Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:4656

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
13-07-2018
Datum publicatie
20-07-2018
Zaaknummer
6529348 \ CV EXPL 17-29000
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

foute unieke identificator opgegeven voor overboeking als gevolg van rekeningfraude; bank niet verplicht tot naam-nummercheck en niet aansprakelijk

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2018/438
RF 2018/90
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer \ rolnummer: 6529348 CV EXPL 17-29000

Uitspraak: 13 juli 2018

Vonnis van de kantonrechter

in de zaak van:

[eiser]

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

nader te noemen [eiser] ,

gemachtigde mr M.J. de Koning,

t e g e n

ING BANK N.V.

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

nader te noemen ING,

gemachtigde mr. I.M.C.A. Reinders Folmer.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

De volgende processtukken zijn ingediend:

  • -

    de dagvaarding van 29 november 2017, met producties,

  • -

    de conclusie van antwoord met producties.

Ingevolge het tussenvonnis van 1 maart 2018 heeft op 15 juni 2018 een bijeenkomst van partijen plaatsgevonden. Daarna is vonnis bepaald.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Feiten en omstandigheden

1. Als gesteld en niet (voldoende) weersproken staan de volgende feiten en omstandigheden vast:

1.1.

[eiser] houdt een betaalrekening aan bij ING. Artikel 17 lid 2 van de Algemene Bankvoorwaarden die op de relatie tussen [eiser] en ING van toepassing zijn, luidt als volgt:

Uw opdrachten, mededelingen en andere verklaringen moeten tijdig, duidelijk, volledig en juist zijn. Als u bij voorbeeld een betaling wilt laten uitvoeren, vermeldt u het juiste rekeningnummer van de rekening waar de betaling naartoe moet. (…)

De toepasselijke Voorwaarden Betaalrekening houden onder meer de volgende bepalingen in:

9.2 Als u ING een betaalopdracht geeft, dan gebruiken we bij de uitvoering van uw opdracht het rekening nummer dat u heeft opgegeven.”

“73.1 Als u in de betaalopdracht een onjuist rekeningnummer heeft gezet, is ING niet aansprakelijk voor de schade die u daardoor lijdt.

73.2

ING gebruikt bij de uitvoering van uw betaalopdracht alleen het rekeningnummer dat u heeft opgegeven. (…) ING hoeft niet te controleren of het door u opgegeven rekeningnummer overeenstemt met de door u opgegeven naam van de ontvanger.”

1.2.

[eiser] heeft bij Grando keukens een nieuwe keuken gekocht. Een bedrag van € 22.105,01 zou hij daarvoor na ontvangst van een factuur voldoen. Hij heeft een op 16 juni 2017 gedateerde factuur van Grando ontvangen en het geld overgeboekt naar de daarin vermelde rekening, eveneens bij ING. De factuur bleek echter vervalst. Het rekeningnummer waarnaar hij op 26 juni 2017 het bedrag overmaakte vanaf zijn bankrekening bij ING, was niet dat van Grando keukens. Dat is op 28 juni 2017 aan [eiser] gebleken.

1.3.

Op 28 juni 2017 heeft [eiser] bij ING melding gemaakt van de factuurfraude. ING heeft daarna geconstateerd dat reeds op 26 en 27 juni 2017 in twee contante opnames van € 10.000 geld was opgenomen van de rekening waarop het geld was gestort.

1.4.

Op 29 juni 2017 heeft [eiser] aangifte gedaan van de factuurfraude.

1.5.

In een brief van 5 juli 2017 heeft de gemachtigde van [eiser] jegens ING aanspraak gemaakt op vergoeding van de schade, omdat ING door middel van naam/nummer controle [eiser] voor de oplichting had kunnen behoeden. Daarbij heeft [eiser] artikel 73.2 van de Voorwaarden Betaalrekening vernietigd als onredelijk bezwarend in de zin van artikel 6:236 sub a van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).

De vordering

2. [eiser] vordert dat ING bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis zal worden veroordeeld tot betaling van:

a. € 22.105,01 aan hoofdsom vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 20 juli 2017;

b. € 996,00 aan buitengerechtelijke kosten vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 29 november 2017;

c. de proceskosten, alsmede de nakosten.

3. [eiser] stelt – kort gezegd – dat ING is tekortgeschoten in haar zorgplicht die een bank heeft in het maatschappelijk verkeer. ING had de fraude met naam/nummer controle kunnen opmerken en daarmee de schade voor [eiser] eenvoudig kunnen voorkomen. [eiser] beroept zich op de verplichting onder de Wet op het Financieel Toezicht (Wft) voor financiële dienstverleners om op zorgvuldige wijze de gerechtvaardigde belangen van de consument of begunstigde in acht te nemen (artikel 4:24a Wft). Daarnaast doet [eiser] een beroep op artikel 6:248: uit de redelijkheid en billijkheid vloeit voort dat de overeenkomst met ING tevens inhoudt een verplichting van ING om consumenten door naam/nummer controle tegen fraudeurs te beschermen. Op grond van artikel 6:236a BW doet [eiser] een beroep op vernietiging van artikel 73 lid 2 van de Voorwaarden Betaalrekening als onredelijk bezwarend.

