Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:4843

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
04-07-2018
Datum publicatie
12-07-2018
Zaaknummer
C/13/606125 / HA ZA 16-394
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gedaagden hebben onrechtmatig gehandeld jegens de gemeente door zich – kort gezegd – zonder rechtsgrond grote sommen geld en goederen van de gemeente toe te eigenen. Gedaagden zijn dan ook gehouden de daardoor door de gemeente geleden schade te vergoeden. Gedaagden worden veroordeeld tot betaling van € 3.016.359,34 aan schadevergoeding. Verwijzing naar de schadestaatprocedure voor overige schade (kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid). Gedaagden hebben onvoldoende belang (gesteld) om het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Samenhang met strafproces: beginsel van hoor en wederhoor niet geschonden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/606125 / HA ZA 16-394

Vonnis van 4 juli 2018

in de zaak van

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE AMSTERDAM,

zetelend te Amsterdam,

eiseres,

advocaat mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,

tegen

1 [gedaagde sub 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats] ,

gedaagden,

advocaat mr. M. Heikens te Amsterdam.

Partijen zullen hierna de gemeente en [gedaagden] (afzonderlijk [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] ) genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 28 januari 2016 met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord;

  • -

    de akte overlegen kopie beslagstukken van 27 mei 2016 van de gemeente;

  • -

    het tussenvonnis van 22 juni 2016, waarbij een comparitie van partijen is bepaald;

  • -

    het proces-verbaal van de op 22 september 2017 gehouden comparitie van partijen, met de daarin genoemde en daaraan gehechte stukken;

  • -

    de akte uitlatingen na comparitie van partijen tevens houdende overlegging nadere producties van 18 oktober 2017 met producties van de gemeente;

  • -

    de antwoordakte tevens overlegging nadere producties van 15 november 2017 met producties van [gedaagden] ;

  • -

    de akte uitlatingen producties van 6 december 2017 van de gemeente;

  • -

    de akte van 4 januari 2017 van [gedaagden] ;

  • -

    de antwoordakte van 25 januari 2017 van de gemeente;

  • -

    het extract uit de minuten berustende ter griffie van deze rechtbank van 27 december 2017, waarbij het verzoek om pleidooi van [gedaagden] is afgewezen.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

De gemeente beschikt over een aantal gemeentewerven, waaronder een gemeentewerf aan de Admiraal Helfrichstraat 7 (stadsdeelwerf Rayon 1 Zuid) te Amsterdam.

2.2.

De gemeente heeft een beheerovereenkomst met LeasePlan Nederland N.V. (hierna: LeasePlan), in het kader waarvan LeasePlan sinds 1 november 2013 verantwoordelijk is voor het beheer en de administratie/(interne)facturatie van de bedrijfsvoertuigen van degemeente, in opdracht van en namens het gemeentelijk Wagenpark, onderdeel van het Facilitair Bureau van de gemeente.

Op 7 november 2014 is een addendum bij de beheerovereenkomst overeengekomen in het kader waarvan LeasePlan:

  • -

    de bestellingen van bedrijfsvoertuigen namens de gemeente plaatst;

  • -

    verplicht is om het leverproces van een bedrijfsvoertuig te bewaken en zorg te dragen voor de coördinatie van de inbouw van de opties en accessoires;

  • -

    na acceptatie van het bedrijfsvoertuig door de gemeente zorgdraagt voor een tijdige betaling van het bedrijfsvoertuig en de directe doorbelasting daarvan aan de gemeente.

2.3.

[gedaagde sub 1] was van 1 januari 2004 tot 2 december 2015 werkzaam voor de gemeente. Vanaf 1 januari 2007 was [gedaagde sub 1] in vaste dienst in de functie van Werf- en wagenparkbeheerder Rayon Zuid (medewerker techniek A, functieschaal 9). Daarnaast was hij werkzaam als ‘codeur’, in welke hoedanigheid hij de mogelijkheid had facturen in te brengen in het gemeentelijk betalingssysteem.

2.4.

[gedaagde sub 2] is de echtgenote van [gedaagde sub 1] . Zij zijn in gemeenschap van goederen gehuwd. Blijkens gegevens van de Kamer van Koophandel van 31 mei 2016 is [gedaagde sub 2] eigenaar van de eenmanszaak [eenmanszaak] (hierna: [eenmanszaak] , ( [gedaagde sub 2] ) [eenmanszaak] of [eenmanszaak] ), gevestigd aan [adres 1] te [adres 1] , met als activiteiten: groothandel in emballage, groothandel in ijzer- en metaalwaren, organisatieadviesbureaus, en groothandel in containers en klein gereedschap alsmede het leveren van diensten op technisch, operationeel en facilitair gebied, tevens bedrijfsorganisatie-adviesbureau.

2.5.

De Landelijke eenheid dienst infrastructuur team FinEC van de politie heeft de gemeente eind augustus 2015 bericht dat vanwege vermeende fraude een strafrechtelijk financieel onderzoek (SFO) was gestart jegens [eenmanszaak] , waarbij tevens [gedaagde sub 1] werd betrokken.

2.6.

Bureau Integriteit van de gemeente heeft vervolgens ook een eigen onderzoek gestart. De eerste bevindingen van het onderzoek zijn vastgelegd in een rapportage van 14 september 2015, waarin de volgende samenvatting is opgenomen:

“- De gemeente Amsterdam heeft in de periode 27 april 2010 tot en met 6 juli 2015, door het handelen van [gedaagde sub 1] , een bedrag groot € 713.260,38 betaald aan [eenmanszaak] ;

- Op basis van de contacten met de leden van het Finec team, het persbericht van het Openbaar Ministerie en de voorlopige resultaten van het intern onderzoek uitgevoerd door Bureau Integriteit kan geconcludeerd worden dat [eenmanszaak] geen tegenprestatie heeft geleverd voor de aan de gemeente Amsterdam gefactureerde bedragen. De door [gedaagde sub 2] opgegeven werkzaamheden zijn hoogstwaarschijnlijk daadwerkelijk uitgevoerd door het bedrijf [bedrijf] ;

- De heer [gedaagde sub 1] heeft, als codeur van het stadsdeel West, vermoedelijk zijn functie/positie misbruikt teneinde de leidinggevende te bewegen de door [eenmanszaak] aan de gemeente Amsterdam gefactureerde bedragen goed te keuren;

- Hoogstwaarschijnlijk zijn er in de periode voor 27 april 2010 al door de gemeente Amsterdam betalingen aan [eenmanszaak] verricht (…);

- Het Finec team heeft bestelbonnen van de gemeente Amsterdam tijdens een doorzoeking aangetroffen en in beslag genomen. Op deze bonnen is te zien dat er veelvuldig goederen worden besteld bij het bedrijf Brezan Automaterialen, vestiging Osdorp. Daarnaast zijn er goederen in een loods te Assendelft aangetroffen welke, gezien de adressering, in eigendom toebehoren aan de gemeente Amsterdam, het stadsdeel West. [gedaagde sub 1] heeft vermoedelijk zijn functie als werfbeheerder misbruikt om goederen te bestellen en te verduisteren dan wel goederen te verduisteren.”

