Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:4903

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
26-04-2018
Datum publicatie
12-07-2018
Zaaknummer
13-680158-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de mishandeling van zijn (ex-)echtgenote en zijn zus en aan overtreding artikel 5 WVW. Gevangenisstraf 180 dagen waarvan 85 voorwaardelijk en OBM van 12 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/680158-17 (Promis)

Datum uitspraak: 26 april 2018

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1989,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

volgens zijn opgave thans ingeschreven op het adres

[adres 1] ,

verblijvende op het adres [adres 2] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 13 april 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. F.E.A. Duyvendak en van wat verdachte en zijn raadsman mr. T.W. Gijsberts naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Verdachte wordt er - kort gezegd - van beschuldigd dat hij op 4 juni 2017 te Amsterdam zijn (ex-)echtgenote [slachtoffer 1] en zijn zus [slachtoffer 2] heeft mishandeld en daarnaast dat hij op 13 juni 2017 te Amsterdam als bestuurder van een personenauto door zijn rijgedrag gevaar op de weg heeft veroorzaakt.

De tekst van de gehele tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Waardering van het bewijs

3.1

Feiten en omstandigheden

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.

Verdachte heeft op 4 juni 2017 een woordenwisseling gekregen met zijn (ex-)echtgenote, die op dat moment bij zijn zus verbleef. Verdachte heeft vervolgens zijn (ex-)echtgenote en zus mishandeld. Toen de politie verdachte op 13 juni 2017 voor deze feiten wilde aanhouden, werd hem een volgteken gegeven. Verdachte heeft daarop zijn auto gedraaid en heeft geprobeerd de politie te ontvluchten, waarbij verdachte de veiligheid van andere weggebruikers in gevaar heeft gebracht.

3.2

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle ten laste gelegde feiten kunnen worden bewezen verklaard.

3.3

Het standpunt van de verdediging

Verdachte heeft de ten laste gelegde feiten bekend, met de kanttekening dat hij zijn (ex-) echtgenote niet heeft getrapt in haar rug, maar haar een knietje tegen haar been dan wel de zijkant van haar lichaam heeft gegeven. De raadsman heeft geen opmerkingen gemaakt ten aanzien van het bewijs.

3.4

Het oordeel van de rechtbank

Op grond van de verklaringen van verdachtes (ex-)echtgenote en zus acht de rechtbank bewezen dat verdachte zijn (ex-)echtgenote heeft mishandeld. Daarbij acht de rechtbank ook bewezen dat verdachte - anders dan hij zelf heeft verklaard - tegen de rug van zijn (ex-)echtgenote heeft getrapt.

Op grond van de verklaringen van beide vrouwen en de bekennende verklaring van verdachte acht de rechtbank ook de mishandeling van de zus bewezen.

Tenslotte acht de rechtbank op grond van het proces-verbaal van bevindingen waarin verbalisanten het rijgedrag van verdachte beschrijven en de bekennende verklaring van verdachte bewezen dat verdachte een gevaar op de weg heeft veroorzaakt.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is overwogen en de als bijlage II aan dit vonnis gehechte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

ten aanzien van feit 1

op 4 juni 2017 te Amsterdam, zijn (ex) echtgenote, [slachtoffer 1] , opzettelijk heeft mishandeld, welke mishandeling bestond uit het trappen tegen de rug van voornoemde [slachtoffer 1] , waardoor voornoemde [slachtoffer 1] pijn heeft ondervonden;

ten aanzien van feit 2

op 4 juni 2017 te Amsterdam, opzettelijk (zijn zus) [slachtoffer 2] heeft mishandeld, welke mishandeling bestond uit het

- meermalen slaan tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer 2] en

- vastpakken van de armen van voornoemde [slachtoffer 2] en

- meermalen slaan met een vaas tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer 2] en

- duwen tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer 2] ,

waardoor voornoemde [slachtoffer 2] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

ten aanzien van feit 3

op 13 juni 2017 te Amsterdam, als bestuurder van een voertuig, personenauto (kenteken [nummer] ), met een zeer hoge snelheid, in elk geval een hogere snelheid dan op voornoemde wegen is toegestaan, daarmee rijdende op de wegen,

- op de Meewenlaan over een aldaar gelegen busbaan heeft gereden en vervolgens

- op kruising Johan van Hasseltweg/Nieuwe Leeuwarderweg een rood verkeerslicht heeft genegeerd en vervolgens