4. ING voert verweer.

5. Op de stellingen van partijen wordt hierna voor zover van belang nader ingegaan.

De beoordeling

6. Bij de beoordeling van het verwijt van [eiser] aan ING met betrekking tot de uitvoering van de betaalopdracht geldt het volgende.

7. Uitgangspunt is dat banken (automatische) overboekingen niet controleren en dat zij dat ook niet hoeven te doen (zie de Richtlijn nr. 2007/64/EG betreffende betalingsdiensten in de interne markt en artikel 7:542 BW). Banken hoeven dus geen naam-/nummercontrole uit te voeren. Wanneer een betaalopdracht wordt uitgevoerd op basis van een unieke identificator, zoals in dit geval een bankrekeningnummer, wordt de betaalopdracht geacht correct te zijn uitgevoerd wat betreft de met dat nummer gespecificeerde begunstigde (aldus ook een uitspraak van deze rechtbank van 21 maart 2018 ECLI:NL:RBAMS:2018:1601, JOR 2018/155). Waar artikel 7:542 lid 3 BW bepaalt dat de betaaldienstverlener alleen aansprakelijk is voor uitvoering van betalingstransacties overeenkomstig de unieke identificator en geen acht hoeft te slaan op door de betaaldienstgebruiker gegeven aanvullende informatie, faalt het betoog van [eiser] dat uit de redelijkheid en billijkheid in zijn algemeenheid voortvloeit dat de overeenkomst tussen ING en [eiser] ING verplicht om een naam/nummer controle te verrichten.

8. Het voorgaande neemt niet weg dat onder omstandigheden de contractuele zorgplicht van een betaaldienstverlener jegens de betaaldienstgebruiker kan meebrengen dat de eerste actie onderneemt om schade voor de tweede te voorkomen. Daarvoor is nodig dat aan de betaaldienstverlener kenbaar is dat er omstandigheden zijn die een risico op schade meebrengen. In dit geval is gesteld noch gebleken dat ING vóór de melding door [eiser] op 28 juni 2017 kennis had van omstandigheden die een risico voor [eiser] meebrachten. Daarvoor is onvoldoende dat ING door de uitvoering van een naam/nummer check, waartoe zij niet verplicht was, wel kennis van een zodanige omstandigheid had kunnen verkrijgen (namelijk dat het nummer niet op naam van Grando stond). Er is geen aanwijzing dat ING kennis had van vreemde transacties op de ontvangende rekening vóór de overboeking of van de vervalsing van de factuur.

9. In het licht van hetgeen is overwogen in nummer 7 hierboven, heeft [eiser] geen belang bij zijn beroep op vernietiging van artikel 73 lid 2 van de Voorwaarden Betaalrekening. Bij vernietiging van deze bepaling geldt immers de wettelijke bepaling van artikel 7:542 BW die inhoudelijk overeenkomt.

10. De vordering van [eiser] kan derhalve niet slagen en zal worden afgewezen.

11. Bij deze uitkomst van de procedure wordt [eiser] als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten aan de zijde van ING als hierna in de beslissing bepaald.

BESLISSING

De kantonrechter:

wijst het gevorderde af,

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van ING tot op heden begroot op:
griffierecht € 939,00
explootkosten € 97,31
salaris gemachtigde € 800,00 (2 punten x tarief € 400,00)
______
totaal € 1.836,31
inclusief eventueel verschuldigde btw,

veroordeelt [eiser] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op een bedrag van € 131,00 aan salaris advocaat, te verhogen met een bedrag van € 68,00 onder de voorwaarde dat betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden en gedaagde niet binnen 14 dagen na aanschrijving vrijwillig aan het vonnis heeft voldaan,

bepaalt dat, indien [eiser] niet binnen veertien dagen na de betekening van het vonnis aan de hiervoor onder II en III vermelde veroordelingen heeft voldaan, de hiervoor vermelde bedragen worden vermeerderd met wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW, tot aan de dag van volledige betaling,

verklaart dit vonnis voor wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mr T.H. van Voorst Vader, kantonrechter, bijgestaan door mr P.J. van Vliet, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 juli 2018 in tegenwoordigheid van de griffier.

De griffier De kantonrechter

type: vVV

coll: