Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:4683

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
06-07-2018
Datum publicatie
06-07-2018
Zaaknummer
13/730042-14 (Promis)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

67-jarige man is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden (waarvan 4 maanden voorwaardelijk) voor het bezit en de uitvoer van valse Britse ponden tussen januari 2012 en november 2013.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/730042-14 (Promis)

Datum uitspraak: 6 juli 2018

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1950,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres

[adres] , [woonplaats] .

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 28 mei 2018, 29 mei 2018, 1 juni 2018 en 22 juni 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie,

mr. M. Al Mansouri, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. I.P. Sigmond, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2012 tot en met 05 november 2013 te Amsterdam en/of Aalsmeer en/of te Maasbracht en/of te [plaats] (gemeente Stein), in elk geval in Nederland, en/of te Dover en/of Newcastle, in elk geval in Groot Brittannië, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk als echt en onvervalst heeft uitgegeven een hoeveelheid van (ongeveer) 1.000.000, althans een of meer hoeveelhe(i)d(en), Britse 1 pond muntstukken, die verdachte en/of zijn mededaders zelf had(den) nagemaakt of vervalst of waarvan de valsheid of de vervalsing hem, toen hij, verdachte en/of zijn mededader(s) deze ontving(en), bekend was en/of deze Britse 1 Pond muntstukken met het oogmerk om ze als echt en onvervalst uit te geven te of te doen uitgeven, heeft ontvangen en/of heeft verschaft en/of in voorraad heeft gehad en/of heeft vervoerd en/of ingevoerd en/of doorgevoerd en/of uitgevoerd.

De rechtbank leest het in de één na laatste regel van het ten laste gelegde vermelde “heeft verschaft” als “zich heeft verschaft”, omdat van een kennelijke misslag sprake is. De verbetering van deze misslag schaadt verdachte niet in zijn verdediging.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

Bewezen kan worden dat verdachte tezamen en in vereniging met [naam 1] en [medeverdachte 1] een hoeveelheid van 1.000.000 valse Engelse 1-pondmuntstukken in voorraad heeft gehad, heeft vervoerd en heeft uitgevoerd.

Het kan niet anders zijn dan dat verdachte vanaf de allereerste partij Britse ponden die hij en zijn mededaders geleverd kregen moet hebben geweten dat ze vals waren.

4.2.

Standpunt van de verdediging

Verdachte was er niet van op de hoogte dat de 1-pondmuntstukken die hij verhandelde vals waren. Op zijn aandringen heeft [naam 1] enkele munten door CCI laten controleren en deze bleken in orde zijn. Verdachte mocht daarom uitgaan van de echtheid van de munten en er valt hem niets te verwijten. Hij zal daarom van het feit moeten worden vrijgesproken.

4.3.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.1

4.3.1.

Loods [adres 1] te [plaats]

[medeverdachte 2] was in de ten laste gelegde periode enig aandeelhouder van [naam vennootschap] Deze vennootschap was op haar beurt enig aandeelhouder van [naam B.V.] (hierna: [naam B.V.] ). [naam B.V.] huurde een bedrijfsruimte in een loods op de [adres 2] in [plaats] .2In de bedrijfsruimte bevond zich een muntfabriek. Medewerkers van het bedrijf dat gevestigd was op de [adres 3] te [plaats] hebben op 23 januari 2013 tegenover ambtenaren van de Belastingdienst verklaard dat de muntfabriek behalve [adres 2] ook [adres 4] in gebruik had. Enkele maanden daarvoor hadden ze in het weekend een oorverdovend lawaai gehoord dat leek op het geluid van een machine die iets slaat. Eén van de ambtenaren heeft vervolgens geconstateerd dat tussen hal 2-4 en hal 6 een loopdeur aanwezig was. Hij zag in hal 6 een gloeistraat en slagmachines staan, als ook bakken waarin normaliter de rondellen worden gestort voordat deze de slagmachine ingaan.3

[medeverdachte 2] was geregeld bij [naam B.V.] op de [adres 1] aanwezig. Uit cameraobservaties blijkt dat hij daar ieder geval op 26 juni 2013, 11 juli 2013, 19 juli 2013, 24 juli 2013, 31 juli 2013, 6 augustus 2013, 7 augustus 2013, 21 augustus 2013, 28 augustus 2013, 10 september 2013, 17 oktober 2013 en 18 oktober 2013 is geweest.4

Een voormalig werknemer van [medeverdachte 2] , [naam werknemer] , heeft verklaard dat hij in de loods aan de [adres zonder nummer] voor [medeverdachte 2] een productiestraat voor het fabriceren van munten heeft opgezet. Een deel van de apparatuur en machines stond in nummer 6. De perceelnummers 2-4 vormden één geheel en nummer 6 zat achter een muur. Tussen deze ruimtes was een deur.5

De rechtbank stelt vast dat [medeverdachte 2] in de ten laste gelegde periode met zijn bedrijf [naam B.V.] de beschikking had over ruimtes in een loods aan de [adres 1] te [plaats] , waarin een machinestraat voor het maken van munten aanwezig was. [medeverdachte 2] was met regelmaat zelf op deze locatie, ook in loods 6, aanwezig.

4.3.2.

Levering rollen metaallegering [nummer] door [naam Turks bedrijf]

Het Turkse bedrijf [naam Turks bedrijf] ( [naam Turks bedrijf] ) heeft vijf partijen metaal geleverd aan [naam B.V.] . Blijkens de Turkse douaneverklaringen zijn deze leveringen op 22 november 2012, 29 mei 2013, 25 juni 2013 en tweemaal op 27 september 2013 op het douanekantoor aan de Turkse grens verwerkt. Het geleverde metaal had een nettogewicht van respectievelijk 14.449, 13.960, 10.060, 14.012 en 16.010 kilogram, en een totale verkoopwaarde van € 420.761,22.6

De directeur van [naam Turks bedrijf] , [naam directeur] , heeft verklaard dat deze vijf leveringen hebben plaatsgevonden op basis van drie bestellingen. Het ging om rollen metaal met de legering [nummer] en de afmetingen 2.88*193mm. Voorafgaande aan de eerste bestelling is [medeverdachte 2] als vertegenwoordiger van het bedrijf dat de bestelling wilde plaatsen bij de fabriek in Turkije geweest en heeft daar op zijn verzoek een rondleiding gekregen. [naam directeur] heeft vervolgens een aantal werkgerelateerde gesprekken met [medeverdachte 2] gevoerd.7

