Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:4188

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
12-06-2018
Datum publicatie
05-09-2018
Zaaknummer
C/13/648538 / KG ZA 18-514
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kort geding. Met toepassing van artikel 21 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) wordt geoordeeld dat het belang van de bank bij de BKR-registratie minder zwaar weegt dan het belang van eiser bij het verwijderen van die registratie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht, voorzieningenrechter civiel

zaaknummer / rolnummer: C/13/648538 / KG ZA 18-514 MvW/BB

Vonnis in kort geding van 12 juni 2018

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiser bij dagvaarding van 31 mei 2018,

advocaat mr. L.A. Bettonvil te Zoetermeer,

tegen

de naamloze vennootschap

ING BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat mr. D.J. Posthuma te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] en ING worden genoemd.

1 De procedure

Ter zitting van 11 juni 2018 heeft [eiser] gesteld en gevorderd overeenkomstig de in fotokopie aan dit vonnis gehechte dagvaarding. ING heeft verweer gevoerd met conclusie tot weigering van de gevraagde voorziening. Beide partijen hebben producties en pleitnota’s in het geding gebracht. Na verder debat hebben partijen verzocht vonnis te wijzen.

Ter zitting waren aanwezig:

[eiser] , vergezeld door zijn vader en partner, met mr. Bettonvil;

aan de zijde van ING: [naam 1] (medewerker bijzonder beheer) met mr. Posthuma.

2 Het geschil

2.1.

[eiser] vordert primair ING op straffe van een dwangsom te veroordelen zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen drie kalenderdagen na vonnisdatum, de (bijzonderheids)coderingen A en 3, en indien geregistreerd ook de codering 2, in het CKI met contractnummer [contractnummer] op naam van [eiser] te verwijderen. Subsidiair vordert [eiser] een beslissing te nemen die de voorzieningenrechter juist acht. Ten slotte vordert [eiser] om ING in de proceskosten en nakosten te veroordelen.

2.2.

ING voert verweer.

2.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

3 De beoordeling

3.1.

Het gaat in dit kort geding om het volgende. [eiser] heeft een betaalrekening gehad bij ING waarop in 2013 een ongeoorloofde debetstand is ontstaan. Nadat deze schuld door ING was opgeëist, afgeboekt en overgedragen ter incasso aan een deurwaarder, heeft [eiser] de schuld in 2015 en 2016 afgelost met deelbetalingen waarvan de laatste is gedaan in augustus 2016. De schuld bedroeg, inclusief rente, ongeveer € 1.600,-. ING heeft een en ander gemeld bij het BKR, met als gevolg dat [eiser] daar is geregistreerd. Dit betreft de coderingen A, 2 en 3 in het Centraal Krediet Informatiesysteem (CKI). Het gaat dan om (kort gezegd) een betalingsachterstand waarbij de vordering is opgeëist en een bedrag van € 250,- of meer is afgeboekt. De vermelding van deze coderingen eindigt op 18 augustus 2021. [eiser] heeft recent bezwaar gemaakt tegen deze vermelding. ING heeft dit bezwaar afgewezen.

3.2.

[eiser] heeft in april 2018 een koopovereenkomst gesloten voor een nieuwe woning. Hij stelt dat hij geen hypotheek blijkt te kunnen krijgen vanwege de BKR-registratie. Niet in geschil is dat hij een spoedeisend belang heeft bij zijn vordering, nu de termijn om het financieringsvoorbehoud in te roepen ten aanzien van deze koopovereenkomst op korte termijn afloopt.

3.3.

Uitgangspunt bij de beoordeling is het volgende. Op grond van artikel 4:32 Wet financieel toezicht (Wft) zijn kredietaanbieders verplicht om deel te nemen aan een stelsel van kredietregistratie. Deze kredietregistratie wordt uitgevoerd door het BKR. Het doel van de kredietregistratie is tweeledig: enerzijds om consumenten te beschermen tegen overkreditering, anderzijds om aanbieders van krediet te beschermen tegen kredietnemers van wie is gebleken dat zij hun lening niet (kunnen) aflossen. Betalingsachterstanden of andere onregelmatigheden die ontstaan tijdens de looptijd van een kredietovereenkomst worden in het CKI vermeld met bijzonderheidscoderingen, in dit geval dus coderingen A, 2 en 3.

3.4.

