Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:3931

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
29-05-2018
Datum publicatie
14-06-2018
Zaaknummer
13/659281-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

--

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/659281-16 (Promis)

Datum uitspraak: 29 mei 2018

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] ( [land van herkomst] ) op [geboortedag] 1978,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 15 mei 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. P.C. Velleman en van wat verdachte naar voren heeft gebracht.

2 Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op een of meer tijdstip(pen) gelegen in of omstreeks de periode van 15 september 2015 tot en met 8 oktober 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, zich in het openbaar bij geschrift opzettelijk beledigend heeft uitgelaten over een groep mensen, te weten Joden, wegens hun ras en/of godsdienst, door een of meer pamflet(ten) op te hangen (in de 3e

Oosterparkstraat en/of in de La Reijstraat en/of Oosterspoorplein ) waarin hij, verdachte, de Holocaust ontkent door (o.a.) de zin te schrijven: "De conclusie die ik heb kunnen trekken, en vele andere met mij, is dat de holocaust niks meer is dan een propaganda verhaal wat tot doel heeft om het ontstaans/bestaansrecht van de zionazi tereur staat Israel te legitimeren";

2.

hij op of omstreeks 26 oktober 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, zich in het openbaar bij geschrift en/of afbeelding opzettelijk beledigend heeft uitgelaten over een groep mensen, te weten Joden, wegens hun ras en/of godsdienst, door in een weblog met het internetadres [internetadres] de Holocaust te ontkennen door

(o.a.) de zin te schrijven: "De conclusie die ik heb kunnen trekken, en vele andere met mij, is dat de holocaust niks meer is dan een propaganda verhaal wat tot doel heeft om het ontstaans/bestaansrecht van de zionazi tereur staat Israel te legitimeren";

3.

hij op of omstreeks 9 oktober 2015 te Amsterdam, in elk geval in Nederland, anders dan ten behoeve van zakelijke berichtgeving, een uitlating openbaar heeft gemaakt die, naar hij wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden, beledigend is voor een groep mensen, te weten Joden, wegens hun ras en/of godsdienst door op YouTube een videofilm te plaatsen met als titel: "De zoektocht naar de waarheid omtrent de holocaust en anne frank" waarin de

verdachte (o.a.) de tekst uitspreekt: "De enigste verklaring die ik namelijk kan geven is dat het samen met de holocaustverhaal een propagandaverhaal is die de politieke agenda zoals beschreven in de Balfourdeclaration de stichting van de staat Israel moest rechtvaardigen" (vanaf 3.47 min) en/of door op zijn blogspot, genaamd [internetadres] (o.a.) de tekst te plaatsen: "de conclusie die ik heb kunnen trekken, en vele andere met mij, is dat de holocaust niks meer is dan een propaganda verhaal wat tot doel heeft om het ontstaans/bestaansrecht van de zionazi tereur staat Israel te legitimeren".

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1.

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft, kort gezegd, gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten.

4.2.

Het standpunt van verdachte

Verdachte vindt blijkens zijn standpunt tijdens het politieverhoor dat hij moet worden vrijgesproken. Hij beroept zich op de vrijheid van meningsuiting. Verdachte heeft de behandeling ter terechtzitting verlaten en heeft daarom niet kunnen reageren op het standpunt van de officier van justitie.

4.3.

Het oordeel van de rechtbank

Daderschap

De rechtbank stelt op grond van de in het dossier aanwezige bewijsmiddelen en de bekennende verklaring van verdachte vast dat hij op verschillende plekken pamfletten met de inhoud "De conclusie die ik heb kunnen trekken, en vele andere met mij, is dat de holocaust niks meer is dan een propaganda verhaal wat tot doel heeft om het ontstaans/bestaansrecht van de zionazi tereur staat Israel te legitimeren" heeft aangeplakt, dat verdachte dezelfde tekst op een weblog heeft geplaatst en dat verdachte tot slot dezelfde tekst op een YouTube filmpje heeft uitgesproken.

Vrijspraak van het onder 3 ten laste gelegde

De rechtbank spreekt verdachte vrij van dit feit en overweegt daartoe als volgt. Aan verdachte is ten laste gelegd dat hij ‘op of omstreeks 9 oktober 2015’ een videofilm met de titel "De zoektocht naar de waarheid omtrent de holocaust en Anne Frank" op YouTube heeft geplaatst. Hoewel vaststaat dat verdachte de persoon is die dit filmpje heeft geplaatst, staat de genoemde datum alleen in de aangifte vermeld en valt deze nergens anders uit het dossier te herleiden. Gelet hierop kan de rechtbank op basis van het dossier niet vaststellen wanneer verdachte het filmpje heeft geplaatst, zodat niet kan worden bewezen wat aan verdachte is tenlastegelegd.

