Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:3721

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
31-05-2018
Datum publicatie
31-05-2018
Zaaknummer
13/665279-16 (onderzoeken: 13 Moer / 13 Mathaak)
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHAMS:2020:3215, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 39-jarige man is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 20 jaar voor het doden en beroven van een fietsenmaker in Amsterdam-West. Ook is hij onder meer schuldig aan een poging tot doodslag door een kennis meerdere malen met een hamer op zijn hoofd te slaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2018-0479
JERF Actueel 2018/208
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

VONNIS

Parketnummers:
13/665279-16 (onderzoeken: 13 Moer / 13 Mathaak)
en 13/701263-16
(promis)

Datum uitspraak: 31 mei 2018

Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige strafkamer, in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,
ingeschreven in de Basisregistratie personen op het adres
[adres] , [woonplaats] ,
gedetineerd in de penitentiaire inrichting ‘ [PI] ’ te [plaats] .

1 Procesgang en het onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 6 en 7 december 2017, 14 februari 2018 en van 16, 17, 18 april 2018 en 22 mei 2018, waarbij de samenstelling van de rechtbank steeds ongewijzigd is gebleven.

In de zaak met parketnummer 13/665279-16 (onderzoeken: 13 Moer / 13 Mathaak) gingen hieraan vooraf de pro forma zittingen van 11 augustus 2016, 27 oktober 2016, 18 januari 2017, 30 maart 2017, 21 juni 2017, 30 augustus 2017 en 2 november 2017.

In de zaak met parketnummer 13/701263-16, door de rechtbank ook wel aangeduid als ‘de Brandkranenzaak’ vond een zitting plaats op 18 mei 2016, waarna het onderzoek voor onbepaalde tijd is geschorst.

Bij beslissing van de rechtbank van 21 juni 2017 zijn de zaken met de parketnummers 13/665279-16 en 13/701263-16 gevoegd. Van alle voorafgaande zittingen is proces-verbaal opgemaakt. Deze processen-verbaal bevinden zich in het dossier.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het standpunt en de vordering van de officieren van justitie mr. M. Diependaal en mr. B. Wind en de rechtbank heeft geluisterd naar het standpunt van verdachte en zijn raadsman mr. Y. Moszkowicz en – voor zover het in de zaken 13Moer/13 Mathaak de vorderingen van de benadeelde partijen betreft – tevens naar het standpunt van mr. M.J. Hoogendoorn, beiden advocaat in Utrecht.

In de zaak 13Moer heeft de rechtbank voorts kennisgenomen van de standpunten van de advocaten van de benadeelde partijen mr. M.M.P.M. Lousberg en mr. M.S. Kat, beiden advocaat te Amsterdam, en zij heeft geluisterd naar de slachtofferverklaringen voorgedragen door of namens [naam weduwe] , [naam dochter 1] , [naam dochter 2] en [naam zoon] .

In de zaak 13Mathaak heeft de rechtbank kennis genomen van het standpunt van de gemachtigde van de benadeelde partij, de heer [naam benaadeelde partij] en zij heeft geluisterd naar
[naam 1] , die gebruik heeft gemaakt van zijn spreekrecht.

De rechtbank heeft al hetgeen op de zitting is besproken en naar voren gebracht meegewogen in haar beoordeling.

2 De door de officier van justitie aan verdachte gemaakte verwijten

13/665279-16 (onderzoeken: 13 Moer / 13 Mathaak)
Verdachte wordt, kort samengevat, ervan beschuldigd samen met een of meer anderen betrokken te zijn geweest bij de gewelddadige dood op 15 maart 2016 van [slachtoffer] .
Dit is tenlastegelegd als primair (medeplegen van) moord, subsidiair (medeplegen van) gekwalificeerde doodslag en meer subsidiair als (medeplegen van) diefstal met zodanig geweld, dat het slachtoffer is overleden.
Hierop heeft het onderzoek 13Moer betrekking.

Op 19 januari 2016 zou verdachte [naam 1] met een hamer op het hoofd hebben geslagen, hetgeen een poging tot doodslag kan opleveren, het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel of een poging daartoe.
Ook zou hij [naam 1] met een hamer op armen en rug hebben geslagen. Dit is tenlastegelegd als een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel en, als dat niet kan worden bewezen, als de mishandeling van [naam 1] met een hamer.
Op deze feiten heeft het onderzoek 13Mathaak betrekking.

13/701263-16
Het onderzoek onder parketnummer 13/701263-16, aangeduid als ‘het brandkranenonderzoek’, heeft betrekking op de verdenking dat verdachte, samen met een of meer anderen, in de periode 8 oktober 2015 tot en met 9 februari 2016 vanaf verschillende appartementencomplexen grote aantallen brandkranen, koperen regenpijpen, een bliksemafleider en sanitair heeft gestolen. In één geval zou hij daarbij iemand met een schroevendraaier hebben bedreigd.