De zendingen van [naam Turks bedrijf] zijn na aankomst in Nederland in een douane loods van het bedrijf [naam bedrijf 1] te Venlo opgeslagen in afwachting van betaling van de BTW en invoerrechten door [naam B.V.] .8 Op 8 juli 2013 is gezien dat bij de [adres 1] uit een Turkse vrachtauto 7 pallets met goederen werden gelost en loods 6 werden binnen gebracht.9

De heer [naam manager Operations] Manager Operations bij de Koninklijke Nederlandse Munt, heeft het vermoeden geuit dat de geleverde legering [nummer] met de afmetingen 2.88*193mm gebruikt wordt voor het slaan van Britse 1-pondmuntstukken. Hoewel de samenstelling en dikte van het materiaal niet geheel identiek zijn aan de door de Royal Mint genoemde specificaties, komen ze redelijk in de buurt.10

De rechtbank stelt aldus vast dat [medeverdachte 2] in de ten laste gelegde periode voor zijn bedrijf [naam B.V.] een grote hoeveelheid metaal, dat wat betreft samenstelling en afmetingen geschikt is voor het vervaardigen van Britse 1-pondmuntstukken, heeft besteld en geleverd gekregen.

4.3.3.

Observatie 10 september 2013

Bij live uitgekeken camerabeelden op 10 september 2013 werd gezien dat de auto van [medeverdachte 2] aan het eind van de ochtend bij het kantoor van de loods aan de [adres zonder nummer] arriveerde. Een klein half uur later kwam een vrachtwagentje aanrijden met [medeverdachte 3] als chauffeur en een NN-man als passagier. Deze laatste liep naar het kantoor. [medeverdachte 3] reed de vrachtauto met de achterkant tot vlak bij de deur van loods 6. Hij haalde uit de loods een steekwagentje en zette deze op de laadklep van de vrachtauto. Enige minuten later kwam de NN-man met een heftruck loods 6 uitrijden met daarop een pallet met zilverkleurige vaten. Deze werden in de laadruimte van de vrachtwagen geplaatst. Daarna werden door hem ook nog blauwe vaten in de laadruimte gezet. De NN-man ging loods 6 weer in en [medeverdachte 3] reed met de vrachtauto weg.

Door het observatieteam is vervolgens waargenomen dat [medeverdachte 3] met de vrachtauto naar een loods aan de [adres 5] te [plaats] reed.11

[medeverdachte 3] parkeerde de vrachtwagen in de loods, waar de vaten kennelijk door hem werden gelost. Vervolgens reed hij met de vrachtwagen naar een parkeerterrein in Aalsmeer waar een ‘snackcar’ genaamd [naam snackbar] stond geparkeerd. Door tussenkomst van een andere persoon maakte [medeverdachte 3] contact met een man en vrouw (NN3 en NN4). NN3 en NN4 reden vervolgens in een Renault bestelwagen met kenteken [kenteken] achter de vrachtwagen van [medeverdachte 3] aan, terug naar de loods aan de [adres 5] te [plaats] . De Renault bestelwagen werd achteruit de loods ingereden waarna kennelijk goederen werden ingeladen.

NN3 en NN4 reden daarop met de Renault bestelauto naar een café in Maasbracht. Daar vond een ontmoeting plaats met een man (NN5) aan wie sleutels werden overhandigd. NN5 reed vervolgens met de Renault bestelwagen naar het adres [adres 6] te [plaats] . Nadat NN5 de zijdeur van de bestelwagen had geopend, kwam een andere man, NN6, met een heftruck aanrijden. Door hem werden vaten en een krat met grijze emmers vanuit de bestelwagen in de schuur geplaatst.12

[naam 1] heeft erkend dat hij de persoon is die op 10 september 2013 bij zijn woning op het adres [adres 6] te [plaats] met een heftruck vaten heeft uitgeladen.13 Hij is aldus NN6.

[verdachte] heeft verklaard dat hij diverse vrachten met munten heeft vervoerd en afgeleverd bij [naam 1] . De munten werden meestal afgegeven in Maasbracht waarna hij de reeds geladen wagen overnam en daarmee naar [naam 1] reed14. Hij is aldus NN5.

NN3 en NN4 zijn voor justitie onbekend gebleven.

4.3.4.

Observatie 5 november 2013

Bij een live uitgekeken cameraobservatie op 5 november 2013 is waargenomen dat een man, NN1, de loodsdeur van de [adres 4] opende. Een kleine vrachtwagen reed vervolgens achteruit de loods in. Een man die herkend is als [medeverdachte 3] rommelde wat bij de laadklep van de vrachtauto en liep de loods uit. Kort daarna ging [medeverdachte 3] met een door NN1 klaargezette steekwagen de vrachtauto in. NN1 laadde daarop met behulp van een heftruck vier vaten in de vrachtwagen. De vrachtwagen reed vervolgens de loods uit.15

De vrachtwagen, bestuurd door [medeverdachte 3] , werd enige minuten later op de Ruijgoordweg te Amsterdam gecontroleerd.

4.3.5.

In beslag genomen Britse 1-pondmuntstukken, rondellen, stempels en machines.

Vrachtwagen met kentekennummer [kenteken]

De vrachtwagen waarin [medeverdachte 3] op 5 november 2013 reed bleek het kentekennummer [kenteken] te hebben. De vier vaten die in de vrachtauto stonden waren gevuld met in totaal ongeveer 99.551 Britse 1-pondmuntstukken. Deze zijn in beslag genomen. Bovenop de munten lag steeds een compacte hoeveelheid metalen carrosserieringen.16

Loods [adres 1] te [plaats]

Van 5 tot en met 11 november 2013 heeft een doorzoeking plaatsgevonden in de loods aan de [adres 1] .17

In een van de ruimtes (ruimte VIII) werden in totaal 570.395 Britse 1-pondmuntstukken in beslag genomen. Een deel van deze munten bevond zich in vaten en dozen. Ook op de munten in deze vaten en in de bovenste dozen lag steeds een dikke laag met metalen carrosserieringen die het zicht op de onderliggende ponden wegnam. Tevens stonden in de loods op elkaar gestapelde vultrechterbakken met Britse 1-pondmuntstukken. Ook was een vulbak aanwezig met geheel onbewerkte rondellen en een vultrechterbak met rondellen waarbij de randen al waren bewerkt. In totaal werden in de betreffende ruimte ongeveer 570.395 Britse 1-pondmuntstukken en 331.452 rondellen in beslag genomen.18

In een andere ruimte (ruimte I) zaten in vulbakken die deel uitmaakten van een machine als ook in de machine zelf rondellen. In een vulbak die naast deze machine stond zaten ongeveer 9.328 Britse 1-pondmuntstukken.19

Aldus waren in de loods aan de [adres 1] in totaal ongeveer 579.723 Britse 1-pondmuntstukken aanwezig.