Bewijsoverwegingen ten aanzien van onder 1 en 2 ten laste gelegde

De rechtbank ziet zich gesteld voor de vraag of de uitlating van verdachte strafbaar is in de zin van artikel 137c van het Wetboek van Strafrecht.

Toetsingskader

Artikel 137c Sr vereist voor strafbaarstelling voor zover hier van belang dat sprake is van een beledigende uitlating die in het openbaar plaatsvindt. Verder moet het gaan om een geschrift, waaronder kan worden verstaan alles wat gelezen kan worden.

De Hoge Raad heeft in zijn jurisprudentie met betrekking tot artikel 137c Sr een toetsingskader ontwikkeld om te beoordelen in hoeverre uitlatingen strafbaar zijn op grond van deze bepaling (zie hierover onder meer ECLI:NL:HR:2003:AE7632 en ECLI:NL:HR:2011:BQ6731).

In de eerste plaats dient te worden beoordeeld in hoeverre de uitlatingen, op zichzelf beschouwd, beledigend zijn voor een groep mensen wegens hun ras, hun godsdienst of levensovertuiging, hun hetero- of homoseksuele gerichtheid of hun lichamelijke psychische of verstandelijke handicap. Hierbij wordt gekeken naar de feitelijke bewoordingen, als ook naar de samenhang met de rest van de tekst. Om te beoordelen of een uitlating woordelijk beledigend is, dient een objectieve toets plaats te vinden waarbij gekeken moet worden naar de vraag of de uitspraak naar algemeen spraakgebruik beledigend is. De Hoge Raad heeft overwogen dat een uitlating beledigend is wanneer zij de strekking heeft een ander bij het publiek in een kwaad daglicht te stellen. Bovendien moet de uitlating over een groep mensen en haar kenmerk gaan. Het beledigen van een groep mensen wegens hun godsdienst valt alleen onder artikel 137c Sr als men de mensen behorend tot die groep collectief treft in hetgeen voor die groep kenmerkend is, namelijk in hun godsdienst, en men hen beledigt juist omdat zij van dat geloof zijn. De rechtbank gaat ervan uit dat deze overwegingen in dezelfde mate gelden voor ras, seksuele gerichtheid of handicap.

De tweede toets is de context waarin de uitlating is gedaan.

Uit de arresten waarin de Hoge Raad het toetsingskader heeft geformuleerd, blijkt dat de context het beledigend karakter van de uitlating weg kan nemen. Dit kan het geval zijn indien de uitlating een bijdrage is aan en dienstig is aan een publiek maatschappelijk debat, een geloofsopvatting of als de uitlatingen onder de bescherming van de artistieke expressie vallen.

De derde toets is de beoordeling of de beledigende uitlating die een bijdrage levert aan of dienstig is aan een publiek maatschappelijk debat of een geloofsopvatting of indien deze uitlating onder bescherming van de artistieke expressie valt, onnodig grievend is.

Openbaar geschift

Met de aangeplakte pamfletten met voornoemde tekst en de plaatsing van diezelfde tekst op een weblog is voldaan aan het vereiste van openbaarheid. Verdachte heeft met zijn handelswijze het doel gehad om meerdere personen in kennis te stellen van zijn gedachtegoed aangaande de Holocaust. Verdachte heeft zich zodoende opzettelijk in het openbaar uitgelaten bij geschrift.

Beledigend

Ten eerste dient te worden beoordeeld of voornoemde uitlatingen op zichzelf beschouwd als beledigend voor een groep kunnen worden aangemerkt.

In voornoemde uitlating wordt het Joodse volk ervan beticht dat zij heeft gelogen over de Holocaust en dat zij ten onrechte stelt dat de gaskamers hebben bestaan. Het Joodse volk wordt er op zijn minst van beticht dat zij de Holocaust grovelijk heeft overdreven en dit heeft gebruikt om het ontstaan van de onafhankelijke staat Israël te legitimeren. Dergelijke uitlatingen zijn kwetsend en beledigend, nu het een feit van algemene bekendheid is welk lot miljoenen Joden tijdens de Tweede Wereldoorlog heeft getroffen en de Holocaust voor zowel overlevenden als nabestaanden een zeer pijnlijke bladzijde in de geschiedenis is geweest. Naar het oordeel van de rechtbank hebben deze uitlatingen naar algemeen spraakgebruik de strekking om Joden bij het publiek in een kwaad daglicht te stellen, en zijn zodoende op zichzelf beschouwd beledigend aan te merken voor die groep mensen wegens hun ras.

