Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:4901

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
25-05-2018
Datum publicatie
13-07-2018
Zaaknummer
13-684049-18 en 13-706086-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

poging zware mishandeling met een mes en meerdere autoinbraken en pogingen daartoe, gevangenisstraf van 15 maanden waarvan 5 maanden voorwaardelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT VONNIS

Parketnummers: 13/684049-18 (zaak A) en 13/706086-18 (zaak B)

Datum uitspraak: 25 mei 2018

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1977,

ingeschreven in de [BRP adres] ,

gedetineerd [detentie adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 11 mei 2018.

De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, ter terechtzitting gezamenlijk behandeld. De officier van justitie heeft voor deze zaken één straf geëist. Per abuis heeft de rechtbank ter terechtzitting nagelaten de zaken te voegen. De rechtbank zal de zaken alsnog voegen en één vonnis wijzen. Deze zaken worden hierna als respectievelijk zaak A en zaak B aangeduid.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. J. Kouwenhoven, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. A.S. Kamphuis, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

In zaak A zijn aan verdachte – na wijziging van feit 4 op de zitting – tien feiten ten laste gelegd. Kort gezegd wordt hem het volgende verweten: (poging zware) mishandeling van [slachtoffer 1] , vijf auto-inbraken, twee pogingen auto-inbraak, diefstal van een portemonnee in vereniging en diefstal met een valse sleutel.

In zaak B wordt verdachte beschuldigd van diefstal van chocolade van Albert Heijn.

De tekst van de gehele tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3. Waardering van het bewijs

3.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van feit 2 en tot bewezenverklaring van feit 1 primair en alle overige feiten.

3.2

Het standpunt van de verdediging

Verdachte heeft ten aanzien van feit 1 in zaak A verklaard dat het klopt dat hij [slachtoffer 1] tijdens een worsteling met een mesje in haar gezicht heeft geraakt. Verdachte heeft feit 2 ontkend. Verdachte heeft feiten 3 en 4 bekend. Ten aanzien van feiten 5, 6, 7, 8, 9 en 10 heeft hij verklaard dat hij zich niet precies kan herinneren wat er is gebeurd, maar dat het wel zou kunnen dat hij bij die feiten betrokken is geweest. Verdachte heeft het in zaak B ten laste gelegde feit bekend.

De raadsvrouw heeft ten aanzien van feit 1 primair vrijspraak bepleit. Zij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte geen opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Er is geen letselverklaring, maar uit het proces-verbaal van bevindingen blijkt dat sprake is van oppervlakkige snijwonden, die niet gehecht hoefden te worden. Verdachte heeft ook niet bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Ten aanzien van feit 1 subsidiair heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsvrouw vrijspraak bepleit. Zij heeft daartoe – evenals de officier van justitie – aangevoerd dat de gestolen telefoon zich om 15:20 uur op de [adres 1] bevond, terwijl vast staat dat verdachte om 15:17 en 15:22 uur aan het pinnen was op de [adres 2] . De afstand tussen beide plekken is 8 minuten lopen, zodat het onmogelijk is dat verdachte de telefoon heeft gestolen. Ten aanzien van feiten 3, 4, 5, 6, 7 en 8 heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De raadsvrouw heeft vrijspraak van feiten 9 en 10 bepleit. Zij heeft daartoe aangevoerd dat op de camerabeelden wel te zien is dat verdachte de parkeergarage binnenkomt, maar dat niet te zien is wat er precies gebeurt bij de auto’s zodat de betreffende auto-inbraken niet aan hem kunnen worden gelinkt. Ten aanzien van het in zaak B ten laste gelegde feit heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

3.3

Het oordeel van de rechtbank

3.3.1

Vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde

De rechtbank acht niet bewezen wat in zaak A onder 2 is ten laste gelegd en overweegt daartoe als volgt. Op 11 januari 2018 heeft [slachtoffer 6] aangifte gedaan van een inbraak in zijn auto waarbij onder andere zijn iPhone, verschillende betaalpassen en zijn rijbewijs zijn gestolen. Aangever ziet om 15:20 uur via Find My iPhone dat zijn telefoon op dat moment op de hoek van de Burgemeester Tellegenstraat en de Talmastraat uitpeilt. Uit camerabeelden en pintransacties blijkt dat verdachte om 15:17 en 15:22 uur heeft gepind bij Albert Heijn en Kruidvat, beide gevestigd op de [adres 2] . Verdachte heeft ontkend dat hij in de desbetreffende auto heeft ingebroken. Verdachte heeft verklaard dat een man genaamd [naam] , die net als hij regelmatig in het huis in de [adres 1] kwam, aan hem vertelde dat hij een telefoon en een pinpas had gestolen. Teneinde herkenning te voorkomen vroeg [naam] aan verdachte of hij wilde gaan pinnen met die pinpas, aldus verdachte. Verdachte heeft verklaard dat hij daarin heeft toegestemd. Gelet op de tijdstippen dat verdachte heeft gepind en het tijdstip dat de Iphone van aangever uitpeilde nabij de woning in de [adres 1] acht de rechtbank het niet mogelijk dat verdachte om 15.20 uur de Ipone in zijn bezit had. Het kan daarom niet worden uitgesloten dat het is gegaan zoals verdachte heeft verklaard. De rechtbank acht de diefstal met braak niet bewezen en spreekt verdachte vrij van dit feit.

