Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:4028

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
17-05-2018
Datum publicatie
18-06-2018
Zaaknummer
13/730003-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Letland, detentie-omstandigheden. O.g.v rapport uit 2017 van het CPT en de reactie van de Letse autoriteiten is er op dit moment in het algemeen geen reëel gevaar van een onmenselijke of een vernederende behandeling in Letse gevangenissen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VERKORT VONNIS

Parketnummer: 13/730003-13

Datum uitspraak: 17 mei 2018

Verkort vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ( [land van herkomst] ) op [geboortedag] 1990,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres

[adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit verkort vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 15 september 2014, 15 september 2015 en 3 mei 2018. Verdachte is na aanhouding van de zaak op 15 september 2015 niet ter terechtzitting van 3 mei 2018 verschenen. De raadsman van verdachte, mr. M.D. Rijnsburger die namens mr. G.J. van Oosten is verschenen heeft verklaard dat hij en mr. Van Oosten inmiddels niet (langer) uitdrukkelijk gemachtigd zijn verdachte ter terechtzitting te verdedigen, nu zij sinds enige tijd geen contact meer met verdachte hebben kunnen verkrijgen.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. S. de Klerk.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat zij zich samen met [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1] , danwel [medeverdachte 1] ) en [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ) schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel jegens [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ) in de periode van 1 september 2009 tot en met 29 maart 2012.

De tekst van de integrale tenlastelegging is opgenomen in een bijlage die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

Zakelijk weergegeven heeft de officier van justitie betoogd dat het ten laste gelegde feit bewezen kan worden verklaard. Verdachte heeft zich tezamen en in vereniging met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] schuldig gemaakt aan de seksuele uitbuiting van [slachtoffer] .

4.2

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt op basis van het dossier het volgende vast.

Aangeefster, [slachtoffer] , is eind 2009 in [land van herkomst] door twee bevriende mannen benaderd met de vraag of zij naar Nederland wilde gaan om te werken en om haar Engels te verbeteren. [slachtoffer] wist niet precies wat voor werkzaamheden zij zou verrichten, maar dacht dat de mannen een kantoorfunctie of soortgelijk werk voor haar zouden regelen. [slachtoffer] zou in Amsterdam kunnen verblijven bij kennissen van de mannen. Om haar te overtuigen dat zij een goed leven tegemoet zou gaan in Amsterdam, werd [slachtoffer] telefonisch en via Skype in contact gebracht met verdachte, die op dat moment al in Amsterdam woonde. In vervolg op de gesprekken met verdachte heeft [slachtoffer] ingestemd met haar vertrek naar Amsterdam, omdat verdachte van haar leeftijd was en op haar een positieve en enthousiaste indruk maakte. Door verdachte werd over haar vriend [medeverdachte 1] gezegd dat zij ( [slachtoffer] ) van hem geen last zou hebben. Eenmaal aangekomen in Amsterdam werd [slachtoffer] naar een woning gebracht waar verdachte samen met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] verbleef. Verdachte was op dat moment zelf al enige tijd als prostituee voor [medeverdachte 1] werkzaam. [slachtoffer] kreeg van verdachte vrijwel direct te horen dat zij haar plaats moest kennen en moest luisteren naar [medeverdachte 1] .

Binnen een week na haar aankomst in Nederland werd [slachtoffer] door [medeverdachte 1] als prostituee te werk gesteld in Alkmaar. [medeverdachte 2] heeft [slachtoffer] naar Alkmaar gebracht waar zij een kamer moest huren. Verdachte heeft [slachtoffer] geholpen bij het verkrijgen van de juiste documenten om aan de slag te kunnen als prostituee en om een kamer te kunnen huren. Daarnaast heeft verdachte condooms voor [slachtoffer] gekocht en uitgelegd aan [slachtoffer] welke seksuele handelingen zij moest verrichten en hoeveel geld zij daarvoor moest vragen. [slachtoffer] werkte vervolgens zeven dagen per week van het middaguur tot diep in de nacht.

[slachtoffer] werd door [medeverdachte 2] telkens naar haar werkplek gebracht en zij werd tijdens haar werkzaamheden zowel door [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] als verdachte telefonisch gecontroleerd. Tijdens deze gesprekken werd aan [slachtoffer] gevraagd hoeveel klanten zij op dat moment had gehad en hoeveel geld zij had verdiend.