2.7.

Krachtens verkregen verlof van de voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft de gemeente in het najaar 2015 ten laste van [gedaagden] diverse conservatoire beslagen doen leggen. De in dat kader in beslag genomen roerende zaken zijn ter gerechtelijke bewaring afgegeven.

2.8.

Blijkens de lijst van inbeslaggenomen goederen die is opgenomen in het proces-verbaal van inbeslagname van 7 september 2015 in het kader van artikel 94 Wetboek van Strafvordering zijn op het vestigingsadres van [eenmanszaak] ‘een envelop met daarin correspondentie’ en ‘2 maal notitieboekjes’ in beslaggenomen en op het woonadres van [gedaagden] onder meer:

  • -

    contant geld tot een bedrag van in elk geval € 8.863,-- in coupures van € 100,--;

  • -

    12 mobiele telefoons, waaronder 9 iPhones en 1 iWatch;

  • -

    5 Apple iPads;

  • -

    7 computers/laptops, waaronder iMacs, macbooks;

  • -

    veel sieraden;

  • -

    ca. 14 horloges, waaronder Cartier, Breitling en Rolex;

  • -

    veel (merk)brillen;

  • -

    6 bankpassen, 2 creditcards en 4 tankpassen van LeasePlan.

2.9.

Bij besluit van 7 september 2015 is [gedaagde sub 1] door de gemeente geschorst en is hem de toegang tot de werkplek ontzegd. [gedaagde sub 1] heeft tegen dit besluit geen bezwaar aangetekend.

2.10.

De gemeente heeft op 2 oktober 2015 jegens [gedaagden] bij de Landelijke eenheid dienst infrastructuur van de politie aangifte gedaan wegens het plegen van diverse strafbare feiten, waaronder oplichting, valsheid in geschrifte en verduistering in dienstbetrekking. In het proces-verbaal van verhoor aangever staat, voor zover hier relevant, het volgende:

“(…)

We hebben het vermoeden dat [ [gedaagde sub 1] ] de gemeente Amsterdam heeft opgelicht doordat hij opdrachten heeft geïnitieerd en goedgekeurd, en voor ontvangst van goederen en diensten heeft getekend, terwijl deze nooit geleverd zijn. Het lijkt er dus op dat de ontvangstbevestigingen valselijk zijn opgemaakt met het doel uiteindelijk de gemeente te benadelen en zichzelf of een ander te bevoordelen. Daarnaast heeft hij de budgetverantwoordelijke onder valse voorwendselen laten tekenen voor opdrachten. Ook deze opdrachten initieerde hij en tekende voor ontvangst, terwijl er niet geleverd is.

Inmiddels is ons ook bekend geworden dat de echtgenote van [gedaagde sub 1] eigenaar is van het bedrijf [eenmanszaak] en dat deze heeft gefactureerd aan het stadsdeel West voor in ieder geval het leveren van diensten. Voor zover wij kunnen zien, zijn deze diensten nooit geleverd. (…)

Uit ons onderzoek naar de e-mails van [gedaagde sub 1] blijkt ook dat hij offertes van [eenmanszaak] doorstuurt naar Leaseplan en hen opdracht geeft om een berekening voor de kosten te maken en de goederen te bestellen bij [eenmanszaak] .

[ [gedaagde sub 1] ] heeft ons nooit gemeld dat zijn vrouw eigenaar is van [eenmanszaak] .

Wij hebben van de politie begrepen dat er bij de doorzoekingen op 7 september 2015 in een loods die gehuurd wordt door [gedaagde sub 1] een aantal goederen is aangetroffen met daarop stickers van de gemeente Amsterdam.

(…)”.

2.11.

Justitie en Bureau Integriteit hebben vervolgens onderzoek verricht naar betalingen door LeasePlan aan [eenmanszaak] . De conclusie van de daarvan opgestelde Tussentijdse rapportage onderzoek “Tulp” van 5 november 2015 luidt, voor zover hier relevant, als volgt:

“ [gedaagde sub 1] heeft, vanuit zijn functie als werfbeheerder van het stadsdeel West, zeker 7 Shibaura tractoren besteld bij het bedrijf [eenmanszaak] (…). Op basis van mondeling verkregen informatie van het Finec-team van de politie dat er geen normale economische activiteiten door [eenmanszaak] werden uitgevoerd, de mededeling van de rayonmanager [naam 1] dat dergelijke tractoren niet op de werf aanwezig zijn, de vervalste offertes van [eenmanszaak] en de mededelingen van [naam 2] van Shibaura Europa BV kan worden geconcludeerd dat deze 7 tractoren nooit zijn geleverd. [gedaagde sub 1] heeft zijn werkgever, de gemeente Amsterdam, op deze wijze benadeeld voor een bedrag groot tenminste € 700.000,-.”

2.12.

De gemeente heeft in samenwerking met de politie op 15 november 2015 een onderzoek verricht naar het materiaal/materieel dat op de gemeentewerven van het stadsdeel aanwezig is. Het daarvan opgemaakte verslag luidt, voor zover hier relevant, als volgt:

“(…)

Toelichting

1. Totaal

Volgens de administratieve stand zouden in totaal 174 voertuigen en hulpstukken aanwezig moeten zijn waarvan in totaal 39 betrekking hebben op aanschaffingen bij de firma [eenmanszaak] .

(…) Bij de inventarisatie zijn in totaal 134 voertuigen en hulpstukken aangetroffen.

Van 91 van deze 134 komen de aangetroffen identificatiekenmerken overeen met de in de administratie aanwezige gegevens.

Van de in totaal 43 overige aangetroffen voertuigen en hulpstukken komen de aangetroffen identificatiegegevens niet overeen met de administratie.

In totaal zijn 83 voertuigen en hulpstukken die volgens de administratieve stand met bepaalde identificatiekenmerken aanwezig zouden moeten zijn niet met deze identificatiekenmerken aangetroffen.

Wel aangetroffen zijn 43 overige voertuigen en hulpstukken (…) met andere, in de administratie onbekende, identificatiekenmerken.

Aanschaf via [eenmanszaak]

Bij de inventarisatie is geen van de [eenmanszaak] aanschaffingen met de in de in de administratie vastgelegde identificatiekenmerken (kenteken/merk/type/chassisnummer) aangetroffen.