In dit geval is artikel 21 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (EU) 2016/679 (de AVG) van toepassing. Deze bepaling houdt in dat een persoon, hier [eiser] , vanwege zijn specifieke situatie bezwaar kan maken tegen de verwerking van hem betreffende persoonsgegevens en dat de verwerkingsverantwoordelijke (ING) het bezwaar moet honoreren tenzij hij dwingende gerechtvaardigde gronden voor de verwerking aanvoert, die zwaarder wegen dan de belangen, rechten en vrijheden van de betrokken persoon. Bij afwijzing van het bezwaar kan de betrokkene zich tot de rechter wenden (artikel 79 AVG).

3.5.

In dit geding moeten dus de gronden voor de BKR-registratie worden afgewogen tegen de belangen van [eiser] . Deze afweging moet worden gemaakt aan de hand van de op het moment van de afweging bekende feiten en omstandigheden, zodat daarbij ook feiten en omstandigheden die zich eerst na de registratie hebben voorgedaan, van belang kunnen zijn.

3.6.

Bij de afweging is in de eerste plaats van belang dat de gebeurtenissen waar de coderingen op zien (de ontstane achterstand, het opeisen van de schuld en de uiteindelijke betaling daarvan) zich daadwerkelijk hebben voorgedaan. Onbetwist is dan ook dat deze coderingen destijds terecht zijn vermeld.

3.7.

Daar staat tegenover dat aannemelijk is geworden dat de betalingsachterstand is ontstaan als gevolg van het feit dat [eiser] eind 2012 slachtoffer is geworden van een mishandeling, waarbij hij ernstige verwondingen heeft opgelopen en waarvan hij psychische gevolgen (een angststoornis) heeft ondervonden. In die periode is hij zijn baan kwijtgeraakt en is de debetstand ontstaan evenals schulden bij andere crediteuren. Er was dus wel sprake van een problematische schuldsituatie maar de oorzaak daarvan is niet volledig aan [eiser] te wijten. De omvang van de schuld aan ING was daarbij te overzien.

3.8.

Verder heeft de aflossing van de schuld geruime tijd gevergd, maar inmiddels zijn sinds de laatste betaling bijna twee jaar verstreken. In die twee jaar is een stabielere situatie ontstaan. [eiser] is voor zijn angststoornis behandeld met een goed resultaat. Hij en zijn vriendin hebben thans beiden een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd en een gezamenlijk bruto inkomen van ongeveer € 55.000,- per jaar, exclusief overwerk- en onregelmatigheidstoeslagen. Zij hebben geen schulden en ongeveer € 10.000,- aan spaargeld. Het risico op herhaling kan dan ook als gering worden aangemerkt.

3.9.

ING voert aan dat uit de door [eiser] overgelegde stukken niet blijkt dat hij zonder de registratie in het CKI in aanmerking komt voor de hypothecaire geldlening die hij nodig heeft om de koopsom van de nieuwe woning te kunnen voldoen. Dat neemt echter niet weg dat [eiser] er belang bij heeft om, nu of in de komende jaren, een koopwoning te kunnen aanschaffen. [eiser] woont in [woonplaats] en hij en zijn vriendin willen graag in [plaats] gaan wonen, in de buurt van de ouders van zijn vriendin die hulpbehoevend zijn. [eiser] heeft aannemelijk gemaakt dat dit mét de registratie niet gaat lukken.

3.10.

De hiervoor genoemde omstandigheden afwegend luidt het oordeel dat in dit geval de belangen van een maatschappelijk verantwoorde financiële dienstverlening en de bescherming van de kredietregistratie niet zwaarder wegen dan het belang van [eiser] bij verwijdering van de coderingen in het CKI. Dit betekent dat de vordering toewijsbaar is, met matiging en maximering van de dwangsom.

3.11.

ING zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten en nakosten van [eiser] .

4 De beslissing

De voorzieningenrechter

4.1.

veroordeelt ING om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis de (bijzonderheids)coderingen A, 2 en 3, in het CKI met contractnummer [contractnummer] op naam van [eiser] te (doen) verwijderen,

4.2.

veroordeelt ING om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 1.000,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de veroordeling onder 4.1 voldoet, tot een maximum van € 25.000,= is bereikt,

4.3.

veroordeelt ING in de kosten van dit geding, tot heden aan de zijde van [eiser] begroot op:

– € 98,01 € 98,01 aan kosten dagvaarding,

– € 98,01 € 291,= aan griffierecht en

– € 98,01 € 980,= aan salaris advocaat,

4.4.

veroordeelt ING in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen met € 82,00 en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit vonnis plaatsvindt,

4.5.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

4.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. van Walraven, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. B.P.W. Busch, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2018.1

1 type: BPWB coll: MV