Alle feiten vonden plaats in Amsterdam.

De volledige tekst van de tenlastelegging is te vinden in bijlage 1 bij dit vonnis.

3 De formele vragen

Artikel 348 Wetboek van Strafvordering vereist dat de rechtbank allereerst op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting de geldigheid van de dagvaarding onderzoekt. De rechtbank moet nagaan of zij bevoegd is tot kennisneming van de tenlastegelegde feiten en beoordelen of de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging van verdachte. Bovendien moet de rechtbank beoordelen of er redenen zijn deze vervolging te schorsen.

De rechtbank heeft over deze punten beraadslaagd en overweegt als volgt.

Het feit waarop het onderzoek 13Moer betrekking heeft is tenlastegelegd in drie varianten, respectievelijk primair (medeplegen van moord), subsidiair (medeplegen van gekwalificeerde diefstal) en meer subsidiair (medeplegen van diefstal met geweld, de dood ten gevolge hebbende).
Na de omschrijving van het primair tenlastegelegde feit (medeplegen van moord) volgen de woorden ‘subsidiair, ingeval het primair tenlastegelegde feit, te weten ‘moord’, niet tot een bewezenverklaring of strafoplegging leidt’ (…), waarna het subsidiair tenlastegelegde feit (gekwalificeerde diefstal) wordt omschreven.

De rechtbank is van oordeel dat de dagvaarding partieel nietig moet worden verklaard, namelijk waar het de woorden ‘of strafoplegging' betreft. Immers uit het systeem van de wet kan niet volgen dat, indien een primair tenlastegelegd feit bewezen wordt verklaard maar naar het oordeel van de rechtbank voor dat feit geen straf kan of moet worden opgelegd, de rechtbank om die reden het subsidiaire feit in haar beoordeling zal betrekken.

De rechtbank is tot de conclusie gekomen dat de dagvaarding voor het overige geldig is, dat deze rechtbank bevoegd is om over de feiten te oordelen en dat de officier van justitie ontvankelijk is. Aanleiding om de vervolging te schorsen is er niet.

4 Waardering van het bewijs

Inleiding

13Moer
Op 15 maart 2016 rond 12:30 uur wordt [slachtoffer] door een klant liggend op de grond aangetroffen in zijn fietsenzaak aan de Karel Klinkenbergstraat te Amsterdam. Zij rent geschrokken weg en als zij even later weer terugkomt is de zoon van [slachtoffer] , [naam zoon] , samen met een andere man in de winkel bezig zijn vader te reanimeren. De zoon heeft even tevoren 112 gebeld. Als de hulpdiensten komen, wordt de reanimatie overgenomen, maar dit mag niet meer baten. [slachtoffer] overlijdt op de vloer van zijn fietsenwinkel ten gevolge van steekwonden.

Aan en rond het slachtoffer is forensisch onderzoek gedaan. Er zijn sporen veiliggesteld en er is DNA-onderzoek gedaan.

De politie spreekt met getuigen en doet onderzoek.
In de pers en in het programma “Opsporing verzocht” wordt aandacht aan de zaak besteed, maar er komt geen duidelijke aanwijzing wie verantwoordelijk is voor de dood van [slachtoffer] .

Begin mei 2016 komt de politie in contact met [naam 2] (hierna: [naam 2] ), de buurman van verdachte. [naam 2] is aangehouden op verdenking van het opzetten van een hennepkwekerij.

Op 10 mei 2016 vertelt [naam 2] aan de politie dat zijn buurman [verdachte] hem op 15 maart 2016 ’s middags heeft verteld dat hij iemand had neergestoken. [verdachte] zat onder het bloed toen hij bij [naam 2] aankwam. [verdachte] heeft aan [naam 2] verteld dat hij nog € 50,- van een fietsenmaker kreeg en dat die fietsenmaker een fiets niet wilde aannemen omdat die gestolen was. Vervolgens heeft [verdachte] hem meerdere keren gestoken. [verdachte] heeft aan [naam 2] verteld dat hij de portemonnee van de fietsenmaker heeft gepakt en de winkel is uitgelopen. In de portemonnee zat € 1.250,- , waaronder in ieder geval een briefje van € 500,-. [verdachte] zou het geld aan zijn broer, [naam broer] , hebben gegeven, die er dealers mee zou hebben betaald.

