Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:4994

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
13-07-2018
Datum publicatie
13-07-2018
Zaaknummer
13-710081-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/710081-11 (Promis)

Datum uitspraak: 13 juli 2018

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboortegegevens] 1983,

ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres [adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 29 juni 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van de officier van justitie
mr. S.W.M. van der Linde, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. F.A. ten Berge, naar voren hebben gebracht.

2 De beschuldiging

Verdachte wordt er – kort gezegd – van beschuldigd dat hij samen met een ander of anderen

  1. een bedrag van € 42.500,- en/of een auto van het merk Mercedes heeft witgewassen; en

  2. bij de koop van die Mercedes een geschrift heeft vervalst of laten vervalsen.

De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in bijlage I, die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Vrijspraak

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de beide feiten. Zij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte] hebben geprobeerd te verhullen dat de Mercedes eigenlijk van verdachte was. Om die reden is de naam op de verkoopnota aangepast. Verdachten hebben dus het voor artikel 225 lid 1 Sr benodigde oogmerk gehad om de verkoopnota als echt en onvervalst te gebruiken èn het betreft een geschrift dat bestemd was om te dienen als bewijs van enig feit, namelijk aan wie de auto toebehoorde. Op die manier probeerden verdachten de toen al onder [verdachte] in beslag genomen auto terug te krijgen.

Het standpunt van de verdediging

Verdachte heeft verklaard dat de auto van [medeverdachte] was, dat die auto ook grotendeels door [medeverdachte] is betaald en dat de auto werd gebruikt voor hun gezamenlijke bedrijf. Verdachte zou niets van doen hebben gehad met de tweede verkoopnota, al was hij wel aanwezig bij het opmaken daarvan. Welke gegevens op de nota terecht zijn gekomen, was voor verdachte niet relevant.

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat het oogmerk van verdachte(n) niet zag op vervalsing van de verkoopnota nu hij (zij) uitsluitend – op verzoek van de raadsvrouw – een bewijsstuk wilde(n) waarmee kon worden aangetoond dat de auto van [medeverdachte] was, zodat het beslag op de auto zou worden opgeheven. Ook heeft de raadsvrouw erop gewezen dat de herkomst van het geld en de auto niet is verhuld. De auto is betaald met spaargeld van [medeverdachte] . Dat is een legale herkomst. De raadsvrouw heeft dan ook verzocht om vrijspraak van beide feiten.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is niet tot de overtuiging gekomen dat de Mercedes daadwerkelijk van verdachte was. Daarvoor zijn wel aanwijzingen (hij reed veelvuldig in de auto, heeft de auto aanbetaald, was aanwezig bij de levering ervan en zijn naam staat op de eerste verkoopnota), maar er zijn ook aanwijzingen dat de auto van medeverdachte [medeverdachte] was (hij heeft er volgens hem en volgens [verdachte] € 40.500,- voor betaald, verkoper [verkoper] verklaart dat hij de auto aan ‘ [medeverdachte] ’ heeft verkocht, [medeverdachte] was aanwezig bij de levering van de auto en de auto stond (uiteindelijk) op zijn naam). Ten slotte hebben verdachte en medeverdachte verklaard dat de auto ten behoeve van hun bedrijf was aangeschaft.

Het staat vast dat op de oorspronkelijke verkoopnota andere gegevens stonden dan op de tweede nota. Omdat niet kan worden vastgesteld wie de auto kocht, kan ook geen bewezenverklaring volgen voor het valselijk (laten) opmaken of vervalsen van de verkoopnota, omdat niet valt uit te sluiten dat op die tweede nota de naam van de daadwerkelijke koper is ingevuld.

Voor wat betreft het op de tweede verkoopnota genoemde bedrag, dat lager is dan de werkelijk betaalde verkoopprijs, geldt dat niet kan worden bewezen dat verdachte het oogmerk had om een verkoopnota met een lager bedrag als echt en onvervalst te (doen) gebruiken. Getuige [verkoper] heeft wisselend verklaard over de reden waarom op de tweede verkoopnota een bedrag van € 30.000,- vermeld wordt. Volgens verdachte en [medeverdachte] was het [verkoper] die hiertoe het initiatief nam. Onduidelijk is wat voor verdachte de reden zou kunnen zijn om, dan wel ter verhulling van de werkelijke eigenaar van de Mercedes, dan wel in het kader van de klacht over de inbeslagneming daarvan, een lager bedrag op de verkoopnota te laten vermelden. Daarbij overweegt de rechtbank dat oogmerk een zwaardere eis is dan opzet en dat bij de beoordeling van het bewijs daarvan enige terughoudendheid is geboden.