Van het geld dat [slachtoffer] verdiende mocht zij zelf 10 euro per dag behouden. De rest van het geld moest zij afstaan aan [medeverdachte 1] , of anders aan [medeverdachte 2] of verdachte die het geld vervolgens aan [medeverdachte 1] gaven.

Op enig moment is [slachtoffer] door [medeverdachte 1] in Amsterdam te werk gesteld als prostituee. Verdachte heeft [slachtoffer] in contact gebracht met de kamerverhuurders aldaar en toen zij eenmaal een werkplek in Amsterdam had, werd zij door [medeverdachte 2] naar haar werk gebracht. Verdachte wierp zich op als een vriendin voor [slachtoffer] , maar wanneer [slachtoffer] iets aan verdachte vertelde, dan vertelde verdachte dit door aan haar vriend [medeverdachte 1] . Daarnaast maakte verdachte aan [slachtoffer] duidelijk dat zij iedere stap van [slachtoffer] kende.

Ook tijdens (gezamenlijke) reizen naar Bulgarije werd [slachtoffer] door verdachte gecontroleerd. Wanneer [slachtoffer] bij haar moeder verbleef, kwam verdachte regelmatig langs en liet zij weten dat zij precies wist wat [slachtoffer] deed. [slachtoffer] zag verdachte als ‘ [medeverdachte 1] 2” (de rechtbank begrijpt: een tweede [medeverdachte 1] ).

De verklaringen van [slachtoffer] worden ondersteund door die van [medeverdachte 2] die heeft verklaard dat verdachte zich voordeed en gedroeg als de baas van [slachtoffer] . Uit de verklaring van [medeverdachte 2] blijkt dat [medeverdachte 1] en verdachte [slachtoffer] naar Nederland hebben gehaald om haar te werk te stellen als prostituee en om hiermee tevens de werklast van de prostitutiewerkzaamheden van verdachte te verlichten. [slachtoffer] werd, blijkens de verklaring van [medeverdachte 2] , door verdachte onderdrukt en zij mocht geen eigen menig hebben. Alles in het leven van [slachtoffer] werd bepaald door [medeverdachte 1] en verdachte. Zo moest [slachtoffer] onder druk van [medeverdachte 1] een abortus ondergaan en is zij samen met verdachte naar een kliniek in Bulgarije gegaan waar zij tegen haar wil een borstvergroting heeft ondergaan. [medeverdachte 1] en verdachte kochten dure merkkleding voor zichzelf met het geld dat door [slachtoffer] werd verdiend, terwijl [slachtoffer] goedkope kleding en make-up moest dragen. Verdachte en [medeverdachte 1] maakten reizen naar Rome waarbij luxe goederen werden aangeschaft.

De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen van aangeefster [slachtoffer] als betrouwbaar kunnen worden aangemerkt. Haar verklaringen zijn in de kern consistent en gedetailleerd en worden op belangrijke onderdelen ondersteund door de verklaringen van [medeverdachte 2] en deels ook door de verklaringen van verdachte zelf. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de inhoud van haar verklaringen.

Medeplegen

Uit de verklaringen van verdachte, [medeverdachte 2] en [slachtoffer] blijkt dat verdachte een ondergeschikte positie had ten opzichte van [medeverdachte 1] , doordat ook zij als prostituee voor hem werkte en tenminste een deel van de door haar daarmee verworven inkomsten aan hem moest afstaan. Uit het dossier blijkt echter tevens van een duidelijke taakverdeling tussen verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , waarbij verdachte ook een zelfstandige rol vervulde bij het uitoefenen van dwang op [slachtoffer] , door haar te (laten) controleren bij het prostitutiewerk, informatie door te spelen aan [medeverdachte 1] en de verdiensten van [slachtoffer] af te nemen. Er was ook in zoverre sprake van een zekere inwisselbaarheid van de rollen van verdachte en [medeverdachte 1] . Verdachte was op de hoogte van de condities waaronder [slachtoffer] werkte en droeg daar aan bij en heeft door te handelen zoals zij heeft gedaan, meegewerkt aan de werving van [slachtoffer] , de totstandkoming, de verdere verwezenlijking en de instandhouding van de uitbuitingssituatie van [slachtoffer] , met als doel ook haar eigen positie te verbeteren. De samenwerking tussen verdachte, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] was dusdanig nauw en bewust , dat sprake is van gezamenlijke uitvoering van de feiten zodat de rechtbank verdachte schuldig acht aan het medeplegen van de seksuele uitbuiting van [slachtoffer] .