De in de loods aanwezige machines, stempels, vaten en andere voorwerpen zijn door de Fiod beschreven. Twee medewerkers van de Koninklijke Nederlandse Munt hebben

een groot aantal machines, gereedschappen en materialen aangewezen die vermoedelijk gebruikt of geschikt zijn voor het vervaardigen van Britse 1-pondmuntstukken. Tevens hebben zij enkele machines die vermoedelijk gebruikt zijn bij het vervaardigen van valse Britse 1-pondmuntstukken in werking gesteld. In ruimte VIII stond een machine die rondellen voorziet van een randinscriptie. In ruimte I stond een muntslagmachine (machine 15) die rondellen voorziet van een kop- en muntinscriptie. In de trechterbak bij deze machine zaten gerandschrifte rondellen, terwijl zich in de machine kop- en muntstempels bevonden. Na het aanzetten van de machine kwamen er geslagen munten uit. Deze munten zijn veiliggesteld.20 Het betreft Britse 1-pondmuntstukken met het jaartal 2006.21

[adres 7] te [plaats]

Op 5 november 2013 werd de woning van [medeverdachte 3] , [adres 7] te [plaats] , doorzocht.22 Er werden onder meer een Birkenstock schoenendoos met persstempels, een Albert Heijn tas met schriftelijke bescheiden en telefoons, een emmer met munten en een bak met metalen ringen in beslag genomen.23 Op de slagstempels in de schoenendoos was het hoofd van koningin Elisabeth en de woorden ‘one pound’ zichtbaar.24 Van de 21 stempels hadden 4 een negatieve afbeelding (zogenaamde matrijzen) en 17 een positieve afbeelding (zogenaamde poincoenen).25

Loods [adres 5] te Aalsmeer

Op 11 november 2013 is de loods [adres 5] te [plaats] doorzocht. Daarbij werden onder meer 8 blauwe en 24 grijze vaten aangetroffen.26 In deze vaten zaten in totaal ongeveer 11.695 Britse 1-pondmuntstukken en 4.157 rondellen. Deze zijn in beslag genomen.27

[adres 6] te [plaats]

Op 23 april 2014 werd de woning van [naam 1] , [adres 6] te [plaats] , doorzocht.28 Daarbij werden onder andere 30 carrosserieringen en 4 Britse 1-pondmuntstukken in beslag genomen.29 De ringen en munten werden aangetroffen op en tussen de betontegels in de berging van de woning. Het betreft twee Britse 1-pondmuntstukken met het jaartal 2005, één met het jaartal 2006 en één met het jaartal 2007.30

4.3.6.

Onderzoek in beslag genomen Britse 1-pondmuntstukken

Vermoeden valsheid

De rechtbank overweegt dat de aanwezigheid van een op de productie van Britse 1-pondmuntstukken ingerichte muntstraat in de loods aan de [adres zonder nummer] te [plaats] een zeer sterk vermoeden oplevert dat de Britse 1-pondmuntstukken die in de buurt van de machines in bakken, vultrechters en vaten waren opgeslagen, als ook de Britse 1-pondmuntstukken die vanaf de [adres zonder nummer] , via de loods in Aalsmeer verder zijn verspreid, vals zijn.

Rapportages Pieterman en Baldwin

De juistheid van het hiervoor genoemde vermoeden vindt bevestiging in de rapportage van R. Pieterman, NFI-deskundige, die een forensisch onderzoek heeft verricht met betrekking tot de Britse 1-pondmuntstukken en stempels die op de diverse locaties zijn in beslag genomen.

De deskundige heeft in de eerste plaats opgemerkt dat er slechts één instantie in de wereld is die (officieel) Engelse ponden vervaardigt, te weten de Royal Mint te Engeland. Het gehele productieproces vindt plaats in Cardiff en wordt niet uitbesteed aan derden. Alle Engelse ponden die niet geproduceerd zijn in de Royal Mint (Cardiff) zijn per definitie niet echt.

In het rapport wordt tevens opgemerkt dat iedere stempel met betrekking tot de Britse 1-pondmuntstukken, die buiten het (streng bewaakte) circuit van de Royal Mint wordt aangetroffen, per definitie niet echt is nu de echte stempels door de Royal Mint worden bewaard in kluizen en na gebruik uit het productieproces worden verwijderd en duurzaam vernietigd.

Ook overigens bevestigt het rapport – door de deskundige op basis van de likelihood ratio methode geformuleerd – de valsheid van de onderzochte munten. De onderzoeker concludeert dat de bevindingen van het onderzoek extreem veel waarschijnlijker zijn wanneer hypothese 1 (de onderzochte munten zijn vals) juist is dan wanneer hypothese 2 (de onderzochte munten zijn echt) juist is, waarbij het onderzoek zich gericht heeft op:

- munten 2004 en 2006 en stempels 2004 en 2006 (waaronder randschriftblokken), in beslag genomen in loods [adres 1] te [plaats] ;

- munten 2004 en 2006 in beslag genomen in de vrachtwagen [kenteken] ;

- munten 2006 in beslag genomen in de loods [adres 5] te [plaats] ;

- munten 2004 en 2006 en een matrijsstempel 2004, in beslag genomen op het adres [adres 7] te [plaats] (woning [medeverdachte 3] );

- een munt 2006, in beslag genomen op het adres [adres 6] te [plaats] (woning [naam 1] );

Daarbij blijkt uit het onderzoek nog het volgende.

Uit het onderzoek naar jaargang 2004 blijkt dat de matrijsstempel aangetroffen op de locatie [adres 7] te herleiden is naar alle onderzochte munten jaargang 2004 die werden aangetroffen:

• in de vrachtauto [kenteken] ;

• op de locatie [adres zonder nummer] ;

• op de locatie [adres 7] .

De onderzochte gebruikte en ongebruikte werkstempels op de [adres zonder nummer] , kunnen worden herleid naar de matrijsstempel ( [adres 7] ).

De onderzochte gebruikte werkstempels kunnen worden herleid naar de onderzochte munten in de vrachtauto [kenteken] en naar de onderzochte munten op de [adres zonder nummer] .

