Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:3932

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
29-05-2018
Datum publicatie
14-06-2018
Zaaknummer
13/659181-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Opruiing, bedreiging en belediging verband houdende met de Zwarte Pietendiscussie. Themazitting discriminatie. Zie ook ECLI:NL:RBAMS:2018:3933 en ECLI:NL:RBAMS:2018:3934

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/659181-16 (Promis)

Datum uitspraak: 29 mei 2018

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1987,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 15 mei 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. P.C. Velleman en van wat verdachte en zijn raadsman mr. N.A.F. van den Heuvel naar voren hebben gebracht.

2 Inleiding

Aangever [aangever] is een aantal jaren actief geweest als activist in de discussie rondom Zwarte Piet. Hij heeft onder andere gedemonstreerd tijdens de Nationale Sinterklaasintocht in 2011 en heeft een project opgezet genaamd ‘Zwarte Piet is racisme’. In 2013 heeft hij in een televisieprogramma uitleg gegeven over zijn klacht tegen de vergunning voor de intocht van Sinterklaas in Amsterdam. Naar aanleiding van deze activiteiten heeft aangever veel negatieve reacties ontvangen via social media. Op 24 februari 2015 heeft aangever aangifte gedaan tegen een groot aantal plaatsers van deze social media berichten terzake bedreiging, racisme, laster en smaad en is onder leiding van het Openbaar Ministerie (OM) het onderzoek 13BOTO gestart.

Verdachte is één van de vijf personen in het onderzoek 13BOTO waarvan het OM tot nu toe tot vervolging heeft besloten. Elk van de vijf zaken staat op zich, maar de aanleiding is dezelfde.

Aangever [aangever] heeft in zijn aangifte kort gezegd verklaard dat naarmate de rechtszaak aangaande de bezwaren tegen de afgegeven vergunning van de Sinterklaasintocht in Amsterdam naderde hij steeds meer berichten via social media, brieven en e-mails kreeg met daarin bedreigingen en racistische bejegeningen. Hij geeft te kennen dat hij door deze dreigingen niet meer normaal over straat kan gaan en dat hij zijn leven niet meer normaal kan leven. Aangever heeft ongeveer 900 prints van berichten die over hem gaan of aan hem zijn gericht via social media aan de politie overhandigd.

Het Openbaar Ministerie (verder: het OM) heeft aangever in de gelegenheid gesteld om uit de overgelegde berichten een selectie te maken van de tien berichten die hem het meest raken. Aangever heeft deze keuze niet willen maken, omdat hij niet de verantwoordelijkheid wilde dragen dat hij er één zou missen die hem dan wat aandoet.

Het OM heeft daarom zelf een selectie gemaakt. De officier van justitie heeft op de terechtzitting uitgelegd hoe het OM tot de vervolging van deze vijf personen, waaronder verdachte, is gekomen. Het OM heeft geoordeeld dat de helft van de uitingen niet strafbaar is. Ten aanzien van de andere, resterende, uitingen heeft het OM als criterium aangelegd dat alleen nader onderzoek gedaan zou worden naar die verdachten die naar het oordeel van het OM bedreigend én racistisch waren in hun uiting(en). Door het OM is uit de aangeleverde social mediaberichten van aangever een selectie gemaakt van in totaal 19 berichten, waarvan de inhoud strafbaar werd geacht. Deze berichten waren geplaatst op Facebook, Twitter en/of Instagram vanaf 12 verschillende gebruikersprofielen. Vervolgens is geprobeerd om de personen achter de berichten te identificeren. Ondanks dat het onderzoek belemmerd is geraakt omdat aangever om hem moverende redenen geweigerd heeft ofwel zijn gebruikersnaam/wachtwoorden van zijn social media accounts aan de politie ter beschikking ofwel zijn computers te overhandigen voor digitaal onderzoek, konden uiteindelijk vijf verdachten, waarvan inmiddels één zaak, op grond van sepotcode 53, is geseponeerd, worden geïdentificeerd.