Context
Ten tweede dient beoordeeld te worden of door de context het beledigende karakter van de uitlatingen wegvalt.

Naar het oordeel van de rechtbank is van een context die voor derden kenbaar is en die naar objectieve maatstaven zodanig is dat het beledigende karakter van de uitlating wegvalt, geen sprake.

Verdachte heeft op meerdere manieren gebruik gemaakt van de mogelijkheid om zijn gedachtegoed onder de aandacht van anderen te brengen, terwijl niet is gebleken dat die uitlatingen zijn gedaan binnen een voor een ieder kenbare context van het door de verdachte uitgedragen gedachtengoed. De rechtbank is van oordeel dat verdachte door het op deze wijze in een maatschappelijk debat in twijfel trekken van de legitimatie van het stichten en het functioneren van de staat Israël, zijn eigen legitimiteit is kwijtgeraakt. In het geval van ontkenning van de Holocaust, zoals hier het geval is, kan, gelet op de ernst van de kwetsende uitlatingen en de overige omstandigheden van het geval, geen sprake zijn van een legitieme context die het beledigende karakter daarvan zou doen wegvallen.

Onnodig grievend

Strikt genomen ten overvloede overweegt de rechtbank dat ook wanneer het beledigende karakter door de context opgeheven zou kunnen worden, het onder 1 en 2 tenlastegelegde bewezen kan worden verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze uitlatingen waarbij Joden er van worden beticht de Holocaust te hebben verzonnen of op zijn minst te hebben overdreven, voor deze groep buitengewoon kwetsend en onnodig grievend. Zodoende zijn deze uitlatingen ook alsdan als beledigend aan te merken.

Vrijheid van meningsuiting

Op grond van artikel 10, lid 1, van het Verdrag voor de bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) heeft een ieder recht op vrijheid van meningsuiting. Dat recht is echter niet onbeperkt. Inbreuk op het recht op vrijheid van meningsuiting is onder bijzondere omstandigheden geoorloofd (artikel 10, lid 2, EVRM).

Door verdachte te veroordelen wegens schending van artikel 137c Sr wordt inbreuk gemaakt op zijn vrijheid van meningsuiting. De rechtbank is van oordeel dat deze inbreuk geoorloofd is, nu deze bij wet is voorzien, de in artikel 10, lid 2, EVRM genoemde doelen dient en noodzakelijk is in een democratische maatschappij. Ten aanzien van het laatstgenoemde overweegt de rechtbank dat de Joodse bevolkingsgroep er zonder meer recht op heeft verschoond te blijven van ernstige kwetsingen ter zake van ontkenning dan wel bagatellisering van de Holocaust. Bovendien komt volgens jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) geen beroep op de vrijheid van meningsuiting toe aan diegene die de Holocaust ontkent of bagatelliseert, omdat dergelijke uitlatingen tegen de grondwaarden van het EVRM ingaan.

Ras
Het is een feit van algemene bekendheid dat in de Tweede Wereldoorlog op grond van de nationaal-socialistische leer, die zich bij uitstek kenmerkt door rassenleer en antisemitisme, de Joden in Europa zijn vervolgd en op grote schaal zijn vermoord. Ook is algemeen bekend dat deze Jodenvervolging de Holocaust wordt genoemd. De uitlatingen van verdachte ten aanzien van de Holocaust zijn daarmee uitlatingen die beledigend zijn voor Joden wegens hun ras.

Conclusie

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de rechtbank van oordeel is dat het onder 1 en 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend is bewezen.

4.4.

Bewijsmiddelen

Ten aanzien van feit 1 en 2

1. Een geschrift, te weten een aangifte, namens de algemeen directeur van de Anne Frank Stichting, van 18 november 2015, met bijlagen (doorgenummerde pagina’s 3-19).

De aangifte houdt onder meer in als verklaring van aangever, zakelijk weergeven:

Bij deze wil ik namens de Anne Frank Stichting aangifte doen van een aantal gevallen van ontkenning van de echtheid van het Dagboek van Anne Frank en ontkenning van de Holocaust door dezelfde persoon. Het gaat concreet om het aanplakken van een pamflet met deze strafbare inhoud op diverse plaatsen in Amsterdam, het plaatsen van dezelfde tekst op een weblog en het uitspreken van dezelfde tekst op een YouTube kanaal.

2. Een proces-verbaal van verhoor verdachte met nummer PL1300-2015224362-6 van 27 mei 2016, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [opsporingsambtenaar 1] en [opsporingsambtenaar 2] met bijlagen (doorgenummerde pagina’s 65-71).

Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:

Ik laat jou nu een flyer zien, is dit de flyer die jij toen geplakt hebt?

Ja

Heb je die ook gemaakt?

Ja

Op die flyer staat ook een adres [internetadres] , ken je dat adres?

Dat was wel van mij, maar dat gebruik ik niet meer.

We hebben hier een screenshot van de persoon die is te zien in dat filmpje, dat ben jij?

Ja

Hoe ga je dat doel bereiken?

Door vragen te stellen. Ik heb die documentaires gezien en die bewijzen gewoon dat er geen menselijke gaskamers zijn geweest.

Heb je die flyers nog ergens anders geplakt behalve bij Muiderpoort?

Ja, in Oost en op andere plekken. Ook waar er posters hingen over de musical van Anne Frank. Ik werd schijtziek van die propaganda, daarom ben ik het ook gaan doen.

En nu je hier zit en je weet dat het volgens de Nederlandse wet strafbaar is, wat ga je dan doen?

Ik wil gewoon gebruik maken van mijn vrijheid van meningsuiting, ik stel gewoon een vraag en beledig niemand. Ik ben ook van plan om er gewoon mee door te gaan.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de onder 4.4 vervatte bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

1.

op tijdstippen gelegen in de periode van 15 september 2015 tot en met 8 oktober 2015 te Amsterdam, zich in het openbaar bij geschrift opzettelijk beledigend heeft uitgelaten over een groep mensen, te weten Joden, wegens hun ras, door pamfletten op te hangen (in de 3e Oosterparkstraat en in de La Reijstraat en Oosterspoorplein ) waarin hij, verdachte, de Holocaust ontkent door o.a. de zin te schrijven: "De conclusie die ik heb kunnen trekken, en vele andere met mij, is dat de holocaust niks meer is dan een propaganda verhaal wat tot doel heeft om het ontstaans/bestaansrecht van de zionazi tereur staat Israel te legitimeren";

2.

op 26 oktober 2015 te Amsterdam, zich in het openbaar bij geschrift opzettelijk beledigend heeft uitgelaten over een groep mensen, te weten Joden, wegens hun ras, door in een weblog met het internetadres [internetadres] de Holocaust te ontkennen door o.a. de zin te schrijven: "De conclusie die ik heb kunnen trekken, en vele andere met mij, is dat de holocaust niks meer is dan een propaganda verhaal wat tot doel heeft om het ontstaans/bestaansrecht van de zionazi tereur staat Israel te legitimeren".

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van de feiten

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar. Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een taakstraf van 80 uren, waarvan 40 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

8.2.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich via verschillende media zeer kwetsend en beledigend uitgelaten over Joden. De gebezigde uitlatingen dienen geen enkel redelijk doel en zijn van een grof kwetsend en beledigend karakter. Dit geldt voor Joodse overlevenden van de vernietigingskampen en hun nabestaanden, voor andere mensen met een Joodse achtergrond en ook voor niet-Joden. Het is om die reden schokkend dat verwerpelijke antisemitische uitingen, zoals verdachte heeft geproduceerd, in Nederland en uitgerekend in Amsterdam, nog altijd worden gedaan. De bagatellisering en ontkenning van (delen van) de Holocaust kunnen persoonlijk leed teweegbrengen bij Joden en niet-Joden en kunnen bijdragen aan gevoelens van onrust in de maatschappij. Verdachte heeft zich strafbaar gemaakt aan ernstige en verwerpelijke feiten.

Gelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf passend is. Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat deze taakstraf geheel onvoorwaardelijk dient te worden opgelegd. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat verdachte heeft verklaard niet te zullen stoppen met hetgeen waarvoor hij vandaag wordt veroordeeld. Een voorwaardelijk strafdeel zal verdachte naar de inschatting van de rechtbank, gelet op die uitlating, dan ook niet weerhouden om opnieuw dergelijke feiten te plegen.

Alles afwegende acht de rechtbank oplegging van een taakstraf voor de duur van 50 uren passend en geboden.

9 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 22c, 22d, 57 en 137C van het Wetboek van Strafrecht.

10 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het onder 3 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

ten aanzien van feit 1 en feit 2

- het zich in het openbaar bij geschrift opzettelijk beledigend uitlaten over een groep mensen wegens hun ras of godsdienst, meermalen gepleegd

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid van 50 uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 25 dagen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. C. Klomp, voorzitter,

mrs. A.W.C.M. van Emmerik en M.T.C. de Vries, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. K.M.H. Stikkers, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 29 mei 2018.