Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:4910

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
28-03-2018
Datum publicatie
16-07-2018
Zaaknummer
13/665510-16 en 15/820598-14
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

gewapende woning overval, waarbij alle bewoners zwaar (lichamelijk) letsel hebben opgelopen. Gevangenisstraf 6 jaar

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT VONNIS

Parketnummer: 13/665510-16 en 15/820598-14 (tul)

Datum uitspraak: 28 maart 2018

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

gedetineerd in het Huis van Bewaring [detentieadres]

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 14 maart 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. J.H. van der Meij en van wat verdachte en zijn raadsman mr. K.H.T. van Gijssel naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Verdachte wordt – kort gezegd – beschuldigd van een overval op 11 juni 2016, ten gevolge waarvan alle bewoners zwaar (lichamelijk) letsel hebben opgelopen.

De tekst van de volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I, die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft onder verwijzing naar haar op schrift gestelde requisitoir gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde. Zij heeft daartoe, kort samengevat, het volgende aangevoerd.

Op basis van de aangiftes, de gegevens van de telefoon afkomstig uit de vluchtauto, het aantreffen van een monddoek met het DNA van verdachte op de vluchtroute, de gegeven signalementen, de letselverklaringen en de grotendeels bekennende verklaring van verdachte kan diefstal met geweld, in vereniging gepleegd, met zwaar lichamelijk letsel voor de slachtoffers tot gevolg, bewezen worden verklaard.

4.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman sluit zich ten aanzien van het bewijs grotendeels aan bij de officier van justitie. Verdachte heeft bekend dat hij [persoon] (hierna: [persoon] ) met de knuppel op haar armen, benen en rug heeft geslagen, maar verdachte blijft erbij dat hij niet op haar hoofd heeft geslagen. Verdachte heeft daarnaast ontkend dat hij [persoon 1] (hierna: [persoon 1] ) met de knuppel heeft geslagen. Hij heeft haar met zijn handpalm tegen haar gezicht weggeduwd, waardoor zij is gevallen. Verdachte is hierna weggerend. Volgens de raadsman zijn de verklaringen van de aangevers hierover onduidelijk, maar kan het slaan op het hoofd in het kader van medeplegen wel worden bewezen en daarmee kan het ten laste gelegde op grond van de aangiften en de verklaring van verdachte worden bewezen. PTSS kan echter niet worden gekwalificeerd als zwaar lichamelijk letsel, zodat verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging dient te worden vrijgesproken.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft acht geslagen op de zich in het dossier bevindende stukken en overweegt als volgt.

Op 11 juni 2016 heeft een woningoverval op de [plaats delict] te [woonplaats] plaatsgevonden. Ten tijde van de woningoverval bevonden [persoon] , bewoonster, [persoon 1] , [persoon 2] en [persoon 3] zich in de woning.

Verdachte heeft verklaard dat hij wist dat medeverdachten de overval wilden plegen en dat hij in die wetenschap met hen is meegegaan. Verdachte heeft aangevers samen met medeverdachten vastgebonden met tape en daarmee hun mond afgeplakt. Verdachte heeft verklaard dat hij een honkbalknuppel had meegenomen uit de auto en daarmee aangeefster [persoon] heeft bedreigd en geslagen op haar armen, benen en rug. Op grond van de verklaringen van [persoon] en [persoon 1] acht de rechtbank – ondanks de ontkenning van verdachte op dat punt – ook bewezen dat verdachte [persoon] met de knuppel op haar hoofd heeft geslagen. De rechtbank ziet namelijk geen aanleiding te twijfelen aan de verklaringen van aangeefsters. Verdachte heeft verder ontkend [persoon 1] met de knuppel te hebben geslagen. Hij heeft verklaard dat hij haar met zijn handpalm tegen haar gezicht heeft weggeduwd, waardoor zij is gevallen. Op grond van de verklaringen van [persoon] , [persoon 1] en [persoon 2] acht de rechtbank bewezen dat verdachte ook [persoon 1] met de knuppel heeft geslagen. De rechtbank ziet geen aanleiding te twijfelen aan deze verklaringen en acht de verklaring van verdachte onaannemelijk gelet op het letsel dat [persoon 1] heeft opgelopen. [persoon 1] verklaart dat zij onder meer is geslagen toen zij tussen haar moeder en de verdachte is gekomen ter bescherming van haar moeder. Daardoor heeft zij ook klappen gekregen.