Het OM heeft de overgebleven vier zaken gelijktijdig aangebracht bij de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam. Eén zaak is op voorhand aangehouden. De rechtbank heeft de zaken gelijktijdig, maar niet gevoegd behandeld. De verdachten zijn geen medeverdachten van elkaar. Elke zaak wordt door de rechtbank op zichzelf beoordeeld en in elke zaak wordt afzonderlijk uitspraak gedaan.

3 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2013 tot en met 26 november 2015 te Lieshout, gemeente Laarbeek, in het openbaar mondeling en/of bij geschrift tot enig strafbaar feit en/of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag heeft opgeruid, immers heeft verdachte een bericht op facebook geplaatst met de inhoud: "Jou zouden ze moeten pakken en ophangen";

2.

hij in of omstreeks de periode van 1 november 2013 tot en met 26 november 2015 te Lieshout, gemeente Laarbeek, en/of Amsterdam, in elk geval in Nederland, [aangever] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend (middels zijn facebookaccount) een bericht op facebook geplaatst met de inhoud: "Jou zouden ze moeten pakken en ophangen ..", in elk geval een of meer woord(en) van gelijke dreigende aard en/of strekking;

3.

hij op of omstreeks 1 januari 2013 tot en met 26 november 2015 te Lieshout, gemeente Laarbeek, en/of Amsterdam, in elk geval in Nederland, opzettelijk [aangever] door een toegezonden of aangeboden geschrift heeft beledigd door (middels zijn facebookaccount) een bericht op facebook te plaatsen met de inhoud: "..een eeuwenlange Nederlandse traditie kapot maken kankeraap. Hoe haal je het in je hoofd???" en/of "Ik gun dat je morgen nog sterft aan ebola vieze aap", in elk geval een of meer woord(en) van gelijke beledigende aard en/of strekking.

4 Voorvragen

4.1.

Ontvankelijkheid van de officier van justitie

4.1.1.

Standpunt van de verdediging

Het Openbaar Ministerie dient niet-ontvankelijk te worden verklaard, nu de redelijke termijn is overschreden, terwijl hiervoor geen rechtvaardiging is.

4.1.2.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

Naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad leidt een overschrijding van de redelijke termijn niet (meer) tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. De overschrijding van de redelijke termijn dient te worden gecompenseerd in de strafmaat.

4.1.3

Het oordeel van de rechtbank

Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van de zaak, de invloed van de verdachte en zijn raadsman op het procesverloop, en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. In deze zaak is de redelijke termijn aangevangen op 26 november 2015, de dag dat verdachte voor het eerst is verhoord. Nu sinds de aanvang van de redelijke termijn twee jaren en bijna zes maanden zijn verstreken en er geen sprake is van bijzondere omstandigheden, is de redelijke termijn met bijna zes maanden overschreden.

Overschrijding van de redelijke termijn leidt niet tot de niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de strafvervolging, ook niet in uitzonderlijke gevallen. Regel is dat overschrijding van de redelijke termijn wordt gecompenseerd door vermindering van de straf die zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden (ECLI:NL:HR: 2008:BD2578). Er is niet gebleken van zodanige omstandigheden dat in deze zaak van bovenbedoelde regel uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad moet worden afgeweken. Dit betekent dat het ontvankelijkheidsverweer wordt verworpen.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

4.2.

Overige voorvragen

Ook voor het overige is de dagvaarding geldig en is deze rechtbank bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten. Er zijn ook geen redenen voor schorsing van de vervolging.

5 Waardering van het bewijs

5.1.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft, kort gezegd, gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten.

Ten aanzien van de ten laste gelegde periode heeft de officier van justitie gesteld dat de ruime periode van 2013 tot en met 26 november 2015, de datum van het verhoor, is gekozen omdat het technisch niet mogelijk is gebleken te achterhalen in welk jaar het bericht precies is geplaatst. Gezien alle feiten en omstandigheden rond deze zaak is het nagenoeg zeker dat de uitlating is gedaan op 13 november 2014.