Voor deze aanschaffingen is door de gemeente in totaal ca. € 1,6 miljoen aan [eenmanszaak] betaald.

(…)”.

2.13.

Bij besluit van 2 december 2015 heeft de gemeente [gedaagde sub 1] strafontslag gegeven. Tegen dit besluit is [gedaagde sub 1] in bezwaar gekomen. Bij besluit van 18 maart 2016 heeft de gemeente het bezwaarschrift van [gedaagde sub 1] ongegrond verklaard. [gedaagde sub 1] heeft het tegen dit besluit ingestelde beroep bij deze rechtbank ingetrokken.

2.14.

Een door [naam 3] (hierna: [naam 3] ), inspecteur van de politie, op 4 december 2015 op ambtsbelofte opgemaakt proces-verbaal luidt, voor zover hier relevant, als volgt:

“(…)

Tijdens het onderzoek zijn de belastinggegevens en de bankrekeningen van zowel de verdachten als van voornoemd bedrijf gevorderd. Uit gegevens van de belastingdienst bleek dat het bedrijf [eenmanszaak] niet bekend was en er derhalve geen aangifte was gedaan.

Bij het analyseren van de bankrekeningen bleek dat er met regelmatig grote sommen geld werden bijgeschreven op de rekening van genoemd bedrijf. Deze geldbedragen werden vrijwel onmiddellijk doorgestort naar privé rekeningen van beide verdachten. Vandaaruit werden veelvuldig, ogenschijnlijk niet bedrijfsmatig, aankopen en uitgaven gedaan.

Vanuit de analyse van de bankrekeningen is niet gebleken dat er uitgaven dan wel aankopen werden gedaan ten behoeve van de bedrijfsomzet van [eenmanszaak] . Tevens is er bij een doorzoeking van zowel het woonadres van verdachten als ook op het vestigingsadres van [eenmanszaak] geen bedrijfsadministratie van dit bedrijf aangetroffen.

De beide verdachten zijn door de politie diverse malen gehoord, doch hebben zich op hun zwijgrecht beroept

(…)”.

2.15.

De gemeente heeft begin januari 2016 aangifte gedaan bij de politie van het onttrekken van goederen aan beslag aan de [woonadres] te [woonplaats] (het woonadres van [gedaagden] ) en aan de [adres 2] te [plaats] (een garagebedrijf).

2.16.

In de 2e deelrapportage onderzoek ‘Tulp’ (met het onderwerp omvang schade “LeasePlan constructie”) van 14 januari 2016 staat, voor zover hier relevant, het volgende:

“(…)

Administratief onderzoek betalingen Amsterdam – [eenmanszaak]

(…)

Het financieel administratief onderzoek leerde dat [eenmanszaak] op diverse verschillende manieren en voor diverse doelen, al dan niet middels tussenkomst van LeasePlan, voertuigen en/of goederen, fictief, aan het stadsdeel West heeft geleverd. Een overzicht van de diverse manieren:

- [gedaagde sub 1] bestelt, via Leaseplan, een voertuig bij [eenmanszaak] . Dit voertuig krijgt via Leaseplan een eigen leasecontract en een eigen wagenparknummer;

- [gedaagde sub 1] laat tijdens de bestelling van het hiervoor genoemde voertuig deze, fictief, uitrusten met een aantal extra opties, appendages. Deze vallen vervolgens onder het leasecontract van het aangekochte voertuig en het daarbij behorende wagenparknummer;

- [eenmanszaak] levert, fictief, appendages voor voertuigen die al eerder, fictief, door [eenmanszaak] aan het stadsdeel West zijn geleverd. Deze appendages maken deel uit van het wagenparknummer van het voertuig waarvoor ze zijn besteld;

- [eenmanszaak] levert, fictief, appendages voor voertuigen die daadwerkelijk bij het stadsdeel West in gebruik zijn. Deze appendages maken, administratief, onderdeel uit van het bestaande voertuig en het daarbij behorende wagenparknummer;

- [eenmanszaak] levert, fictief, losse appendages welke door Leaseplan worden voorzien van een afzonderlijk leasecontract en een eigen wagenparknummer krijgen;

- [eenmanszaak] levert, fictief, (inbouw)onderdelen zoals roetfilters en katalysatoren welke fictief ingebouwd worden bij bestaande voertuigen van het stadsdeel West.

(…)”.

2.17.

Bureau Integriteit heeft een nader onderzoek verricht naar de betalingen van de gemeente aan [eenmanszaak] . De samenvatting in het daarvan op 11 oktober 2016 opgemaakte Rapport Tulp luidt, voor zover hier relevant, als volgt:

“(…)

- Onderzoek in de financiële systemen van de gemeente Amsterdam heeft aangetoond dat [eenmanszaak] in de periode 2008-2015 voor in ieder geval € 864.852,39 (inclusief BTW) in rekening heeft gebracht bij de gemeente Amsterdam. Alle in rekening gebrachte diensten en/of producten zijn ten laste gekomen van de budgetten van de werven van stadsdeel West waar [gedaagde sub 1] werkzaam was.

- Op basis van de hierna opgesomde onderdelen is het aannemelijk geworden dat alle door [eenmanszaak] aan het stadsdeel West in rekening gebrachte diensten en/of producten nooit zijn uitgevoerd of geleverd.

1. [eenmanszaak] is een aan [gedaagde sub 1] verbonden partij;

2. [gedaagde sub 1] ontving de facturen van [eenmanszaak] in zijn zakelijke e-mail en was vervolgens rechtstreeks verantwoordelijk voor het aanbrengen van deze facturen bij de financiële administratie van het stadsdeel West, wat resulteerde in de daadwerkelijke betaling van dergelijke facturen;

3. Van het totaalbedrag wat [eenmanszaak] aan het stadsdeel West in rekening heeft gebracht is € 419.932,- in rekening gebracht ten behoeve van het reinigen of repareren van de op de stadsdeelwerf gelegen vetputten.

Volgens mededeling van meerdere medewerkers en leidinggevenden van de werven van Stadsdeel West werd het reinigen van dergelijke vetputten echter afgehandeld door de firma [bedrijf] . Uit een door Bureau Integriteit uitgevoerde analyse van de facturen van de firma [bedrijf] blijkt dat [bedrijf] inderdaad diensten ten aanzien van het leegzuigen van vetputten in rekening heeft gebracht bij de gemeente Amsterdam, stadsdeel West.