De onderzochte munten [adres zonder nummer] , vrachtauto [kenteken] en [adres 7] en de muntstempels op de [adres zonder nummer] en de matrijsstempel ( [adres 7] ) zijn niet te herleiden naar de officiële munten of muntstempels.

In het onderzoek naar jaargang 2006 is onder meer te lezen dat in de loods aan de [adres zonder nummer] aangetroffen werkstempels zijn te herleiden naar de onderzochte munten aangetroffen:

• in de vrachtauto [kenteken] ;

• op de locatie [adres zonder nummer] ;

• op de locatie [adres 5] ;

• op de locatie [adres 6] ;

• op de locatie [adres 7] .

De aangetroffen klasse- en individuele kenmerken in de onderzochte gebruikte en ongebruikte werkstempels [adres zonder nummer] en de onderzochte munten [adres zonder nummer] , vrachtauto [kenteken] , [adres 5] , [adres 7] en [adres 6] , zijn niet aangetroffen in de originele munten en stempels van de Royal Mint.31

De deskundige D. Baldwin heeft in zijn contra-rapportage van 22 augustus 2017 de door Pieterman gevolgde werkwijze en de uitkomsten van het NFI-rapport onderstreept, met de kanttekening dat hij het verrichte onderzoek aan de door de Royal Mint ter beschikking gestelde munten en stempels niet kan beoordelen omdat hij dit onderzoek niet heeft kunnen inzien.32

De rechtbank stelt op basis van de bevindingen van de deskundige Pieterman vast dat de onderzochte munten die in beslag zijn genomen in de loods aan de [adres 1] te Amsterdam, in de vrachtwagen met kenteken [kenteken] , op het adres [adres 7] te [plaats] , in de loods [adres 5] te Aalsmeer en op het adres [adres 6] te [plaats] , vals zijn en zijn te herleiden naar de stempels aangetroffen in de loods aan de [adres zonder nummer] en/of de matrijsstempel in de woning van [medeverdachte 3] .

De rechtbank gaat er van uit dat de onderzochte munten afkomstig van de diverse locaties, steeds representatief zijn voor de totale hoeveelheid munten die op deze locaties zijn aangetroffen. Er zijn geen aanwijzingen dat de valse munten mogelijk vermengd zouden zijn met echte Britse 1-pondmuntstukken.

4.3.7.

Tussenconclusie

De rechtbank acht bewezen dat de in beslag genomen Britse 1-pondmuntstukken afkomstig uit de loods [adres zonder nummer] , de vrachtwagen [kenteken] , de woning van [medeverdachte 3] , de woning van [naam 1] , vals zijn en dat deze munten zijn geslagen in de loods aan de [adres 1] te [plaats] .

4.3.8.

[medeverdachte 2] en [medeverdachte 4] producenten van de valse Britse 1-pondmuntstukken .

[medeverdachte 3] heeft in door hem afgelegde verklaringen gesproken over een zekere ‘ [naam 2] ’. Hij had [naam 2] ergens eind 2012 voor het eerst ontmoet. [naam 2] vroeg toen of [medeverdachte 3] klusjes voor hem wilde doen.33 [naam 2] is volgens hem de persoon die op 5 november 2013 met de heftruck de vrachtauto van [medeverdachte 3] heeft geladen.

In de woning van [medeverdachte 3] werd bij de doorzoeking op 5 november 2013 in een Albert Heijn tas een afsprakenkaartje gevonden van een tandartsenpraktijk met daarop de naam [medeverdachte 4] en adresgegevens. Deze tas heeft [medeverdachte 3] , met nog andere goederen, op verzoek van [medeverdachte 4] in zijn woning bewaard. Aan de hand van dit kaartje zijn de persoonsgegevens van [medeverdachte 4] achterhaald en is een pasfoto opgevraagd.34

[medeverdachte 3] heeft ‘ [naam 2] ’ herkend als de persoon afgebeeld op een hem getoonde pasfoto van [medeverdachte 4] .35 Gelet op de verklaring van [medeverdachte 3] dat [naam 2] op 5 november 2013 met de heftruck de vrachtauto van [medeverdachte 3] heeft geladen, gaat de rechtbank er vanuit dat NN1 op de camerabeelden van 5 november 2013 [medeverdachte 4] is.

[medeverdachte 4] heeft zich onvindbaar gehouden voor justitie. Ter terechtzitting heeft de

verdediging van [medeverdachte 2] een met de naam ‘ [medeverdachte 4] ’ ondertekende schriftelijke verklaring overgelegd, als ook een foto waarop een persoon deze verklaring toont. Zijn verklaring is door de rechtbank in het dossier van [medeverdachte 2] en de dossiers van de medeverdachten, waaronder [verdachte] , gevoegd. In deze verklaring neemt [medeverdachte 4] de verantwoordelijkheid voor de productie van valse Britse 1-pondmuntstukken op zich.36

Hoewel [medeverdachte 4] stelt dat [medeverdachte 2] geen bemoeienis heeft gehad bij deze productie, is de rechtbank van oordeel dat [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] gezamenlijk de Britse 1-pondmuntstukken hebben nagemaakt in de loods aan de [adres 1] te [plaats] . [medeverdachte 2] was immers in de ten laste gelegde periode veel, soms zelfs dag en nacht, in zijn bedrijf [naam B.V.] aanwezig en de kostbare machines die daar stonden behoorden hem, althans zijn bedrijf, toe. Het kan [medeverdachte 2] voorts niet zijn ontgaan dat er in de loods grote hoeveelheden valse Britse 1-pondmuntstukken aanwezig waren en dat op diverse plaatsen stempels voor de vervaardiging van deze munten lagen. Bovendien heeft [medeverdachte 2] in Turkije het metaal besteld waarmee de valse Britse 1-pondmuntstukken zijn geslagen.

Dat [medeverdachte 2] wist wat er in zijn bedrijf gebeurde blijkt ook uit het gebeuren op 26 juni 2013. Bij een bezoek van ambtenaren van de belastingdienst aan [naam B.V.] op die dag was de deur naar nummer 6 door een container, een machine en verpakkingsmaterialen aan het zicht onttrokken.37 Uit een camera-observatie op diezelfde dag blijkt dat [medeverdachte 2] en een andere man – naar mag worden aangenomen [medeverdachte 4] – ‘s ochtends vroeg vanuit loods 6 pallets met vaten en opvangbakken in een schuin tegenover de loods geparkeerde trailer hadden geplaatst. Aan het begin van de avond zijn deze goederen door hen weer het bedrijf ingebracht.38

Naar het oordeel van de rechtbank is bewezen dat [medeverdachte 2] aldus, tezamen en in vereniging met [medeverdachte 4] , in de loods aan de [adres 1] te [plaats] Britse 1-pondmuntstukken heeft nagemaakt.