5.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit voor de ten laste gelegde feiten. Hij heeft daartoe primair aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat het verdachte is die de berichten heeft geplaatst. Verdachte is naar eigen zeggen gehackt, hetgeen niet kan worden uitgesloten. Subsidiair stelt de raadsman dat vrijspraak moet volgen omdat niet kan worden vastgesteld of de berichten in de ten laste gelegde periode zijn geplaatst. Ten aanzien van de onder 2 ten laste gelegde bedreiging heeft de raadsman aangevoerd dat hij niet overtuigd is dat het bericht aangever [aangever] ook daadwerkelijk heeft bereikt, zodat niet aan de vereisten om tot een veroordeling voor bedreiging te komen, is voldaan.

5.3.

Het oordeel van de rechtbank

Daderschap

De rechtbank stelt allereerst vast dat het bericht “Jou zouden ze moeten pakken en ophangen een eeuwenlange Nederlandse traditie kapot maken kankeraap. Hoe haal je het in je hoofd??? Ik gun dat je morgen nog sterft aan ebola vieze aap" op Facebook is geplaatst door de gebruiker van het Facebookaccount “ [account] ”. Verdachte heeft verklaard dat dit Facebookaccount van hem is en dat niemand anders hiervan gebruikt maakt. Verdachte ontkent echter dat hij het bericht heeft verzonden en stelt dat zijn account gehackt is. Het dossier bevat echter geen enkel aanknopingspunt voor de conclusie dat het account gehackt zou zijn of dat een derde persoon het betreffende bericht geplaatst zou hebben. Verdachte heeft niets overgelegd waaruit dit zou kunnen blijken, terwijl het op de weg van verdachte had gelegen om deze stelling te onderbouwen. De omstandigheid dat verdachte op 2 december 2014 een email naar aangever [aangever] heeft gestuurd om zijn kant van het verhaal te vertellen en - daarvan uitgaande - dat hij destijds tevergeefs contact heeft gezocht met de politie om aangifte te doen van naar de rechtbank begrijpt computervredebreuk, maakt niet dat hij het bericht niet op Facebook heeft geplaatst. Bovendien blijkt niet dat verdachte daaraan enig vervolg heeft gegeven. De rechtbank gaat er dan ook van uit dat het verdachte is geweest die het bericht op Facebook heeft geplaatst.

Periode

De rechtbank stelt vast dat het om één incident gaat binnen een ruime periode. Gelet op de datum van de email van verdachte aan aangever [aangever] , te weten 2 december 2014, kan het bijna niet anders zijn dan dat het bericht is geplaatst op 13 november 2014. De rechtbank zal zodoende van die datum uitgaan, welke datum valt binnen de ten laste gelegde periode.

Opruiing (feit1)

Ten aanzien van de vraag of het plaatsen van het bericht voor zover dat ziet op “Jou zouden ze moeten pakken en ophangen”, op Facebook te kwalificeren is als opruiing, in de zin van artikel 131 van het Wetboek van Strafrecht (Sr), overweegt de rechtbank als volgt. Voor een bewezenverklaring van opruiing moet aan de volgende – kort weergegeven – vier vereisten zijn voldaan.

1.Opruien moet worden gezien als het aanzetten tot iets ongeoorloofds. Dit ongeoorloofde moet een naar Nederlands recht strafbaar feit zijn. Het is niet nodig dat het feit waartoe wordt aangezet ook daadwerkelijk wordt gepleegd.

2. Er moet sprake zijn van opzet. Dat kan voorwaardelijk opzet zijn: het bewust de aanmerkelijke kans aanvaarden dat wordt opgeruid tot het plegen van een strafbaar feit.