Derhalve blijkt dat een belangrijk deel van de door [eenmanszaak] in rekening gebrachte kosten betrekking hadden op dienstverlening welke in soortgelijke vorm ook door een andere partij in rekening is gebracht bij de werf van stadsdeel West;

4. Uit de navolgende elementen in de melding van de politie blijkt dat de firma [eenmanszaak] economisch inactief was:

• [eenmanszaak] was niet bekend bij de Belastingdienst en heeft nooit aangifte (…) gedaan;

• er is geen bedrijfsadministratie aangetroffen;

• de op de bankrekening van [eenmanszaak] ontvangen, omvangrijke, geldsommen werden rechtstreeks doorgeboekt naar de privé rekeningen van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] ;

• deze geldbedragen werden vervolgens gebruikt ten behoeve van, ogenschijnlijk, niet bedrijfsmatige aankopen en uitgaven;

• uit een analyse van de bankgegevens van [eenmanszaak] is het aannemelijk geworden dat er nooit enige aankoop of uitgave is gedaan ten behoeve van de bedrijfsomzet van de eenmanszaak.

5. Uit interviews welke door Bureau Integriteit zijn afgenomen met diverse betrokkenen, werkzaam op de stadsdeelwerven van het Stadsdeel West, blijkt dat de betrokkenen de eenmanszaak [eenmanszaak] niet kennen en nooit enige fysieke aanwezigheid hebben opgemerkt van bijvoorbeeld vrachtauto’s of medewerkers van [eenmanszaak] .

(…)

- Voorgaande bevindingen resulteren in een schadepost voor de gemeente Amsterdam van

€ 864.852,39 (inclusief BTW). Deze schadepost geldt voorzover het de rechtstreekse facturatie door de firma [eenmanszaak] aan de gemeente betreft. Deze facturatie heeft plaatsgevonden over de periode 2008 tot en met 2015.

(…)”.

Voorts is in het rapport, voor zover relevant, het volgende opgenomen:

“(…)

D.4.1 Bevindingen ten aanzien van ontvangstverklaringen voor door [eenmanszaak] in rekening gebrachte producten en/of diensten

Met betrekking tot de door [eenmanszaak] in rekening gebrachte producten en/of diensten heeft mevrouw [naam 4] [administratief medewerkster van de gemeente, rb] verklaard dat de ontvangstverklaring hiervoor bestond uit een mondelinge toelichting van [gedaagde sub 1] . Volgens [naam 4] gebeurde dit doordat zij periodiek met [gedaagde sub 1] achter haar computer gingen zitten en dat [gedaagde sub 1] vervolgens per openstaande factuur aangaf of levering van het gefactureerde heeft plaatsgevonden.

[naam 4] heeft aanvullend verklaard dat er geen pakbonnen of andere fysieke ontvangstverklaringen beschikbaar zijn ten aanzien van de door [eenmanszaak] gefactureerde diensten of producten.

(…)

Ten aanzien van de ontvangst van de producten en/of diensten van [eenmanszaak] is gedurende het door Bureau Integriteit uitgevoerde onderzoek twee vastleggingen aangetroffen waarbij voor levering is getekend. (…)

Het eerste document betreft een werkbon welke volgens opschrift is ondertekend door (…) [naam 5] . In een interview met de heer [naam 5] heeft hij hierover als volgt verklaard:

(…)

(…) Ik kan het me niet herinneren hoor. [gedaagde sub 2] , ik weet dat [bedrijf] komt.

(…)

[naam 6] verklaarde:

Vraag: Wie zuigt de vetputten leeg?

Dat is [bedrijf] .

Vraag: Ooit wel eens een [eenmanszaak] de vetputten zien leegzuigen?

Bij mij niet.

Vraag: Bij wie wel?

Omdat je die vraag stelt. Bij mij niet. Op de andere werf heb ik geen zicht wat er gebeurt. Maar [bedrijf] belt mij wanneer ze langskomen, ik geef aan of het kan of niet.

(…)

[naam 7] verklaarde:

(…)

Vraag: Door wie werden [de vetputten] gereinigd?

(…) [bedrijf] . En als er dus iets stuk was ook, dan vertelden ze dat, kregen we een offerte, en reparatie deden ze ook.

(…)

Vraag : Heeft een auto van [gedaagde sub 2] wel eens de vetputten geleegd?

Niet dat ik weet, bij ons op de werf niet geloof ik.

(…)

D.4.3 Bevindingen uit verklaringen over [eenmanszaak] en door [eenmanszaak] gefactureerde producten en/of diensten

Bureau Integriteit heeft diverse geïnterviewde collega’s werkzaam bij het Stadsdeel West gevraagd of zij bekend zijn met de fima [eenmanszaak] .

De reacties:

(…)

[naam 8] :

Vraag: Ken jij de firma [eenmanszaak] ?

Nee.

(…)

[naam 9]

Vraag: Ken jij het bedrijf [eenmanszaak] ?

[eenmanszaak] ? Nee.

Vraag: [eenmanszaak] ?

Nee.

(…)

[naam 10]

Vraag: Zegt [eenmanszaak] je wat?

Nee.

(…)”.

In het rapport bevestigen nog in ieder geval vier medewerkers dat zij [eenmanszaak] niet kennen.

2.18.

Het rapport Tulp van Bureau Integriteit inzake de betalingen van [eenmanszaak] aan LeasePlan van 11 oktober 2016 luidt, voor zover hier relevant, als volgt:

“(…)

B. Samenvatting

B.1 [gedaagde sub 1] /stadsdeel West

(…)

- In de periode tussen april 2009 en juli 2015 is [gedaagde sub 1] (…) betrokken bij in totaal 114 bestellingen bij [eenmanszaak] en 114 fictieve leveranties door [eenmanszaak] . (…) Deze bestellingen / fictieve leveranties betreffen voertuigen, appendages en andere goederen. Met betrekking tot de voertuigen moet opgemerkt worden dat het hier de zogenaamde specials betreft, on-gekentekende voertuigen. Deze 114 bestellingen / fictieve leveranties zijn door [eenmanszaak] gefactureerd en betaald door LeasePlan.

(…)

- Tijdens het onderzoek van Bureau Integriteit zijn geen van de bij deze 114 bestellingen behorende voertuigen, appendages of goederen, afkomstig van [eenmanszaak] op de stadsdeelwerven van het stadsdeel West aangetroffen.

- Uit administratief onderzoek is gebleken dat [gedaagde sub 1] 113 van de 114 bestelformulieren heeft ondertekend welke tijdens het onderzoek ter beschikking van Bureau Integriteit zijn gekomen. [gedaagde sub 1] heeft deze formulieren ondertekend zonder dat hij daartoe, conform de formele procedure, door de stadsdeelsecretaris gemandateerd was. [gedaagde sub 1] heeft vanuit zijn functie kennelijk onbelemmerd door en buiten het zicht van enige leidinggevende bestelformulieren voor voertuigen, appendages en goederen bij Centraal Wagenpark kunnen aanleveren.