De rechtbank merkt hierbij op dat voor een bewezenverklaring van medeplegen niet is vereist dat de rollen van de betrokken medeverdachten bij de samenwerking volstrekt inwisselbaar zijn (vgl. Hoge Raad 17 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1964).

Bewezenverklaring

De tekst van de bewezenverklaring is opgenomen in bijlage II die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.

5 Het bewijs

De rechtbank grondt haar beslissing dat verdachte het bewezen geachte heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. Indien tegen dit verkort vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het verkort vonnis. Deze aanvulling wordt dan aan het verkort vonnis gehecht.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

7.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld op basis van het dossier en de verklaring van verdachte dat, zij zich niet kan beroepen op psychische overmacht. Verdachte heeft haar betrokkenheid bij de uitbuiting van [slachtoffer] ontkend en heeft zelf niet aangegeven dat zij handelde onder een dusdanige druk dat zij niet anders kon dan te handelen zoals zij heeft gedaan. De officier van justitie acht verdachte derhalve strafbaar.

7.2

Het oordeel van de rechtbank

Zoals hiervoor uiteen is gezet, blijkt uit het dossier dat verdachte in een ondergeschikte positie verkeerde ten opzichte van [medeverdachte 1] en dat ook zij tot mei 2011 als prostituee voor hem werkte, waarbij [medeverdachte 1] misbruikt maakte van de kwetsbare positie van verdachte en het overwicht dat hij op haar had. [medeverdachte 1] is bij arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 1 februari 2016, onder meer veroordeeld voor – kortgezegd – de uitbuiting van verdachte gedurende de periode van 1 september 2008 tot 2 mei 2011. Vooropgesteld zij dat daarmee niet zonder meer vast staat dat het bewezenverklaarde niet aan verdachte kan worden toegerekend.

De rechtbank heeft in dit verband bezien of er voor verdachte een situatie van psychische overmacht bestond, in die zin dat verdachte zodanig onder druk stond van [medeverdachte 1] bij de uitbuiting van [slachtoffer] dat sprake was van een van buiten komende drang waaraan zij redelijkerwijze geen weerstand kon en ook niet hoefde te bieden.

De rechtbank is, met de officier van justitie, van oordeel dat het dossier te weinig aanknopingspunten biedt om van een situatie van psychische overmacht te kunnen spreken. Verdachte zelf heeft niet aan aannemelijk gemaakt - en nu zij er voor heeft gekozen niet aanwezig te zijn op de zitting en dus ook tijdens de behandeling van haar zaak evenmin een relevante uiteenzetting van haar positie ten opzichte van [medeverdachte 1] heeft gegeven - dat zij handelde onder een dusdanige druk dat zij niet anders kon handelen dan zij heeft gedaan. Bovendien had zij onmiskenbaar een eigen belang bij de komst van en de tewerkstelling van [slachtoffer] in de prostitutie. Door de komst van [slachtoffer] zou de werklast van verdachte immers verminderen en was er voldoende geld voorhanden om een royale levensstijl te kunnen (blijven) leiden. Uit de verklaring van [medeverdachte 2] blijkt dat er tussen verdachte en [slachtoffer] sprake was van onderlinge haat en nijd, en dat verdachte tevens handelde uit jaloezie, en dat verdachte duurdere kleding droeg terwijl [slachtoffer] goedkope kleding moest dragen. In het dossier heeft de rechtbank geen feiten kunnen vaststellen waaruit blijkt dat verdachte overigens dusdanig onder invloed van [medeverdachte 1] stond of anderszins sprake was van een situatie waarin zij geen andere keuze had dan met [medeverdachte 1] aan de seksuele uitbuiting van [slachtoffer] deel te nemen, is niet gebleken.


De rechtbank is daarom van oordeel dat er geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte ten aanzien van het bewezen verklaarde feit uitsluit.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft bij requisitoir gevorderd dat verdachte ter zake van het door haar bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 25 dagen, met aftrek van het door haar ondergane voorarrest.

