Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:3852

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
01-06-2018
Datum publicatie
11-06-2018
Zaaknummer
13/997077-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Vrijspraak deelname aan criminele drugsorganisatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummer: 13/997077-16 (Promis)

Datum uitspraak: 1 juni 2018

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ) op [geboortedag] 1976,

ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres [adres] , [plaats] .

1 Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen op 9, 12, 13 en 17 april 2018. Op 18 mei 2018 is het onderzoek ter terechtzitting gesloten.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie, mrs. J.G. Louman en B.C. Niks (hierna steeds gezamenlijk aangeduid als: officier van justitie), en van wat verdachte en zijn raadsman, mr. P.J. Roelse, naar voren hebben gebracht.

2 Inleiding en tenlastelegging

In oktober 2015 wordt door de landelijke recherche het opsporingsonderzoek Riesling gestart. Er is een verdenking ontstaan dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , eigenaren van transportbedrijf [naam bedrijf B.V.] in Rotterdam, betrokken zijn bij cocaïnetransporten. De politie vermoedt dat in het pand van [naam bedrijf B.V.] ontmoetingen plaatsvinden, waarbij zaken omtrent cocaïnetransporten besproken worden. Op 28 januari 2016 geeft de rechter-commissaris toestemming om vertrouwelijke communicatie in de kantoorruimte van [naam bedrijf B.V.] op te nemen (OVC). Naast het afluisteren van gesprekken in het kantoor van [naam bedrijf B.V.] , doet de politie ook ander onderzoek. Het onderzoek leidt uiteindelijk tot de concrete verdenkingen van zes cocaïnetransporten vanuit Zuid-Amerika naar Nederland, het bestaan van een criminele organisatie en witwassen. Deze feiten zouden zijn gepleegd door meerdere verdachten, in wisselende samenstelling, waarvan er - tot nu toe - 17 worden vervolgd, te weten: [medeverdachte 1] , [verdachte] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 7] , [medeverdachte 8] , [medeverdachte 9] , [medeverdachte 10] , [medeverdachte 11] , [medeverdachte 12] , [medeverdachte 13] , [medeverdachte 14] , [medeverdachte 15] en [medeverdachte 16] . De zaken tegen [medeverdachte 3] en [medeverdachte 5] zijn in november 2017 behandeld. De andere 15 zaken, waaronder die tegen verdachte, zijn gelijktijdig behandeld in april 2018. De rechtbank doet op 1 juni 2018 in elk van deze 15 zaken afzonderlijk uitspraak.

Tenlastelegging

De verdenking tegen verdachte bestaat er kort gezegd uit dat hij heeft deelgenomen aan een criminele organisatie.

De volledige tekst van de tenlastelegging is opgenomen in een bijlage bij dit vonnis.

3 Waardering van het bewijs

3.1.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gelegde kan worden bewezen. De officier van justitie heeft hiertoe kort gezegd het volgende aangevoerd.

Verdachte werkte als controller bij [naam bedrijf 1] en had in deze functie toegang tot informatie over containers. Uit een OVC-gesprek van 3 april 2016 blijkt dat [medeverdachte 4] soms ‘gebruik maakt’ van [verdachte] . Verdachte weet dat het oogmerk van het crimineel samenwerkingsverband is gericht op het plegen van misdrijven en door zijn handelen levert hij een actieve bijdrage aan het mogelijk maken van de invoer van verdovende middelen.

3.2.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit en hij heeft hiertoe kort gezegd het volgende naar voren gebracht.

Er is onvoldoende bewijs voor de vereisten van deelname, wetenschap en opzet. Verdachte heeft verklaart dat hij [medeverdachte 7] al heel lang kent en dat deze bij [naam bedrijf B.V.] was. Verdachte kent [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] ook en ging naar [naam bedrijf B.V.] . Toen kwam [medeverdachte 4] erbij en hij nam het voortouw. Verdachte had in het kader van zijn functie geen toegang tot losbevestigingen of pincodes van containers. Het is verdachte kwalijk te nemen dat hij te goed van vertrouwen is geweest, maar daarmee kan niet worden bewezen dat hij heeft deelgenomen aan een criminele organisatie. Er kan niet worden bewezen dat verdachte daadwerkelijk informatie aan medeverdachten heeft verstrekt.