De rechtbank stelt vast dat er drie mannen met drie wapens in de woning zijn geweest en dat aan de bewoners letsel is toegebracht. Hoewel de rechtbank heeft geoordeeld dat verdachte [persoon] en [persoon 1] met een knuppel heeft geslagen, kan niet worden bewezen door wie of met welk wapen exact welk letsel is ontstaan, zodat de rechtbank heeft gekozen voor de en/of-variant in de bewezenverklaring.

De rechtbank acht dus bewezen dat verdachte de ten laste gelegde overval heeft gepleegd.

PTSS zwaar lichamelijk letsel?

In de tenlastelegging wordt onder het zwaar lichamelijk letsel dat de slachtoffer hebben geleden mede begrepen dat de slachtoffers als gevolg van het geweld lijden aan een post traumatisch stress syndroom (PTSS). Hoewel de rechtbank bewezen acht dat de slachtoffers als gevolg van het geweld aan PTSS lijden, kan dat niet worden gekwalificeerd als zwaar lichamelijk letsel. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 19 februari 2013 (ECLI:NL:HR:2013:BX9407), waarin het ook ging over de vraag of PTSS kon worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel overwogen “dat psychische gevolgen van gedragingen zoals bewezenverklaard, welke gevolgen niet zonder meer zijn aan te merken als een (ver)storing van de verstandelijke vermogens in de zin van art. 82, tweede lid, Sr, niet kunnen worden aangemerkt als "zwaar lichamelijk letsel" als bedoeld in art. 248, eerste lid, Sr [..]”.

Voor dat onderdeel dient de verdachte te worden vrijgesproken.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

op 11 juni 2016 te Amsterdam, omstreeks 03.30 uur, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning aan de [plaats delict] [huisnummer] , heeft weggenomen mobiele telefoons (o.a. Samsung S6 en Samsung S5 mini), een mp3-speler/ mediaplayer (Samsung Galaxy S) en een mapje met politie-embleem, toebehorende aan [persoon 1] en [persoon 2] , waarbij verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en die mobiele telefoons, die mp3-speler/ mediaplayer (Samsung Galaxy S) en dat mapje met politie-embleem onder hun bereik hebben gebracht door middel van inklimming en welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen die [persoon] en [persoon 1] en [persoon 2] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden, gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en zijn mededaders hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestond, dat hij, verdachte, en zijn mededaders

- met kracht met een koevoet en een honkbalknuppel en vuurwapen, op het hoofd en rug en zij en benen en armen en schouders, van die [persoon] en [persoon 1] en [persoon 2] hebben geslagen en

- een vuurwapen op het hoofd van die [persoon] en [persoon 1] en [persoon 2] hebben gericht en

- hebben geroepen: "Wie is de baas, wie is de baas." en "Liggen, liggen." en "Waar zijn die spullen, waar zijn die spullen.", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en

- de handen en/of monden van die [persoon] en [persoon 1] en [persoon 2] met tape hebben vast- en/of dichtgebonden

ten gevolge waarvan

die [persoon] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen, te weten fracturen in het gezicht en één of meer littekens op het hoofd en op het lichaam en (crush)letsel en een fractuur van de vinger van de rechterhand en chronische pijn aan/in het hoofd/gezicht en aan/in het lichaam,

die [persoon 1] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen, te weten een fractuur van de ellepijp en luxaties van de schouders en een litteken op het hoofd en een (zware) hersenschudding/kneuzing en chronische pijn aan/in het hoofd/gezicht en aan/in het lichaam

en

die [persoon 2] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen, een fractuur van de neus ten gevolge waarvan die neus scheef is komen te staan en een fractuur van de voet.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van zeven jaren, met aftrek van voorarrest.

De officier van justitie heeft daarnaast de tenuitvoerlegging gevorderd van de twee maanden gevangenisstraf die eerder in voorwaardelijke vorm aan verdachte is opgelegd.

8.2.