3.3.2

Wettig en overtuigend bewezen

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de in zaak A onder 1 primair, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10 en in zaak B ten laste gelegde feiten.

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

3.3.3

Bewijsoverwegingen

Feit 1 primair

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij [slachtoffer 1] tijdens een worsteling met een mes in haar gezicht heeft geraakt. Uit de foto’s in het dossier blijkt dat dit mes een blad van 6 centimeter met scherpe kartels heeft. [slachtoffer 1] heeft verklaard dat verdachte haar meerdere keren met het mes in haar gezicht heeft gestoken. De verbalisant die de aangifte heeft opgenomen, heeft verklaard dat hij verschillende diepe krassen en veel bloed op het gezicht van [slachtoffer 1] zag. De rechtbank acht op grond daarvan bewezen dat verdachte [slachtoffer 1] met voornoemd mes in haar gezicht heeft gestoken. Door met dit mes in het gezicht van [slachtoffer 1] te steken, heeft verdachte zich naar het oordeel van de rechtbank willens en wetens blootgesteld aan de kans dat [slachtoffer 1] daarbij zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Die kans is, bij steken met een mes met een blad van 6 centimeter in het gezicht, aanmerkelijk, aangezien het gezicht een kwetsbaar deel van het lichaam is en schade aan bijvoorbeeld ogen al gauw onherstelbaar is. Blijkens de wijze van handelen heeft verdachte die aanmerkelijke kans bewust aanvaard. De rechtbank acht de ten laste gelegde poging tot zware mishandeling daarom wettig en overtuigend bewezen.

Feiten 9 en 10

In de nacht van 27 op 28 januari 2018 is in parkeergarage Q-park aan de [locatie] in een drietal auto’s ingebroken. Uit de auto’s van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4] (feit 9) zijn diverse goederen gestolen. Uit de auto van [slachtoffer 5] (feit 10) is niets weggenomen. Van deze inbraken en de poging inbraak is aangifte gedaan. Verdachte is op de camerabeelden van de parkeergarage herkend. Daarop is te zien dat verdachte de deur van een zwarte auto opent en de auto ingaat. Hierna verlaat hij de auto en loopt hij naar een zilverkleurige auto. Hij slaat tegen het raam en opent het voorportier. Verdachte gaat de auto in en verricht handelingen in de auto. Vervolgens verlaat hij de auto, opent de achterdeur en gaat wederom de auto in. Na een korte periode komt hij de auto uit en loopt weg. Verdachte komt kort hierna rennend terug en pakt iets bij de zilverkleurige auto en verlaat de garage. Op de camerabeelden uit een ander gedeelte van de garage is te zien dat verdachte een zwarte auto, vermoedelijk een Golf, openbreekt. Verdachte opent de auto, neemt een rugtas weg en loopt weg. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat het zou kunnen dat hij deze feiten heeft begaan, maar dat hij het zich niet kan herinneren. Op grond van de aangiftes, de camerabeelden en de herkenning van verdachte op die beelden acht de rechtbank beide feiten bewezen.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht bewezen dat verdachte

Zaak A

Feit 1

op omstreeks 29 januari 2018 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet meermalen met een mes, in het gezicht, van voornoemde [slachtoffer 1] heeft gestoken;

Feit 3

op 11 januari 2018 te Amsterdam, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen geldbedragen, toebehorende aan [slachtoffer 6] , waarbij hij, verdachte, zich de toegang tot die weg te nemen geldbedragen heeft verschaft en die weg te nemen geldbedragen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, te weten een pinpas ten name van voornoemde [slachtoffer 6] ;

Feit 4

op 18 december 2017 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een portemonnee met inhoud, toebehorende aan [slachtoffer 7] ;