De rechtbank acht het onder 2 ten laste gelegde feit niet bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

De vragen die de rechtbank over het ten laste gelegde witwassen moet beantwoorden zijn:

  • -

    of de Mercedes en het geld een criminele herkomst hadden;

  • -

    zo ja, of verdachte dat wist;

  • -

    zo ja, of en welke handelingen door verdachte zijn verricht om die criminele herkomst te verhullen.

Criminele herkomst

De vraag naar de criminele herkomst ziet op het bestanddeel ‘afkomstig van enig misdrijf’.
In dit geval bevat het dossier onvoldoende informatie voor het vaststellen van een rechtstreeks verband tussen de auto/het geld en een concreet strafbaar feit. Voor bewezenverklaring van het bestanddeel ‘afkomstig van enig misdrijf’ is echter ook voldoende dat het op grond van vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan dan dat het betreffende voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Die redenering begint met een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen dat verdachte zal moeten tegenspreken: als uit de feiten en omstandigheden die het Openbaar Ministerie aandraagt blijkt dat vermoedelijk sprake is van witwassen (dat vermoeden is dan gebaseerd op algemene ervaringsregels, vastgelegd door de FIU) is het aan verdachte dat vermoeden te weerleggen met een verklaring op basis waarvan kan worden onderzocht of een andere dan een criminele herkomst kan worden aangewezen. Aan die verklaring over het legale karakter van de herkomst worden eisen gesteld: de verklaring moet concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk zijn.

Het vermoeden van witwassen van de Mercedes bestaat eruit dat de auto zou zijn gekocht van geld dat een criminele herkomst heeft. Het vermoeden van witwassen van het geld is gebaseerd op de vaststelling dat het een groot, contant bedrag is geweest, bestaande uit – onder meer – grote coupures. Verdachte heeft over de herkomst van het geld verklaard dat € 2.000,- van het geld van hem was en dat de rest contant spaargeld van [medeverdachte] was. Die verklaring voldoet naar het oordeel van de rechtbank aan de eisen die daaraan worden gesteld: de verklaring is concreet en specifiek, verifieerbaar – in ieder geval – via [medeverdachte] en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk. Daarbij weegt mee dat het witwasvermoeden op voldoende, maar wel relatief beperkte gronden is gebaseerd, zodat aan de verklaring van verdachte niet heel hoge eigen hoeven worden gesteld.

Door het Openbaar Ministerie is enig onderzoek verricht naar die verklaring: [medeverdachte] en [verkoper] (de verkoper van de auto) zijn gehoord. Zij bevestigen allebei de verklaring van verdachte dat het geld waarmee de auto is betaald grotendeels van [medeverdachte] kwam. [medeverdachte] heeft verklaard dat het spaargeld was en heeft (ter zitting) uitgelegd hoe hij zo’n groot bedrag heeft kunnen sparen. Weliswaar ligt er een verdenking dat de originele verkoopnota waarop die beide heren zijn genoemd later is vervalst, maar zoals gezegd heeft dat niet tot een bewezenverklaring geleid. Daarom doet die verdenking niet af aan hun verklaringen. Door het Openbaar Ministerie is geen onderzoek gedaan naar de (legale) inkomstenbronnen van [medeverdachte] in de jaren voorafgaand aan de koop van de Mercedes, ter beantwoording van de vraag hoe aannemelijk het is dat [medeverdachte] een bedrag van ruim € 40.000,- opzij zou hebben gezet. Al met al is zodanig tegenwicht geboden aan het gerechtvaardigd vermoeden van witwassen dat níet kan worden gezegd dat het niet anders kan dan dat het geld van enig misdrijf afkomstig is en dat de auto is aangekocht met crimineel geld.

De rechtbank acht het onder 1 ten laste gelegde feit daarom evenmin bewezen. Verdachte zal ook daarvan worden vrijgesproken.

4 Beslag

De Mercedes waar het in deze zaak over gaat is onder verdachte in beslag genomen. De officier van justitie heeft verzocht die Mercedes verbeurd te verklaren. De verdediging heeft verzocht de Mercedes aan [medeverdachte] te retourneren.

Verbeurdverklaring kan alleen worden uitgesproken bij veroordeling van enig strafbaar feit. Dat is niet aan de orde. Gelet op het feit dat de rechtbank op basis van het dossier niet heeft kunnen vaststellen van wie de Mercedes echt is, zal de rechtbank bepalen dat de Mercedes moet worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende. Die beslissing doet overigens niet af aan het conservatoir dat ook op de Mercedes rust.

5 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de personenauto met kenteken
[kenteken] (Mercedes Benz C320 CDI 2007, kleur: wit).

Dit vonnis is gewezen door

mr. P.P.C.M. Waarts, voorzitter,

mrs. R.C.J. Elte-Hamming en O.P.M. Fruytier, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. E.R.E. Evans, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 13 juli 2018.