Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:4907

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
26-04-2018
Datum publicatie
13-07-2018
Zaaknummer
13-680353-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft samen met anderen een drietal inbraken in winkels in Delft gepleegd, waarbij er voor enorme bedragen aan goederen zijn weggenomen en aan schade is veroorzaakt. Gevangenisstraf 180 dagen waarvan 112 voorwaardelijk. Taakstraf 240 uur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/680353-16 (Promis)

Datum uitspraak: 26 april 2018

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [BRP-adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 13 april 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. N.M. Smits en van wat verdachte en zijn raadsman mr. K.H.T. van Gijssel naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Verdachte wordt er kort gezegd van beschuldigd dat hij zich op 9 juli 2016 en 16 juli 2016 te Delft schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van diefstal met braak bij DA Drogist en op 20 juli 2016 te Delft aan het medeplegen van diefstal met braak bij [bedrijf] .

De tekst van de gehele tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Waardering van het bewijs

3.1

Feiten en omstandigheden

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.

Op 9 en 16 juli 2016 hebben inbraken plaatsgevonden bij DA Drogist in Delft. Er is bij die inbraken een grote hoeveelheid flessen parfum weggenomen, met een totale waarde van ruim 10.000 euro. Op 20 juli 2016 heeft een inbraak plaatsgevonden bij [bedrijf] in Delft. Bij die inbraak is een grote hoeveelheid merk zonnebrillen weggenomen, met een totale waarde van ruim 40.000 euro. Alle drie de inbraken vonden plaats tussen 3.00 uur en 5.00 uur ’s nachts. Van alle inbraken zijn camerabeelden uitgekeken. Telkens is op de beelden te zien dat een groep van vier of (bij [bedrijf] ) vijf mannen de ruit van de entreedeur vernielt en vervolgens de winkel binnengaat. Een rechercheur van de politie heeft het uiterlijk, de handelwijze en de meegebrachte attributen van de inbrekers op de camerabeelden van de twee inbraken bij de DA drogist vergeleken met de camerabeelden van de inbraak bij [bedrijf] en beschreven dat de overeenkomsten zo groot zijn, dat het zijns inziens in alle gevallen om dezelfde verdachten gaat. Dezelfde verbalisant heeft ook de beelden van alle drie inbraken vergeleken met een foto van verdachte en daarbij telkens in één van de inbrekers de verdachte herkend. De telefoon die onder verdachte in beslag is genomen, peilde ten tijde van de inbraak bij [bedrijf] uit in de omgeving van het pand. Voor en tijdens deze inbraak heeft de telefoon van verdachte contact gemaakt met de telefoon die bij medeverdachte [naam medeverdachte] , die ook op de camerabeelden is herkend, in gebruik was.

3.2

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle feiten wettig en overtuigend zijn bewezen. Het bewijs bestaat uit de aangiftes, de camerabeelden, de herkenningen van verdachte op die beelden en de peil- en belgegevens van de telefoon die aan verdachte is gelinkt.

3.3

Het standpunt van de verdediging

Verdachte beroept zich op zijn zwijgrecht. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte integraal moet worden vrijgesproken. De raadsman heeft bepleit dat de herkenning van verdachte op de camerabeelden onbetrouwbaar is en om die reden niet voor het bewijs kan worden gebruikt. Hij heeft hiertoe het volgende aangevoerd. Er is slechts één verbalisant die de herkenning heeft gedaan. Er is geen sprake van een herkenning, maar van een vergelijking met foto’s die van verdachte zijn gemaakt na zijn aanhouding in een andere zaak, waarin hij met medeverdachte [naam medeverdachte] is aangehouden voor een soortgelijk feit. Die wetenschap heeft bovendien geleid tot vooringenomenheid bij de verbalisant die de herkenning heeft gedaan. De camerabeelden zijn van slechte kwaliteit waardoor een herkenning niet mogelijk is. De verbalisant die de herkenning heeft gedaan, heeft gesteld dat hij op de camerabeelden het gezicht van verdachte heeft gezien, maar de persoon op de beelden draagt een pet en een capuchon die zijn gezicht bedekken. De uiterlijke kenmerken die nodig zijn om een herkenning te kunnen doen, zijn niet zichtbaar op de camerabeelden. De betrokkenheid van verdachte kan niet worden gegrond op de belgegevens. Niet is gebleken dat de onder verdachte in beslag genomen telefoon op het moment van de inbraak bij verdachte in bezit was. Daarnaast is niet gebleken dat verdachte tijdens de inbraak bij [bedrijf] contact heeft gehad met medeverdachte. Er zijn immers geen stemmen herkend en het is niet duidelijk geworden wat er tijdens dat telefoongesprek is besproken. Ook woont zijn broer, bij wie hij af en toe verblijft, vlakbij [bedrijf] in Delft, zodat aan het uitpeilen van zijn telefoon geen bijzondere betekenis kan worden toegekend.