De officier van justitie heeft bij haar eis rekening gehouden met een overschrijding van de redelijke termijn, de straf die medeverdachte [medeverdachte 2] heeft gekregen, de positie van verdachte als slachtoffer van uitbuiting, haar beperkte deelname aan de uitbuiting van [slachtoffer] en het tijdsverloop tussen de aanhouding van verdachte, het aanbrengen van de zaak en de uiteindelijke inhoudelijke terechtzitting en de datum waarop naar verwachting uitspraak zal worden gedaan. Zij heeft daarbij voorts betrokken eerdere beslissingen van deze rechtbank in zaken waarin sprake was van mogelijke toepassing van het non punishment beginsel.

8.2

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf het volgende laten meewegen.

De verdachte heeft zich samen met haar mededaders gedurende meer dan anderhalf jaar schuldig gemaakt aan mensenhandel. Daarvan is een jonge vrouw het slachtoffer geworden. Verdachte heeft door de seksuele uitbuiting van [slachtoffer] inbreuk gemaakt op haar lichamelijke en geestelijke integriteit en op de vrijheid die zij zou moeten hebben om haar eigen leven vorm te geven. Daarbij heeft verdachte, misbruik gemaakt van de kwetsbare positie van [slachtoffer] die geen Nederlands sprak en geen sociaal netwerk had in Nederland en nagenoeg volledig afhankelijk was verdachte en [medeverdachte 1] . Verdachte heeft zich aldus schuldig gemaakt aan een zeer ernstig strafbaar feit. Zij moet zich daarbij, gelet op haar eigen situatie, bewust zijn geweest van de inbreuk die zij maakte op de menselijke waardigheid van [slachtoffer] . Verdachte heeft zich echter (mede) laten leiden door haar eigen belang en daarbij de belangen van [slachtoffer] bij het behoud van haar waardigheid en zelfbeschikkingsrecht ondergeschikt gemaakt. Dit rekent de rechtbank verdachte zwaar aan.

De rechtbank heeft reeds overwogen dat verdachte zelf ook een ondergeschikte positie had ten opzichte van [medeverdachte 1] en dat ook zij tot mei 2011 als prostituee voor hem werkte, waarbij [medeverdachte 1] misbruikt maakte van de kwetsbare positie van verdachte en het overwicht dat hij op haar had. Hoewel de rechtbank niet heeft aangenomen dat sprake was van een situatie van psychische overmacht, acht de rechtbank wel aannemelijk dat verdachte zich onder invloed van [medeverdachte 1] schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel ten aanzien van [slachtoffer] . Vaststaat dat verdachte gedurende een periode van anderhalf jaar door [medeverdachte 1] is misleid, misbruikt en uitgebuit waardoor zij het grootste deel van haar verdiensten aan [medeverdachte 1] heeft moeten afstaan. De rol van verdachte bij de uitbuiting is in die zin anders van aard dan die van [medeverdachte 1] . Gelet op de ernst van het feit is naar het oordeel van de rechtbank echter niet passend geen enkele straf of maatregel op te leggen.

De ernst van de gedragingen rechtvaardigt op zich reeds - ook wanneer de geringere rol van verdachte in aanmerking wordt genomen - een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van langere duur.

De overschrijding van de redelijke termijn

De rechtbank overweegt met betrekking tot het procesverloop in deze zaak het volgende.

Verdachte is nadat zij op 4 januari 2013 was aangehouden in Zwitserland, na uitlevering op 16 januari 2013 in verzekering gesteld. Op 29 januari 2013 is de voorlopige hechtenis van verdachte opgeheven. Op 15 september 2014 is de zaak voor het eerst ter terechtzitting behandeld waar bleek dat de dagvaarding nietig was. Vervolgens is pas op 15 september 2015 de zaak op een (regie-) zitting behandeld waar bepaald is dat de zaak begin januari 2016, in ieder geval kort na het moment waarop na verwachting de arresten in de zaken van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] onherroepelijk zouden worden, inhoudelijk zou worden behandeld . Dit is om onverklaarbare redenen niet gebeurd. De zaak heeft sinds februari 2016 onnodig lang stilgelegen.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op het tijdsverloop van inmiddels vijf jaar na de inverzekeringstelling van verdachte op 16 januari 2013 sprake is van de schending van de redelijke termijn zoals gewaarborgd in art. 6, eerste lid, EVRM.