- [gedaagde sub 1] heeft (…) de gemeente Amsterdam, op deze wijze benadeeld voor een bedrag van ten minste € 2.162.097,69.

(…)

B.2 Centraal Wagenpark (FB)

(…)

Beheersing bestelproces

- Het bleek voor [gedaagde sub 1] mogelijk om, binnen een korte termijn, meerdere bestelformulieren bij Centraal Wagenpark aan te leveren met een totaalwaarde van enkele tonnen, een totaalwaarde welke zijn mandaat ruim overschrijdt.

- Centraal Wagenpark voerde geen inhoudelijke controles uit naar de door de diensten en stadsdelen bij hen ingediende bestellingen maar toetste of degene die een bestelformulier ondertekende daartoe gemandateerd was. Aangezien het voor [gedaagde sub 1] jaren mogelijk is gebleken om ruim boven zijn mandaat voertuigen, appendages en overige goederen te bestellen blijkt deze toetsing in de praktijk niet te hebben gewerkt.

- Centraal Wagenpark ging er vervolgens vanuit dat, indien een gemandateerde een bestelling plaatste, deze bestelling rechtmatig en correct was en zond deze door naar LeasePlan.

LeasePlan ging er vervolgens vanuit dat, aangezien de bestelling was goedgekeurd door Centraal Wagenpark, deze eveneens rechtmatig en correct was en voerde vervolgens ook geen inhoudelijke controles uit.

(…)

- LeasePlan betaalde de leverancier, op basis van de ontvangst van een factuur van de leverancier en een door zowel de leverancier als de bij de gemeente Amsterdam behorende ontvanger getekend formulier ingebruikname lease-auto. Er zijn gedurende het onderzoek geen nadere afspraken gevonden over de ondertekening van deze formulieren door ambtenaren en de daadwerkelijke controle op de ontvangst van de producten. Hierdoor is het mogelijk gebleken dat [gedaagde sub 1] zelfstandig een bestelformulier bij Centraal Wagenpark kon indienen en uiteindelijk kon tekenen voor ontvangst van het bestelde product.

- Centraal Wagenpark controleerde niet fysiek of de levering van het via LeasePlan bestelde product daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. (…)

B.3 VGA

- Na afronding van het bestel- en (fictieve) leveringsproces meld LeasePlan de gegevens van het te verzekeren voertuig door aan het Verzekeringsbedrijf Groot Amsterdam (vanaf nu VGA). Tijdens het onderzoek van Bureau Integriteit ontstond de vraag hoe het mogelijk is dat voertuigen voorzien van niet bestaande merken en typenummers konden worden verzekerd zonder dat hierbij de fraude aan het licht was gekomen. (…)

Uit een gesprek met medewerkers van VGA (…) bleek echter dat de door LeasePlan aangeleverde gegevens ten aanzien van de specials, zonder controle op de juistheid, in een geautomatiseerd systeem van VGA werd ingevoerd waarna er automatisch, op basis van de door LeasePlan opgegeven waarde, een premieberekening tot stand kwam.

(…)”.

2.19.

In het kader van het SFO is op 18 september 2017 door een inspecteur van politie een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt, dat, voor zover hier relevant, luidt als volgt:

“(…)

Uit van de ABN AMRO Bank gevorderde en verstrekte gegevens komt naar voren dat in de periode van 14 januari 2009 tot en met 29 juli 2015, in 52 transacties, een totaalbedrag van

€ 864.852,40 werd overgeschreven van 2 ING bankrekeningen op naam van gemeente Amsterdam, Stadsdeel West, naar [eenmanszaak] .

(…)”.

2.20.

In het kader van het SFO is op 29 september 2017 door dezelfde inspecteur van politie een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt, dat, voor zover hier relevant, luidt als volgt:

“(…)

Uit van de ABN AMRO Bank gevorderde en verstrekte gegevens komt naar voren dat in de periode van 28 april 2009 tot en met 19 augustus 2015, in 28 transacties, een totaalbedrag van € 2.013.488,65 werd overgeschreven van 2 ABN AMRO bankrekeningen op naam van LeasePlan Nederland NV (…) naar [eenmanszaak] .

(…)”.

2.21.

Bij e-mail van 12 oktober 2017 heeft inspecteur van politie [naam 3] aan Bureau Integriteit het volgende bericht:

“Op 7 september 2015 heb ik als hulpofficier van justitie onder leiding van een rechter commissaris opgetreden bij een doorzoeking van een woning gelegen aan de [woonadres] te [woonplaats] . Deze woning werd toen bewoond door de verdachten [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] . In deze woning zijn toen een aantal goederen in beslaggenomen waaronder diverse administratieve bescheiden. Naast de doorzoeking in [woonplaats] zijn er op meerdere andere locaties ook doorzoekingen geweest. Bij geen van deze doorzoekingen is de bedrijfsadministratie aangetroffen van [eenmanszaak] . In het beslag is enkel sprake van enkele losse facturen of aantekeningen. Ook is er geen kas- of grootboek aangetroffen.

Er vanuit gaande u voldoende te hebben geïnformeerd.”

3 Het geschil

3.1.

De gemeente vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. hoofdelijke veroordeling van [gedaagden] tot betaling van € 3.016.359,34, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 24 juli 2015 tot aan de dag der algehele voldoening;

II. hoofdelijke veroordeling van [gedaagden] tot betaling van de door de gemeente geleden en nog te lijden schade wegens gemaakte en nog te maken kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

III. veroordeling van [gedaagden] in de kosten van dit geding, waaronder de beslagkosten en de kosten van bewaarneming.

3.2.

De gemeente legt aan haar vorderingen het volgende ten grondslag. Uit de omvangrijke rapportages van Bureau Integriteit, de stukken uit het strafdossier, waaronder in het bijzonder het ambtsedig opgemaakt proces-verbaal van inspecteur van politie [naam 3] van 4 december 2015, de facturen die [eenmanszaak] aan de gemeente en LeasePlan heeft verzonden en de betalingen die de gemeente blijkens haar eigen administratie aan [eenmanszaak] heeft gedaan, blijkt dat [gedaagden] hebben samengespannen om een zeer omvangrijk geldbedrag van de gemeente afhandig te maken. Zij hebben daarbij zodanig listige kunstgrepen toegepast dat de fraude lange tijd onopgemerkt is gebleven. [gedaagden] hebben vele valse facturen opgemaakt die door [gedaagde sub 1] in het betalingssysteem van de gemeente zijn ingevoerd, met als doel deze door de gemeente aan [eenmanszaak] te laten voldoen, terwijl tegenover deze betaling geen prestaties aan de zijde van [gedaagden] hebben gestaan. Verder hebben [gedaagden] door tussenkomst van LeasePlan omvangrijke geldsommen van de gemeente verduisterd, middels het indienen van valse offertes en dito facturen. Bovendien hebben [gedaagden] goederen ontvreemd van de gemeentewerf, althans buiten de macht van de gemeente gebracht en goederen (waaronder in elk geval begrepen diverse automaterialen) besteld op naam van de gemeente, terwijl deze goederen de gemeente niet tot nut strekten. [gedaagde sub 1] tekende telkens voor ontvangst voor de bestellingen van [eenmanszaak] , maar dit was in werkelijkheid geen reguliere onderneming, zoals volgt uit de bevindingen inzake het SFO en de rapportage van Bureau Integriteit van 14 september 2015.