4.3.9.

Route valse Britse 1-pondmuntstukken

In de 7 of 8 maanden voor zijn aanhouding vervoerde [medeverdachte 3] geregeld grijze en blauwe vaten vanaf de loods aan de [adres zonder nummer] naar de door hem op verzoek van [medeverdachte 4] gehuurde ruimte in de loods aan de [adres 5] te [plaats] . [medeverdachte 4] regelde steeds ontmoetingen met personen in een snackbar in Aalsmeer, die achter hem aanreden naar de loods aan de [adres 5] om de munten op te halen.39

De munten werden afgegeven in Maasbracht en één keer bij een hotel in Urmond . [verdachte] kreeg vooraf van een onbekend gebleven persoon die [naam 3] (niet [medeverdachte 2] ) zou heten een mail hoe laat hij daar moest zijn. Ter plaatse kreeg hij van deze [naam 3] een sleutel van de auto waarna hij de geladen wagen overnam. Iedere vracht munten die hij vervoerde heeft hij afgeleverd bij [naam 1] . Op de munten lag een laagje metalen ringen. Die haalden zij er met een magneet uit. De munten werden vervolgens overgepakt, bij de eerste zendingen in dozen, later in kleine tonnetjes.40

Nadat [verdachte] de munten bij [naam 1] had gebracht nam [naam 1] contact op met [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] regelde dan dat de munten door het in Engeland gevestigde bedrijf Coin Co International (CCI) werden opgehaald.41

4.3.10.

[verdachte] , [naam 1] en [medeverdachte 1]

[verdachte] had [naam 3] (niet [medeverdachte 2] ) ontmoet in een discotheek in België. Deze [naam 3] vroeg toen aan hem of hij Engelse munten kon omwisselen in groot geld. [verdachte] heeft daarop [naam 1] benaderd en gevraagd of hij iets met die munten kon. Bij de volgende ontmoeting met [naam 3] , enkele dagen later in Maaseik, heeft [naam 3] hem een mobiele telefoon gegeven, zodat hij in contact met hem kon komen.42

Nadat [naam 1] in december 2012 was benaderd door [verdachte] , die had gezegd dat hij tegen gereduceerde prijs aan Engelse ponden kon komen, heeft [naam 1] contact opgenomen met [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] was goed thuis in de financiële wereld.

Nog voor de kerst van 2012 kwam [verdachte] met een hoeveelheid munten langs. [naam 1] heeft daarvoor € 50.000,- aan [verdachte] gegeven. In aanwezigheid van [verdachte] nam [naam 1] telefonisch contact op met [medeverdachte 1] . Het boterde echter niet tussen [verdachte] en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 1] haakte aanvankelijk af. De munten bleven bij [naam 1] staan. Later nam [medeverdachte 1] weer contact met [naam 1] op. [naam 1] heeft op verzoek van [medeverdachte 1] 100 munten gegeven omdat hij ze wilde laten testen. Twee weken daarna berichtte [medeverdachte 1] dat CCI had bevestigd dat de munten echt waren en dat ze de munten zouden afnemen.

CCI heeft de vaten vervolgens bij [naam 1] opgehaald. De daarop volgende zendingen gingen steeds op dezelfde manier. [verdachte] zorgde dat de munten bij [naam 1] werden gebracht en CCI haalde deze op.43

4.3.11.

Betalingen

Contante betalingen

De eerste twee keer heeft [naam 1] voor de munten contant aan [verdachte] betaald; in januari 2013, € 50.000,- en in maart 2013, € 25.000,-. [verdachte] gaf het geld dan weer door aan de leverancier van de munten. [verdachte] wilde niet dat [naam 1] wist wie deze leverancier was.44

Betalingen op diverse rekeningnummers

[naam 1] vond het een probleem dat de munten contant betaald moesten worden en vroeg aan [verdachte] of ze ook via de bank konden betalen. [naam 1] heeft toen een paar maal via de bank betaald, op bankrekeningnummers die hij van [verdachte] had doorgekregen. Dit waren steeds verschillende nummers.45

In de computer van [naam 1] zijn overboekingen aangetroffen afkomstig van een rekening van de Santander bank aan uiteenlopende tegenrekeningen, te weten [naam 4] , [naam 5] , [naam 6] , [naam 7] en [naam Turks bedrijf] . Deze betalingen lopen tot een totaalbedrag van € 547.214,48.46

CCI is de rekeninghouder van deze Santander bankrekening. De betalingen zijn door CCI verricht, in opdracht van [naam 1] .47

In de bij CCI in beslag genomen e-mail correspondentie tussen [medeverdachte 1] en medewerkers van CCI wordt over deze betalingen gesproken, waarbij [medeverdachte 1] telkens doorgeeft op welke rekeningen er betaald moet worden48.

Op 9 mei 2013 geeft [medeverdachte 1] aan CCI betaalgegevens door met betrekking tot de rekeninghouder [naam 4] , met de omschrijving ‘[naam 10]’ en een rekeningnummer van hemzelf.49 Naar deze rekeningen wordt respectievelijk

£ 67.750,19 en € 1.906,48 overgemaakt.50 Op 22 mei 2013 volgt een soortgelijke transactie naar [naam 4] en [medeverdachte 1] , van respectievelijk

£ 62.333.09 en € 3.209,30.51

Op 31 mei 2013 geeft [medeverdachte 1] aan CCI betaalgegevens door met betrekking tot de rekeninghouder [naam 7] , met de omschrijving ‘[naam 10]’ en een rekeningnummer van hemzelf.52 Naar deze rekeningen wordt respectievelijk

£ 67.972,4953 en € 3.799,1054 overgemaakt. Op 17 juni 2013 geeft [medeverdachte 1] opnieuw betaalgegevens door met betrekking tot de rekeninghouder [naam 7] , met de omschrijving ‘[naam 10]’ en een rekeningnummer van hemzelf.55

Op 1 juli 2013 geeft [medeverdachte 1] aan CCI betaalgegevens door met betrekking tot de rekeninghouder [naam 5] , met de omschrijving: ‘Aankoop 150 IPhone 5 16gb [naam 10] ’ en een rekeningnummer van hemzelf.56 Naar deze rekeningen wordt respectievelijk

£ 67.503,59 en € 3.807,56 overgemaakt.57

Op 15 juli 2013 geeft [medeverdachte 1] betaalgegevens door met betrekking tot de rekeninghouder [naam Turks bedrijf] , omschrijving ‘Aankoop staal’ en een rekeningnummer van hemzelf.58 Naar deze rekeningen wordt respectievelijk

£ 67.149,8959 en € 3.757,0160 overgemaakt.