Feit 5

op 4 januari 2018 te Amsterdam, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een personenauto ( [kenteken 1] ) heeft weggenomen een zonnebril en een geldbedrag, toebehorende aan [slachtoffer 8] , waarbij hij, verdachte, zich de toegang tot die personenauto heeft verschaft en die weg te nemen zonnebril en dat geldbedrag onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak van een raam van voornoemde personenauto;

Feit 6

op 3 januari 2018 of 4 januari 2018 te Amsterdam, ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een personenauto ( [kenteken 2] ) weg te nemen geld of goederen van zijn gading, toebehorend aan [slachtoffer 9] , en zich daarbij de toegang tot die personenauto te verschaffen en dat weg te nemen geld of die goederen van zijn gading onder zijn bereik te brengen door middel van braak, naar voornoemde personenauto is toegegaan en vervolgens een raam van voornoemde personenauto heeft verbroken;

Feit 7

op een tijdstip in de periode van 7 januari 2018 tot en met 9 januari 2018 te Amsterdam, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een personenauto ( [kenteken 7] ) heeft weggenomen een navigatiesysteem en een USB-stick, toebehorende aan [slachtoffer 11] , waarbij hij, verdachte, zich de toegang tot die personenauto heeft verschaft en die weg te nemen navigatiesysteem en USB-stick onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak van een raam van voornoemde personenauto;

Feit 8

op 27 januari 2018 of 28 januari 2018 te Amsterdam, ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een personenauto ( [kenteken 8] ) weg te nemen geld of goederen van zijn gading, toebehorend aan [slachtoffer 10] , en zich daarbij de toegang tot die personenauto te verschaffen en dat weg te nemen geld of die goederen van zijn gading onder zijn bereik te brengen door middel van braak, naar voornoemde personenauto is toegegaan en vervolgens een raam van voornoemde personenauto heeft verbroken;

Feit 9

op 28 januari 2018 te Amsterdam, telkens met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit personenauto's ( [kenteken 6] ) heeft weggenomen schoenen (merk: Timberland) en een navigatiesysteem (merk: TOMTOM) en een kabel (merk: Apple), toebehorende aan [slachtoffer 2] en [slachtoffer 4] , waarbij hij, verdachte, zich de toegang tot die personenauto's heeft verschaft en die weg te nemen schoenen en navigatiesysteem en kabel onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak van ramen van voornoemde personenauto's;

Feit 10

op 28 januari 2018 te Amsterdam, ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een personenauto ( [kenteken 9] ) weg te nemen geld of goederen van zijn gading, toebehorend aan [slachtoffer 5] , en zich daarbij de toegang tot die personenauto te verschaffen en dat weg te nemen geld of die goederen van zijn gading onder zijn bereik te brengen door middel van braak, naar voornoemde personenauto is toegegaan en vervolgens een raam van voornoemde personenauto heeft verbroken;

Zaak B

op 30 oktober 2017 te Amsterdam, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen pakken chocola toebehorende aan Albert Heijn.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straf

7.1

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 22 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 10 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 (drie) jaren. De officier van justitie heeft gevorderd dat daarbij een meldplicht, opname in een instelling voor begeleid wonen, opname in een zorginstelling voor een klinische behandeling en reclasseringstoezicht als bijzondere voorwaarden worden opgelegd. Zij heeft tevens gevorderd het reclasseringstoezicht dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft verzocht om een straf gelijk aan het voorarrest op te leggen, eventueel met een voorwaardelijk deel en bijzondere voorwaarden, in combinatie met een taakstraf. Verdachte is in een korte tijd afgegleden en heeft de onderhavige feiten in een kort tijdsbestek gepleegd. Hij heeft spijt van zijn daden en neemt daarvoor verantwoordelijkheid. De kans op herhaling is echter groot als verdachte niet wordt behandeld. De reclassering heeft een klinische behandeling geadviseerd. Forensisch Psychiatrisch Centrum de Oostvaarderskliniek heeft kenbaar gemaakt dat verdachte daar op 25 mei 2018 kan worden opgenomen. Een klinische behandeling houdt minimaal een opname van een half jaar in. Daarna zal verdachte zich aan een ambulant kader moeten houden. Verdachte ziet een klinische opname als een kans en is hiertoe erg gemotiveerd. De raadsvrouw heeft daarom verzocht verdachte een onvoorwaardelijke straf gelijk aan het voorarrest op te leggen, zodat verdachte op 25 mei 2018 geplaatst kan worden in de Oostvaarderskliniek voor een klinische behandeling.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging zware mishandeling van [slachtoffer 1] door haar meerdere malen met een mes in haar gezicht te steken. Zij heeft daardoor krassen in haar gezicht opgelopen. Gelet op de plaats van het lichaam waar verdachte [slachtoffer 1] verwondingen heeft toegebracht, hadden de gevolgen gemakkelijk nog ernstiger kunnen zijn dan het letsel dat is toegebracht. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij een knipperlicht relatie had met [slachtoffer 1] en dat zij regelmatig ruzie hadden. Dat verdachte op een dergelijke manier letsel heeft toegebracht aan [slachtoffer 1] , terwijl zij een relatie hadden en daarmee een vertrouwensband, weegt mee bij het bepalen van de straf.

Verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan negen vermogensdelicten. Diefstal is een ergerlijk feit dat voor de betrokkenen veel overlast heeft veroorzaakt. Verdachte heeft door zijn handelen getoond geen respect te hebben voor de eigendommen van anderen. Hij heeft enkel gedacht aan zijn eigen financiële gewin en aan de mogelijkheid om in zijn verslaving te kunnen voorzien.

Uit de reclasseringsrapportage komt naar voren dat het sinds de scheiding van verdachte in de zomer van 2017 bergafwaarts met verdachte is gegaan. Hij heeft in een zeer kort tijdsbestek een groot aantal strafbare feiten gepleegd. Verdachte had voor zijn detentie geen vaste woon- of verblijfplaats en sliep daardoor op straat of bij gebruikersvrienden. Het gebruik van cocaïne en alcohol van verdachte is door zijn woonsituatie fors toegenomen. Het delictgedrag lijkt voort te komen uit zijn verslaving. Er is psychische problematiek geconstateerd, waaronder een posttraumatische stressstoornis en een persoonlijkheidsstoornis met antisociale en borderline kenmerken. Door de reclassering is geadviseerd verdachte langdurig klinisch op te nemen. Verdachte heeft aangegeven open te staan voor een dergelijk traject.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het van belang dat verdachte een klinische behandeling zal ondergaan. De rechtbank is echter – met de officier van justitie – van oordeel dat gelet op de ernst van de feiten niet kan worden volstaan met een straf gelijk aan het voorarrest. De rechtbank acht een gevangenisstraf van 15 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 5 maanden voorwaardelijk passend en geboden. De rechtbank stelt de proeftijd op 2 jaren. De rechtbank zal tevens de bijzondere voorwaarden opleggen zoals die door de reclassering zijn geadviseerd en door de officier van justitie zijn gevorderd.

Gelet op het grote aantal begane strafbare feiten waaronder de poging tot zware mishandeling, de verslaving van verdachte en zijn psychische problematiek, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Daarom zal zij bevelen dat de hierna op grond van artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht (Sr) te stellen voorwaarden en het op grond van artikel 14d Sr uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

8 Ten aanzien van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

Vordering benadeelde partij [slachtoffer 6]

De benadeelde partij [slachtoffer 6] vordert € 852,25 aan materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering omdat er geen bewijs is dat verdachte het feit, waarop de gevorderde schade ziet, heeft begaan.

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering omdat zij vrijspraak heeft bepleit voor het feit waarop de gevorderde schade ziet.

De benadeelde partij zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat verdachte wordt vrijgesproken van feit 2 en daarom aan verdachte ten aanzien van dat feit geen straf of maatregel is opgelegd en artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht niet is toegepast.

Vordering benadeelde partij [slachtoffer 8]

De benadeelde partij [slachtoffer 8] vordert € 3.709,11 aan materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering in zijn geheel toe te wijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente en daarbij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering. De benadeelde partij heeft de vordering op zijn eigen naam, als natuurlijk persoon, ingediend. Hij heeft echter aangifte gedaan namens [naam VOF] . Daarom zou slechts de schade die geleden is door [naam VOF] voor vergoeding in aanmerking komen. Het is onduidelijk of het bedrijf degene is die schade heeft geleden. De benadeelde partij heeft niet als natuurlijk persoon aangifte gedaan van de diefstal van zijn zonnebril. Deze combinatie van factoren moet leiden tot de niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij in de vordering.

[slachtoffer 8] heeft naar aanleiding van het betoog van de raadsvrouw van verdachte desgevraagd ter terechtzitting verklaard dat hij aangifte heeft gedaan namens [naam VOF] , een v.o.f. met twee vennoten waarvan [slachtoffer 8] er een is. De auto waarin verdachte heeft ingebroken staat op naam van de v.o.f. [slachtoffer 8] heeft toegelicht dat de taxi niet is verzekerd tegen inbraak omdat dit te duur is in Amsterdam. De zonnebril is van [slachtoffer 8] zelf. Gelet op de toelichting van [slachtoffer 8] ter zitting begrijpt de rechtbank dat de benadeelde partij namens de v.o.f een vordering heeft ingediend ter zake van de schade aan de taxi en namens zichzelf ter zake van de zonnebril. De rechtbank acht de benadeelde partij daarom ontvankelijk in de vordering.

