Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:4636

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
03-07-2018
Datum publicatie
12-07-2018
Zaaknummer
13/728007-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak seksuele uitbuiting. Zowel de dwangmiddelen als het oogmerk van (seksuele) uitbuiting kan niet worden vastgesteld. Wel veroordeling voor mishandeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/728007-18 (Promis)

Datum uitspraak: 3 juli 2018

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 1982,

niet ingeschreven in de Basisregistratie Personen,

thans verblijvende op het adres (zoals opgegeven ter terechtzitting) [adres 1] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 19 juni 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. S. de Klerk en van wat verdachte en zijn raadsman mr. D.L.A.M. Pluijmakers naar voren hebben gebracht.

Tevens heeft de rechtbank kennisgenomen van hetgeen door de raadsvrouw van de benadeelde partij [persoon 1] (hierna: [persoon 1] ), mr. J.A. van der Lem, en door de benadeelde partij [persoon 2] (hierna: [persoon 2] ) en haar raadsvrouw mr. W. van Egmond, naar voren is gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – na wijziging op de zitting – kort gezegd ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan

  1. seksuele uitbuiting van [persoon 1] in de periode van 25 november 2017 tot en met 8 januari 2018;

  2. mishandeling van [persoon 1] op 8 januari 2018;

  3. mishandeling van [persoon 2] in de periode van 27 november 2017 tot en met 1 januari 2018;

  4. het onder dwang een Bitcoinrekening laten openen door [persoon 2] in de periode van 27 november 2017 tot en met 1 januari 2018.

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Waardering van het bewijs

3.1

Vrijspraak van het onder 4. ten laste gelegde.

Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat het onder 4. ten laste gelegde niet is bewezen. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

3.2

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1., 2. en 3. ten laste gelegde wettig en overtuigend is bewezen. Zij heeft daartoe de volgens haar relevante bewijsmiddelen opgesomd.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte integraal dient te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder 1. ten laste gelegde heeft de raadsman zich primair op het standpunt gesteld dat de verklaringen van [persoon 1] moeten worden uitgesloten van het bewijs omdat deze, gelet op hun tegenstrijdigheid, onbetrouwbaar zijn. Verdachte moet dan ook worden vrijgesproken wegens een gebrek aan wettig en overtuigend bewijs.

Mochten de verklaringen van [persoon 1] wél voor het bewijs worden gebruikt, dan zijn deze verklaringen het enige belastende bewijsmiddel. Verdachte moet dan ook worden vrijgesproken wegens een gebrek aan wettig bewijs.

Meer subsidiair zijn de verklaringen van [persoon 1] zeer onlogisch en worden deze niet ondersteund door andere bewijsmiddelen, waardoor verdachte moet worden vrijgesproken wegens een gebrek aan overtuigend bewijs.

Ook ten aanzien van het onder 2. ten laste gelegde heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de verklaringen van [persoon 1] ongeloofwaardig en tegenstrijdig zijn. Aangezien verdachte bovendien ontkent die bewuste nacht, ten tijde van de mishandeling, aanwezig te zijn geweest in de woning en volgens de verdachte niet hij maar ene [persoon 3] , [persoon 1] zou hebben mishandeld, moet verdachte ook van dit feit worden vrijgesproken.

Ten aanzien van het onder 3. ten laste gelegde heeft de raadsman zich primair op het standpunt gesteld dat de verklaringen van [persoon 1] en [persoon 2] onbetrouwbaar en tegenstrijdig zijn. Bovendien zouden hun verklaringen op elkaar zijn afgestemd. Deze verklaringen zouden dan ook moeten worden uitgesloten van het bewijs. Subsidiair kan aan deze verklaringen weinig bewijskracht worden toegekend. Verdachte dient dan ook te worden vrijgesproken.

