Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:4815

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
10-07-2018
Datum publicatie
17-07-2018
Zaaknummer
13/698257-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Geen ISD-maatregel ivm eerste keer volwassenenstrafrecht . De (laatste) kans om mee te werken aan een plan van aanpak dat de rechtbank als bijzondere voorwaarden bij een (deels) voorwaardelijke straf in vonnis van 22 december 2017 heeft opgenomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummers: 13/698257-18 en 13/122745-15 (TUL)

Datum uitspraak: 10 juli 2018

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1999,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres

[adres] ,

gedetineerd in [detentieadres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 26 juni 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van officier van justitie mr. L. Stroink en van wat verdachte en zijn raadsman mr. J.F. van der Brugge naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij op of omstreeks 10 februari 2018 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in/uit een (personen)auto (kenteken

[kenteken 1] ) heeft weggenomen een (rug)tas (met inhoud), geheel of ten dele toebehorend aan [persoon 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan hem, verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij hij, verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot die (personen)auto heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen (rug)tas (met inhoud) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak op en/of verbreking van een of

meerdere ruit(en) van/aan voornoemde (personen)auto.

3 Waardering van het bewijs

3.1.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft naar voren gebracht dat bewezen kan worden dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

3.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen bewijsverweer gevoerd, nu de verdachte ter zitting heeft bekend bij de auto-inbraak betrokken te zijn geweest.

3.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.1

De verdachte heeft ter zitting van 26 juni 2018 verklaard dat hij in de nacht van 10 februari 2018 te Amsterdam de bestuurder was van de scooter die op naam staat van zijn vader. Zijn mededader, de bijrijder, heeft de ruit van de auto ingeslagen, de tas gepakt en is achterop de scooter gesprongen waarna verdachte is weggereden. Aangever [persoon 1] heeft aangifte gedaan van de diefstal van zijn rugtas met inhoud uit zijn personenauto, kenteken [kenteken 1] , waarbij de linker achterruit van zijn auto werd ingeslagen. Hij zag dat iemand een tas uit zijn auto haalde en wegrende richting een scooter. Hij zag dat de scooter vaart minderde, dat de man die zijn tas had gestolen achterop de scooter sprong en dat de scooter weg reed.2

De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen van een auto-inbraak kan worden bewezen indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.

Naast voornoemde verklaring van de verdachte en de aangever leidt de rechtbank met betrekking tot de betrokkenheid van verdachte bij deze auto-inbraak het volgende af uit de bevindingen van het doelgroepenteam van de politie.3

Op 10 februari 2018 te Amsterdam zag dit doelgroepenteam omstreeks 02.00 uur een scooter rijden over de Herengracht richting de Utrechtsestraat. Zij zagen dat de scooter stopte en dat de bijrijder tussen de geparkeerde auto’s ging staan en met een lampje in verschillende auto’s scheen. De politie weet dat inbrekers dit doen om zo te kijken of er goederen in de auto liggen. Na een paar minuten reed er een opvallende motorrijder van de politie over de Utrechtsestraat. Hierop reed de bestuurder van de scooter naar de bijrijder om hem op te pikken, waarna zij wegreden in de richting van de Amstel. De scooter was voorzien van het kenteken [kenteken 2] en stond op naam van [persoon 2] .

Omstreeks 04:13 uur zag de politie dat er twee scooters vanaf de Amstel de Herengracht opreden. Op elke scooter zaten twee personen. De eerste scooter ging linksaf de Utrechtsestraat in. De achterste scooter bleef stil staan op de Herengracht ter hoogte van perceel [perceel] . Verbalisant [verbalisant 1] zag dat dit dezelfde scooter betrof, met dezelfde bestuurder en passagier, die hij eerder die nacht om 02.00 uur had gezien ter hoogte van hetzelfde perceel. Hij zag dat de passagier van de scooter was afgestapt, naar een zwarte personenauto liep en vervolgens wegrende van dit voertuig. De passagier rende in de richting van de scooter en hield onder zijn linkerarm een zwarte rugtas vast. De scooter begon te rijden in de richting van de Utrechtsestraat. De passagier sprong achterop de scooter en de scooter reed weg over de Herengracht en ging linksaf de Utrechtsestraat in.