Op 24 juli 2013 geeft [medeverdachte 1] betaalgegevens door met betrekking tot [naam 6] , met de omschrijving ‘Aankoop I-Phones’ en rekeningnummer van hemzelf.61 Naar deze rekeningen wordt respectievelijk £ 68.040,8962 en € 3.231,2963 + € 515,6764 overgemaakt. [naam 6] is een bedrijf op naam van de kleinzoon van [verdachte]65 dat voorheen op naam stond van [naam 8]66, de partner van [verdachte] .

Op 1 augustus 2013 geeft [medeverdachte 1] betaalgegevens door met betrekking tot de rekeninghouder [naam 1] , met de omschrijving ‘Aanbetaling aankoop woonhuis’ en rekeningnummer van hemzelf.67 Er wordt £ 66.878,99 overgemaakt naar [naam 1] .68

Betalingen in goud

[verdachte] gaf op een bepaald moment bij [naam 1] aan dat de leverancier wilde dat ze in goud zouden gaan betalen. [naam 1] vond op het internet het bedrijf [naam bedrijf 2] . [naam 1] en [verdachte] zijn daar samen heengegaan voor een kennismakingsgesprek.69

Volgens [naam 9] , directeur van [naam bedrijf 2] , zijn [naam 1] en [verdachte] acht keer bij [naam bedrijf 2] geweest, te weten op 8 maart 2013, 15 april 2013, 1 mei 2013, 30 augustus 2013, 2 oktober 2013, 14 november 2013, 5 december 2013 en 10 december 2013. Bij het kennismakingsgesprek vertelden ze dat zij een firma hadden die iets in tweedehands voertuigen deed. Zij ontvingen dollars en wilden die omzetten in goud. Nadat het goud was overhandigd namen [naam 1] en [verdachte] steeds ieder de helft mee.70

CCI betaalde rechtstreeks aan [naam bedrijf 2] . Wanneer CCI geld overmaakte naar [naam bedrijf 2] werd dit gestort op naam van [naam 10] .71

CCI heeft in totaal een bedrag van € 529.053,64 overgemaakt naar [naam bedrijf 2] , ten behoeve van [naam 10] . [naam 10] heeft voor een totaalbedrag van

€ 532.623,64 aan goud bij [naam bedrijf 2] gekocht. 72

[naam 10] Ltd

[naam 1] en [verdachte] hebben samen [naam 10] Ltd opgericht. Toen de ruzie tussen [medeverdachte 1] en [verdachte] was bijgelegd is ook [medeverdachte 1] erbij betrokken. [naam 1] ging de marketing doen, [verdachte] de inkoop en [medeverdachte 1] het financiële gedeelte. [naam zoon] , de zoon van de vriendin van [naam 1] , werd directeur.73

Bij CCI is een overeenkomst tussen [naam 10] en CCI aangetroffen, gedateerd 22 februari 2013. Hierin verklaart [naam 10] zich bereid en in staat tot het leveren van valuta en verklaart CCI zich bereid tot het omwisselen daarvan.74 De bij CCI aangetroffen overeenkomst is alleen door CCI ondertekend, maar er is ook een namens [naam 10] getekend exemplaar.75

Volgens afspraak werd de betalingsinformatie door CCI steeds naar alle vier de leden van [naam 10] , derhalve [verdachte] , [naam 1] , [medeverdachte 1] en [naam zoon] , gemaild.76

In de ten laste gelegde periode hebben 40 betalingen van CCI naar [naam 10] plaatsgevonden, met een totaalbedrag rond de £ 1.500.000, -.77

Verdiensten [naam 1] , [medeverdachte 1] en [verdachte]

[naam 1] kocht de ponden aan voor één euro per pond. Vervolgens werden de ponden ingewisseld bij CCI. CCI hanteerde een provisie van 10%. Wat overbleef was voor [naam 1] . Hij deelde niet met [verdachte] of [medeverdachte 1] . [naam 1] kreeg zijn deel van de opbrengst door geld wat CCI rechtstreeks op zijn rekening stortte en door goud wat hij heeft gehad.78 Hij denkt aan de muntenhandel ongeveer € 170.000,- te hebben verdiend.79

[medeverdachte 1] kreeg een vergoeding per keer van rond de 3.200 pond. Voor de betaling van [medeverdachte 1] werden steeds extra munten ingeleverd bij CCI. Het geld daarvoor werd rechtstreeks door CCI overgemaakt aan [medeverdachte 1] .80 [medeverdachte 1] heeft in zijn verhoor bij de rechter-commissaris op 22 mei 2015 verklaard dat de gelden die hij van CCI ontving feitelijk aflossingen waren op een lening die hij van [naam 1] en [verdachte] had ontvangen. Ter terechtzitting heeft [medeverdachte 1] verklaard dat hij per succesvolle levering aan CCI een lening van [naam 1] ontving. In eerste instantie kreeg hij dit geld contant van [naam 1] , later via CCI. Feitelijk zou [medeverdachte 1] niets aan zijn bemiddelingsactiviteiten hebben verdiend.

De rechtbank stelt vast dat CCI met grote regelmaat en op aanwijzingen van [medeverdachte 1] geldbedragen op de bankrekening van [medeverdachte 1] stortte. [medeverdachte 1] is door deze gelden verrijkt en heeft voordeel daarvan genoten. In het kader van deze strafzaak acht de rechtbank irrelevant of de betalingen betrekking hadden op een lening of de afbetaling daarvan.

[verdachte] zou naar eigen zeggen per transport van Maasbracht naar Urmond van [naam 3] € 1.000,- hebben ontvangen.81 Zoals hiervoor is gebleken, heeft CCI onder meer een betaling verricht op het rekeningnummer van [naam 6] , een bedrijf dat met [verdachte] in verband is te brengen. Daarnaast is er op 23 april 2013 door CCI een groot geldbedrag op de bankrekening van [verdachte] overgeschreven.82 Ook heeft hij contant geld en goudenstaven ontvangen om de leveranciers van de munten te betalen. Het is goed mogelijk dat hij van dit geld of goud een deel voor zichzelf als provisie heeft achtergehouden. Hoewel onduidelijk blijft wat precies de verdiensten van [verdachte] zijn geweest, staat vast dat hij hiervan voordeel heeft genoten. Daarbij acht de rechtbank het niet onaannemelijk dat hij aan de handel in de valse Britse 1-pondmuntstukken meer heeft overgehouden dan alleen de door hem genoemde vergoeding per rit.