3.3.

Oordeel van de rechtbank

De in artikel 11b van de Opiumwet (Ow) bedoelde organisatie die – kortgezegd - tot oogmerk heeft het plegen van een of meer drugsdelicten, hangt nauw samen met de organisatie die als oogmerk heeft het plegen van misdrijven (in het algemeen) als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van strafrecht (Sr). Het verschil ligt met name in de strafbedreiging: maximaal 6 jaar voor artikel 140 Sr en maximaal 8 jaar voor artikel 11b Ow.

Onder “organisatie” wordt verstaan een samenwerkingsverband van tenminste twee personen met een zekere duurzaamheid en structuur.1 Voor deelneming aan een dergelijke organisatie is in het algemeen vereist dat de verdachte tot deze organisatie behoort en dat de verdachte een aandeel heeft in, dan wel gedragingen ondersteunt die strekken tot of rechtstreeks verband houden met, de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie.2 Niet is vereist dat komt vast te staan dat verdachte heeft samengewerkt, althans bekend is geweest met alle personen die deel uitmaken van de organisatie.3 Evenmin is vereist dat verdachte wetenschap heeft van een of meer concrete misdrijven.4 Wel is vereist dat de deelnemer in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven5, in het onderhavige geval dus van drugsmisdrijven.

Duurzaamheid en structuur

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting, alsmede op basis van de in verschillende zaaksdossiers gebezigde bewijsmiddelen komt in grote lijnen het volgende beeld naar voren:

  • -

    Transportbedrijf [naam bedrijf B.V.] ( [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 16] en in een losser verband [medeverdachte 7] ) doet regulier transportwerk, maar haalt ook containers met cocaïne op en brengt die naar afgesproken plekken (ZD 3: naar [naam bedrijf 2] , ZD 1 naar [naam bedrijf (Holding)] ) of laadt die uit in de loods aan de [straat] (ZD 2, ZD 5).

  • -

    Hierbij wordt af en toe de hulp ingeroepen van [medeverdachte 9] (ZD 5, ZD 1) die als lasser hand- en spandiensten verricht voor de organisatie.

  • -

    De hulp van [naam bedrijf B.V.] wordt ingeroepen door personen die betrokken zijn bij drugstransporten in containers naar de Rotterdamse en/of Antwerpse haven te weten gedurende dit onderzoek: [medeverdachte 4] (ZD’s 2, 3, 4, 5 en 7); [medeverdachte 6] (betrokken bij ZD3); [medeverdachte 12] (ZD1). Op het moment dat zij een opdracht plaatsen bij/samenwerken met [naam bedrijf B.V.] nemen zij deel aan de organisatie.

  • -

    Zowel de opdrachtgevers ( [medeverdachte 4] / [medeverdachte 6] / [medeverdachte 12] ) als [naam bedrijf B.V.] zelf maken gebruik van de diensten van derden om informatie over containers te krijgen, deze vrij te laten geven of heimelijk in te leveren. Zo wordt bijvoorbeeld gesproken over “ [naam] ”, waarmee volgens de officier van justitie een corrupte douanebeambte wordt bedoeld. Verder worden bijvoorbeeld [verdachte] en [medeverdachte 11] benaderd om aan informatie te komen of om een container heimelijk te kunnen terugplaatsen.

  • -

    Tijdens het onderzoek Riesling zijn gedurende meer dan twee maanden gesprekken afgeluisterd in het kantoor van [naam bedrijf B.V.] . Deze gesprekken, waaraan diverse personen deelnemen, gaan vaak over containers waarin verdovende middelen zijn verstopt en de wijze waarop deze kunnen worden uitgeladen. In deze periode zijn zes (vermoedelijke) drugstransporten beschreven.