Het strafmaatverweer van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (hierna: LOVS) bij een overval in een woning een gevangenisstraf tussen de drie en vijf jaren als oriëntatiepunt geeft. De verdediging wijst erop dat medeverdachten zijn veroordeeld tot gevangenisstraffen van zes en acht jaren. De verdediging heeft verzocht acht te slaan op de verschillen tussen verdachte en medeverdachten en rekening te houden met het feit dat verdachte reeds in een vroege fase heeft bekend. Verdachte heeft bovendien zijn verantwoordelijkheid genomen door in volle omvang openheid van zaken te geven. Voorts heeft verdachte een oprechte spijtbetuiging gedaan. Tenslotte is uit het Pro Justitia rapport gebleken dat het recidiverisico als laag wordt ingeschat. Gelet op voornoemde omstandigheden is een gevangenisstraf van zeven jaren niet passend. Verdachte is bereid aan zichzelf te werken en staat open voor reclasseringstoezicht. De verdediging heeft derhalve verzocht een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.

Voorts heeft de verdediging verzocht de vordering tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke veroordeling af te wijzen, dan wel de proeftijd te verlengen, nu die veroordeling ziet op een geheel ander soort en ouder feit.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Op 10 juni 2016 vierde [persoon] met haar familie haar 58ste verjaardag bij haar thuis op de [plaats delict] te Amsterdam. De verjaardag kreeg een andere wending toen in de nacht van 11 juni 2016 verdachte en zijn mededaders de woning binnendrongen. De aangevers zagen drie daders binnenkomen met een vuurwapen, een knuppel en een koevoet. [persoon] zag eerst hoe bij haar zoon, [persoon 2] , zijn handen en mond werden afgeplakt met ducttape en bij haar dochter, [persoon 1] , haar mond. Daarna werd ook haar mond afgeplakt, waardoor zij moeilijk adem kon halen. Vervolgens begon één van de daders haar genadeloos te slaan met een knuppel. [persoon 1] heeft verklaard hoe machteloos zij zich voelde op het moment dat zij zag dat haar moeder en haar broer zoveel geweld moesten ondergaan. Kleindochter [persoon 3] van 8 jaar moest aanzien hoe haar oma, tante en oom werden geslagen. [persoon] , [persoon 1] en [persoon 2] hebben als gevolg van het gebezigde geweld zwaar lichamelijk letsel opgelopen en als gevolg van de schokkende gebeurtenis allen een post traumatische stressstoornis. Dat laatste geldt ook voor [persoon 3] .

Dat de impact van de overval nog steeds groot is, blijkt uit de ter terechtzitting afgelegde en voorgedragen slachtofferverklaringen. [persoon] heeft verklaard dat de overval haar gezin uit elkaar heeft gedreven, omdat zij allemaal dezelfde pijn voelen, maar het niet aankunnen om de pijn bij elkaar te zien. Haar kinderen durven niet meer bij haar thuis te komen, de plek waar zij zijn opgegroeid en zich bij uitstek veilig zouden moeten voelen. [persoon] heeft tralies voor haar ramen laten plaatsen, maar ook dit geeft haar het gevoel van veiligheid in haar eigen huis niet terug. Lichamelijk en geestelijk is zij niet meer dezelfde vrouw als daarvoor. De linkerzijde van haar gezicht is nog steeds gevoelloos en zij heeft blijvende gehoorschade aan haar linkeroor waardoor zij afhankelijk is van een gehoorapparaat. [persoon] heeft iedere dag pijn in haar bekken en heeft schade aan haar evenwichtsorgaan opgelopen, waardoor zij moeite heeft met lopen. Haar rechterhand is zo goed als onbruikbaar, wat een enorme aanslag op haar zelfredzaamheid is. Dagelijkse dingen zoals het huishouden, zich douchen en aankleden, kan zij niet langer zelfstandig doen.

Ook [persoon 1] heeft verklaard dat zij niet dezelfde vrouw is, die zij voor de overval was. Door haar verwondingen heeft zij lange tijd niet kunnen werken. Toen zij een half jaar na de overval haar werk weer oppakte, was dit een uitlaatklep voor haar. Kort geleden bleek dat het werk [persoon 1] volledig had uitgeput en dat zij het lichamelijk en geestelijk niet meer aan kon. Met schaamte heeft zij zich ziek moeten melden, terwijl zij juist bezig was om carrière te maken. Sociale gelegenheden gaat zij uit de weg omdat zij bang is om zich onder de mensen te begeven.

[persoon 2] heeft verklaard dat hij zijn uitweg heeft gezocht in drank en drugs, en ergens anders is gaan wonen omdat het thuis niet langer ging. Door het letsel in zijn gezicht herkende hij zichzelf niet meer. Hij is de eerste weken twaalf kilo afgevallen en leeft nog steeds in angst, vooral ‘s nachts. Het misdrijf heeft zijn leven op alle vlakken kapotgemaakt: zowel zijn lichamelijke en psychische gesteldheid als de relaties met zijn familie en vrienden. Door de littekens en de stress is [persoon 2] kaal geworden. Hoewel hij sinds vier maanden weer een eigen huis heeft, is hij nog steeds bang en neerslachtig. Wederom in EMDR-therapie gaan, vindt hij moeilijk omdat hij dan steeds aan het misdrijf wordt herinnerd.

Ook het jongste slachtoffer [persoon 3] , inmiddels 9 jaar oud, schrijft in haar slachtofferverklaring dat zij nog vaak aan de overval denkt en zich niet veilig voelt. Haar moeder zegt dat haar dochter is veranderd in een bang en teruggetrokken meisje. Ook is zij weer in haar bed gaan plassen.

Voor alle slachtoffers geldt dus dat deze gebeurtenis enorm veel invloed heeft gehad op hun leven. Zoals blijkt uit hun verklaringen, worden zij nog steeds geconfronteerd met de lichamelijk en geestelijke gevolgen van wat hun is overkomen. Het valt helaas te verwachten dat zij daar nog lange tijd mee geconfronteerd zullen blijven worden.


Verdachte en zijn mededaders zijn voor deze enorme gevolgen verantwoordelijk. De rechtbank rekent deze gevolgen verdachte in volle omvang aan. Verdachte heeft op geen enkel moment zichtbaar stilgestaan bij het leed dat zijn handelen bij de slachtoffers zou kunnen veroorzaken. Hij heeft blijkbaar alleen gedacht aan zijn eigen financiële gewin. Dat verdachte ter zitting spijt heeft betuigd, wat de rechtbank overigens oprecht overkwam, doet hier niets aan af.


Uit het uittreksel van de Justitiële Documentatie van verdachte van 13 februari 2018 blijkt dat verdachte zich niet eerder schuldig heeft gemaakt aan een gewelds- of vermogensdelict.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de straf allereerst acht geslagen op de geldende oriëntatiepunten van het LOVS. Het LOVS geeft als oriëntatiepunt bij een overval in een woning met ander dan licht geweld een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vijf jaar.

Vervolgens heeft de rechtbank beoordeeld of er factoren zijn die maken dat in het geval van verdachte naar boven of naar beneden toe van dit uitgangspunt moet worden afgeweken. De verdachte is een grote (ongeveer 1.90 m) jonge man. De twee vrouwelijke slachtoffers zijn klein (ongeveer 1.55 m en 1.65 m), waarvan één bijna 60 jaar oud. Verdachte heeft deze vrouwen zonder provocatie zeer hard en meermalen met een knuppel geslagen. Zijn belangrijkste reden hiervoor was het “martelen” opdat zij de vindplaats van het geld en de drugs zouden aangeven. Zelfs voor dit doel was het geweld onnodig hard. Dit rekent de rechtbank verdachte dan ook zeer zwaar aan. De rechtbank houdt enigszins rekening met het feit dat verdachte in een relatief vroeg stadium openheid van zaken heeft gegeven en uiteindelijk zijn verantwoordelijkheid heeft genomen. De rechtbank heeft tevens rekening gehouden met het feit dat verdachte een first offender is. Daarnaast is uit het Pro Justitia rapport gebleken dat de kans op recidive laag wordt ingeschat. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat sprake is geweest van een ook voor verdachte zelf onverklaarbaar incident, waarvan verdachte oprecht spijt heeft.

De rechtbank komt na dit alles tot de conclusie dat een gevangenisstraf voor de duur van zes jaar passend is.

9 Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De officier van justitie heeft gevorderd de vorderingen van de benadeelde partijen geheel toe te wijzen.