De verbalisant heeft zijn waarnemingen doorgegeven aan zijn collega’s. Verbalisant [verbalisant 2] zag dat de scooter over de Prinsengracht reed in de richting van de Amstel en heeft door onder meer zijn fiets op de rijbaan te leggen de doorgang geblokkeerd. Hij herkende direct de bestuurder van de scooter, genaamd [persoon 2] , aan zijn bos haar, zijn gezicht en kleine gedrongen postuur, omdat hij de afgelopen tijd meerdere malen met [persoon 2] op straat in contact was gekomen. Op het moment dat de scooter ter hoogte van de verbalisant reed, heeft hij de zwarte tas vastgepakt en weten af te pakken van de passagier. De scooter reed weg.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn medeverdachte die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht de rechtbank het ten laste gelegde medeplegen bewezen.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 3 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte op 10 februari 2018 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een personenauto, kenteken [kenteken 1] , heeft weggenomen een rugtas met inhoud, toebehorend aan [persoon 1] , waarbij hij, verdachte en zijn mededader die weg te nemen rugtas met inhoud onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak op een ruit van voornoemde personenauto;

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

7 Motivering van de straf en maatregel

7.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD-maatregel) voor jongvolwassenen zal worden opgelegd voor de duur van twee jaren, zonder aftrek van voorarrest maar met een tussentijdse toetsing over zes maanden.

De vordering na voorwaardelijke veroordeling (TUL-vordering) kan worden toegewezen. Hoewel de vordering van de benadeelde partij ten aanzien van de schade aan de ruit niet nader is toegelicht, kan deze tot een bedrag van € 355,55 worden toegewezen, met oplegging van de wettelijke rente en de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige dient de benadeelde partij niet-ontvankelijkheid in zijn vordering te worden verklaard.

7.2.

Het strafmaatverweer van de verdediging

De raadsman heeft als standpunt naar voren gebracht dat de ISD-maatregel een ingrijpende maatregel is, die pas dient te worden opgelegd als er geen andere mogelijkheid meer is om de maatschappij tegen de verdachte te beschermen en de verdachte te begeleiden. Er ligt een onherroepelijk vonnis van de rechtbank van 22 december 2017 klaar met een plan van aanpak in de vorm van een aantal bijzondere voorwaarden. Het hoger beroep tegen dit vonnis is op 17 april 2018, tijdens het voorarrest in de onderhavige zaak, ingetrokken.

Verdachte heeft in de afgelopen periode praktische hulp gehad van de heer [persoon 3] , zijn begeleider bij Streetcornerwork. Het begeleidingstraject bij de William Schrikker Groep (WSG) verliep moeizaam, maar dat kan opnieuw worden opgestart door de Reclassering Nederland of het Leger Des Heils en dan is er met de hulp van Streetcornerwork en de Top 600 een grote kans van slagen. De raadsman verzoekt daarom een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden, een straf gelijk aan het voorarrest, op te leggen, en de voorlopige hechtenis van verdachte op te heffen.

Met betrekking tot de TUL-vordering refereert de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank. De benadeelde partij dient niet-ontvankelijkheid in zijn vordering te worden verklaard, nu deze vordering onvoldoende is onderbouwd. Als de rechtbank dit standpunt niet volgt, kan deze vordering tot een bedrag van € 150,00 (eigen risico) worden toegewezen.

7.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft bij het bepalen van de hierna te noemen strafoplegging gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel Justitiële Documentatie van 31 mei 2018;

- een verkort vonnis van deze rechtbank van 22 december 2017 (jeugdstrafrecht);

- een beknopt reclasseringsadvies van de Reclassering Nederland van 18 juni 2018;

- een e-mail van mevrouw [persoon 4] van de Top 1000, van 25 juni 2018.

