldig in de auto, heeft de auto aanbetaald, was aanwezig bij de levering ervan en zijn naam stond op de eerste verkoopnota). Ten slotte hebben verdachte en de medeverdachte verklaard dat de auto ten behoeve van hun bedrijf was aangeschaft.

Het staat vast dat op de oorspronkelijke verkoopnota andere gegevens stonden dan op de tweede nota. Omdat niet kan worden vastgesteld wie de auto kocht, kan ook geen bewezenverklaring volgen voor het valselijk (laten) opmaken of vervalsen van de verkoopnota, omdat niet valt uit te sluiten dat op die tweede nota de naam van de daadwerkelijke koper is ingevuld.

Voor wat betreft het op de tweede verkoopnota genoemde bedrag, dat lager is dan de werkelijk betaalde verkoopprijs, geldt dat niet kan worden bewezen dat verdachte het oogmerk had om een verkoopnota met een lager bedrag als echt en onvervalst te (doen) gebruiken. Getuige [verkoper] heeft wisselend verklaard over de reden waarom op de tweede verkoopnota een bedrag van € 30.000,- vermeld wordt. Volgens verdachte en [medeverdachte] was het [verkoper] die hiertoe het initiatief nam. Onduidelijk is wat voor verdachte de reden zou kunnen zijn om, dan wel ter verhulling van de werkelijke eigenaar van de Mercedes, dan wel in het kader van de klacht over de inbeslagneming daarvan, een lager bedrag op de verkoopnota te laten vermelden. Daarbij overweegt de rechtbank dat oogmerk een zwaardere eis is dan opzet en dat bij de beoordeling van het bewijs daarvan enige terughoudendheid is geboden.

De rechtbank acht het ten laste gelegde feit niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4. Beslag

De verdediging heeft verzocht de in beslag genomen Mercedes aan [verdachte] te retourneren. De Mercedes is echter niet onder verdachte maar onder medeverdachte [medeverdachte] in beslag genomen. De officier van justitie heeft in die zaak een beslaglijst ingediend en verzocht de Mercedes verbeurd te verklaren. Omdat daar in deze zaak geen sprake van is, gaat de rechtbank aan het verzoek van de verdediging voorbij.

5 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mr. P.P.C.M. Waarts, voorzitter,

mrs. R.C.J. Elte-Hamming en O.P.M. Fruytier, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. E.R.E. Evans, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 13 juli 2018.