4.3.12.

Wetenschap [verdachte]

heeft steeds benadrukt dat hij niet wist dat de Britse 1-pondmuntstukken die hij vervoerde waren nagemaakt. Ook ter terechtzitting heeft hij herhaald dat hij zich niet schuldig voelt. De rechtbank volgt [verdachte] niet in deze verklaring.

De omstandigheden waaronder de handel in de munten heeft plaatsgevonden waren zodanig dat het niet anders kan zijn dan dat [verdachte] heeft geweten dat de Britse 1-pondmuntstukken vals waren. Dit moet hem bovendien al vanaf het eerste moment, bij de ontmoeting van [naam 3] in de discotheek in België, duidelijk zijn geweest. [naam 3] hield zijn identiteit verborgen en was alleen te bereiken op een door hem aan [verdachte] gegeven mobiele telefoon. Uit deze uiterst schimmige manier van zakendoen heeft [verdachte] moeten opmaken dat de leverancier van de munten kennelijk iets te verbergen had. Daarnaast is de wijze waarop de munten in Maasbracht door [verdachte] van een andere partij werden overgenomen en naar de schuur van [naam 1] werden vervoerd, zo sterk afwijkend van wat in het legale geldvervoer gebruikelijk is, dat [verdachte] wel op de hoogte moet zijn geweest dat het nagemaakte munten betrof. Dit geldt temeer, nu het om grote hoeveelheden munten ging, die steeds met een dikke laag carrosserieringen waren afdekt, kennelijk om bij een eventuele controle te verhullen dat er nagemaakte Britse 1-pondmuntstukken in de vaten zaten.

Ook uit de steeds wisselende manieren waarop de leverancier van de munten betaald wilde worden, namelijk eerst cash, vervolgens op uiteenlopende bankrekeningen en uiteindelijk met goud, kan wetenschap bij [verdachte] omtrent de valsheid van de munten worden afgeleid.

De rechtbank is van oordeel dat de omstandigheid dat een aantal munten bij CCI door de test was gekomen, niet maakt dat [verdachte] te goeder trouw is geweest. Het ligt veel meer voor de hand dat [medeverdachte 1] de munten bij CCI heeft laten testen om te bezien of de kwaliteit van de nagemaakte Britse 1-pondmuntstukken zodanig was dat ze door een reguliere controle zouden komen.

4.3.13.

Medeplegen

De rechtbank constateert dat [verdachte] , [naam 1] en [medeverdachte 1] bij de handel in valse Britse 1-pondmuntstukken met elkaar nauw hebben samengewerkt, waarbij ieder van hen een duidelijk te onderscheiden rol had.

[verdachte] was degene die het contact met de leverancier onderhield en zorgde voor de aanlevering van de munten en de betaling van de leverancier.

Bij [naam 1] werden de munten tijdelijk opgeslagen en opnieuw verpakt, waarna deze door CCI werden opgehaald. [naam 1] gaf informatie, die hij via [verdachte] van de leveranciers had ontvangen, door aan [medeverdachte 1] . Samen met [verdachte] heeft hij diverse keren goud opgehaald bij [naam bedrijf 2] .

[medeverdachte 1] onderhield de contacten met CCI en was daarmee de persoon die er voor zorgde dat de nagemaakte Britse 1-pondmuntstukken feitelijk werden uitgevoerd en in het legale circuit werden gebracht.

[verdachte] stelt dat zijn bemoeienis min of meer beperkt is gebleven tot het vervoer van de munten van Maasbracht naar Urmond . Uit de bewijsmiddelen blijkt echter dat zijn rol aanmerkelijk groter is geweest. Naast het feitelijk aanleveren van de munten, heeft hij ook gezorgd voor de betalingen aan de leveranciers en heeft hij aan [naam 1] bankrekeningnummers doorgegeven waarop betalingen moesten plaatsvinden. Anders dan [verdachte] stelt, maakte ook hij deel uit van [naam 10] en was hij op gelijke voet met [naam 1] betrokken bij de aankoop van goud bij [naam bedrijf 2] .

Hoewel [verdachte] en [medeverdachte 1] na de eerste telefonische ontmoeting niet met elkaar communiceerden, wisten zij wel degelijk van elkaars bestaan en rol en stonden zij via [naam 1] met elkaar in contact. De bankrekeningnummers waarop de betalingen moesten plaatsvinden werden immers door [verdachte] aan [naam 1] verstrekt, die deze weer doorspeelde aan [medeverdachte 1] . [verdachte] , [naam 1] en [medeverdachte 1] hebben alle drie substantiële bedragen uit de handel in de valse Britse 1-pondmuntstukken ontvangen en zij hadden gezamenlijk het bedrijf [naam 10] . De betalingen door CCI vonden steeds plaats ten gunste van [naam 10] . De mailwisseling tussen [medeverdachte 1] en CCI werden ook toegezonden aan de andere vennoten van [naam 10] . [medeverdachte 1] , [verdachte] en [naam 1] waren dus steeds allemaal precies op de hoogte welke bedragen naar wie werden overgeboekt en op welke transporten deze betalingen betrekking hadden.

De rechtbank is van oordeel dat [verdachte] , [naam 1] en [medeverdachte 1] aldus bij de handel in nagemaakte Britse 1-pondmuntstukken nauw en bewust met elkaar hebben samengewerkt en dat sprake is van medeplegen.

4.3.14.

Conclusie

[verdachte] heeft, tezamen en in vereniging met [naam 1] en [medeverdachte 1] , nagemaakte Britse 1-pondmuntstukken ontvangen, zich deze verschaft, in voorraad gehad en uitgevoerd. Op het moment dat [verdachte] de munten ontving wist hij dat deze vals waren en hij wilde uit de verkoop en uitvoer daarvan financieel voordeel halen.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4 opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:

in de periode van 1 januari 2012 tot en met 5 november 2013 te Maasbracht en/of te Urmond (gemeente Stein), in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, een hoeveelheid Britse 1 pond muntstukken waarvan de valsheid hem, toen hij, verdachte, deze ontving, bekend was, met het oogmerk om ze als echt en onvervalst uit te geven te of te doen uitgeven, heeft ontvangen en zich heeft verschaft en in voorraad heeft gehad en heeft uitgevoerd.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 Strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen

8.1.

Eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis.

8.2.

Standpunt van de verdediging

De slechte gezondheid van verdachte maakt dat hij ongeschikt is om een detentie te ondergaan. Verdachte is bereid en in staat om een taakstraf te verrichten.

8.3.

Oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich samen met anderen nagemaakte Britse 1-pondmuntstukken verschaft om deze naar het Verenigd Koninkrijk uit te voeren. De munten werden door verdachte afgenomen van de leverancier en vervolgens vervoerd naar een mededader. Daar werden de munten herpakt en bewaard, in afwachting van het vervoer naar het buitenland. Een andere mededader onderhield de contacten bij het bedrijf in het Verenigd Koninkrijk dat de munten afnam en gaf de bankrekeningen door waarop betaald moest worden. Het bedrijf haalde vervolgens de munten op. Daarmee werden de nagemaakte Britse 1-pondmuntstukken feitelijk uitgevoerd en in het legale circuit gebracht.

Door de nagemaakte Britse 1-pondmuntstukken in het verkeer te brengen, heeft verdachte het vertrouwen in chartaal geld aangetast. De ontvanger van de munten wordt bovendien in zijn vermogen getroffen, op het moment dat blijkt dat de munten niet echt zijn. De uitgifte van chartaal geld is bij uitstek voorbehouden aan de overheid, die daarbij in de regel ook een monetair beleid zal voeren. Het in omloop brengen van dergelijke grote hoeveelheden vals geld zorgt daarom voor een verstoring van het economische en financiële verkeer.

In aanmerking genomen de grootschaligheid waarop de handel plaatsvond en het grote maatschappelijk belang om dit soort praktijken te voorkomen, acht de rechtbank een forse straf op zijn plaats. Als uitganspunt neemt zij voor de ten aanzien van verdachte bewezenverklaarde gedragingen een gevangenisstraf van 16 maanden.

Uit een Uittreksel Justitiële Documentatie van 17 april 2018 blijkt dat verdachte in het verleden verschillende keren voor andersoortige delicten is veroordeeld. Deze veroordelingen zijn inmiddels zo oud dat de rechtbank daar geen acht meer op zal slaan.

De rechtbank constateert dat de behandeling van de strafzaak lang op zich heeft laten wachten. Verdachte is in verband met deze strafzaak op 23 april 2014 in België aangehouden. Deze datum kan worden beschouwd als het moment waarop de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) een aanvang heeft genomen. Na zijn aanhouding heeft verdachte in totaal 24 dagen in overleveringsdetentie en inverzekeringstelling doorgebracht en is vervolgens in vrijheid gesteld.

De strafzaak had binnen 2 jaren moeten zijn afgedaan. De inhoudelijke behandeling van de strafzaak vond echter pas plaats vanaf 28 mei 2018 en er wordt nu op 6 juli 2018 vonnis gewezen. De redelijke termijn is daarom met meer dan 26 maanden overschreden. De lange duur van de vervolging is niet aan de verdediging te wijten, terwijl ook de ingewikkeldheid van de zaak de overschrijding niet rechtvaardigt. Dit dient te leiden tot strafvermindering.

Anders dan de verdediging en de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de zaak niet met een taakstraf kan worden afgedaan. Het feit is daarvoor te ernstig.

De rechtbank zal aan verdachte een gevangenisstraf opleggen van 12 maanden, met aftrek van voorarrest en de tijd die verdachte in overleveringsdetentie in België heeft doorgebracht, waarvan 4 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

Omdat de rechtbank voor het feit een langere gevangenisstraf als uitgangspunt neemt, komt zij tot een zwaardere straf dan door de officier van justitie geëist.

Verbeurdverklaring

Onder verdachte is een geldbedrag van € 6.000,- in beslag genomen.

Het geld behoort aan verdachte toe. Hij kan dit geld geheel of ten dele ten eigen bate aanwenden. Nu dit geld geheel of grotendeels door middel van het bewezen geachte is verkregen, wordt dit geld verbeurd verklaard.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 47 en 209 van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van muntspeciën waarvan de valsheid hem, toen hij ze ontving, bekend was, met het oogmerk om ze als echt en onvervalst uit te geven of te doen uitgeven, in voorraad hebben, zich verschaffen, vervoeren en uitvoeren.

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 12 (twaalf) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in overleveringsdetentie in België is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beveelt dat een gedeelte, groot 4 (vier) maanden, van deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.

Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.

Verklaart verbeurd:

- € 6.000,-

Dit vonnis is gewezen door

mr. J. Knol, voorzitter,

mrs. P.L.C.M. Ficq en A.K. Glerum, rechters,

in tegenwoordigheid van B. de Hoogh, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 6 juli 2018.

1 In de hierna volgende voetnoten wordt telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering.

2 AH-001

3 AH-006, D-010

4 AH-010, AH-011, AH-014, AH-016, AH-017

5 G01-01

6 D-082 t/m D-086

7 G07-01

8 AH-005

9 AH-008

10 D-005

11 AH-014

12 OBS-F-001

13 V05-01

14 V06-01

15 AH-019

16 AH-034

17 AH-053

18 AH-032

19 AH-033

20 AH-054

21 AH-127A

22 AH-021

23 AH-021A

24 AH-025

25 AH-127J

26 AH-031

27 AH-035

28 AH-077

29 AH-077A

30 AH-078

31 AH-128

32 Rapport D. Baldwin d.d. 22 augustus 2017

33 V03-03

34 AH-094

35 V03-05

36 Ter terechtzitting overgelegde verklaring van [medeverdachte 4]

37 AH-006

38 AH-016

39 V03-02

40 V06-01

41 V05-03

42 Verhoor [verdachte] bij de rechter-commissaris d.d. 10 april 2015

43 V05-03

44 V05-04

45 V05-04

46 AH-100

47 V05-04

48 AH-130

49 D-219

50 D-222

51 D-226

52 D-227

53 D-228

54 D-229

55 D-230

56 D-233

57 D-234

58 D-235

59 D-237

60 D-236

61 D-238

62 D-241

63 D-239

64 D-240

65 V06-01

66 D-039

67 D-242

68 D-243

69 V05-04

70 G05-01

71 V05-04

72 AH-093

73 V05-04

74 D-206

75 Verhoor [medeverdachte 1] bij de rechter-commissaris d.d. 22 mei 2015

76 D-204

77 D-268

78 V05-04

79 V05-03

80 V05-04

81 V06-01

82 D-214