Als uitgangspunt geldt immers, dat de behandeling ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn raadsvrouw op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. Er moet echter geconstateerd worden dat het tijdsverloop in dit geval vooral is veroorzaakt doordat de zaak gedurende 3 jaar onnodig heeft stilgelegen, de overschrijding van de redelijke termijn wordt door de rechtbank bepaald op 3 jaar..

Daarmee is de redelijke termijn in zeer aanzienlijke mate is overschreden. De rechtbank is van oordeel dat deze overschrijding ingevolge de daartoe door de Hoge Raad ontwikkelde rechtspraak matiging van de op te leggen straf tot gevolg moet hebben.

Strafoplegging

De rechtbank merkt op dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] onherroepelijk door het Gerechtshof Amsterdam zijn veroordeeld tot respectievelijk onvoorwaardelijke gevangenisstraffen van drie jaar en achttien maanden. [medeverdachte 1] is - kort gezegd - veroordeeld voor de uitbuiting van [slachtoffer] en verdachte. [medeverdachte 2] is als medepleger veroordeeld voor de uitbuiting van [slachtoffer] .

Gelet op de rollen die [medeverdachte 2] en verdachte bij de uitbuiting van [slachtoffer] hebben vervuld, zou op zichzelf passend en geboden zijn geweest dat aan verdachte gezien de duur van de uitbuiting en het feit dat er sprake was van medeplegen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van een vergelijkbare duur zou zijn opgelegd als de straf die medeverdachte [medeverdachte 2] heeft gekregen, te weten achttien maanden.

De situatie van verdachte wijkt echter af van die van de veroordeelde [medeverdachte 2] . Inmiddels zijn sinds het plegen van het bewezen geachte feit zeven jaren verlopen, terwijl verdachte op het moment van het plegen van de feiten zeer jong was en ook zelf het slachtoffer was van uitbuiting. [slachtoffer] heeft in dit verband in haar recente slachtofferverklaring aangegeven dat zij de periode waarin zij werd uitgebuit nog steeds ervaart als een ‘moord op haar ziel’. Zij heeft echter ook aangegeven dat zij geen wraakgevoelens koestert naar verdachte.

De rechtbank ziet onder deze omstandigheden thans geen aanleiding meer aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen die hoger is dan de door haar in voorarrest doorgebrachte periode. Ook acht de rechtbank het opleggen van een voorwaardelijk strafdeel in het kader van preventie thans niet meer opportuun.

Gelet op al hetgeen hierboven is overwogen acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest passend. Aan verdachte zal daarom een gevangenisstraf voor de duur van 25 dagen worden opgelegd.

Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij heeft een bedrag van € 5.000,00 aan immateriële schadevergoeding gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Vast staat dat aan [slachtoffer] door het bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. Op grond van artikel 6:106 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde partij recht op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van de immateriële schade aangezien de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit in haar eer of goede naam is aangetast en de benadeelde partij ten gevolge van het strafbare feit, blijkens de door de raadsvrouw van de benadeelde partij overgelegde medische informatie geestelijk letsel heeft opgelopen. Er is een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer en de lichamelijke integriteit. De gevorderde schadevergoeding komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd. De ingangsdatum van de wettelijke rente zal worden bepaald op 1 november 2009.

Voorts dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van [slachtoffer] voornoemd wordt, als extra waarborg voor betaling aan laatstgenoemde, de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte opgelegd.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 36f, 273f van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

mensenhandel, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 25 dagen.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] , toe tot een bedrag van € 5.000,00 (vijfduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (1 november 2009) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte aan [slachtoffer] voornoemd, het toegewezen bedrag te betalen.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op, aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer] , te betalen de som van € 5.000,00 (vijfduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (1 november 2009) tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 60 (zestig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte heeft voldaan aan een van de voornoemde betalingsverplichtingen, daarmee de andere is vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. C. Klomp, voorzitter,

mrs. A.K. Glerum en M.T.C. de Vries, rechters,

in tegenwoordigheid van L. Jaakke-van den Berg, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 17 mei 2018.