- op de Kamperfoelieweg over een verhoogde middenberm heeft gereden en over een aldaar gelegen fietspad heeft gereden, waarbij enkele fietsers van hun fiets moesten springen teneinde een aanrijding te voorkomen, en tegen de rijrichting in heeft gereden en vervolgens

- op de kruising Kamperfoelieweg/Floraweg over een trottoir heeft gereden en vervolgens

- op de Banne Buikslootlaan tegen de rijrichting in heeft gereden en vervolgens

- op de kruising Banne Buikslootlaan/Bezaanjachtplein een voetgangersoversteekplaats heeft genegeerd, waardoor een man, een kind heeft moeten vastpakken en naar achteren heeft moeten gooien teneinde een aanrijding te voorkomen, en vervolgens

- op een rotonde van de Banne Buikslootlaan/IJdoornlaan in de tegenovergestelde richting heeft gereden en vervolgens

- op de IJdoornlaan meermalen over een doorgetrokken streep heeft gereden, teneinde aldaar rijdende voertuigen in te halen, en vervolgens

- op het kruispunt IJdoornlaan/Vorticellaweg een rood verkeerslicht heeft genegeerd, waarbij aldaar rijdende voertuigen vol in de remmen moesten teneinde een aanrijding te voorkomen, en vervolgens

- op de Adrianus van Waertweg over een busbaan heeft gereden

door welke gedragingen van verdachte telkens gevaar op die wegen werd veroorzaakt.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6. De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straffen en maatregel

7.1.

De eis van de officier van justitie

Voor de door hem bewezen geachte feiten 1 en 2 heeft de officier van justitie gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 180 dagen, met aftrek van voorarrest en waarvan 85 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren en met oplegging van bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering voorgesteld. De officier van justitie heeft gevorderd de voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

Ten aanzien van feit 3 heeft de officier van justitie gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 40 uren of, voor het geval dat verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, een vervangende hechtenis van 20 dagen. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen zal worden ontzegd voor de duur van 12 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.

De officier van justitie heeft ter onderbouwing van zijn strafeis gewezen op de ernst van de feiten en de recidive die blijkt uit het uittreksel Justitiële Documentatie. De officier van justitie heeft anderzijds rekening gehouden met het feit dat verdachte zelfinzicht toont en verantwoordelijkheid lijkt te nemen voor zijn daden.

7.2.

Het strafmaatverweer van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de oriëntatiepunten geen ruimte laten voor een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur dan het voorarrest, zelfs indien rekening wordt gehouden met recidive. De verdediging heeft verzocht voor het overige uitsluitend een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. Daarbij heeft de verdediging laten weten dat verdachte zonder meer bereid is zich te houden aan de bijzondere voorwaarden zoals die door de reclassering zijn voorgesteld. De verdediging heeft zich niet verzet tegen de vordering dat de voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zullen zijn. De verdediging heeft zich verder op het standpunt gesteld dat het opleggen van een taakstraf voor feit 3 – naast een eventuele gevangenisstraf voor de andere feiten – niet opportuun is. Voor het geval de rechtbank komt tot het opleggen van een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen, heeft de verdediging verzocht om deze geheel voorwaardelijk op te leggen.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de mishandeling van zijn (ex-)echtgenote en zijn zus. Dit geweld heeft plaatsgevonden in de woning van zijn zus waar zijn (ex-)echtgenote op dat moment verbleef, een plek waar beide vrouwen zich veilig zouden moeten voelen. Daarbij waren de jonge kinderen van verdachte en de kinderen van zijn zus in de woning aanwezig tijdens de mishandeling en zij hebben het geweld zien gebeuren. De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij zijn (ex-)echtgenote, zijn zus en de kinderen met dergelijk geweld heeft geconfronteerd. Daarbij komt dat verdachte vaker is veroordeeld voor huiselijk geweld gepleegd tegen zijn (ex-)echtgenote en andere familieleden. Als gevolg van de handelwijze van verdachte heeft zijn (ex-)echtgenote met de kinderen enige tijd in een Blijf van mijn Lijf huis moeten verblijven.

