Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:4630

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
05-07-2018
Datum publicatie
05-07-2018
Zaaknummer
13/654174-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Vrijspraak ontuchtige handelingen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/654174-16

Datum uitspraak: 5 juli 2018

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1971,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] , [plaats 1] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van
21 juni 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. R.A. Bosman, en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. J.T.E. Vis, naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 02 oktober 2016 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, door geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld en/of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) de
16-jarige [slachtoffer] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meer ontuchtige handelingen, bestaande uit het eenmaal of meermalen:
- aanraken en/of strelen van en/of wrijven over de linkerbil en/of de linkerborst van voornoemde [slachtoffer] en/of

- drukken van zijn, verdachtes lichaam tegen het lichaam van voornoemde [slachtoffer] en/of

- drukken van zijn, verdachtes geslachtsdeel tegen de billen van voornoemde [slachtoffer] en/of

- kussen van de linkerschouder van voornoemde [slachtoffer] ,

en bestaande dat geweld en/of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld en/of die andere feitelijkhe(i)d(en) hierin dat hij, verdachte:
- onverhoeds, gedurende de voor de nachtrust bestemde tijd en/of terwijl voornoemde [slachtoffer] in een bed lag te slapen, bij voornoemde [slachtoffer] in bed is gekropen en/of achter voornoemde [slachtoffer] in bed is gaan liggen en/of

- ( vervolgens) onverhoeds voornoemde [slachtoffer] van achteren heeft vastgepakt en/of vastgehouden en/of zijn, verdachtes armen om het lichaam van voornoemde [slachtoffer] heeft geslagen.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Inleiding

Op 2 oktober 2016 komt verdachte samen met zijn vriendin [persoon 1] , nadat zij ’s nachts uit zijn geweest, aan in het huis van de ouders van [persoon 1] , waar zij op dat moment tijdelijk met haar kinderen verblijft. [persoon 1] valt meteen beneden op de bank in slaap. Verdachte loopt naar de bovenverdieping om daar gebruik te maken van de WC. De dochter van zijn vriendin, [slachtoffer] , ligt in één van de slaapkamers op deze bovenverdieping te slapen.

Verdachte wordt verweten dat hij, nadat hij naar boven is gelopen, in het bed van [slachtoffer] is gekropen en met zijn lichaam tegen haar lichaam aan is gaan liggen. Vervolgens zou verdachte een borst en bil van [slachtoffer] hebben betast, haar schouder hebben gekust en zijn geslachtsdeel tegen haar billen hebben geduwd.
Verdachte ontkent deze handelingen te hebben verricht. Hij zou aangeefster op de bovenverdieping op de gang zijn tegen gekomen. Daar zou hij aangeefster hebben aangesproken over een voorval dat korte tijd daarvoor had plaatsgevonden in de Bijlmer. Hierdoor was aangeefster van streek en begon zij te huilen.

5 Waardering van het bewijs

5.1

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft gesteld dat de verklaringen van verdachte en [slachtoffer] (hierna: aangeefster) over hun ontmoeting op de bovenverdieping en het onderdeel van de ontuchtige handelingen, haaks op elkaar staan. Op grond van het bepaalde in artikel 342 lid 3 van het Wetboek van Strafrecht (de rechtbank begrijpt: artikel 342 lid 2 Wetboek van Strafvordering) is de enkele verklaring van een getuige, in dit geval aangeefster, onvoldoende om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. Uit vaste rechtspraak blijkt echter dat een geringe mate aan steunbewijs in combinatie met de verklaringen van aangeefster voldoende wettig bewijs kan opleveren.