3.4

Het oordeel van de rechtbank

3.4.1

Vrijspraak van het onder 1. ten laste gelegde

De rechtbank stelt vast dat verdachte op 25 november 2017 € 90,- heeft overgemaakt aan [persoon 1] om naar Nederland af te reizen, waarna zij diezelfde dag nog naar Amsterdam is gereisd. Hier is zij door verdachte opgehaald, waarna hij haar heeft ondergebracht in de woning van [persoon 4] (hierna: [persoon 4] ). Enkele dagen later, op 30 november 2017, wordt vanaf het IP-adres van [persoon 4] geprobeerd een advertentie aan te maken op de site [naam site 1] , waarin [persoon 1] zich aanbiedt om prostitutiewerkzaamheden te verrichten. Verdachte had weliswaar toegang tot dit IP-adres, maar niet kan worden vastgesteld dat hij heeft geprobeerd de advertentie aan te maken. Ook andere personen, waaronder [persoon 1] zelf, hadden immers toegang tot dit IP-adres. Diezelfde dag is vanaf een IP-adres dat wordt gebruikt voor ‘mobile’ internet een identieke advertentie geplaatst op [naam site 2] .

De rechtbank ziet geen reden om te twijfelen aan de door [persoon 1] verrichtte prostitutiewerkzaamheden. Gelet op de onderlinge berichtjes tussen verdachte en [persoon 1] gelooft de rechtbank niet dat verdachte van deze werkzaamheden niet op de hoogte is geweest. Echter, niet kan worden vastgesteld dat [persoon 1] het door haar verdiende geld aan verdachte heeft moeten afstaan. Zelfs als de rechtbank zou aannemen dat [persoon 1] (een groot deel van) het door haar verdiende geld aan verdachte heeft afgegeven, dan nog kan de rechtbank niet vaststellen door welke dwangmiddelen [persoon 1] hiertoe is gebracht.

Uit de gedragingen van verdachte zoals [persoon 1] deze heeft ervaren, zoals de gestelde intimidatie en het door verdachte gebruikte geweld, kan de rechtbank niet afleiden dat deze gedragingen zijn verricht met de intentie, en daarmee het oogmerk, om [persoon 1] uit te buiten.

Verdachte zal dan ook van het onder 1. ten laste gelegde worden vrijgesproken.

3.4.2

Het oordeel over het onder 2. en 3. ten laste gelegde

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.1

Op 8 januari 2018 komt de politie langs op het adres [adres 3] , omdat er in de woning zou worden geschreeuwd. Bewoonster [persoon 4] doet open en binnen wordt [persoon 1] aangetroffen met letsel aan haar gezicht. Tegen een verbalisant verklaart zij door verdachte te zijn geslagen, waarna hij uit de woning zou zijn gevlucht. Het paspoort van verdachte wordt op de salontafel aangetroffen, evenals een tenaamstellingsverslag, meerdere verkeersboetes en een brief van het RDW ten aanzien van een auto met kenteken [kenteken] , waar verdachte gebruik van maakt. Ook was de hond van verdachte in de woning aanwezig.2 Uit de letselverklaring van het OLVG Oost blijkt dat [persoon 1] een hersenschudding en een kneuzing van de ribben en de rechterpols heeft opgelopen.3 Als gevolg van dit letsel is [persoon 1] pas op 23 januari 2018 in staat geweest om aangifte te doen. In deze aangifte verklaart [persoon 1] dat zij bij een andere man wilde verblijven, maar dat dit niet mocht van verdachte. Daarom heeft hij haar met zijn vuist op haar hoofd, neus en rug geslagen. Ook zou hij haar een kopstoot hebben gegeven.4 Getuige [getuige] heeft bij de politie verklaard dat zij heeft gezien dat een man, waarvan zij later bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat dit verdachte was, [persoon 1] aan het slaan was en dat zij ertussen is gesprongen.5 Getuige [persoon 4] kwam weliswaar later binnen, maar zij heeft gehoord dat verdachte tegen [persoon 1] aan het schreeuwen was en gezien dat hij [persoon 1] heeft vastgepakt, waarna de politie ter plaatse kwam en hij via de tuindeur moet zijn verdwenen.6

De rechtbank komt tot de conclusie dat de verklaring en aangifte van [persoon 1] in voldoende mate wordt ondersteund door de letselverklaring, de bevindingen van de verbalisanten en de verklaringen van [persoon 4] en [getuige] . De rechtbank acht de verklaringen van [persoon 1] dan ook betrouwbaar. Dat verdachte in het geheel niet in de woning zou zijn geweest en/of dat niet hij maar ene [persoon 3] [persoon 1] zou hebben mishandeld, acht de rechtbank ongeloofwaardig, gelet op de inhoud van voornoemde bewijsmiddelen. De rechtbank acht het onder 2. ten laste gelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen.