3.4

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is – anders dan de raadsman – van oordeel dat sprake is van een betrouwbare herkenning in de vorm van een beeldvergelijking. Aan de stills die zich in het dossier bevinden is te zien, dat de verdachte op de door de verbalisant bekeken bewegende camerabeelden duidelijk met zijn gezicht in beeld komt. De pet en capuchon bedekken hooguit de randen van het gezicht en niet de belangrijkste gezichtskenmerken; bovendien zijn de bewegende beelden uit verschillende standpunten gefilmd. De beeldkwaliteit beoordeelt de rechtbank als goed, afgaande op de scherpte van de stills in het dossier en de veelheid aan details die de verbalisant op de beelden kan waarnemen. Aan de raadsman kan worden toegegeven dat de nodige behoedzaamheid geboden is bij het gebruik van een beeldvergelijking voor het bewijs. Ook slaat de rechtbank er acht op dat de verbalisant over de voorinformatie beschikte dat verdachte reeds eerder is aangehouden op verdenking van een inbraak. Het is echter niet zo dat deze beeldvergelijking het enige bewijs vormt in deze strafzaak, zodat de rechtbank dit proces-verbaal ook met inachtneming van de nodige behoedzaamheid voldoende betrouwbaar acht om het te gebruiken voor het bewijs. De enkele aantekening dat de verbalisant over de genoemde voorinformatie beschikte, heeft niet voldoende om het lijf om er voor te vrezen dat de herkenning door deze informatie is gestuurd. De beeldvergelijking vindt steun in andere bewijsmiddelen en de rechtbank ziet ook anderszins geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de beeldvergelijking.

Naast het feit dat verdachte op de beelden is herkend op de hiervoor besproken wijze, is zijn telefoon tijdens de inbraak bij [bedrijf] gebruikt in de directe omgeving van die optiek, terwijl verdachte in [plaatsnaam] woont en de inbraak midden in de nacht plaatsvond. De rechtbank gaat ervan uit dat verdachte ook toen de gebruiker was van de telefoon die bij gelegenheid van zijn aanhouding op 18 september 2016 bij hem is aangetroffen, temeer nu verdachte niets heeft verklaard dat reden zou kunnen geven om te denken dat zijn telefoon op dat moment bij een ander in gebruik zou zijn geweest. In deze telefoon staat als contact vermeld ‘ [naam in telefoon] ’, met een telefoonnummer dat door de politie op goede gronden wordt toegeschreven aan medeverdachte [naam medeverdachte] . Het is met dit telefoonnummer dat de telefoon van verdachte contact heeft gehad rond het tijdstip van de inbraak bij [bedrijf] . Deze [naam medeverdachte] is door drie verschillende verbalisanten, die hem ambtshalve kennen, herkend van de camerabeelden van de drie inbraken die thans (ook) aan verdachte zijn tenlastegelegd. Die camerabeelden zijn ook ten aanzien van [naam medeverdachte] van zodanige kwaliteit dat de rechtbank geen reden ziet aan die stellige herkenningen te twijfelen. Dat verdachte zich op het moment van de inbraak bij zijn broer bevond is verder niet concreet gesteld of gebleken.

Op grond van de aangifte, de beeldvergelijking, het uitpeilen van de telefoon van verdachte tijdens de inbraak op 20 juli 2016 in de buurt van [bedrijf] , de aanwezigheid van [naam medeverdachte] bij die inbraak en het telefonisch contact dat verdachte op dat moment in de nacht met [naam medeverdachte] had, acht de rechtbank verdachtes betrokkenheid bij de inbraak bij [bedrijf] te Delft bewezen.