3. Vereist is verder dat de uitlating in het openbaar is gedaan. Dat wil zeggen onder zodanige omstandigheden en op een manier dat deze door het publiek gehoord (rechtbank: of gelezen, of gezien) kon worden (HR 22 mei 1939, NJ 1939, 861).

4. De uitlating moet bovendien mondeling of bij geschrift of afbeelding zijn gedaan. Daaronder zijn begrepen tekstberichten op internet en social media.

De rechtbank is van oordeel dat met de woorden “Jou zouden ze moeten pakken en ophangen” expliciet wordt opgeroepen tot het plegen van een in Nederland strafbaar feit, namelijk doodslag of moord.

Facebook is een medium op internet waarbij het niet altijd duidelijk is wie de persoon is die het bericht heeft verzonden. Daarmee wordt het moeilijk, zo niet onmogelijk, voor de ontvanger ervan een bericht te interpreteren op de manier die door de plaatser van het bericht is bedoeld. Nog minder duidelijk is wie het bericht leest en hoe deze persoon het bericht op zal vatten. De verzender heeft hier nauwelijks tot geen invloed op. Onder deze omstandigheden komt aan de woorden zelf veel betekenis toe. De gebruikte woorden laten niets aan de verbeelding over. Door een bericht inhoudend “Jou zouden ze moeten pakken en ophangen” op Facebook te plaatsen heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij hiermee zou opruien tot het plegen van een strafbaar feit.

Aan het vereiste van openbaarheid is voldaan. Door het plaatsen van uitingen op social media worden deze in de openbaarheid gebracht. Het internet kan worden aangemerkt als een openbare plaats, mits het publiek toegang heeft tot de internetpagina waar de teksten zijn weergegeven (zie onder meer: HR 5 juli 2011, NJ 2011/325, Rechtbank Den Haag 26 oktober 2016, NJFS 2017/6 en Hof Amsterdam 23 december 2009, ECLI:NL:GHAMS:2009:BK4139). Verdachte heeft het betreffende bericht op Facebook geplaatst. Facebook heeft een potentieel groot publieksbereik. Alleen al uit het feit dat aangever [aangever] de uitlating van verdachte aan de politie ter beschikking heeft gesteld, valt af te leiden dat een breed publiek, waaronder ook personen die niet tot de Facebookvrienden van verdachte behoren, zo dat al niet voldoende zou zijn, het bericht onder ogen konden krijgen.

Bedreiging (feit 2)

Het door verdachte geplaatste bericht voor zover dat ziet op de tekst “Jou zouden ze moeten pakken en ophangen” is tevens, onder feit 2, tenlastegelegd als bedreiging van aangever [aangever] in de zin van artikel 285 Sr. Hieromtrent overweegt de rechtbank het volgende.

Vereist is dat degene die wordt bedreigd ook daadwerkelijk op de hoogte is van de bedreiging. Bovendien moet de bedreiging van dien aard zijn en onder zodanige omstandigheden zijn gebeurd dat bij de bedreigde redelijke vrees kon ontstaan dat het misdrijf waarmee werd gedreigd ook gepleegd zou worden. Het gaat erom dat de bedreiging in het algemeen een dergelijke vrees zou kunnen opwekken. Naar het oordeel van de rechtbank is aan deze vereisten voldaan. De rechtbank volgt het betoog van de raadsman dat aangever mogelijk geen kennis heeft genomen van het bericht niet. Verondersteld wordt dat aangever bekend is met de berichten (waaronder ook het bericht van verdachte), nu hij de berichten zelf aan de politie ter beschikking heeft gesteld.

Belediging (feit 3)

Het door verdachte geplaatste bericht voor zover dat ziet op de tekst "..een eeuwenlange Nederlandse traditie kapot maken kankeraap. Hoe haal je het in je hoofd???" en "Ik gun dat je morgen nog sterft aan ebola vieze aap" is ten laste gelegd als belediging van aangever [aangever] in de zin van artikel 266 sr. Hieromtrent overweegt de rechtbank het volgende.

Er is sprake van belediging wanneer iemands eer of goede naam wordt aangerand. Een van de manieren waarop belediging kan plaatsvinden is in het openbaar (mondeling, bij geschrift of bij afbeelding). Er is sprake van openbaarheid wanneer de uitlating is gedaan in tegenwoordigheid van meerdere mensen. Hieronder wordt ook begrepen het geval dat gebruik wordt gemaakt van Facebookprofielen die voor meer personen toegankelijk zijn (HR 5 juli 2011, NJ 2011, 325). Vereist is verder dat de dader (voorwaardelijk) opzet heeft op het beledigen en op de persoon van de beledigde. In het geval van openbare belediging moet het (voorwaardelijk) opzet van de dader ook op de openbaarheid zijn gericht.

In het voorgaande met betrekking tot feit 1 is al geoordeeld dat een op Facebook geplaatst bericht moet worden aangemerkt als een geschrift. Ook aan het vereiste van openbaarheid en de opzet daarop is voldaan.

Verdachte heeft in zijn bericht op Facebook aangever [aangever] uitgemaakt voor “kankeraap” en “vieze aap”. Naar het oordeel van de rechtbank behoeft geen betoog dat aangever [aangever] door deze uitlating en het bericht in totaliteit in zijn eer en goede naam is aangerand, waar bovendien een racistisch element bij komt.

Vrijheid van meningsuiting

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of de vrijheid van meningsuiting zoals bedoeld in artikel 10 van het Verdrag van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) een bewezenverklaring van voornoemde feiten in de weg staat.

De vrijheid van meningsuiting is één van de belangrijkste fundamenten van een democratische rechtsstaat en gaat dan ook niet alleen op voor opvattingen die in de samenleving op breed draagvlak kunnen rekenen, maar ook, juist, voor die opvattingen die shockeren, kwetsen of verontrusten (EHRM 7 december 1976, NJ 1978/236 (Handyside)).

Het voorgaande betekent niet dat de vrijheid van meningsuiting onbeperkt is.

Artikel 10, lid 2, EVRM bevat de voorwaarden waaronder de vrijheid van meningsuiting kan worden beperkt. De artikelen 131, 266 en 285 Sr zijn bij wet voorziene beperkingen, welke beperkingen een geoorloofd doel dienen. De uitlating van verdachte kan niet worden beschouwd als bijdrage aan een maatschappelijk debat. Enige inhoudelijke bijdrage aan welke discussie ook is in de woorden die verdachte heeft gebruikt niet te ontdekken.

De rechtbank constateert dat veel mensen online kennelijk gemakkelijker over de schreef gaan dan in het ‘normale leven’. Ook voor uitlatingen die op internet worden gedaan gelden de hiervoor omschreven kaders van de vrijheid van meningsuiting. Het kan zo zijn dat verdachte het niet eens is met de opvattingen van aangever [aangever] , maar dat vormt nog geen vrijbrief om een bericht zoals door hem geplaatst op het internet te zetten. De rechtbank is van oordeel dat verdachte de grens van het toelaatbare heeft overschreden. Dit maakt dat er een dwingende maatschappelijke noodzaak bestaat om verdachte in zijn recht op vrijheid van meningsuiting te beperken. Er is geen minder ingrijpend middel denkbaar om dat doel (het voorkomen van strafbare feiten) te bereiken.

Conclusie

Dit brengt de rechtbank tot de conclusie dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan opruiing, bedreiging en belediging. Een veroordeling van verdachte betreft in dit geval een geoorloofde beperking van de vrijheid van meningsuiting.

5.4.