Het dossier bevat voldoende ander bewijsmateriaal dat steun biedt aan de verklaringen van aangeefster. Daarnaast komen haar verklaringen op essentiële punten overeen met andere in de bewijsmiddelen redengevende feiten en omstandigheden. Verdachte en het oudste broertje van aangeefster bevestigen dat verdachte op de bovenverdieping, bij de kamer waar aangeefster lag te slapen, is geweest. Het oudste broertje is die ochtend wakker geworden en zag, toen hij via de kier van de deur de kamer van aangeefster inkeek, een arm om aangeefster heen die niet van aangeefster was. Daarnaast heeft aangeefster direct na de ontuchtige handeling haar moeder [persoon 1] , de vriendin van haar moeder [persoon 2] en 112 gebeld. Zowel de moeder van aangeefster als [persoon 2] hebben verklaard dat aangeefster huilde en overstuur was. Het bellen in combinatie met de waargenomen emoties bij aangeefster ondersteunen de verklaring van aangeefster en maken deze geloofwaardig.

Aangeefster heeft direct aan haar moeder en [persoon 2] verteld wat er was gebeurd en legt die ochtend meteen bij de politie een verklaring af. Verklaringen die aangeefster later bij de politie en de rechter-commissaris heeft afgelegd komen overeen met eerder afgelegde verklaringen, wat maakt dat aangeefster steeds consistent heeft verklaard.

De officier van justitie vindt dat bewezen kan worden dat verdachte die ochtend bij aangeefster in bed is komen liggen en ontuchtige handelingen bij haar heeft verricht zoals opgenomen in de tenlastelegging. De hiervoor opgesomde bewijsmiddelen in samenhang bezien, bieden voldoende ondersteunend en overtuigend bewijs voor de verklaring van aangeefster.
5.2 Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken.

De verdediging heeft allereerst gesteld dat niet is voldaan aan het wettelijk vereiste bewijsminimum. De verklaringen van aangeefster vinden onvoldoende bevestiging in andere, onafhankelijke bewijsmiddelen. Voor een bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit is naast de aangifte aanvullend bewijs vereist. Dit wettelijk vereiste steunbewijs ontbreekt in deze zaak nu de getuigenverklaringen uit dezelfde bron stammen als die van de aangifte: de verklaringen van aangeefster.
Daarnaast zijn de verklaringen van aangeefster inconsistent en sporen zij niet met de overige bewijsmiddelen. Dit maakt dat aan het waarheidsgehalte van de verklaringen van het slachtoffer getwijfeld kan worden. Dit leidt ertoe dat niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat verdachte het hem ten laste gelegde heeft begaan.

Tegenover de verklaringen van aangeefster staat de verklaring van verdachte. Verdachte ontkent stellig dat hij bij aangeefster ontuchtige handelingen heeft verricht en heeft van begin af aan, zonder enige dossierkennis, openheid van zaken gegeven. Zijn verklaring vindt – voor zover dat kan – steun in de bewijsmiddelen, is nadien bevestigd en wordt door geen enkel bewijsmiddel weersproken.

5.3

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het ten laste gelegde feit niet bewezen, zodat verdachte daarvan dient te worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt als volgt.

De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of zij uit de wettige bewijsmiddelen de overtuiging heeft gekregen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan wat hem wordt verweten.

Aangeefster heeft verklaard dat verdachte haar in de ochtend van 2 oktober 2016 onzedelijk heeft betast. Haar verklaring wordt in zoverre ondersteund door andere bewijsmiddelen, dat haar moeder en [persoon 2] verklaren dat aangeefster onmiddellijk na het incident huilde en overstuur was. Verdachte heeft verklaard dat hij die ochtend inderdaad op de bovenverdieping is geweest om daar naar de WC te gaan. Ten slotte heeft het oudste broertje van aangeefster verklaard dat hij die ochtend in de slaapkamer waar zijn zus sliep heeft gekeken en daar een arm heeft gezien waarvan de huidskleur, net als de huidskleur van verdachte, donkerder was dan die van zijn zus.

Alhoewel er strikt genomen sprake is van voldoende wettig steunbewijs, heeft de rechtbank op basis van dat bewijs niet de overtuiging gekregen dat verdachte de tenlastegelegde onzedelijke handelingen heeft verricht.