De manier waarop de inbrekers te werk zijn gegaan (de modus operandi) van de inbraak bij [bedrijf] te Delft komt op essentiële punten overeen met de modus operandi van de inbraken bij DA Drogist te Delft gepleegd op 9 en 16 juli 2016. De winkels zijn in dezelfde plaats gelegen en de inbraken zijn in een tijdsbestek van elf dagen gepleegd. Dat gebeurde steeds in hetzelfde tijdvak, laat in de nacht. Er is steeds sprake van een groep van vier of vijf personen. Uit vergelijking van de camerabeelden van de verschillende inbraken is gebleken dat het zeer waarschijnlijk om dezelfde verdachten gaat. De personen die op de camerabeelden van 20 juli 2016 te zien zijn, dragen dezelfde kleding en hebben hetzelfde postuur als de personen die op de camerabeelden van 9 en 16 juli 2016 te zien zijn. Bij de inbraak op 20 juli 2016 is gebruik gemaakt van een voorhamer om de ruit van de entreedeur in te slaan. Die voorhamer is qua uiterlijk identiek aan de voorhamer die op de camerabeelden van de inbraken van 9 en 16 juli 2016 te zien is. Gelet op de gelijke modus operandi, de overeenkomsten in uiterlijk van de betrokken daders, waaronder een dader die uiterlijk sterk gelijkt op verdachte zoals hij bij de inbraak op 20 juli op de beelden is te zien, acht de rechtbank de bewezenverklaring van de inbraak op 20 juli 2016 mede redengevend voor de omstandigheid dat verdachte bij de inbraken van 9 en 16 juli 2016 betrokken was. Daarbij komt ook wat betreft deze inbraken de reeds besproken beeldvergelijking, waarbij verdachte volgens de verbalisant op de camerabeelden is te herkennen. Dit alles in onderling verband en nauwe samenhang bezien, acht de rechtbank ook de inbraken op 9 en 16 juli 2016 bij de DA Drogist bewezen.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is overwogen en de als bijlage II aan dit vonnis gehechte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

ten aanzien van feit 1

op 9 juli 2016 en 16 juli 2016 te Delft, tezamen en in vereniging met anderen, telkens met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een bedrijfspand gelegen aan de [adres plaats delict] heeft weggenomen een grote hoeveelheid flessen parfum ter waarde van (ongeveer) 10.368,44 euro, toebehorende aan winkelbedrijf DA Drogist, waarbij hij, verdachte en zijn mededaders zich telkens de toegang tot voornoemd bedrijfspand hebben verschaft en die weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak op een ruit van de voordeur van voornoemd bedrijfspand;

ten aanzien van feit 2

op 20 juli 2016 te Delft, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een bedrijfspand gelegen aan de [plaats delict 2] heeft weggenomen een grote hoeveelheid zonnebrillen ter waarde van (ongeveer) 41.696,95 euro, toebehorende aan winkelbedrijf [bedrijf] , waarbij hij, verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot voornoemd bedrijfspand hebben verschaft en die weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak op een ruit van de deur van voornoemd bedrijfspand.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7. Motivering van de straffen en maatregelen

7.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 112 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar, met de bijzondere voorwaarden zoals deze door de reclassering zijn geadviseerd. De officier van justitie heeft tevens een taakstraf van 240 uren gevorderd, met bevel, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen.

De officier van justitie heeft haar strafeis onderbouwd met de ernst van de feiten, de omvang van de schade en de recidive die blijkt uit het Uittreksel Justitiële Documentatie. De officier van justitie heeft verder rekening gehouden met het tijdsverloop en de ontwikkeling in de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals die zijn geschetst door de reclassering ter terechtzitting.

7.2.

Het strafmaatverweer van de verdediging

De verdediging heeft zich – in het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt – op het standpunt gesteld dat geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf moet worden opgelegd voor een langere duur dan de duur van het voorarrest. De verdediging heeft de rechtbank verzocht rekening te houden met het feit dat verdachte veel moeite heeft gedaan om zelf werk te zoeken en dat de begeleider van verdachte kenbaar heeft gemaakt dat zij het niet wenselijk acht dat verdachte opnieuw in detentie terecht zou komen. Een werkstraf zou een meer passende straf zijn. De verdediging heeft – voor het geval de rechtbank besluit een werkstraf op te leggen – verzocht om een deel van de werkstraf voorwaardelijk op te leggen.