3.3.

Inspecteur van politie [naam 3] heeft verklaard dat [eenmanszaak] nooit enige belastingaangifte heeft gedaan, dat uit analyse van de bankrekeningen van [gedaagden] is gebleken dat regelmatig grote sommen geld werden bijgeschreven op de rekening van [eenmanszaak] die vrijwel onmiddellijk werden doorgestort naar de privérekeningen van [gedaagden] en veelvuldig werden benut voor niet bedrijfsmatige aankopen en uitgaven. Bij [eenmanszaak] zijn bovendien geen inkoopfacturen van de leveringen van voertuigen, appendages en materieel aangetroffen en een bedrijfsadministratie ontbreekt. [eenmanszaak] is bovendien niet gevestigd op een reguliere bedrijfslocatie en/of in een reguliere bedrijfsruimte. Op het vestigingsadres was alleen een loods aanwezig die werd gehuurd door [gedaagde sub 1] en alleen als opslag geschikt was. De fictief geleverde diensten zijn zodanig omvangrijk en specialistisch dat van een onderneming een hoge mate van professionaliteit, expertise en omvang mag worden verwacht. Uit het handelsregister volgt evenwel dat de eenmanszaak maar één personeelslid kent, vermoedelijk [gedaagde sub 2] zelf en geen overig personeel in dienst heeft om de in rekening gebrachte werkzaamheden uit te kunnen voeren.

3.4.

[naam 1] (hierna: [naam 1] ), rayonmanager openbare ruimte, en [naam 4] (hierna: [naam 4] ), administratief medewerkster belast met de facturering, hebben tegenover Bureau Integriteit verklaard dat [eenmanszaak] binnen het stadsdeel en op de werf volkomen onbekend is en dat de reinigingswerkzaamheden van putten op de werf werden uitgevoerd door [bedrijf] (hierna: [bedrijf] ). In het licht van het voorgaande is de conclusie dat [eenmanszaak] in werkelijkheid geen onderneming was, maar alleen op papier bestond, derhalve een dekmantel, waarmee de gemeente middels gefingeerde leveringen en diensten herhaaldelijk werd opgelicht.

3.5.

Dit alles klemt te meer nu [gedaagde sub 1] als ambtenaar in publieke dienst is aangesteld en van hem juist daarom een hoge mate van integriteit mag worden gevergd. [gedaagde sub 1] heeft het vertrouwen dat de burger in de ambtelijke dienstverlener mag stellen, zeer ernstig geschaad.

3.6.

[gedaagden] hebben door voornoemde handelwijze jegens de gemeente primair onrechtmatig gehandeld als bedoeld in artikel 6:162 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en zij zijn dan ook gehouden de daardoor door de gemeente geleden en nog te lijden schade te vergoeden. De door de gemeente geleden schade bedraagt in totaal € 3.016.359,34 en bestaat uit de door [gedaagden] aan de gemeente rechtstreeks gefactureerde bedragen van € 864.852,39, uit de door [gedaagden] door tussenkomst van LeasePlan aan de gemeente in rekening gebrachte bedragen van € 2.002.897,-- en uit de door de gemeente aan LeasePlan betaalde beheervergoeding voor voertuigen, materiaal en materieel van € 148.609,09. Subsidiair baseert de gemeente zich ten aanzien van [gedaagde sub 2] op onverschuldigde betaling in de zin van artikel 6:203 BW, nu de betalingen van de gemeente aan [eenmanszaak] zijn gebaseerd op valse facturen waaraan geen enkele prestatie ten grondslag lag.

3.7.

[gedaagden] hebben ter afwering van de vordering onder meer aangevoerd dat, het voor [gedaagde sub 1] , medewerker techniek A, gelet op zijn taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden binnen het inkoopproces en de interne controle van de gemeente, zoals die blijken uit onder meer de overgelegde nota inkopen en aanbesteden, niet mogelijk was om invloed uit te oefenen op het totale inkoopproces of het afleverproces en, zo begrijpt de rechtbank, te bewerkstelligen hetgeen hem door de gemeente – en ook justitie – wordt verweten. Ter onderbouwing hebben [gedaagden] naast de nota inkopen en aanbesteden de budgethoudersregeling, de budgethoudersregeling Stadsdeel West en een mandatenoverzicht overgelegd. Voort voeren zij aan dat [bedrijf] weliswaar werkzaamheden uitvoerde op de werf, maar dat ook [eenmanszaak] dat deed. [bedrijf] was volgens [gedaagden] (alleen) belast met het leegzuigen van de putten en niet met het diep reinigen of repareren van de putten, vloeren, afvoergoten en containers.

3.8.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De omstandigheid dat [gedaagde sub 1] niet de formele bevoegdheid had om facturen in het betalingssysteem in te voeren, maakt nog niet dat hij dit niet heeft gedaan. Tegenover de met omvangrijke bewijsstukken en onderliggende stukken onderbouwde stellingen van de gemeente is de enkele verwijzing door [gedaagden] naar de nota inkopen en aanbesteden volstrekt onvoldoende. Daarbij komt dat rayonmanager [naam 1] tegenover Bureau Integriteit heeft verklaard dat zij al jaren met [gedaagde sub 1] samenwerkte, dat zij een sterke vertrouwensband met [gedaagde sub 1] had en dat zij de administratief medewerkster [naam 4] had opgedragen zich bij eventuele vragen bij de facturen met [gedaagde sub 1] te verstaan. [naam 4] heeft die gang van zaken tegenover Bureau Integriteit bevestigd en verklaard dat [gedaagde sub 1] per openstaande factuur aangaf of de levering had plaatsgevonden en dat er geen pakbonnen of andere fysieke ontvangstverklaringen beschikbaar waren met betrekking tot de door [eenmanszaak] gefactureerde diensten of producten. [gedaagden] hebben voornoemde feitelijke gang van zaken niet weersproken.

4.2.

