Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:4049

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
09-05-2018
Datum publicatie
25-06-2018
Zaaknummer
C/13/603090 / HA ZA 16-206
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Huwelijksvermogensrecht. Artikel 49 Mudawwana. De man heeft voldoende gemotiveerd betwist dat wat is ingebracht aan inspanningen door de vrouw en wat zij stelt te hebben gedragen aan lasten heeft bijgedragen aan de ontwikkeling van het vermogen van de man

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/603090 / HA ZA 16-206

Vonnis van 9 mei 2018

in de zaak van

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiseres,

advocaat mr. M. Kaouass te Amsterdam,

tegen

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. K.E. van Hoeve te Amsterdam.

Partijen zullen hierna de vrouw en de man genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 26 april 2017 (hierna: het tussenvonnis) met de daarin vermelde (proces)stukken,

  • -

    de conclusie houdende nadere toelichting en tevens vermeerdering van eis van de zijde van de vrouw, met producties,

  • -

    de conclusie houdende nadere toelichting van de zijde van de man, met producties,

  • -

    de conclusie van antwoord nadere toelichting en vermeerdering van eis van de zijde van de man, met producties,

  • -

    de akte niet dienen van antwoordakte nadere toelichting aan de zijde van de vrouw,

  • -

    de rolbeslissing van 30 augustus 2017 waaruit blijkt dat het recht van de man om te mogen reageren op het verzoek om pleidooi van de vrouw is vervallen en waarbij het verzoek tot pleidooi is toegestaan,

  • -

    het proces-verbaal van de zitting van 23 maart 2018 met de daarin vermelde (proces)stukken,

  • -

    de brief van 12 april 2018 van de zijde van de man met een opmerking over het proces-verbaal,

  • -

    het B7-formulier van 18 april 2018 van de zijde van de man met het verzoek om een nadere akte overlegging productie te mogen indienen en een toelichting op dat verzoek,

  • -

    de brief van de griffier van diezelfde datum waarin is bericht dat het verzoek van de man is afgewezen omdat de zaak voor vonnis staat.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De gewijzigde vordering

2.1.

De vrouw heeft haar vordering gewijzigd in die zin dat zij haar eis heeft vermeerderd en thans vordert dat de rechtbank de man veroordeelt tot betaling van een vergoeding van € 356.000,-. De man heeft bezwaar gemaakt tegen deze eiswijziging op de grond dat de procedure onnodig wordt vertraagd en sprake is van strijd met de goede procesorde. Zolang de rechter nog geen eindvonnis heeft gewezen, is een eiser echter bevoegd de eis te vermeerderen, zo volgt uit artikel 130 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Mede nu na de eiswijziging nog een mondelinge behandeling (pleidooi) heeft plaatsgevonden, ziet de rechtbank geen aanleiding de verandering van eis buiten beschouwing te laten.

3 De verdere beoordeling

3.1.

In het tussenvonnis heeft de rechtbank onder verwijzing naar de uitspraak van Gerechtshof Amsterdam van 23 maart 2010 (ECLI:NL:GHAMS:2010:BL9459) tot uitgangspunt genomen dat artikel 49 van de Mudawwana inhoudt dat een echtgenoot aanspraak kan maken op vergoeding voor tijdens het huwelijk geleverde inspanningen die hebben bijgedragen aan de vermogensvermeerdering van de andere echtgenoot in de vorm van een deel van de vermogensaanwas (zie r.o. 4.7. en 4.8. van het tussenvonnis). Voor de betekenis van artikel 49 van de Mudawwana kan ook worden gewezen op de nadien op rechtspraak.nl gepubliceerde uitspraak van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 28 maart 2017 (ECLI:NL:GHARL:2017:2648) – met citaten uit een nader rapport van het Internationaal Juridisch Instituut (IJI) – alsmede naar de onlangs gewezen uitspraak van Gerechtshof Amsterdam van 24 april 2018 (ECLI:NL:GHAMS:2018:1467).

3.2.

De rechtbank heeft partijen in het tussenvonnis in de gelegenheid gesteld hun stellingen bij akte nader toe te lichten om onder meer inzicht te geven in 1) het vermogen dat gedurende het huwelijk is verkregen; 2) de wijze waarop dat vermogen is gefinancierd en 3) de waarde daarvan (zie r.o. 4.11. van het tussenvonnis). Partijen hebben na tussenvonnis akten genomen met dien verstande dat aan de vrouw akte niet dienen voor antwoordakte is gegeven (zie onder 1.1 van dit vonnis).

3.3.

De kern van het geschil tussen partijen richt zich op de vraag of de vrouw aanspraak kan maken op een vergoeding van de man op grond van artikel 49 van de Mudawwana. Volgens de vrouw is dit het geval en bestaat het vermogen waarmee rekening moet worden gehouden uit de volgende bestanddelen: een woning in [land 1] , het saldo van een bankrekening (€ 35.000,-), inboedel in [land 1] (€ 20.000,-) en een woning in [land 2] (€ 300.000,-) (zie r.o. 4.9. van het tussenvonnis). In haar akte na tussenvonnis heeft de vrouw naar voren gebracht dat de waarde van de woning in [land 1] dient te worden verhoogd naar € 460.000,-. Dit leidt ertoe dat het vermogen van de man waarmee bij de berekening van de hoogte van haar vergoedingsrecht ex artikel 49 van de Mudawwana rekening dient te worden gehouden, in totaal € 890.000,- bedraagt, aldus de vrouw.