7.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft samen met anderen een drietal inbraken gepleegd, waarbij er voor enorme bedragen aan goederen zijn weggenomen en aan schade is veroorzaakt. Verdachte en zijn mededaders zijn op professionele wijze te werk gegaan. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij op geen enkele wijze verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn daden en geen blijk heeft gegeven zich te realiseren wat zijn daden voor de betrokken ondernemers hebben betekend. De reclassering heeft kenbaar gemaakt dat er sinds de schorsing van de voorlopige hechtenis geen mutaties van verdachte zijn in de politiesystemen. Volgens de reclassering heeft de stabiele thuissituatie bij stichting Exodus het recidiverisico verlaagd. Verdachte verblijft nu niet meer bij Exodus, maar de rechtbank acht het van belang dat de bestaande zorg wordt voortgezet en dat verdachte weer in een instelling voor begeleid wonen zal verblijven indien de reclassering dit noodzakelijk acht. Om de bestaande zorg een kans te geven, is het van belang dat verdachte niet weer vast komt te zitten. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met het strafblad van verdachte. Hieruit volgt dat sprake is van recidive en van veroordelingen na de pleegdata van de onderhavige feiten. Het gaat daarbij om twee veroordelingen tot gevangenisstraffen van respectievelijk 6 en 9 maanden. De rechtbank houdt er rekening mee dat, als de onderhavige drie inbraken tegelijk met die twee zaken zouden zijn berecht, dat vermoedelijk een matigend effect op de strafmaat zou hebben gehad. Ook houdt de rechtbank er rekening mee dat de inbraken waar verdachte nu voor terecht staat inmiddels bijna twee jaar geleden hebben plaatsgevonden. Dit alles afwegende, acht de rechtbank een gevangenisstraf van 180 dagen, met aftrek van voorarrest, waarvan 112 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar en een taakstraf voor de duur van 240 uur te vervangen door 120 dagen hechtenis indien deze niet naar behoren wordt verricht passend en geboden. De grotendeels voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf is ingegeven door de gedachte dat de rechtbank verdachte tegemoet wil komen om de kennelijk gunstige ontwikkelingen in zijn persoonlijke omstandigheden te kunnen blijven voortzetten. Daarbij kiest de rechtbank wel voor een langere proeftijd dan de gebruikelijke 2 jaar, omdat de houding van verdachte ten aanzien van het tenlastegelegde de rechtbank doet twijfelen of hij uit eigen beweging voortaan het rechte pad zal (blijven) kiezen. In de lange proeftijd zoekt de rechtbank daarom enige verzekering dat verdachte aan een leven zonder criminaliteit zal blijven werken. De rechtbank zal daarbij de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering opleggen.

7.3.1

Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij DA Drogisterij [naam] vordert € 17.227,77 aan materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering benadeelde partij wordt toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en dat de schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd.

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij moet worden afgewezen omdat verdachte moet worden vrijgesproken. Subsidiair moet de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard omdat sprake is van een onevenredige belasting van de strafprocedure.

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder feit 1 bewezen verklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De gevorderde schadevergoeding is met bewijsstukken onderbouwd en zal daarom geheel worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 16 juli 2016 tot aan de dag van de voldoening.

Voorts dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij DA Drogisterij [naam] naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen geachte feit 1 is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 17.227,77 (zeventienduizend tweehonderd zevenentwintig euro en zevenenzeventig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de voldoening.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 36f, 57, 63, 311 van het Wetboek van Strafrecht.

9 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldigen zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van braak, driemaal gepleegd

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 180 (honderd tachtig) dagen.

Beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 112 (honderd twaalf) dagen, van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 3 (drie) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet aan de volgende algemene voorwaarden houdt.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde

1. zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

3. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast indien de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. Veroordeelde moet zich melden bij Reclassering Nederland aan de [adres reclassering] wanneer hij opgeroepen wordt voor een gesprek. Hierna moet hij zich gedurende de proeftijd blijven melden zo frequent als de reclassering nodig acht. Gedurende deze periode moet de veroordeelde zich houden aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft, voor zover deze niet reeds zijn opgenomen in een andere bijzondere voorwaarde. Dit betekent dat de toezichthouder de veroordeelde adviezen geeft die betrekking hebben op zijn handel en wandel. Met als doel om hem zowel te begeleiden bij de naleving van de bijzondere voorwaarden, als ook te kunnen controleren of hij zich aan de naleving van de bijzondere voorwaarden houdt.

2. Veroordeelde wordt verplicht om mee te werken aan een behandeling bij De Waag of soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven.

3. Veroordeelde wordt verplicht een structurele dagbesteding in de vorm van werk of opleiding te realiseren en te behouden. Hierin stelt hij zich controleerbaar op.

4. Veroordeelde wordt verplicht mee te werken aan het verblijven in een instelling voor begeleid wonen en zich te houden aan het programma dat deze instelling opstelt, indien de reclassering dit noodzakelijk acht.

Geeft aan Reclassering Nederland aan de [adres reclassering] opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van 240 (tweehonderd veertig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 (honderd twintig) dagen.

Wijst de vordering van DA Drogisterij [naam] , gevestigd te Delft, hoofdelijk toe tot € 17.227,77 (zeventienduizend tweehonderd zevenentwintig euro en zevenenzeventig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan DA Drogisterij [naam] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens anderen is betaald.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van DA Drogisterij [naam] , aan de Staat €17.227,77 (zeventienduizend tweehonderd zevenentwintig euro en zevenenzeventig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de voldoening te betalen, behalve voor zover dit bedrag al door of namens anderen is betaald. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt de betalingsverplichting door hechtenis van 121 dagen vervangen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Heft op het - geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. S.P. Pompe, voorzitter,

mrs. W.M.C. van den Berg en M.F. Ferdinandusse, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. B. Pünt, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 26 april 2018.