De verdediging heeft zich ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen op het volgende standpunt gesteld. De daggeldvergoeding dient niet-ontvankelijk te worden verklaard, nu onvoldoende is onderbouwd dat en zo ja welke kosten daadwerkelijk zijn gemaakt. De vergoeding die is gevorderd voor de toekomstige klachten dient ook niet-ontvankelijk te worden verklaard. Deze post is onvoldoende onderbouwd en levert bovendien een onevenredige belasting op voor het strafgeding. De tandartskosten dienen niet-ontvankelijk te worden verklaard wegens het ontbreken van een causaal verband met het delict. De reiskosten die [persoon 1] vordert voor het vervoeren van haar moeder dienen niet-ontvankelijk te worden verklaard. Slechts de kosten die [persoon 1] voor zichzelf heeft moeten maken, komen voor vergoeding in aanmerking. De verdediging is van mening dat de gevorderde immateriële schade erg hoog is en is van mening dat het bedrag dat de rechtbank in de zaken van medeverdachten heeft toegewezen reëler is. Voor het overige refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.

Dat oordeel luidt als volgt.

De gevorderde vergoedingen zijn gebaseerd op materiële schadeposten die het rechtstreekse gevolg zijn van het bewezen geachte feit. Zij zijn voldoende onderbouwd en redelijk. Die vergoedingen zijn daarom toewijsbaar. De enige uitzondering daarop is de post van de toekomstige kosten, omdat die schade (nog) niet daadwerkelijk is geleden en er onvoldoende aanknopingspunten zijn om die schade nu al te kunnen begroten. De rechtbank zal de benadeelde partijen in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren.

De gevorderde immateriële schadevergoeding is volgens de rechtbank in alle gevallen te hoog in vergelijking met de vergoeding die voor zulke gevallen in andere zaken werd toegewezen. Daarom zullen de vorderingen voor het deel dat op immateriële schadevergoeding ziet telkens worden gematigd. Voor het overige zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard. Dat wil niet zeggen dat de immateriële schade die deze benadeelde partijen hebben geleden niet ernstig is.

Ter verduidelijking overweegt de rechtbank over de volgende specifieke posten als volgt.

Daggeldvergoeding

De gevorderde kosten zijn gebaseerd op de Letselschade Richtlijn Ziekenhuis- en Revalidatiedaggeldvergoeding (hierna: de Richtlijn). Uit de medische stukken volgt dat [persoon 1] in totaal acht dagen en [persoon] één dag in het ziekenhuis zijn opgenomen geweest ten gevolge van het ten laste gelegde. In de Richtlijn worden de kosten begroot op 28,00 euro per opnamedag. Een dergelijk bedrag is redelijk en deze kosten komen voor vergoeding in aanmerking. De daggeldvergoeding is materiële schade en deze - zo blijkt uit de toelichting in de Richtlijn - is bedoeld ter dekking van kosten voor de aanschaf van bed-/ziekenhuiskleding en kosten om het tijdelijk verblijf in het ziekenhuis te veraangenamen. Het geclaimde forfaitaire bedrag vergt geen nadere onderbouwing van de benadeelde partij. Anders dan de verdediging heeft aangevoerd is er geen aanleiding de Richtlijn niet toe te toepassen. De rechtbank wijst dit gedeelte van de vorderingen dan ook toe.

Reiskosten

De kosten die [persoon 1] heeft moeten maken voor de begeleiding van haar moeder zijn een rechtstreeks gevolg van het strafbare feit. Deze kosten komen dan ook voor vergoeding in aanmerking en de rechtbank wijst dit gedeelte van de vordering toe.