In de aangifte van [persoon 1] spreekt zij ook over ene ‘ [naam] ’, die net als zijzelf door verdachte zou zijn mishandeld. [persoon 1] had gezien dat verdachte deze [naam] (heel hard) had opgepakt en weggegooid en pijn had gedaan.7 [naam] blijkt later [persoon 2] te zijn, die op 16 februari 2018 aangifte doet van deze mishandeling. Over de mishandeling waar [persoon 1] getuige van was, heeft [persoon 2] verklaard dat zij en verdachte ruzie hadden en dat zij van de bank opstond en wilde weglopen, waarop verdachte haar bij haar kraag pakte, tegen de muur duwde, terug in de woonkamer sleepte en op de grond gooide.8 Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat [persoon 2] en [persoon 1] hun verklaringen op elkaar hebben afgestemd om hem te pakken, maar deze stelling is door de verdediging op geen enkele wijze onderbouwd en volgt ook niet uit het dossier. Integendeel, de aangifte van [persoon 2] wordt ook ondersteund door een rapport met mutaties waaruit blijkt dat verdachte zich al vanaf 27 november 2017 agressief en dreigend gedroeg jegens [persoon 2] .9 Nu dit rapport is opgemaakt op 27 december 2017, en dus ruim vóór het incident op 8 januari 2018 én de aangiftes van [persoon 2] en [persoon 1] , verwerpt de rechtbank het verweer dat [persoon 2] en [persoon 1] hun verklaringen op elkaar zouden hebben afgestemd. De rechtbank acht, gelet op voornoemde bewijsmiddelen, het onder 3. ten laste gelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen.

4 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de onder 4. vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

Ten aanzien van het onder 2. ten laste gelegde:

op 8 januari 2018 te Amsterdam [persoon 1] (geboren [geboortedag 2] 1996) opzettelijk heeft mishandeld, door (met gebalde vuist) meermalen te slaan tegen het hoofd en het lichaam van die [persoon 1] , waardoor deze [persoon 1] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

Ten aanzien van het onder 3. ten laste gelegde:

in de periode van 27 november 2017 tot en met 1 januari 2018 te Amsterdam [persoon 2] (geboren [geboortedag 3] 1985) opzettelijk heeft mishandeld door die [persoon 2] te duwen en op de grond te gooien en over de grond te sleuren, waardoor deze [persoon 2] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid van de feiten en de strafbaarheid van verdachte

De bewezenverklaarde feiten zijn strafbaar. Ook kan verdachte worden verweten dat hij deze feiten heeft gepleegd.

6 Motivering van de straf en maatregelen

6.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar onder 1., 2. en 3. bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van twintig maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan acht maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. De officier van justitie heeft gevorderd bijzondere voorwaarden aan deze voorwaardelijke straf te verbinden, te weten een contactverbod ten aanzien van [persoon 1] en [persoon 2] en een locatieverbod ten aanzien van de woning van [persoon 2] . Deze bijzondere voorwaarden moeten bovendien dadelijk uitvoerbaar worden verklaard. Ten slotte heeft de officier van justitie gevorderd dat de vorderingen van de benadeelde partijen [persoon 1] en [persoon 2] gedeeltelijk worden toegewezen, te weten tot een bedrag van € 3.369,22 respectievelijk € 1.070,58, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

6.2.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft om principiële redenen geen strafmaatverweer gevoerd. Verdachte zou immers moeten worden vrijgesproken.

6.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft acht geslagen op het uittreksel Justitiële Documentatie van verdachte van 17 mei 2018. Hieruit blijkt dat verdachte eerder veelvuldig is veroordeeld voor vermogens- en geweldsdelicten, waaronder huiselijk geweld. Ook heef hij, in 2011, de ISD-maatregel opgelegd gekregen. Al deze veroordelingen hebben verdachte er echter niet van weerhouden deze feiten te plegen.

Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van een reclasseringsadvies van het Leger des Heils van 29 mei 2018. Hieruit blijkt dat in beperkte mate sprake is van een delictpatroon ten aanzien van huiselijk geweld. De situatie ten tijde van het delict is onduidelijk vanwege een afwerende houding naar de hulpverlening (verdachte wilde niet met de reclassering in gesprek). In het verleden kwam een beeld naar voren van een man zie zichzelf vooral zag als slachtoffer van justitie en niet goed in staat was om op zichzelf te reflecteren. Een ISD-maatregel heeft niet het gewenste effect gehad. Verdachte komt veelvuldig met justitie in aanraking. Uit eerdere rapportages komt een beeld naar voren van iemand die in het verleden vrij alleen door het leven ging en die in staat was om anderen aan te zetten tot criminele activiteiten. In 2005 is door het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP) gesteld dat verdachte vermoedelijk lijdt aan een antisociale persoonlijkheidsstoornis met narcistische trekken. Daarna heeft hij elke medewerking aan het NIFP geweigerd. Derhalve is er geen actuele diagnose bekend. Gezien zijn delictgeschiedenis kan wel overduidelijk een patroon van antisociale gedragingen worden vastgesteld. Een reclasseringstoezicht zal vanwege de afwerende houding van verdachte naar de reclassering geen meerwaarde hebben. De reclassering adviseert aan verdachte, indien hij schuldig wordt bevonden aan het hem ten laste gelegde, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft zich tot tweemaal toe schuldig gemaakt aan een mishandeling in de huiselijke en relationele sfeer. Beide slachtoffers waren kwetsbare jonge vrouwen die tot zekere hoogte afhankelijk waren van verdachte. [persoon 2] was na een vervelende periode in haar leven verliefd geworden op verdachte en zocht steun in hun relatie terwijl [persoon 1] met behulp van verdachte net was overgekomen uit België, geen eigen woonruimte had en over weinig financiële middelen beschikte. Met name [persoon 1] heeft door toedoen van verdachte fors letsel opgelopen; zij was pas twee weken na de mishandeling in staat om aangifte te doen. Het is opvallend dat verdachte beide slachtoffers heeft mishandeld op het moment dat zij bij hem weg wilden gaan. Het lijkt er dan ook op dat hij zich, als er iets gebeurt dat hem niet zint, niet kan beheersen, waarop hij overgaat tot intimiderend en agressief gedrag. Het door verdachte vertoonde gedrag, in combinatie met zijn strafblad, baart de rechtbank ernstig zorgen. De rechtbank had dan ook graag enig inzicht gekregen in de persoonlijkheid van verdachte. Hij heeft zich echter niet willen laten onderzoeken door de reclassering. Bovendien stelt verdachte zich niet begeleidbaar op en de reclassering ziet dan ook niets in enige vorm van een reclasseringstoezicht. Ter terechtzitting heeft verdachte een gebrek aan zelfreflectie laten zien. Volgens hem ligt de schuld van dit alles bij anderen en niet bij hemzelf. Zo zouden de slachtoffers op zijn geld uit zijn en daarom alles bij elkaar hebben gelogen en hun verklaringen op elkaar hebben afgestemd. Ook zou de politie expres slecht onderzoek hebben uitgevoerd en onder één hoedje spelen met Slachtofferhulp Nederland en zou de Dierenwet speciaal op hem zijn afgestemd om zijn hond bij hem te kunnen wegnemen. Er ontbreekt inzicht in de strafwaardigheid van zijn gedrag. Verdachte neemt geen verantwoordelijkheid voor zijn handelen en dat doet vrezen voor de toekomst. De rechtbank is dan ook van oordeel dat enkel een forse, onvoorwaardelijke gevangenisstraf recht kan doen aan de ernst van de feiten, waarbij de omstandigheden waaronder deze feiten zijn begaan in strafverzwarende zin worden meegewogen. Hierbij wijst de rechtbank op de huiselijke en relationele sfeer waarin de mishandelingen zijn gepleegd. De mishandeling van [persoon 2] is, gelet op de mutaties, onderdeel geweest van een reeks van intimidaties. Verdachte heeft [persoon 1] met geweld kennelijk het recht willen ontzeggen te mogen gaan en staan waar zij zelf wil.

Gelet op de aard en ernst van de feiten, het gebrek aan zelfinzicht en het hoge recidiverisico zal de rechtbank, naast de gevangenisstraf, de vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht opleggen en deze maatregel dadelijk uitvoerbaar verklaren. Deze maatregel zal inhouden een contactverbod met de slachtoffers [persoon 1] en [persoon 2] en een locatieverbod ten aanzien van de woning van [persoon 2] . Elke keer als verdachte één van deze verboden overtreedt, kan hij direct worden bestraft middels een vervangende hechtenis.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden, en met name nu de rechtbank tot een andere bewezenverklaring komt, aanleiding bestaat bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd.

