Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:4975

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
17-04-2018
Datum publicatie
16-01-2019
Zaaknummer
AMS 18/18
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Pw, terugvordering wegens wel gemelde inkomsten, berekeningen verweerder onduidelijk, gegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 18/18

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 april 2018 in de zaak tussen

[naam eiseres] , te Amsterdam, eiseres

(gemachtigde: R.S. van den Berg),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Mulders en G. Keijer).

Procesverloop

Bij besluit van 23 maart 2017 heeft verweerder de bijstandsuitkering van eiseres herzien, omdat eiseres over de maanden maart 2016, juli 2016 en augustus 2016 teveel bijstand heeft ontvangen, en heeft het teveel betaalde bedrag van € 517,23 van eiseres teruggevorderd.

Eiseres heeft hiertegen op 26 april 2017 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 19 mei 2017 heeft verweerder de bijstandsuitkering van eiseres vervolgens opnieuw herzien, omdat eiseres over de maanden maart 2016, juli 2016, augustus 2016 én september 2016 teveel bijstand heeft ontvangen. Verweerder heeft het teveel betaalde bedrag van € 1.878,19 van eiseres teruggevorderd.

Eiseres heeft hiertegen op 20 juni 2017 bezwaar gemaakt.

Bij brief van 13 november 2017 heeft verweerder voorgesteld het besluit van 19 mei 2017 te herzien, in die zin dat – na een herberekening – van eiseres een bedrag van € 1.427,46 zal worden teruggevorderd. Eiseres is in de gelegenheid gesteld hierop te reageren.

Bij besluit van 24 november 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres van 20 juni 2017 vervolgens gedeeltelijk gegrond verklaard. Verweerder heeft – na weer een herberekening – het besluit van 19 mei 2017 herroepen en het bedrag dat van eiseres zal worden teruggevorderd verlaagd naar € 569,74.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 maart 2018. Eiseres en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

Achtergrond

1. Eiseres is een alleenstaande moeder en ontving sinds 2003 een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande ouder. Eiseres werkt daarnaast sinds 2014 bij [bedrijf] . Zij heeft deze inkomsten altijd aan verweerder doorgegeven. Zij zat met dit inkomen in elk geval tot 1 november 2016 niet boven de bijstandsnorm. Wel kon (en zou) verweerder deze inkomsten verrekenen met de bijstandsuitkering. Sinds 1 november 2016 is eiseres bij [bedrijf] in vaste dienst getreden. Verweerder heeft bij besluit van 30 december 2016 de bijstandsuitkering van eiseres met ingang van 1 november 2016 beëindigd. Eiseres heeft tegen dat besluit geen rechtsmiddelen aangewend.

Overwegingen van de rechtbank

2. De rechtbank stelt vast dat verweerder ter zitting heeft verklaard dat hij de terugvordering van het bedrag van € 569,74 niet langer handhaaft, gelet op het volgende. De besluitvorming heeft niet zorgvuldig plaatsgevonden. Verweerder heeft viermaal een ander terugvorderingsbedrag aan eiseres bekendgemaakt en begrijpt dat eiseres hierdoor veel stress heeft ervaren. Daar komt bij dat de berekening van het teruggevorderde bedrag nog steeds lastig inzichtelijk is te maken, onder andere omdat eerdere verrekeningen van de bijstand niet meer zijn te achterhalen. Verweerder is niet in staat een duidelijkere berekening te maken dan hij in het bestreden besluit heeft gemaakt. Gelet op de voorgaande, bijzondere omstandigheden, ziet verweerder daarom alsnog af van de herziening van de bijstandsuitkering en de terugvordering van het bedrag van € 569,74. Gelet hierop, dient het beroep gegrond te worden verklaard.

3. De rechtbank komt niet toe aan de stelling van eiseres dat over de maanden november en december 2016 en januari en februari 2017 nog een herberekening dient plaats te vinden, omdat zij toen toch nog recht had op bijstand. Het bestreden besluit ziet daar immers niet op en eiseres heeft geen rechtsmiddelen aangewend tegen het besluit van verweerder van 30 december 2016 tot beëindiging van de uitkering per 1 november 2016. Dat besluit staat dus in rechte vast. Evenmin komt de rechtbank toe aan de stelling van eiseres dat verweerder in de periode van oktober 2003 tot en met december 2015 waarschijnlijk een te laag uitkeringsbedrag aan eiseres heeft uitgekeerd, omdat hij geen rekening heeft gehouden met de inkomensvrijlating van eiseres als alleenstaande moeder. Het bestreden besluit ziet immers ook niet op deze periode. Eiseres kan eventueel wel verzoeken om herziening van de in het verleden verstrekte bijstandsuitkering bij verweerder indienen.

4. Gelet op het voorgaande, verklaart de rechtbank het beroep gegrond en vernietigt zij het bestreden besluit. De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien en de primaire besluiten tot herziening van de bijstandsuitkering en terugvordering van 23 maart 2017 en 19 mei 2017 herroepen. De rechtbank bepaalt dat haar uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit.

5. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

6. Eiseres heeft verzocht om een vergoeding van verletkosten, omdat zij een hele dag vrij zou moeten nemen om de behandeling van haar beroep ter zitting bij te wonen. Eiseres is echter niet ter zitting verschenen, zodat reeds daarom geen aanleiding bestaat voor een vergoeding van deze kosten. Daarnaast heeft eiseres nog verzocht om een vergoeding van kosten die zij heeft gemaakt voor drukwerk. Ook voor een vergoeding van deze kosten bestaat geen aanleiding, nu deze kosten niet vallen onder de kosten die volgens artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    herroept de primaire besluiten van 23 maart 2017 en 19 mei 2017 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46,- aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.H. van Zutphen, rechter, in aanwezigheid van mr. E.A. Kreb, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 april 2018.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.