Shockschade

Voor zover het gaat om zogenoemde ‘shockschade’ overweegt de rechtbank het volgende. ‘Shockschade’ kan ontstaan bij degene bij wie door het (directe) waarnemen van een incident of ongeval of door de (directe) confrontatie met de ernstige gevolgen ervan, een hevige emotionele schok wordt teweeggebracht waaruit geestelijk letsel voortvloeit. Dit zal zich met name kunnen voordoen indien iemand is gedood of gewond tot wie de getroffene in een nauwe affectieve relatie staat (ECLI:NL:HR:2002:AD5356). Een vordering tot vergoeding van shockschade kan alleen worden toegewezen als het gaat om geestelijk letsel waardoor iemand in zijn persoon is aangetast. Dit zal in het algemeen slechts het geval zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Voor de vaststelling daarvan is nader feitelijk onderzoek noodzakelijk, bijvoorbeeld door een psychiater of psycholoog. Uit de (toelichting op de) vorderingen blijkt dat bij de benadeelde partijen een post traumatische stress stoornis is vastgesteld en dat zij verschillende therapieën en/of behandelingen hebben ondergaan ten gevolge van de overval. Zo heeft [persoon] een EMDR-behandeling ondergaan, echter blijkt uit de verklaring van haar psycholoog dat deze behandeling weinig tot geen effect heeft gehad. Voorts is zij verwezen voor verdere behandeling binnen de Specialistische GGZ. Ook dat heeft onvoldoende geholpen en daarom is zij in november 2017 verwezen naar het Psycho-trauma Expertise Centrum voor een opname van meerdere weken. Uit de stukken blijkt dat [persoon] in maart 2018 twee intakegesprekken heeft. De verwachting is dat zij kort daarna een aantal weken zal worden opgenomen in verband met intensieve traumaverwerking. Ook voor [persoon 1] is in 2016 EMDR-therapie geïndiceerd. Zij heeft een EMDR-behandeling ondergaan, maar deze bleek onvoldoende aan te slaan. Zij heeft vervolgens op een lange wachtlijst gestaan en uiteindelijk heeft in december 2017 een nieuwe intake plaatsgevonden. Een nieuwe EMDR-behandeling is in februari 2018 gestart. Uit de verklaring van de therapeut van [persoon 2] blijkt dat zijn leven wordt belemmerd door de PTSS. [persoon 2] heeft ook EDMR-therapie ondergaan. Ook [persoon 3] heeft onder behandeling gestaan voor PTSS. Zij is in 2016 gestart met traumabehandeling en er hebben in ieder geval achttien sessies plaatsgevonden. Bij de bepaling van de omvang van de door de benadeelde partijen geleden immateriële schade is rekening gehouden met shockschade en heeft de rechtbank aansluiting getracht te zoeken bij vergelijkbare zaken. De rechtbank waardeert de shockschade voor elke benadeelde partij in deze zaak op € 7.500,-. Het overige gedeelte van hun immateriële schade is eveneens geschat, waarbij rekening is gehouden met de aard en de ernst van het letsel en de daaruit voortkomende gevolgen.

[persoon 3]

Het feit dat PTSS niet als zwaar lichamelijk letsel kan worden gekwalificeerd, neemt niet weg dat [persoon 3] bij de overval aanwezig was en erbij betrokken is geraakt. Zij heeft hierdoor schade geleden, zowel materieel als immaterieel, welke schade voor vergoeding in aanmerking komt.

Vordering benadeelde partij [persoon]

De benadeelde partij [persoon] vordert € 2.778,71 aan materiële schadevergoeding en € 35.000,- aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente. Vast staat dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde rechtstreeks schade is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op € 17.683,71 bestaande uit € 2.683,71 aan materiële schade (€ 249,00 + € 1.582,97 + € 773,74 + € 50,- + € 28,-) en € 15.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 juni 2016, het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. De behandeling van de vordering levert voor dit deel een onevenredige belasting van het strafgeding op omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd en het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden.

De benadeelde partij kan het resterende deel van haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog zal maken.

In het belang van [persoon] voornoemd wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f Sr aan verdachte opgelegd.


Vordering benadeelde partij [persoon 1]

De benadeelde partij [persoon 1] vordert € 3.471,52 aan materiële schadevergoeding en € 20.000,- aan immateriële schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. Vast staat dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde rechtstreeks schade is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op € 15.901,52 bestaande uit € 3.401,52 aan materiële schade (€ 164,95 + € 2.164,71 + € 797,86 + € 224,- + € 50,- ) en € 12.500,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 juni 2016, het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. De behandeling van de vordering levert voor dit deel een onevenredige belasting van het strafgeding op omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd en het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. De benadeelde partij kan het resterende deel van haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog zal maken.

In het belang van [persoon 1] voornoemd wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f Sr aan verdachte opgelegd.

Vordering benadeelde partij [persoon 2]

De benadeelde partij [persoon 2] vordert € 955,29 aan materiële schadevergoeding en € 20.000,- aan immateriële schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. Vast staat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks schade is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op € 10.935,29 bestaande uit € 935,29 aan materiële schade (€ 174,- + € 408,89 + € 302,40 + € 50,-) en € 10.000,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 juni 2016, het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering. De behandeling van de vordering levert voor dit deel een onevenredige belasting van het strafgeding op omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd en het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. De benadeelde partij kan het resterende deel van zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog zal maken.