Enkele dagen later heeft verdachte ernstig roekeloos rijgedrag vertoond in een poging de politie te ontvluchten. Ook dit gedrag rekent de rechtbank verdachte zwaar aan. Hij heeft de veiligheid van verschillende personen in gevaar gebracht. Een man heeft op straat zijn kind vast moeten pakken en naar achteren moeten gooien om een aanrijding te voorkomen en fietsers hebben van hun fiets moeten springen. Verdachte is naar eigen zeggen gevlucht omdat hij vreesde weer in detentie te moeten verblijven. Kennelijk vond hij dat belang op dat moment zwaarder wegen dan lijf en leden van andere mensen.

De rechtbank constateert dat verdachte zowel bij de mishandeling van zijn (ex-)echtgenote en zijn zus, als bij zijn vluchtpoging voor de politie, tot grensoverschrijdend gedrag ten koste van anderen is gekomen. De rechtbank heeft kennis genomen van een rapport van een psychologisch onderzoek betreffende verdachte van Pro Justitia van 31 oktober 2017. Hierin is vermeld dat verdachte lijdt aan een narcistische persoonlijkheidsstoornis met antisociale trekken, primair gekenmerkt door een structureel patroon van zelfoverschatting, exploitatie van anderen, gebrek aan empathie, het gevoel bijzondere rechten te hebben, hooghartig gedrag, alsmede excessieve woede en agressie wanneer de eigen wensen niet worden ingewilligd. Door een gebrek aan medewerking van verdachte kon de rapporteur geen uitspraken doen over het verband tussen de stoornissen en de delicten. Opgemerkt wordt wel dat de genoemde persoonlijkheidsstoornis uit de aard der zaak tijdens het ten laste gelegde aanwezig was. Ook is in het rapport vermeld dat gelet op de persoonlijkheidsproblematiek bij verdachte sprake is van een onvermogen problemen bij zichzelf te erkennen en te ervaren en dat in de gesprekken en uit de tests naar voren is gekomen dat betrokkene in de onderhavige strafzaak het probleem niet lijkt te beseffen, de oorzaak van zijn huidige situatie exclusief bij anderen legt, en dat hij hulp van de reclassering en andere instanties heeft afgewezen.

De rechtbank constateert dat in de aanvankelijk ontkennende houding van verdachte sinds kort een wijziging is gekomen. Verdachte heeft ter zitting van 25 januari 2018 laten weten de feiten te bekennen, hier spijt van te hebben en mee te willen werken met de reclassering. De voorlopige hechtenis van verdachte is hierna geschorst, met oplegging van strenge voorwaarden, waaronder een absoluut contactverbod met zijn (ex-)echtgenote, zus en de kinderen. Verdachte heeft zich aan de gestelde bijzondere voorwaarden gehouden en heeft ook ter zitting van 13 april 2018 verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen en enig zelfinzicht getoond. Hij heeft daarbij opnieuw kenbaar gemaakt dat hij mee zal werken met de reclassering, in het bijzonder ook aan een behandeling voor zijn verslaving en aan een agressieregulatie training. Hij zegt in te zien dat hij die behandeling nodig heeft.

Naar het oordeel van de rechtbank is hiermee sprake van een positieve ontwikkeling. De rechtbank ziet tegen deze achtergrond geen aanleiding om een onvoorwaardelijke gevangenisstraf langer dan de duur van het voorarrest op te leggen. Wel acht de rechtbank het, gelet op de hiervoor genoemde persoonlijkheidsproblematiek van verdachte en de uit het uittreksel uit de Justitiële Documentatie blijkende recidive op het gebied van huiselijk geweld van belang, dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur wordt opgelegd, als stok achter de deur om herhaling in de toekomst te voorkomen.

De rechtbank zal dan ook voor feit 1 en 2 een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 180 dagen, waarvan 85 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaar. De rechtbank acht een proeftijd van deze duur geboden gelet op de recidive op het gebied van huiselijk geweld en de aard van de bij verdachte aanwezige stoornis. De rechtbank zal ook de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd opleggen. De rechtbank zal de vordering de voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren, afwijzen omdat niet is gebleken dat op dit moment sprake is van een gevaar als bedoeld in artikel 14e Wetboek van Strafrecht.

Gezien de soortgelijke achtergrond van de drie feiten ziet de rechtbank naast het voorgaande geen toegevoegde waarde in het opleggen van een afzonderlijke taakstraf voor feit 3. Artikel 62 van het Wetboek van Strafrecht schrijft voor dat voor dit feit, zijnde een overtreding, een aparte straf dient te worden opgelegd. De rechtbank acht gelet op het gevaar dat verdachte heeft veroorzaakt wel een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 12 maanden waarvan 6 maanden voorwaardelijk passend en geboden.