Verder heeft de rechtbank ter zitting van 26 juni 2018 de volgende personen als deskundige gehoord:

- reclasseringswerker [persoon 5] , verbonden aan de Reclassering Nederland;

- maatschappelijk werker [persoon 3] , verbonden aan Streetcornerwork;

- plaats vervangend teamleider van de Top 1000, [persoon 4] .

Verdachte heeft zich met zijn mededader schuldig gemaakt aan een auto-inbraak door te handelen zoals hiervoor bewezen is verklaard. Dit is een uitermate vervelend feit, dat naast schade ook hinder en overlast heeft veroorzaakt voor de gedupeerde. Verdachte heeft met zijn handelen geen enkel respect getoond voor andermans eigendommen.

Verdachte heeft de auto-inbraak ter zitting bekend, maar hij heeft de rechtbank weinig inzicht gegeven in het hoe en waarom van zijn handelen. Verdachte noemde het een dom idee van zijn mededader. De rechtbank vindt dat verdachte hiermee maar weinig verantwoordelijk heeft genomen voor zijn eigen handelen en onvoldoende oog heeft voor de ernst van dit feit.

Uit het omvangrijke uittreksel Justitiële Documentatie blijkt dat verdachte vele malen is veroordeeld voor het plegen van misdrijven, waaronder auto-inbraken. Op basis van zijn strafblad komt hij in aanmerking voor de ISD-maatregel.

Uit het rapport van de reclassering volgt dat verdachte geen stabiele leefsituatie heeft. Hij heeft geen dagbesteding, geen inkomsten, is een vroegtijdige schoolverlater, blijft recidiveren en staat onvoldoende open voor begeleiding. Verdachte functioneert op een beneden gemiddeld intelligentieniveau. Er is sprake van een zorgelijke sociaal-emotionele ontwikkeling en attitude, samenhangend met het diagnostisch beeld ADHD en norm overschrijdend gedragsstoornis.

Bij verdachte is een Delayed Sleep Phase Disorder vastgesteld, waardoor hij slaapproblemen heeft. De hulpverlening bij de WSG (jeugdreclassering) is niet tot nauwelijks van de grond gekomen en de WSG ziet juridisch geen grond voor verdere uitvoering van het begeleidings-traject. De reclassering heeft vanwege dit alles de ISD-maatregel geadviseerd. Door deze maatregel is verdachte gedurende langere tijd weg uit zijn negatieve netwerk en heeft hij de kans om te bezinnen en aan interventies mee te werken.

De rechtbank vindt een ISD-maatregel op dit moment nog een stap te ver. Deze strafzaak is de eerste keer dat verdachte met het volwassenenstrafrecht, en daarmee de mogelijkheid tot oplegging van de ISD-maatregel, in aanraking komt. De rechtbank zal verdachte nog een keer de kans geven om, buiten de verstrekkende maatregel van de ISD om, mee te werken aan het plan van aanpak dat de rechtbank als bijzondere voorwaarden bij een (deels) voorwaardelijke straf in haar vonnis van 22 december 2017 heeft opgenomen. Dit plan houdt - kort gezegd - in dat verdachte zich laat behandelen voor zijn slaapproblemen, zich onder behandeling zal stellen van De Waag, zal blijven meewerken aan begeleiding door Streetcornerwork en zal meewerken aan het vinden van dagbesteding en een begeleid wonen plek. Verdachte heeft zich op de zitting van 26 juni j2018 bereid verklaard hieraan mee te werken.

In het vonnis van 22 december 2017 is het toezicht opgedragen aan de WSG. De WSG kan deze taak desgewenst echter overdragen aan Reclassering Nederland als de WSG toezicht door de volwassenen reclassering inmiddels passender acht.