Bewijsmiddelen

Ten aanzien van feit 1, 2 en 3

1. Een proces-verbaal verhoor aangever met nummer PL1300-2015043995-2 van 24 februari 2015, in wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 1] (doorgenummerde pagina’s 4-7).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van aangever, zakelijk weergegeven:

Ik heb ongeveer 900 prints meegenomen van berichten die over mij gaan of aan mij gericht zijn over de social media. Ik wil ook aangifte doen tegen de mensen die deze berichten hebben geplaatst omdat zij doodbedreigingen hebben geuit, racistische bejegeningen hebben geuit en omdat ze mijn naam door het slijkt halen.

Door deze dreigingen kan ik niet meer normaal over straat. Ik word angstig bij plekken waar veel mensen zijn. Ik kan mijn leven niet meer normaal leven. Ik ben bang om op straat aangevallen te worden, verbaal of fysiek.

2. Een proces-verbaal van bevindingen internetonderzoek van 27 november 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [opsporingsambtenaar 2] met bijlagen (doorgenummerde pagina’s 15-51).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde verbalisant, zakelijk weergegeven:

Van het onderzoeksteam kreeg ik een bijlage met de volgende uitlating: “Jou zouden ze moeten pakken en ophangen een eeuwenlange Nederlandse traditie kapot maken kankeraap. Hoe haal je het in je hoofd??? Ik gun dat je morgen nog sterft aan ebola vieze aap". Aan de opmaak van het bericht kon ik zien dat het was geplaatst op de website van Facebook.com door een persoon die gebruik maakte van de profielnaam: “ [account] ”.

3. Een proces-verbaal van verhoor verdachte van 26 november 2015, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaar 1] en [opsporingsambtenaar 3] met bijlagen (doorgenummerde pagina’s 88-96).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:

V: Is dit uw facebookaccount? (wij tonen afbeeldingen A+B)

A: Ja.

V: Ik toon u een afbeelding (C). heeft uw facebookprofiel er in het verleden zo uit gezien?

A: Ja.

6 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 5.4 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

1.

in de periode van 1 januari 2013 tot en met 26 november 2015 te Lieshout, gemeente Laarbeek, in het openbaar bij geschrift tot enig strafbaar feit en/of tot gewelddadig optreden tegen het openbaar gezag heeft opgeruid, immers heeft verdachte een bericht op facebook geplaatst met de inhoud: "Jou zouden ze moeten pakken en ophangen";

2.

in de periode van (de rechtbank leest: 1 januari 2013 en beschouwd 1 november 2013 als een kennelijke verschrijving gezien de datering van de feiten 1 en 3) 1 januari 2013 tot en met 26 november 2015 te Lieshout, gemeente Laarbeek, [aangever] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht immers heeft verdachte opzettelijk dreigend (middels zijn facebookaccount) een bericht op facebook geplaatst met de inhoud: "Jou zouden ze moeten pakken en ophangen ..";

3.

in de periode 1 januari 2013 tot en met 26 november 2015 te Lieshout, gemeente Laarbeek, opzettelijk [aangever] door een toegezonden of aangeboden geschrift heeft beledigd door (middels zijn facebookaccount) een bericht op facebook te plaatsen met de inhoud: "..een eeuwenlange Nederlandse traditie kapot maken kankeraap. Hoe haal je het in je hoofd???" en "Ik gun dat je morgen nog sterft aan ebola vieze aap".

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

7 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

8 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

9 Motivering van de straf

9.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 200,- bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van vier dagen.

9.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank verzocht om rekening te houden met de bijzondere persoonlijke omstandigheden van verdachte en de omstandigheid dat verdachte zijn baan heeft verloren en nog steeds de negatieve gevolgen van de ten laste gelegde uitingen ondervindt. Ook moet meegewogen worden dat een zitting bij de meervoudige kamer veel impact heeft op een verdachte en dat er meerdere negatieve berichten over aangever [aangever] op internet zijn geplaatst en dat verdachte als één van de weinigen wordt vervolgd. Tot slot dient ook de opstelling van aangever zelf te worden meegewogen bij de strafbepaling.