Ten aanzien van de benadeelde partijen [persoon 1] en [persoon 2]

De vorderingen

De benadeelde partij [persoon 1] vordert € 798,66 aan materiële schadevergoeding en € 2.500,- aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente. Tevens vordert de benadeelde partij € 117,88 aan reiskosten.

De benadeelde partij [persoon 2] vordert € 3.287,06 aan materiële schadevergoeding en € 5.500,- aan immateriële schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente. Tevens vordert de benadeelde partij € 205,58 aan reiskosten.

De vorderingen zijn betwist, omdat verdachte zou moeten worden vrijgesproken. De raadsman van verdachte heeft er ten aanzien van de vordering van [persoon 1] bovendien nog op gewezen dat een gedeelte van de reiskosten van [persoon 1] , te weten de reiskosten ten behoeve van het getuigenverhoor op 19 maart 2018, niet door verdachte hoeven te worden vergoed, omdat deze door justitie worden betaald.

Ten aanzien van de materiële schade

Vast staat dat aan de benadeelde partij [persoon 1] door het onder 2. bewezenverklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht.

De rechtbank concludeert dat de vordering tot materiële schadevergoeding gedeeltelijk, te weten tot een bedrag van in totaal € 558,66 aan medische kosten, zal worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment dat de schade is ontstaan. De rechtbank gaat hierbij uit van de vermelde factuurdatum (30 april 2018).

De benadeelde partij [persoon 1] zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering tot materiële schadevergoeding, omdat dit gedeelte van de schade zou zijn ontstaan ten gevolge van het onder 1. ten laste gelegde, waarvoor verdachte zal worden vrijgesproken.

Ten aanzien van de vordering tot materiële schadevergoeding van [persoon 2] overweegt de rechtbank als volgt. Alle kostenposten die door de benadeelde partij zijn opgevoerd ter vergoeding van materiële schade en de kosten van onderduiken zouden een direct gevolg zijn van het trauma en de stress dat bij de benadeelde partij zou zijn ontstaan. Echter, niet kan worden vastgesteld dat het trauma en de stress (alleen) zijn veroorzaakt door de onder 3. bewezenverklaarde mishandeling. De vordering is op dit punt onvoldoende onderbouwd en het toelaten van nadere bewijslevering zou betekenen dat de behandeling van de strafzaak moet worden aangehouden. De benadeelde partij zal ten aanzien van de vordering tot materiële schadevergoeding en ten aanzien van de reiskosten van en naar het onderduikadres dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard. De benadeelde partij kan dit deel van haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Ten aanzien van de immateriële schade

Vast staat dat aan de benadeelde partijen [persoon 1] en [persoon 2] door het onder 2. respectievelijk onder 3. bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek hebben de benadeelde partijen recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien de benadeelde partijen ten gevolge van de strafbare feiten lichamelijk letsel hebben opgelopen en er een ernstige inbreuk is gepleegd op hun lichamelijke integriteit.

De hoogte van de vorderingen is ter terechtzitting betwist. Op grond van de door de benadeelde partij gestelde omstandigheden, de bewezen verklaarde feiten en rekening houdend met de vergoedingen die in soortgelijke zaken worden toegekend, begroot de rechtbank de immateriële schadevergoeding ten aanzien van [persoon 1] naar billijkheid op € 750,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan (8 januari 2018).

Ten aanzien van [persoon 2] overweegt de rechtbank als volgt. Er was sprake van een langere reeks van intimidaties en spanningen. De rechtbank kan dan ook niet tot het oordeel komen dat de gestelde immateriële schade alleen is ontstaan door het enkele incident dat de rechtbank bewezen heeft verklaard. De rechtbank begroot de immateriële schadevergoeding naar billijkheid op € 400,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de schade is ontstaan (27 november 2017).

Ten aanzien van de reiskosten

De reiskosten van [persoon 1] zullen gedeeltelijk, te weten tot een bedrag van € 70,56 worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment dat de kosten zijn gemaakt (13 juni 2018).