In het belang van [persoon 2] voornoemd wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f Sr aan verdachte opgelegd.

Vordering benadeelde partij [persoon 3]

De benadeelde partij [persoon 3] vordert € 991,96 aan materiële schadevergoeding en € 15.000,- aan immateriële schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente. Vast staat dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde rechtstreeks schade is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op € 8.471,96 bestaande uit € 971,96 aan materiële schade (€ 413,60 + € 138,36 + € 370,- + € 50,-) en € 7.500,- aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 juni 2016, het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering. De behandeling van de vordering levert voor dit deel een onevenredige belasting van het strafgeding op omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd en het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. De benadeelde partij kan het resterende deel van haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog zal maken.

In het belang van [persoon 3] voornoemd wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 36f Sr aan verdachte opgelegd.

10 Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken bevindt zich de op 2 oktober 2017 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam in de zaak met parketnummer 15/820598-14, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis van 27 juni 2014 van de politierechter te Noord-Holland, waarbij verdachte is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 7 (zeven) maanden, met bevel dat van deze straf een gedeelte, groot 2 (twee) maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op 3 (drie) jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. Dat strafbare feit, een woningoverval, is gerelateerd aan de Opiumwet, nu verdachte wist dat het doel van de overval was om geld en drugs te roven. De rechtbank ziet daarin dan ook aanleiding de tenuitvoerlegging van dat voorwaardelijke strafdeel te gelasten.

11 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

12 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Diefstal, voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit werd gepleegd gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd in een woning en terwijl het feit werd gepleegd door twee of meer verenigde personen en terwijl de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van inklimming en terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad, meermalen gepleegd.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte] daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 (zes) jaren.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Wijst de vordering van [persoon], wonende te [woonplaats] , toe tot € 17.683,71 (zeventienduizend zeshonderddrieëntachtig euro en eenenzeventig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 11 juni 2016 tot aan de dag van de voldoening .

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [persoon] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [persoon] , € 17.683,71 (zeventienduizend zeshonderddrieëntachtig euro en eenenzeventig cent) aan de Staat te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 11 juni 2016 tot aan de dag van de voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting vervangen door hechtenis van 123 dagen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van [persoon 1], wonende te [woonplaats] , toe tot € 15.901,52 (vijftienduizend negenhonderdeneen euro en tweeënvijftig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 11 juni 2016 tot aan de dag van de voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [persoon 1] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [persoon 1] , € 15.901,52 (vijftienduizend negenhonderdeneen euro en tweeënvijftig cent) aan de Staat te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 11 juni 2016 tot aan de dag van de voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting vervangen door hechtenis van 114 dagen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van [persoon 2], wonende te [woonplaats] , toe tot € 10.935,29 (tienduizend negenhonderdvijfendertig euro en negenentwintig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 11 juni 2016 tot aan de dag van de voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [persoon 2] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [persoon 2] , € 10.935,29 (tienduizend negenhonderdvijfendertig euro en negenentwintig cent) aan de Staat te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 11 juni 2016 tot aan de dag van de voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting vervangen door hechtenis van 89 dagen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Wijst de vordering van [persoon 3], wonende te [woonplaats] , toe tot € 8.471,96 (achtduizend vierhonderdeenenzeventig euro en zesennegentig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 11 juni 2016 tot aan de dag van de voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [persoon 3] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [persoon 3] , € 8.471,96 (achtduizend vierhonderdeenenzeventig euro en zesennegentig cent) aan de Staat te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 11 juni 2016 tot aan de dag van de voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting vervangen door hechtenis van 77 dagen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan één van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover deze voorwaardelijk is opgelegd bij genoemd vonnis van 27 juni 2014, namelijk gevangenisstraf van 2 (twee) maanden.

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.H.J. Evers, voorzitter,

mrs. G.H. Marcus en P. Farahani, rechters,

in tegenwoordigheid van mrs. C.L. Lugthart en B. Pünt, griffiers,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 28 maart 2018.

Bijlage I – [bijlage]