9.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank hecht er aan om enkele opmerkingen vooraf te maken. In de eerste plaats over de wijze waarop de zaken aan de rechtbank zijn voorgelegd. De zaak van iedere verdachte zou normaal gesproken afzonderlijk bij de politierechter worden aangebracht, in de regel in het arrondissement waar verdachte woont. Deze aanpak staat het OM vrij, maar het gevolg hiervan is dat de behandeling van de zaak meer impact op verdachte heeft dan wanneer de zaak door de politierechter in het eigen arrondissement was afgedaan. Verder zijn er veel meer reacties aan het adres van aangever geweest dan dat er verdachten worden vervolgd. Naar het oordeel van de rechtbank was en is dit niet in strijd met gelijkheidsbeginsel, maar dat wil niet zeggen dat dit geen betekenis zou moeten hebben voor de op te leggen straf. Tenslotte zal de rechtbank in het voordeel van verdachte rekening houden met de overschrijding van de redelijke termijn, die op geen enkele wijze aan de verdediging te wijten is.

Wat betekent het voorgaande voor de straf die verdachte krijgt.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan opruiing en bedreiging door op Facebook de tekst "Jou zouden ze moeten pakken en ophangen” te plaatsen. De rechtbank vindt dit ernstige feiten. Door deze uitlating heeft verdachte in de eerste plaats aangezet tot het plegen van een moord of doodslag. Gelukkig is dit niet daadwerkelijk gebeurd, maar verdachte had iemand op het idee kunnen brengen. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij niet heeft nagedacht over de consequenties die zijn woorden zouden hebben op aangever bij het plaatsen van zijn reactie op Facebook. Voor aangever [aangever] is het zeer beangstigend geweest dat een tekst als deze over hem geschreven wordt. Hij heeft zich, zoals blijkt uit zijn aangifte, bedreigd gevoeld en de berichten hebben een flinke impact op zijn leven gehad. Verdachte heeft hier met zijn uitlating een bijdrage aan geleverd. Daarnaast heeft verdachte aangever [aangever] beledigd door hem uit te maken voor “kankeraap” en “vieze aap”. Dit is een racistisch getinte belediging en tast aangever aan in eer en goede naam.

Gelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten is de rechtbank van oordeel dat in beginsel een taakstraf in de rede ligt.

De rechtbank ziet echter gelet op de hiervoor weergegeven omstandigheden en de persoonlijke omstandigheden van verdachte zoals deze uit het dossier blijken aanleiding om aan verdachte een geldboete op te leggen. De rechtbank neemt het advies van de reclassering van 19 juli 2017 om aan verdachte een (gedeeltelijk) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden op te leggen niet over, omdat zij de oplegging van bijzondere voorwaarden onvoldoende passend acht bij deze feiten. Daarbij heeft verdachte ter zitting te kennen gegeven dat hij inmiddels hulp heeft gezocht. De rechtbank ziet aanleiding om een gedeelte van de geldboete voorwaardelijk op te leggen. Alles afwegende acht de rechtbank oplegging van een geldboete ter hoogte van € 200,-, waarvan € 100,- voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, passend en geboden.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24c, 55, 57, 131, 266 en 285 van het Wetboek van Strafrecht.

11 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 6 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van feit 1 en 2

Eendaadse samenloop van

  • -

    het in het opbaar, bij geschrift tot enig strafbaar feit opruien, en

  • -

    bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht

ten aanzien van feit 3

- eenvoudige belediging

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 200,- (tweehonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van vier dagen.

Beveelt dat een gedeelte van deze geldboete, groot € 100,-, (honderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van twee dagen) niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij verdachte zich voor het einde van de op twee jaren bepaalde proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door

mr. C. Klomp, voorzitter,

mrs. A.W.C.M. van Emmerik en M.T.C. de Vries, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. K.M.H. Stikkers, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 29 mei 2018.