[gedaagden] hebben wel betwist dat [gedaagde sub 1] de afleverbonnen voor ontvangst van de bestellingen van [eenmanszaak] steeds heeft ondertekend, aangezien van de 114 overgelegde facturen er maar 30 afleverbonnen in het geding zijn gebracht. [gedaagden] hebben echter geen enkele andere (plausibele) verklaring gegeven voor de gang van zaken, zodat de rechtbank aan deze blote betwisting voorbij gaat.

4.3.

[gedaagden] betwisten verder dat het diep reinigen van de vetvangputten en van de slibvangputten en de werkzaamheden met betrekking tot de zeef ten behoeve van de vlotter werden uitgevoerd door [bedrijf] . Tegenover de met bewijsstukken onderbouwde stellingen van de gemeente is die enkele betwisting echter onvoldoende. Uit die bewijsstukken blijkt immers dat rayonmanager [naam 1] en administratief medewerkster [naam 4] en diverse andere medewerkers van het Stadsdeel West van de gemeente hebben verklaard dat die werkzaamheden door [bedrijf] werden uitgevoerd, dat de onderneming [eenmanszaak] totaal onbekend was binnen het Stadsdeel en de werf en dat voornoemde werkzaamheden ook aan [bedrijf] zijn gefactureerd. Het verweer van [gedaagden] dat rayonmanager [naam 1] en administratief medewerkster [naam 4] hierover niet kunnen verklaren omdat zij niet voltijds op de werf aanwezig zijn en niet op de hoogte zijn van alle processen en het ‘reilen en zeilen’ op de werf, gaat niet op. Uit het hiervoor onder 2.17 opgenomen, op 11 oktober 2016 door Bureau Integriteit opgemaakte Rapport Tulp volgt immers dat ook bij medewerkers op de werf navraag is gedaan en dat niemand [eenmanszaak] kent. Tegenover al deze verklaringen kunnen [gedaagden] niet volstaan met de stelling dat de interviews suggestief zijn gevoerd en dat niet de juiste medewerkers zijn geïnterviewd. Dit geldt te meer omdat [gedaagden] op geen enkele wijze hebben toegelicht dat en hoe [eenmanszaak] in staat was deze werkzaamheden te verrichten en ook daadwerkelijk heeft verricht, door bijvoorbeeld verklaringen van medewerkers van [eenmanszaak] die de werkzaamheden hebben uitgevoerd, in het geding te brengen. Dit had wel op hun weg gelegen, mede in het licht van hetgeen hierna wordt overwogen.

4.4.

[gedaagden] hebben de stelling van de gemeente dat [eenmanszaak] feitelijk geen onderneming was betwist. [gedaagden] hebben ter onderbouwing van hun verweer verwezen naar een beslaglijst, opgenomen als bijlage 6 van het proces-verbaal van politie van de inbeslagname op 7 september 2015. Op die lijst staan de posten ‘administratie/ diverse administratie’ zonder nadere precisering, zodat daaruit niet valt op te maken dat [eenmanszaak] geen bedrijfsadministratie heeft gevoerd, aldus [gedaagden]

4.5.

Tegenover de met uitvoerige bewijsstukken onderbouwde stellingen van de gemeente hebben [gedaagden] hun verweer op dit punt volstrekt onvoldoende onderbouwd. Inspecteur van politie [naam 3] heeft immers verklaard dat [eenmanszaak] nooit enige belastingaangifte heeft gedaan terwijl de onderneming vanaf 2008 bij de Kamer van Koophandel stond ingeschreven, dat vanuit de analyse van de bankrekeningen niet is gebleken dat er uitgaven dan wel aankopen werden gedaan ten behoeve van de bedrijfsomzet van [eenmanszaak] en dat bij de doorzoeking van zowel het woonadres van [gedaagden] als van het vestigingsadres van [eenmanszaak] geen bedrijfsadministratie van [eenmanszaak] is aangetroffen. Op de desbetreffende beslaglijst staan bij het vestigingsadres van [eenmanszaak] slechts een ‘envelop met daarin correspondentie’ en ‘2 maal notitieboekjes’ vermeld.

4.6.

[gedaagden] hebben niet ontkend dat [eenmanszaak] geen belastingaangifte heeft gedaan. Evenmin hebben zij ontkend dat een totaalbedrag van € 864.852,40 is overgeschreven van de rekening van de gemeente naar [eenmanszaak] en een totaalbedrag van € 2.013.488,65 van de rekeningen van LeasePlan naar [eenmanszaak] (zie hiervoor onder 2.19 en 2.20), noch dat die gelden direct zijn doorgeboekt naar de privé- rekeningen van [gedaagden] Zij hebben bovendien nagelaten op het bovenstaande enige toelichting te geven en evenmin hebben zij toegelicht hoe zij de inbeslaggenomen goederen, die een zeer aanzienlijke waarde vertegenwoordigen, hebben kunnen financieren. Verder hebben [gedaagden] de stelling van de gemeente, dat blijkens een zeer uitvoerige inventarisatie geen van de ‘geleverde’ goederen op de werf of elders is aangetroffen, niet gemotiveerd weersproken.

Op grond van het voorgaande kan – met de gemeente – niet anders worden geconcludeerd dan dat [eenmanszaak] feitelijk geen onderneming was.

4.7.

Al het voorgaande leidt, in samenhang beschouwd, tot de conclusie dat [gedaagden] door zich – kort gezegd – zonder rechtsgrond grote sommen geld en goederen van de gemeente toe te eigenen onrechtmatig hebben gehandeld jegens de gemeente. [gedaagden] zijn dan ook gehouden de daardoor door de gemeente geleden schade te vergoeden.

4.8.

Het voorgaande betekent dat de subsidiaire grondslag voor de vorderingen op [gedaagde sub 2] (onverschuldigde betaling) geen bespreking behoeft

omvang schade

4.9.

Met betrekking tot de omvang van de door de gemeente geleden schade gaat de rechtbank voor wat betreft de betalingen van de gemeente aan [eenmanszaak] uit van een bedrag van in totaal € 864.852,39 en voor wat betreft de betalingen van LeasePlan aan [eenmanszaak] een bedrag van € 2.002.897,--, beide bedragen inclusief btw. Daarnaast wordt uitgegaan van de niet bestreden gevorderde beheerkosten van de gemeente aan LeasePlan van in totaal € 148.609,09.

Weliswaar hebben [gedaagden] de optelling van de betalingen van de gemeente betwist, maar blijkens de processen-verbaal van 18 en 29 september 2017 (zie hiervoor onder 2.19 2.20) zijn die bedragen zelfs iets hoger. Van die hogere bedragen kan de rechtbank echter niet uitgaan, nu niet meer kan worden toegewezen dan is gevorderd.