De reiskosten van [persoon 2] zullen, met uitzondering van de reiskosten van en naar het onderduikadres en de reiskosten ten behoeve van een eventueel hoger beroep, worden toegewezen, tot een bedrag van € 52,98, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop de kosten zijn gemaakt. Een gedeelte van deze reiskosten, te weten de reiskosten naar het politiebureau en het IJdok (€ 28,55), zullen als materiële schadevergoeding worden toegekend. De overige reiskosten, te weten de reiskosten naar de advocaat en naar de rechtbank (€ 24,43), zullen als proceskosten worden toegekend. Nu de raadsvrouw heeft nagelaten te specificeren op welke data de kosten werkelijk zijn gemaakt, zal de rechtbank deze datum ten aanzien van het volledige bedrag bepalen op 1 april 2018.

Niet-ontvankelijkverklaring voor het overige

Voor het overige zullen de benadeelde partijen niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vorderingen. Zij kunnen dit gedeelte van hun vorderingen bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregelen

De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer [persoon 1] , naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het 2. bewezen geachte feit is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 1.308,66 (duizend driehonderdacht euro en zesenzestig eurocent).

De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer [persoon 2] , naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het 3. bewezen geachte feit is toegebracht. De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 428,55 (vierhonderdachtentwintig euro en vijfenvijftig eurocent).

7 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 36f, 38v, 38w, 57 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

8 Beslissing

Verklaart het onder 1. en 4. ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 2. en 3. ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 2. en 3. bewezenverklaarde:

Mishandeling

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 4 (vier) maanden.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Legt op de maatregel dat de veroordeelde voor de duur van 2 (twee) jaren

1. op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [persoon 1], geboren op [geboortedag 2] 1996 te [geboorteplaats 2] ;

2. op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [persoon 2], geboren op [geboortedag 3] 1985 te [geboorteplaats 3] , thans woonachtig op het adres [adres 2] ;

3. zich niet zal ophouden binnen een straal van 500 (vijfhonderd) meter van de woning van [persoon 2], thans woonachtig op het adres [adres 2] .

Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 1 (één) week voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan.

Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde

maatregel niet op.

Omdat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen en/of zich belastend zal gedragen jegens bepaalde personen (te weten [persoon 1] en [persoon 2] ), beveelt de rechter, gelet op artikel 38v, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, dat de opgelegde maatregel, dadelijk uitvoerbaar is.

Wijst toe de vordering van [persoon 1], toe tot € 1.308,66 (duizend driehonderdacht euro en zesenzestig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [persoon 1] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op € 70,56.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.

Legt op verdachte de verplichting ten behoeve van [persoon 1], € 1.308,66 (duizend driehonderdacht euro en zesenzestig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening, aan de Staat te betalen. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting door hechtenis van 23 dagen vervangen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Wijst toe de vordering van [persoon 2] toe tot € 428,55 (vierhonderdachtentwintig euro en vijfenvijftig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [persoon 2] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op € 24,43.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering is.

Legt op verdachte de verplichting ten behoeve van [persoon 2], € 428,55 (vierhonderdachtentwintig euro en vijfenvijftig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade tot aan de dag van de algehele voldoening, aan de Staat te betalen. Bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting door hechtenis van acht dagen vervangen. De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. E.M.M. Gabel, voorzitter,

mrs. E.G. Fels en M.T.C. de Vries, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. J.B.P. Terwindt, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 3 juli 2018.

Bijlage

[...]

  • -

    [...]

  • -

    [...]

1 Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

2 Proces-verbaal van bevindingen, p. 01 03 001 t/m 01 03 011 en proces-verbaal van bevindingen p. 01 03 012 t/m 01 03 015

3 Letselverklaring, p. 03 01 003

4 Proces-verbaal van aangifte [persoon 1] p. 03 01 010 t/m 03 01 011

5 Proces-verbaal verhoor verdachte [getuige] p. 04 13 001 t/m 04 13 003 en verhoor van getuige [getuige] bij de rechter-commissaris op 2 februari 2018.

6 Proces-verbaal verhoor verdachte [persoon 4] p. 04 09 001 t/m 04 09 004

7 Proces-verbaal van aangifte [persoon 1] p. 03 01 013

8 Proces-verbaal van verhoor van [persoon 2] p. 03 02 030

9 Een geschrift, inhoudende een mutatierapport van 27 december 2017 met nummer PL1300-2017269995-1, opgemaakt door verbalisant [verbalisant] , p. 04 06 006 t/m 04 06 007.