Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:4919

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
03-07-2018
Datum publicatie
16-07-2018
Zaaknummer
13-674159-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Hennepplantage in woning waarvan verdachte huurder is. Brand in woning. Diefstal elektriciteit. Gevangenisstraf 1 maand voorwaardelijk en taakstraf 120 uur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/674159-16 (Promis)

Datum uitspraak: 3 juli 2018

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1983,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [BRP-adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 19 juni 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. S. van der Veen, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. C.D.W. Herrings, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Verdachte wordt onder feit 1 verweten dat hij in de periode van 1 november 2015 tot en met 23 januari 2016 te Amsterdam hennep heeft geteeld. Onder feit 3 wordt hem verweten dat hij zich in dezelfde periode schuldig heeft gemaakt aan diefstal van elektriciteit. Onder feit 2 wordt verdachte verweten dat op 23 januari 2016 te Amsterdam brand is ontstaan door zijn schuld en dat daardoor gevaar is ontstaan voor personen en goederen.

De tekst van de gehele tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Waardering van het bewijs

3.1

Feiten en omstandigheden

Op 23 januari 2016 kregen verbalisanten de melding om naar [adres 1] te gaan. De woning op dat adres stond in brand. De brandweer is ongeveer een uur met drie brandweerwagens bezig geweest om de brand onder controle te krijgen. In het naastgelegen pand zijn vier personen met behulp van het redvoertuig gered. Zij zijn van het balkon gehaald door de brandweer. De brand op de tweede etage is doorgeslagen naar de eerste etage.

Bij het betreden van de woning werd een hennepkwekerij aangetroffen. In totaal stonden er 194 hennepplanten. Verder werden de volgende goederen aangetroffen 9 assimilatielampen, 1 koolstoffilter, 1 aan- en afzuiginstallatie, 9 armaturen, 1 tijdschakelaar, 1 slakkenhuis, 2 metalen ventilatoren, 2 kunststof ventilatoren, 5 kannen met groeimiddelen en 1 thermometer.

Een medewerker van Liander N.V. heeft een onderzoek ingesteld en heeft vastgesteld dat er een illegale elektriciteitsaansluiting was gemaakt. Door de manipulatie werd de afgenomen elektriciteit ten behoeve van de hennepplantage niet via de elektriciteitsmeter geregistreerd. Naar aanleiding van de inventarisatie en het ingestelde onderzoek is een berekening gemaakt waaruit blijkt dat er minimaal 21.140 kWh illegaal is afgenomen ten behoeve van de hennepplantage.

In de gemeentelijke basisadministratie op genoemd perceel stond sinds 5 augustus 2015 ingeschreven: [verdachte] , geboren op [geboortedag] 1983 te [geboorteplaats] . Op 23 januari 2016 was dat nog steeds zo.

3.2

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie acht op grond van de aangifte, het proces-verbaal van aantreffen hennepkwekerij en het rapport van de brandweer alle feiten bewezen. Zij heeft in het bijzonder het volgende aangevoerd. Er is een hennepkwekerij aangetroffen op het adres waar verdachte stond ingeschreven. Het alternatieve scenario dat verdachte heeft geschetst, is niet aannemelijk. Daarom moet ervan uit worden gegaan dat verdachte in de betreffende periode verbleef op het adres waar hij stond ingeschreven. Dit maakt dat de hennepkwekerij bij verdachte in gebruik was.

3.3

Het standpunt van de verdediging

Verdachte ontkent dat hij in de betreffende periode op het adres waar hij stond ingeschreven verbleef. Hij heeft verklaard dat hij de woning in de betreffende periode heeft onderverhuurd. De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van alle feiten wegens onvoldoende wettig bewijs. Zij heeft daartoe ten aanzien van feit 1 aangevoerd dat uit jurisprudentie1 volgt dat de enkele omstandigheid dat verdachte officieel huurder was van een woning waarin een hennepkwekerij is aangetroffen en het contract met het energiebedrijf heeft gesloten, onvoldoende is om betrokkenheid van de verdachte bij de hennepkwekerij te kunnen aannemen. Om tot een bewezenverklaring van het telen of voorhanden hebben van hennep te komen, is een actieve rol en een zekere betrokkenheid vereist. Er is geen bewijs dat verdachte bij de hennepteelt een actieve rol heeft gespeeld. Op basis van het dossier kan evenmin worden vastgesteld dat verdachte het al dan niet voorwaardelijk opzet heeft gehad op de aanwezigheid van de hennepkwekerij in de door hem onderverhuurde woning. Wegens het ontbreken van bewijs voor feit 1, kan feit 2 niet worden bewezen. Overigens is niet gebleken dat de brand is ontstaan door de illegaal aangelegde elektrische installatie. Ten aanzien van feit 3 geldt dat het bewijs ontbreekt dat verdachte zelf betrokken is geweest bij het manipuleren van de elektriciteitsmeter, waardoor de elektriciteit is weggenomen.

3.4

Het oordeel van de rechtbank

Er is een hennepkwekerij aangetroffen op het adres waar verdachte stond ingeschreven. Verdachte heeft verklaard dat hij de woning in de maanden november en december van 2015 en januari van 2016 had onderverhuurd aan een man genaamd ‘ [persoon] ’ en dat hij die maanden zelf niet in de woning verbleef. Verdachte heeft verklaard dat hij [persoon] in een coffeeshop heeft ontmoet en dat [persoon] drie maanden huur contant aan verdachte heeft betaald. Bij de politie heeft verdachte verklaard dat [persoon] ongeveer 2.200 euro aan huur heeft betaald. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat [persoon] 1.800 euro aan huur heeft betaald. Tijdens het politieverhoor is aan verdachte gevraagd op welke manier hij met [persoon] sprak en of dat over de telefoon ging. Verdachte antwoordde: “Niks over de telefoon.” Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij het telefoonnummer van [persoon] had en dat zij wel eens met elkaar belden.

De rechtbank hecht geen waarde aan de enkele bewering van verdachte dat hij de door hem gehuurde woning heeft onderverhuurd aan een man genaamd [persoon] . Verdachte heeft zijn verklaring namelijk op geen enkele wijze geconcretiseerd en verifieerbaar gemaakt. Verdachte had dit wel kunnen doen door de politie het telefoonnummer van [persoon] te geven, waarover hij naar eigen zeggen beschikte. Het dossier bevat ook geen enkel aanknopingspunt dat de stelling van verdachte dat een ander verantwoordelijk is voor de aangetroffen hennepkwekerij, zou kunnen onderbouwen. Bovendien is verdachte zoals hiervoor is weergegeven niet consistent in zijn verklaringen. Ten slotte heeft verdachte niet aannemelijk gemaakt dat hij in de betreffende periode op een ander adres verbleef, dan het adres waar hij stond ingeschreven.

Uit de bewijsmiddelen, waaruit blijkt dat verdachte de huurder was van de woning waarin de hennepkwekerij is aangetroffen, zulks in samenhang bezien met hetgeen hiervoor is overwogen, leidt de rechtbank af dat het verdachte is geweest die daar hennep heeft geteeld.

De jurisprudentie waarnaar de raadsvrouw heeft verwezen is niet van toepassing op deze zaak. In de zaken waarnaar is verwezen, wordt er namelijk van uitgegaan dat de ruimte waarin de hennepkwekerij is aangetroffen daadwerkelijk aan een derde is verhuurd door de verdachte. Vervolgens wordt in die jurisprudentie getoetst of het vereiste opzet voor medeplichtigheid dan wel medeplegen kan worden aangenomen. Anders dan in die zaken het geval is, acht de rechtbank in deze zaak onaannemelijk dat de woning daadwerkelijk werd verhuurd aan een derde en komt de rechtbank niet toe aan de door de raadsvrouw opgeworpen vragen.

Uit het door Liander uitgevoerde onderzoek is gebleken dat de zegels van de hoofdaansluitkast en de stijgkast waren verbroken. In de stijgkast was een illegale elektriciteitsaansluiting gemaakt. Door de manipulatie werd de afgenomen elektriciteit ten behoeve van de hennepplantage niet via de elektriciteitsmeter geregistreerd. Uit dat onderzoek bleek tevens dat de hennepplantage in ieder geval in de periode van november 2015 tot 23 januari 2016 was ingericht. Nu de rechtbank – zoals hiervoor overwogen – van oordeel is dat verdachte degene is die in de woning verbleef en daarin hennep teelde, acht de rechtbank ook bewezen dat verdachte degene is die zich de elektriciteit wederrechtelijk heeft toegeëigend. Ten laste is gelegd dat een hoeveelheid van 12.140 kWh is weggenomen. De rechtbank begrijpt dat sprake is van een kennelijke verschrijving, nu uit de ‘berekening energieverbruik’ op pagina 25 van het dossier blijkt dat een hoeveelheid van 21.140 kWh is weggenomen. De rechtbank gaat uit van diefstal van de laatstgenoemde hoeveelheid.

Liander heeft vastgesteld dat de gemanipuleerde elektriciteitsaansluiting niet voldeed aan de norm NEN 1010. Als gevolg daarvan was er volgens Liander gevaar voor goederen te duchten.

De brand in de woning is ontstaan op de tweede etage, waar de hennepkwekerij zich bevond. Door verhitting van een motor is die motor door de vloer gebrand en is er brand ontstaan, zo blijkt uit onderzoek door de brandweer. De brand is vervolgens doorgeslagen naar de eerste verdieping van de woning.

Het is een feit van algemene bekendheid en moet dus ook aan de verdachte bekend zijn geweest, dat hennepkwekerijen een zeer aanzienlijke hoeveelheid stroom vragen en dat de daarvoor benodigde elektrische installaties doorgaans illegaal en veelal op onprofessionele wijze worden aangelegd, waarbij vaak onvoldoende rekening wordt gehouden met de (beperkte) belastbaarheid van de installatie en de daaruit voortvloeiende risico’s van overbelasting, kortsluiting en brand. Van verdachte, die hennep in zijn woning teelde, mocht daarom worden verwacht dat hij zich van de deugdelijkheid van de daarvoor aangelegde elektrische installatie had vergewist. Verdachte heeft dit nagelaten. Door dit nalaten is er sprake van aanmerkelijke onvoorzichtigheid en heeft verdachte schuld aan de brand die is ontstaan. Uit de feiten en omstandigheden zoals omschreven onder 3.1 blijkt dat door de brand zowel gevaar voor goederen als voor personen is ontstaan.

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank alle ten laste gelegde feiten bewezen.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is overwogen en de als bijlage II aan dit vonnis gehechte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

Ten aanzien van feit 1

in de periode van 1 november 2015 tot en met 23 januari 2016 te Amsterdam, opzettelijk heeft geteeld in een pand aan [adres 1] een hoeveelheid van ongeveer 194 hennepplanten;

Ten aanzien van feit 2

op 23 januari 2016 te Amsterdam, aanmerkelijk onvoorzichtig in een pand gelegen aan [adres 1] een hennepkwekerij aanwezig heeft gehad, terwijl die hennepkwekerij was voorzien van een onveilig en illegaal aangelegde elektrische installatie, ten gevolge waarvan het aan zijn schuld te wijten is geweest, dat er brand is ontstaan en dat voornoemd pand en een aangrenzende woning gedeeltelijk zijn verbrand, terwijl daardoor gemeen gevaar voor de aangrenzende woningen en de in de aangrenzende woningen gelegen goederen, ontstond en levensgevaar voor de in de aangrenzende woningen aanwezige personen ontstond;

Ten aanzien van feit 3

in de periode van 1 november 2015 tot en met 23 januari 2016 te Amsterdam, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid elektriciteit te weten 21.140 kWh, toebehorende aan Liander NV, waarbij verdachte het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door verbreking.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straffen en maatregelen

7.1

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 120 uren, met bevel, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 60 dagen.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen strafmaatverweer gevoerd.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft een hennepkwekerij aanwezig gehad in zijn woning. Hierdoor heeft hij een bijdrage geleverd aan de handel in softdrugs en aan de daarmee gepaard gaande vermogens- en andere (zware) criminaliteit . Verder levert een kwekerij, waarbij op illegale wijze elektriciteit wordt onttrokken aan het net en de elektrische installatie ondeskundig is aangelegd, (brand-) gevaar op voor de omgeving en omwonenden. Daar is deze zaak een voorbeeld van. Bij die brand is gevaar voor personen en goederen ontstaan. Verdachte heeft zich kennelijk om al deze gevolgen niet bekommerd en slechts gehandeld uit winstbejag.

De rechtbank heeft acht geslagen op de oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht. Voor het aanwezig hebben van 194 hennepplanten geldt als oriëntatiepunt een gevangenisstraf van één maand voorwaardelijk en een taakstraf van 120 uur. Dit oriëntatiepunt is hoger dan de straf die door de officier van justitie is geëist.

De rechtbank is van oordeel dat een hogere straf dan het oriëntatiepunt in de rede had gelegen, nu verdachte tevens wordt veroordeeld voor diefstal en brand door schuld. Gelet op het feit dat de feiten ruim twee jaar geleden zijn gepleegd en dat verdachte nadien niet opnieuw met politie en justitie in aanraking is gekomen, acht de rechtbank een straf conform voornoemd oriëntatiepunt passend en geboden. De rechtbank zal een gevangenisstraf van een maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en een taakstraf van 120 uren, te vervangen door 60 dagen hechtenis indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, opleggen.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 57, 158, 311 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 3 en 11 van de Opiumwet.

9 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1

Opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod

Ten aanzien van feit 2

Aan zijn schuld brand te wijten zijn, terwijl daarvoor gemeen gevaar voor goederen

en

Aan zijn schuld brand te wijten zijn, terwijl daardoor /levensgevaar voor een ander ontstaat

Ten aanzien van feit 3

Diefstal

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 1 (één) maand.

Beveelt dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van 120 (honderdtwintig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 60 (zestig) dagen, met bevel dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van deze straf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 (twee) uren per dag.

Dit vonnis is gewezen door

mr. P.P.C.M. Waarts, voorzitter,

mrs. M.E. Leijten en A.C.J. Klaver, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. B. Pünt, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 3 juli 2018.

1 De raadsvrouw heeft de volgende jurisprudentie aangehaald: HR 4 januari 2011, LJN: BO3975, HR 9 februari 2010, LJN BJ9930, HR 3 november 2009, LJN BJ9631, NJ 2010/335, LJN BJ 6944, NJ 2010/336, HR 3 juni 2009, LJN BD2932, HR 30 mei 2006, LJN AV2344, HR 28 juni 2011, LJN BQ1961, HR 16 november 2010, LJN BN8363, NJ 2010, 639, HR 2 juni 2009, LJN BI1014, NJ 2009, 280, HR 3 november 2009, LJN BJ6931, NJ 2010, 335 en HR 3 november 2009, LJN BJ6944, NJ 2010, 336, 337.