Aangeefster heeft inconsistent over de vermeende ontuchtige handelingen verklaard. Zij is meerdere keren gehoord en heeft daarbij steeds wisselend over de handelingen verklaard. Zo heeft aangeefster bijvoorbeeld bij de politie verklaard dat verdachte haar linkerborst heeft gestreeld, terwijl zij bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat de hand van verdachte achter haar lichaam is gebleven. De beschreven aard en ernst van de seksuele handelingen zijn ten tijde van haar eerste verklaringen omvangrijker dan ten tijde van haar laatste verklaringen.
Op basis van de verklaring van het oudste broertje is niet onomstotelijk vast komen te staan dat de waargenomen arm toebehoort aan verdachte en evenmin dat verdachte bij aangeefster in bed lag. Uit zijn verklaring blijkt namelijk niet dat de arm om of over aangeefster lag of dat het broertje heeft gezien dat de arm daadwerkelijk van verdachte was. Overigens is niet uit te sluiten dat het oudste broertje, die ten tijde van het verhoor acht jaar oud was en werd gehoord over gebeurtenissen van ruim een jaar daarvoor, zich een ander moment herinnerde. Verdachte heeft namelijk verklaard dat hij eerder, samen met de moeder van aangeefster, in die slaapkamer heeft geslapen.
Daarnaast heeft verdachte vanaf zijn eerste verhoor het volgende alternatieve scenario geschetst. Hij heeft aangeefster korte tijd voor het vermeende incident in de Bijlmer gezien, samen met een
ex-partner van haar moeder. Verdachte heeft verklaard dat hij die ochtend boven naar de WC is gegaan en bij toeval aangeefster is tegengekomen op de gang van de slaapverdieping, waarop hij haar wilde aanspreken op het voorval in de Bijlmer. Als gevolg van deze confrontatie is aangeefster van streek geraakt en begon zij te huilen. De rechtbank stelt vast dat het dossier onvoldoende aanwijzingen bevat op grond waarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat verdachte hier niet de waarheid spreekt. Het door hem gegeven alternatieve scenario vindt namelijk aansluiting bij het bewijsmateriaal in het dossier, althans, de onderzoeksbevindingen sluiten het alternatieve scenario van verdachte geenszins uit. Zo heeft verdachte al enige tijd voor de vermeende ontuchtige handelingen zijn vriendin, de moeder van aangeefster, via WhatsApp geïnformeerd over het voorval in de Bijlmer. Aangeefster heeft bij de rechter-commissaris ook zelf verklaard over een ex-partner van haar moeder die in de [plaats 2] woont, maar zij ontkent deze ex-partner te hebben bezocht. Zij verklaart dat zij daar wel is geweest om haar wenkbrauwen te laten doen. Verdachte heeft ter terechtzitting, in aanvulling op zijn eerdere verklaring bij de politie, verklaard dat hij de WC op de bovenverdieping gebruikte in plaats van de WC op de benedenverdieping, omdat er een huurder was die uitsluitend gebruik mocht maken van de WC op de benedenverdieping. Uit een beschrijving van de woning door de politie blijkt dat er op de begane grond een toilet en twee kamers zijn. In één van die kamers staat de bank waarop de moeder van aangeefster die ochtend in slaap is gevallen. De andere kamer is niet door de politie beschreven, zodat niet uit te sluiten is dat deze kamer door de grootouders van aangeefster werd verhuurd, inclusief het exclusieve gebruik van het toilet op die verdieping. Ten slotte is het niet ondenkbaar dat de waargenomen emoties bij aangeefster zijn veroorzaakt door het gesprek op de gang waarover verdachte heeft verklaard.


Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat uit de wettige bewijsmiddelen niet de overtuiging voortvloeit dat verdachte daadwerkelijk ontuchtige handelingen bij aangeefster heeft verricht, zodat verdachte zal worden vrijgesproken van het hem ten laste gelegde feit.

6 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mr. R.A. Sipkens, voorzitter,

mrs. O.P.M. Fruytier en C. van Eck, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.P.F. Sneeboer, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 5 juli 2018.