De rechtbank benadrukt dat het aan verdachte is om deze kans te pakken. Als verdachte zich wederom schuldig maakt aan een strafbaar feit of niet of onvoldoende meewerkt aan voornoemd plan van aanpak, dan is de kans groot dat hij de volgende keer wel de ISD-maatregel opgelegd krijgt.

Aan verdachte zal dan ook niet de ISD-maatregel voor jongvolwassenen worden opgelegd. De rechtbank zal volstaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 103 dagen, welke straf gelijk is aan de periode die de verdachte tot de uitspraak van heden in voorarrest heeft doorgebracht. Dat betekent dat het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van vandaag wordt opgeheven.

7.4.

Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [persoon 1] vordert € 443,84 aan materiële schadevergoeding, te weten schade ruit auto € 293,84 en eigen risico € 150,00, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Vast staat dat aan de benadeelde partij door de auto-inbraak materiële schade is toegebracht.

De vordering is tot een bedrag van € 293,84 betwist.

De rechtbank zal de vordering tot een bedrag van € 150,00 voor eigen risico toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. Uit de overgelegde stukken leidt de rechtbank af dat de schade aan de ruit in totaal € 293,84 exclusief btw bedroeg waarvan € 150,00 als eigen risico voor rekening van [persoon 1] is gekomen. Het resterende deel lijkt voor rekening van de werkgever dan wel verzekeraar, in ieder geval aan een ander dan [persoon 1] , te zijn gekomen.

De benadeelde partij zal daarom voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering. De behandeling van de vordering levert voor dit deel een onevenredige belasting van het strafgeding op omdat de vordering onvoldoende is onderbouwd en het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. De benadeelde partij kan het resterende deel van zijn vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

In het belang van [persoon 1] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

7.5.

Tenuitvoerlegging voorwaardelijke veroordeling

Bij de stukken bevindt zich de op 3 april 2018 ter griffie van deze rechtbank ontvangen vordering van de officier van justitie in het arrondissement Amsterdam, in de zaak met parketnummer 13/122745-15, betreffende het onherroepelijk geworden vonnis van 22 februari 2016 van de kantonrechter in deze rechtbank, waarbij verdachte is veroordeeld tot een geldboete van € 130,00, subsidiair 2 dagen jeugddetentie (de rechtbank begrijpt: vervangende jeugddetentie), met bevel dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich voor het einde van een op 2 jaren bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Tevens bevindt zich bij de stukken een geschrift waaruit blijkt dat de mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering aan verdachte per post is toegezonden.

Gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis. De rechtbank ziet hierin aanleiding de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijke straf te gelasten. Nu de verdachte meerderjarig is, zal de vervangende jeugddetentie overeenkomstig het bepaalde in artikel 77dd lid 3 van het Wetboek van Strafrecht worden omgezet in vervangende hechtenis.

8 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36f en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

9 Beslissing

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 103 dagen.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Wijst de vordering van [persoon 1] , wonende te [woonplaats] , toe tot € 150,00. Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [persoon 1] voornoemd, behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, 10 februari 2018, tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [persoon 1] , € 150,00 aan de Staat te betalen. behalve voor zover deze vordering al door of namens een ander is betaald, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, 10 februari 2018, tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting vervangen door hechtenis van 3 dagen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Gelast de tenuitvoerlegging van de bij voornoemd vonnis van 22 februari 2016 opgelegde voorwaardelijke straf, zijnde een geldboete van € 130,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door vervangende hechtenis voor de tijd van 2 dagen.

Heft op het bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door

mr. P.L.C.M. Ficq, voorzitter, tevens kinderrechter,

mrs. M.J.E. Geradts en C.C.M. Oude Hengel, rechters,

in tegenwoordigheid van E.J.M. Veerman, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 10 juli 2018.

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Proces-verbaal aangifte van 10 februari 2018, p. 3-4.

3 Proces-verbaal van bevindingen van 10 februari 2018, p. 9-11.