3.4.

De man heeft zich op het standpunt gesteld dat de vrouw in het geheel geen bijdrage heeft geleverd aan de vermogensaanwas aan zijn zijde en daarom geen aanspraak heeft op een vergoeding. Zijn betoog komt erop neer dat zijn vermogen deels reeds vóór het huwelijk door een erfenis is verworven, dat hij tevens voor het huwelijk had gespaard en dat de vermogensvermeerdering gedurende het huwelijk enkel een gevolg is van vermogensaanwas op het aldus verkregen vermogen (en dus niet van eventuele bijdragen van de vrouw). Tevens heeft hij te kennen gegeven dat dit vermogen – op een appartement ter waarde van € 30.000,- na – niet meer bestaat. Hij heeft de woningen en de bakkerij die hij op de uit de erfenis verkregen grond heeft laten bouwen, verkocht en van de opbrengst daarvan uiteindelijk een woning in [land 2] gekocht. Bij de aankoop van die woning zijn echter problemen ontstaan, waardoor hij deze woning zal verliezen met daarbij het door hem geïnvesteerde vermogen, aldus steeds de man.

3.5.

Ter onderbouwing van zijn standpunt dat de vrouw in het geheel geen aanspraak heeft op een vergoeding heeft de man bij zijn akten na tussenvonnis een aantal stukken overgelegd. Die stukken bestaan onder meer uit akten van verdeling van de erfenis, bouwvergunningen om woningen en een bakkerij te bouwen, verkoopakten van deze woningen en een verklaring van de advocaat van de man in [land 2] over de koop van de woning aldaar. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de man met deze stukken voldoende gemotiveerd betwist dat wat is ingebracht aan inspanningen door de vrouw en wat zij stelt te hebben gedragen aan lasten heeft bijgedragen aan de ontwikkeling van het vermogen van de man.

3.6.

Gezien deze gemotiveerde betwisting had het op de weg van de vrouw gelegen om haar bijdrage in de ontwikkeling van het vermogen van de man te concretiseren. Dat heeft zij echter niet gedaan. Ook na het tussenvonnis heeft zij de gevolgen van de door haar gestelde inspanningen en gedragen lasten voor de ontwikkeling van het vermogen van de man niet voldoende toegelicht. Zij heeft in reactie op de door de man overgelegde stukken slechts gesuggereerd wat volgens haar daaruit zou moeten blijken, zonder daaraan enige onderbouwing te geven. Evenmin heeft de vrouw door middel van bijvoorbeeld een stroomschema inzichtelijk gemaakt op welke wijze volgens haar het vermogen van de man tijdens het huwelijk is vermeerderd. Het is de rechtbank zelfs in het geheel niet duidelijk geworden wat het vermogen van partijen precies was ten tijde van het aangaan van het huwelijk dan wel op de peildatum. De vrouw is echter degene die zich beroept op de rechtsgevolgen van haar stellingen dat zij in het kader van een vergoedingsrecht aanspraak heeft op het vermogen van de man. Dit betekent dat van haar wordt verwacht dat zij meer tegenover de gemotiveerde betwisting van de man stelt dan enkel dat zij van het door haar verworven inkomen niets voor zichzelf heeft gehouden en de blote stelling dat het niet juist is wat de man stelt ten aanzien van de vermogensvermeerdering

3.7.

Nu een nadere toelichting van de vrouw ontbreekt, dient te worden uitgegaan van de juistheid van de standpunten van de man dat hij het vermogen waarop de vordering van de vrouw stoelt deels reeds vóór het huwelijk door een erfenis heeft verworven, dat hij tevens voor het huwelijk had gespaard, dat de vermogensvermeerdering gedurende het huwelijk enkel een gevolg is van vermogensaanwas op dat vermogen en dat de man bovendien een groot deel van dat vermogen heeft verloren. Voor een aanspraak van de vrouw jegens de man op grond van artikel 49 van de Mudawwana is in het licht van de concrete omstandigheden van dit geval derhalve geen plaats.

3.8.

Wat de inboedel betreft heeft de vrouw evenmin voldoende duidelijk gemaakt waaruit die zou bestaan, waaruit kan worden afgeleid dat de waarde daarvan € 20.000,- bedraagt en dat zij te dien aanzien aanspraak heeft op een vergoeding. Bovendien blijkt uit artikel 34 van de Mudawwana dat de vrouw met betrekking tot de inboedel geen vergoedingsrecht heeft, maar dat deze dient te worden verdeeld. Deze verdeling is echter door de vrouw niet gevorderd.

3.9.

Het voorgaande leidt ertoe dat de vorderingen van de vrouw zullen worden afgewezen. Bij deze uitkomst behoeft de brief van 12 april 2018 van de zijde van de man met een opmerking naar aanleiding van het proces-verbaal geen verdere bespreking.

3.10.

Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

4 De beslissing

De rechtbank

4.1.

wijst de vorderingen af,

4.2.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.M. Korsten - Krijnen, rechter, bijgestaan door mr. H.D. Coumou, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 9 mei 2018.