Vast staat dat aan [slachtoffer 8] en de door hem vertegenwoordigde v.o.f. door het onder feit 5 bewezen verklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht. De gevorderde schadevergoeding is met bewijsstukken onderbouwd en zal ten aanzien van [slachtoffer 8] worden toegewezen voor een bedrag van € 435,00 en ten aanzien van [naam VOF] voor een bedrag van € 3.274,11, in beide gevallen te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 4 januari 2018 tot aan de dag van de voldoening.

Voorts dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens [slachtoffer 8] en [naam VOF] naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen geachte feit 5 is toegebracht. De rechtbank waardeert deze (totaal) op een bedrag van € 3.709,11 (drieduizend zevenhonderdennegen euro en elf eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 4 januari 2018 tot aan de dag van de voldoening.

Vordering benadeelde partij [slachtoffer 11]

De benadeelde partij [slachtoffer 11] vordert € 455,- aan materiële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering omdat de gevorderde schade niet is onderbouwd.

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering omdat een onderbouwing van de gevorderde schade ontbreekt.

De benadeelde partij zal niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering. De behandeling van de vordering levert een onevenredige belasting van het strafgeding op omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd en het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. De benadeelde partij kan de vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 14e, 45, 57, 302, 310, 311 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het in zaak A onder 2 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het in zaak A onder 1 primair, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10 en het in zaak B ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Zaak A

Feit 1 primair

Poging tot zware mishandeling

Feit 3

Diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels, meermalen gepleegd

Feit 4

Diefstal door twee of meer verenigde personen

Feiten 5, 7, 9, 10

Diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft of het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, meermalen gepleegd

Feiten 6, 8

Poging tot diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft of het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, meermalen gepleegd

Zaak B

Diefstal

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 (vijftien) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 5 (vijf) maanden, van deze gevangenisstraf niet tenuitvoergelegd zal worden, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde gedurende de proeftijd de hierna vermelde algemene of bijzondere voorwaarden niet naleeft.

Stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde

1. zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

2. ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

3. medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

4. De veroordeelde moet binnen twee weken na het onherroepelijk worden van het vonnis tussen 9:00 en 12:00 telefonisch contact opnemen met de bureaudienst van Reclassering Inforsa. Dit kan via telefoonnummer 020-590 5800. Hierna moet veroordeelde zich blijven melden zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

5. De veroordeelde wordt verplicht om zich, op het moment dat de proeftijd start, in te spannen voor het vinden en behouden van een begeleide wooninstelling. De veroordeelde wordt verplicht binnen een nader te bepalen instelling te verblijven en zich te houden aan het
(dag-)programma dat deze voorziening in overleg met de reclassering heeft opgesteld, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

6. De veroordeelde wordt verplicht om op basis van de door het NIFP-IFZ afgegeven indicatiestelling zich te laten opnemen bij: FPC de Oostvaarderskliniek of een soortgelijke intramurale instelling, zulks ter beoordeling van het NIFP-IFZ, waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de (geneesheer-)directeur van die instelling zullen worden gegeven.

Geeft aan Reclassering Inforsa opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Beveelt dat de op grond van artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14d van het Wetboek van Strafrecht uit te oefenen toezicht,
dadelijk uitvoerbaar zijn.

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 6] niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Wijst de vorderingen van de benadeelde partij [slachtoffer 8], wonende te Amsterdam en [naam VOF], gevestigd te Amsterdam toe tot respectievelijk een bedrag van € 435,00 (vierhonderdvijfendertig euro) en € 3.274,11(drieduizend tweehonderdenvierenzeventig euro en elf eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 4 januari 2018 tot aan de dag van de voldoening.

Veroordeelt verdachte aan [slachtoffer 8] en [naam VOF] , voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 8] , te betalen de som van € 435, 00 (vierhonderdvijfendertig euro) en aan [naam VOF] te betalen de som van € 3.274,11 (drieduizend zevenhonderdvierenzeventig euro en elf eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 4 januari 2018 tot aan de dag van de voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 47 (zevenenveertig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van de voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 11] niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Dit vonnis is gewezen door

mr. R.A. Overbosch, voorzitter,

mrs. L. Voetelink en M.C.M. Hamer, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. B. Pünt, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 25 mei 2018.

[Bijlage]