8 Beslag

Onder verdachte is het volgende voorwerp en geldbedrag in beslag genomen

- Geldbedrag € 831,-

G 4202135

- Personenauto [kentekennummer] , Renault Clio KI: Zwart

5397500

De officier van justitie heeft ten aanzien van de in beslag genomen personenauto gevorderd dat deze verbeurd zal worden verklaard, nu feit 3 met behulp van die personenauto is gepleegd. De officier van justitie heeft ten aanzien van het in beslag genomen geldbedrag gevorderd dat een gedeelte daarvan, te weten € 400,-, zal worden aangewend voor de voldoening van de vordering van de benadeelde partij en dat het overige, te weten € 431,-, zal worden teruggegeven aan verdachte.

Verbeurdverklaring

De rechtbank zal de in beslag genomen personenauto verbeurd verklaren. Het voorwerp behoort aan verdachte toe. Nu met behulp van dit voorwerp het onder 3 bewezen geachte is begaan, wordt dit voorwerp verbeurd verklaard.

Teruggave aan rechthebbende

De rechtbank zal de teruggave van het in beslag genomen geldbedrag aan de rechthebbende gelasten, met dien verstande dat, gelet op het daarop gelegde conservatoire beslag, volgens opgave van de officier van justitie een deel daarvan zal worden verrekend in het kader van de voldoening van de vordering van de benadeelde partij.

9 Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert € 400,- aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijk rente, en dat tevens de schadevergoedings-maatregel zal worden opgelegd.

Vast staat dat aan de benadeelde partij door het onder feit 1 bewezen verklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. De vordering is niet betwist. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank voor het deel van € 200,- redelijk voor en zal daarom in zoverre worden toegewezen. Dat bedrag dient te worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 juni 2017 tot aan de dag dat het gehele bedrag is betaald.

Voor het overige is de rechtbank van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, zodat de vordering ten aanzien van het resterende deel niet-ontvankelijk zal worden verklaard. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [slachtoffer 1] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 33, 33a, 36f, 57, 62, 300 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 5 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

11 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Feit 1 en 2:

Mishandeling, meermalen gepleegd

Feit 3:

Overtreding van artikel 5 Wegenverkeerswet 1994


Ten aanzien van feiten 1 en 2:

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 180 (honderd tachtig) dagen.

Beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 85 (vijfentachtig) dagen, van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 3 (drie) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet aan de volgende algemene voorwaarden houdt.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde

1. zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

3. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

De tenuitvoerlegging kan ook worden gelast indien de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

4. Veroordeelde moet zich (uiterlijk) binnen drie dagen na het onherroepelijk worden van dit vonnis melden bij Reclassering Inforsa, [adres 3] .

5. Veroordeelde moet zich gedurende de proeftijd bij Reclassering Inforsa, [adres 3] melden, zolang en zo vaak de reclassering dit noodzakelijk acht.

6. Veroordeelde moet zich gedurende de proeftijd houden aan de opdrachten die Reclassering Inforsa hem geeft, ook als dit inhoudt dat veroordeelde zich moet laten behandelen voor zijn verslaving, zijn medewerking moet verlenen aan urinecontroles en moet deelnemen aan agressieregulatie training.

Geeft aan genoemde instelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Ten aanzien van feit 3:

Ontzegt verdachte ter zake van het onder feit 3 bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor 12 (twaalf) maanden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 6 (zes) maanden van deze bijkomende straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Verklaart verbeurd: Personenauto [kentekennummer] , Renault Clio KI: Zwart, 5397500

Gelast de teruggave aan verdachte van: Geldbedrag € 831,-, G 4202135

Wijst de vordering van [slachtoffer 1] , toe tot € 200,- (tweehonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 juni 2017 tot de dag der voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 1] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer 1] aan de Staat € 200,- (tweehonderd euro) te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 juni 2017 tot de dag der voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting vervangen door hechtenis van 4 dagen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Heft op het – geschorste – bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. S.P. Pompe, voorzitter,

mrs. M.F. Ferdinandusse en A.K. Glerum, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. B. Pünt, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 26 april 2018.