Er was dan ook sprake van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband.

Oogmerk

Dat de organisatie het oogmerk had op – in dit geval – invoer, vervoer en bezit van (grote hoeveelheden) cocaïne blijkt uit de onderschepte ladingen in ZD 1 en 2 en uit de gesprekken die in het kantoor van [naam bedrijf B.V.] werden gevoerd. Er werd daarbij gesproken over stukjes, kilo’s en de buitengewoon hoge vergoedingen die [naam bedrijf B.V.] kreeg of zou krijgen voor het werk dat werd verricht (bedragen van 50.000 euro tot 100.000 euro per transport). Uit de omstandigheid dat in de OVC-gesprekken nooit expliciet over cocaïne of verdovende middelen wordt gesproken, maar alleen over getallen, stukjes en kilo’s, blijkt dat dit voor de gespreksdeelnemers zo evident was dat het onbenoemd kon blijven. Daarnaast werd versleuteld gecommuniceerd via zogenoemde PGP-telefoons. Verdachten hebben voor deze dure en ingewikkelde manier van communiceren, die niet past bij de normale bedrijfsvoering van een transportbedrijf, geen bevredigende verklaring gegeven.

De volgende vraag is of verdachte heeft deelgenomen aan de organisatie en of hij wist dat het om drugsmisdrijven ging.

Uit verschillende OVC-gesprekken blijkt dat verdachte een aantal keer bij [naam bedrijf B.V.] aanwezig is en daar ook deelneemt aan gesprekken, onder meer met [medeverdachte 4] . De rol die verdachte in het dossier lijkt te spelen is verdacht te noemen. Verdachte vraagt op een gegeven moment ‘wat willen jullie?’ Vervolgens lijkt het gesprek te gaan over het vinden van een manier om een container ongemerkt uit het reguliere circuit te halen. Dat verdachte, die als controller werkzaam is bij rederij [naam bedrijf 1] , aan een dergelijk gesprek deelneemt is dubieus. [medeverdachte 4] beschikt later ook daadwerkelijk over een pincode om een container van het bedrijfsterrein van [naam bedrijf 1] af te kunnen halen. Daar komt bij dat er verder wordt gesproken over het afleveren van een PGP bij [verdachte] , het niet achterlaten van sporen in de computer van [verdachte] en geen argwaan kweken.

Zoals gezegd is het voorgaande uiterst dubieus te noemen, maar voor een bewezenverklaring is in dit geval vereist dat verdachte wist, in de zin van onvoorwaardelijk opzet, dat het crimineel samenwerkingsverband zich bezig hield met drugsmisdrijven. De rechtbank is van oordeel dat dat op grond van het dossier niet valt vast te stellen. Weliswaar blijkt dat verdachte had moeten weten dat het een en ander niet in de haak was, dit is onvoldoende om wetenschap in de zin van onvoorwaardelijk opzet op het plegen van drugsmisdrijven aan te nemen. Er zijn ook geen bewijsmiddelen of omstandigheden waaruit indirect kan worden afgeleid dat het niet anders kan dan dat verdachte had moeten weten dat het om verdovende middelen ging. Zo is er in zijn aanwezigheid niet over drugs gesproken en is verdachte zelf niet fysiek bij de verdachte containers aanwezig geweest.

De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat het ten laste gelegde niet kan worden bewezen zodat verdachte moet worden vrijgesproken.

4 Beslissing

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

Verklaart het ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Dit vonnis is gewezen door

mr. P.B. Martens, voorzitter,

mrs. T.T. Hylkema en O.P.M. Fruytier, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. D.C. Wagter, griffier

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 1 juni 2018.

[...]

1 HR NJ 2008, 72

2 Bv. HR NJ 1998, 225

3 HR NJ 2008, 72

4 Bv NJ 2007, 336

5 HR NJ 1998, 225