Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:4717

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
05-07-2018
Datum publicatie
12-07-2018
Zaaknummer
13/751356-18
Rechtsgebieden
Internationaal publiekrecht
Europees strafrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak
Inhoudsindicatie

EAB Belgie, heropening ivm recente stakingen in Belgische gevangenissen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM,

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751356-18

RK-nummer: 18/3070

Datum uitspraak: 5 juli 2018

TUSSEN-

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 3 mei 2018 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 16 april 2018 door de onderzoeksrechter in de rechtbank van eerste aanleg van Hasselt (België) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon] ,

geboren op [geboortedag] 1981 in [geboorteplaats] ( Roemenië ),

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

uit anderen hoofde gedetineerd in [plaats detentie] ,

hierna te noemen “de opgeëiste persoon”.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 21 juni 2018. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. U.A.E. Weitzel.

De opgeëiste persoon heeft zich laten bijstaan door mr. C.J.M. Jansen, advocaat in Tilburg en door een tolk in de Roemeense taal.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22 van de OLW uitspraak zou moeten doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Roemeense nationaliteit heeft.

3.1.

Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een arrestatiebevel bij verstek van 16 april 2018 van de Onderzoeksrechter bij de rechtbank van Eerste Aanleg in Hasselt (referentie 17/835).

De overlevering wordt verzocht voor een door de justitiële autoriteiten van de uitvaardigende lidstaat ingesteld strafrechtelijk onderzoek met betrekking tot het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan naar het recht van België strafbare feiten.

Deze feiten zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

3.2.

Genoegzaamheid

Standpunt verdediging.

De raadsman heeft betoogd dat de feitsomschrijving niet genoegzaam is. Er kan geen verdenking uit de feitsomschrijving worden gedistilleerd. Ook de betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de feiten in België is niet duidelijk. De opgeëiste persoon heeft niets met de feiten te maken en kan door deze vage omschrijving zijn onschuld niet onderbouwen.

Oordeel rechtbank

Het EAB dient die gegevens te bevatten op basis waarvan het voor de opgeëiste persoon duidelijk is waarvoor zijn overlevering wordt verzocht en het voor de rechtbank duidelijk is of het verzoek voldoet aan de in de OLW geformuleerde vereisten. Daartoe dient het EAB een beschrijving te bevatten van de omstandigheden waaronder de strafbare feiten zijn gepleegd, met vermelding van, in ieder geval, het tijdstip, de plaats en de mate van betrokkenheid van de opgeëiste persoon bij de strafbare feiten. Bovendien dient die bepaling de naleving van het specialiteitsbeginsel te kunnen waarborgen.

In het EAB onder e) is aangegeven dat de opgeëiste persoon ervan wordt verdacht als mededader betrokken te zijn bij een zware diefstal met braak van 3 containers waarbij een grote hoeveelheid sigaretten is gestolen met een waarde tussen de 1.500.000 en 2.000.000 euro. Deze diefstal is op 30 januari 2018 in Genk gepleegd.

Met deze omschrijving is voldoende duidelijk waarvoor de overlevering van de opgeëiste persoon wordt verzocht en is voldaan aan de vereisten die de OLW aan het EAB stelt. De grondslag waarop de verdenking tegen de opgeëiste persoon is gebaseerd hoeft niet in het EAB vermeld te worden. Verder hoeft er ook geen bewijs overgelegd te worden omdat de bewijsvraag in het kader van de beoordeling van de OLW niet aan de orde is. De gerechtvaardigdheid van de verdenking hoeft in de onderhavige procedure dan ook niet te worden onderbouwd. De beoordeling en waardering van het bewijs dient bij uitsluiting te geschieden door de Belgische rechter in de strafrechtelijke procedure met betrekking tot het feit waarvoor de overlevering wordt toegestaan. De rechtbank is dan ook met de officier van justitie van oordeel dat het feit genoegzaam is omschreven en dat het specialiteitsbeginsel voldoende is gewaarborgd.

4 Strafbaarheid, feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van de feiten waarvoor de overlevering wordt verzocht moet achterwege blijven, omdat de uitvaardigende justitiële autoriteit de strafbare feiten heeft aangeduid als feiten vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. De feiten vallen op deze lijst onder nummer 18, te weten:

Georganiseerde of gewapende diefstal

Volgens de in rubriek c) van het EAB vermelde gegevens is op deze feiten naar het recht van België een vrijheidsstraf met een maximum van ten minste drie jaren gesteld.

5 Onschuldverweer

De opgeëiste persoon heeft verklaard niet schuldig te zijn aan het feit. Hij heeft dit echter tijdens het verhoor ter zitting niet kunnen aantonen.

De onschuldbewering kan dan ook niet leiden tot weigering van de overlevering.

6 Detentieomstandigheden in België: heropening onderzoek

De rechtbank heeft na sluiting van het onderzoek kennis genomen van recente ontwikkelingen in België betreffende de detentieomstandigheden in verband met stakingen in Belgische gevangenissen.

De rechtbank ziet aanleiding zich te beraden over deze recente ontwikkelingen met het oog op het bepaalde in artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en het arrest van het Europese Hof van Justitie inzake Aranyosi en Căldăraru van 5 april 2016 (C-404/15 en C-659/15 PPU). Op een volgende zitting zal een en ander met partijen worden besproken.

Gezien het voorgaande zal de rechtbank het onderzoek ter zitting heropenen.

7 Beslissing

HEROPENT EN SCHORST het onderzoek voor onbepaalde tijd.

BEVEELT de oproeping van de opgeëiste persoon tegen een nog vast te stellen datum en tijdstip, met tijdige kennisgeving aan de raadsman van de opgeëiste persoon.

BEVEELT een tolk in de Roemeense taal tegen een nog vast te stellen datum en tijdstip.

Aldus gedaan door

mr. M. van Mourik, voorzitter,

mrs. M.T.C. de Vries en B. Poelert, rechters,

in tegenwoordigheid van D. Smeets, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 5 juli 2018.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.