4.10.

[gedaagden] hebben zich in hun laatste processtuk (antwoordakte tevens overlegging nadere producties van 15 november 2017) op het standpunt gesteld dat een eventueel door hen te betalen schadevergoeding een bedrag exclusief btw zou moeten zijn, omdat de gemeente jaarlijks ‘gelden terugkrijgt van de btw’. Aan dit verweer gaat de rechtbank voorbij, omdat het tardief is. Niet valt in te zien waarom [gedaagden] dit verweer niet eerder naar voren hebben kunnen brengen en zij hebben ook niet toegelicht waarom zij dat niet eerder hebben gedaan. Tijdens de comparitie hebben [gedaagden] slechts opgemerkt dat zij tegen de btw-vordering geen verweer kunnen vorderen zonder de bedrijfsadministratie. Omdat [gedaagden] dit verweer pas in hun laatste processtuk naar voren hebben gebracht, heeft de gemeente ook geen gelegenheid meer gehad om hierop te reageren.

4.11.

Dit alles betekent dat het gevorderde bedrag van in totaal € 3.016.359,34 (inclusief btw) zal worden toegewezen. De gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 24 juli 2015 is als niet weersproken eveneens toewijsbaar.

verwijzing schadestaatprocedure

4.12.

De gemeente vordert verder op grond van artikel 6:96 lid 2 aanhef en sub b BW betaling van alle kosten die zij heeft moeten maken ten einde de aard en de omvang van de aansprakelijkheid van [gedaagden] vast te doen (laten) stellen. Die kosten betreffen onder meer om de inzet van zeer substantiële mankracht van Bureau Integriteit, welke inzet noodzakelijk was om de strafbare gedragingen van [gedaagde sub 1] te onderzoeken en om de inventarisatie van voertuigen en materieel te organiseren en uit te voeren. Aangezien het onderzoek van Bureau Integriteit nog niet is afgerond en de kosten nog doorlopen, is de hoogte van die vermogensschade nog niet bekend. De gemeente vordert dan ook veroordeling van deze schade, nader op te maken bij staat.

4.13.

Voor toewijzing van die vordering is voldoende dat de mogelijkheid van schade aannemelijk is. Gelet op de door Bureau Integriteit verrichte en mogelijk nog te verrichten onderzoeken en de daarvan opgemaakte – omvangrijke – rapportages ter onderbouwing van de aan [gedaagden] verweten gedragingen, is aan die voorwaarde voldaan. Ook deze vordering zal dan ook worden toegewezen.

hoor en wederhoor

4.14.

[gedaagden] hebben zich gedurende de procedure steeds op het standpunt gesteld dat zij geen verweer konden voeren tegen de vorderingen van de gemeente, omdat zij niet de beschikking hadden over de stukken uit het strafdossier, in het bijzonder de bedrijfsadministratie van [eenmanszaak] . De rechtbank heeft deze procedure aanvankelijk aangehouden in afwachting van het strafproces, maar toen dat tot onredelijke vertraging ging leiden toch een comparitie van partijen bepaald. Tijdens die comparitie hebben [gedaagden] dit standpunt dat zij niet in staat waren verweer te voeren herhaald. [gedaagden] worden hierin niet gevolgd. Allereerst is in dit verband van belang dat de gemeente uitvoerig heeft onderbouwd dat geen bedrijfsadministratie aanwezig was en is hiervoor geconcludeerd dat [eenmanszaak] feitelijk geen onderneming was. Die conclusie hadden [gedaagden] kunnen proberen te weerleggen, maar daartoe hebben zij, zoals hiervoor is overwogen, volstrekt onvoldoende aangevoerd. Indien [eenmanszaak] daadwerkelijk een ‘echte’ onderneming was geweest, hadden [gedaagden] dat ook aannemelijk kunnen maken met andere bewijsmiddelen (bijvoorbeeld schriftelijke getuigenverklaringen van werknemers), maar dit is niet gebeurd. Al met al ziet de rechtbank dan ook niet dat het beginsel van hoor en wederhoor zou zijn geschonden.

uitvoerbaarverklaring bij voorraad

4.15.

[gedaagden] hebben verweer gevoerd tegen de gevorderde uitvoerbaarverklaring bij voorraad en daartoe gesteld dat zij bij een toewijzend vonnis in hoger beroep zullen gaan, nog daargelaten dat op het strafrechtelijk geschil nog niet finaal is beslist.

4.16.

Het instellen van hoger beroep is geen grond voor afwijzing van de gevorderde uitvoerbaarverklaring bij voorraad. Verder is niet relevant dat op het strafrechtelijk geschil nog niet is beslist, nu de onderhavige procedure geheel los staat van de strafrechtelijke procedure. Nu [gedaagden] geen andere omstandigheden hebben aangevoerd, brengt het voorgaande mee dat tegenover het belang van de gemeente bij een uitvoerbaarverklaring bij voorraad, welk belang volgens vaste rechtspraak wordt vermoed aanwezig te zijn, [gedaagden] onvoldoende belang hebben (gesteld) om het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De gevorderde uitvoerbaarverklaring bij voorraad zal dan ook worden toegewezen.

4.17.

De gemeente vordert [gedaagden] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in art. 706 Rv toewijsbaar. De beslagkosten worden begroot op in totaal € 12.389,97, zijnde € 1.226,00 (2 rekesten x € 613,00) voor vast recht, € 3.451,97 voor verschotten en € 7.712,00 (2 rekesten x € 3.856,00) voor salaris advocaat.

4.18.

[gedaagden] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de gemeente worden begroot op:

- dagvaarding € 77,75

- griffierecht 2.677,00

- salaris advocaat 13.496,00 (3,5 punten × tarief € 3.856,00)

Totaal € 16.250,75

4.19.

De nakosten zijn toewijsbaar zoals hierna onder de beslissing is vermeld.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk om aan de gemeente te betalen een bedrag van € 3.016.359,34 (drie miljoen zestienduizenddriehonderdnegenenvijftig euro en vierendertig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van 24 juli 2015 tot de dag van volledige betaling,

5.2.

veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk tot vergoeding van de door de gemeente gemaakte kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid, nader op te maken bij staat,

5.3.

veroordeelt [gedaagden] in de beslagkosten, tot op heden begroot op € 12.389,97,

5.4.

veroordeelt [gedaagden] in de proceskosten, aan de zijde van de gemeente tot op heden begroot op € 16.250,75,

5.5.

veroordeelt [gedaagden] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagden] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van het vonnis,

5.6.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.7.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Dudok van Heel, rechter, bijgestaan door mr. J.P. van der Stouwe, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 4 juli 2018.