[naam 2] heeft op de televisie gezien dat de fietsenmaker is overleden. Hij zag toen een compositietekening van iemand in een oranje jas en dacht dat de politie op het verkeerde spoor zat, aldus de verklaring van [naam 2] .

In augustus 2016 komt het Openbaar Ministerie in contact met [naam 3] (hierna: [naam 3] ), die in 2016 een tijd een cel heeft gedeeld met verdachte. [naam 3] heeft een handgeschreven verklaring overgelegd. [naam 3] vertelt, kort samengevat, dat verdachte aan hem heeft bekend dat hij de fietsenmaker [slachtoffer] heeft gedood en dat hij dit samen met [naam 2] heeft gedaan. Verdachte zou samen met [naam 2] naar de winkel zijn gegaan omdat verdachte geld nodig had. [naam 2] en verdachte zouden om beurten [slachtoffer] hebben vastgehouden en hem hebben gestoken. Zij hebben zijn portemonnee gepakt. Daarna zijn zij naar het huis van [naam 2] gegaan. In de portemonnee van [slachtoffer] zou € 750,- en € 500,- hebben gezeten, € 1.250,- totaal, aldus de verklaring van [naam 3] .

Verdachte ontkent betrokkenheid bij dit feit.

13 Mathaak
[naam 2] spreekt ook over een ander feit waar [verdachte] bij betrokken zou zijn, hij vertelt over “die man met die hamer”. Die man kent [naam 2] als [naam 1] , waar [verdachte] en zijn broer voor hebben gewerkt, een man voor wie ze klusjes deden. [naam 2] vertelt dat [verdachte] een keer ’s avonds naar [naam 1] was toegegaan en toen hij terugkwam zei hij dat hij hem ( [naam 1] ) beroofd had. Hij vertelde dat hij [naam 1] met een hamer op zijn hoofd en in zijn gezicht had geslagen. Hij had hem beroofd van € 400,-.

Door de verklaring van [naam 2] gaat de politie in de systemen kijken of er een dergelijke zaak bekend is. De politie vindt een mutatie met betrekking tot [naam 1] betreffende een poging tot doodslag op 19 januari 2016. [naam 1] (hierna: [naam 1] ) doet op 19 mei 2016 aangifte en verklaart, dat hij op 19 januari 2016 door [verdachte] , die hij aanduidt met zijn voornaam [verdachte] , op zijn hoofd is geslagen. Hij kreeg meerdere klappen en viel op de grond. Toen zag hij een hamer bij [verdachte] .

[naam 1] belt op de avond van de mishandeling zijn vriend [naam vriend] om hem naar het ziekenhuis te brengen. [naam vriend] belt de politie, die hen op weg naar het ziekenhuis nog vlakbij het huis van [naam 1] treft. In het ziekenhuis wordt bij [naam 1] het volgende letsel geconstateerd: een bloeding rond de hersenen, een hersenschudding met een schedelfractuur, meerdere open wonden op zijn gezicht, een breuk van het wandbeen links en een pneumencephalie.

Verdachte ontkent betrokkenheid bij dit feit.

13/701263-16, “brandkranenonderzoek”
Op 9 februari 2016 worden verdachte en zijn broer [naam broer] , na een observatie door de politie, aangehouden op verdenking van de diefstal van brandkranen alsmede van een bliksemafleider van appartementencomplexen in Amsterdam West. Bij verdachte wordt een groot aantal brandkranen aangetroffen. Verdachte geeft zijn betrokkenheid bij dit feit toe. Zijn broer is hier inmiddels voor veroordeeld.
Uit onderzoek naar aanleiding van aangiftes van soortgelijke diefstallen komen aanwijzingen dat verdachte zich in de periode 8 oktober 2015 tot en met 9 februari 2016 vaker heeft schuldig gemaakt aan de diefstallen van brandkranen, sanitair of koperen regenpijpen. Deze feiten ontkent verdachte.

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

13Moer
De officier van justitie is tot de conclusie gekomen dat het onder 1 subsidiair tenlastegelegde feit bewezen kan worden verklaard. Zij acht bewezen dat verdachte [verdachte] degene is geweest die op 15 maart 2016 [slachtoffer] van het leven heeft beroofd. Hij heeft [slachtoffer] beroofd en doodgestoken om het geld te verkrijgen en straffeloosheid te verzekeren.
Zij gaat daarbij uit van de volgende verklaringen en bevindingen.
De verklaring van de weduwe, mevrouw [naam weduwe] , die op 8 april 2016 heeft verteld dat haar man in elk geval een biljet van € 500,- in een apart vakje in zijn portemonnee bewaarde. De portemonnee is niet teruggevonden.
De verklaring van [naam getuige 1] die aan de politie heeft verteld dat [naam 2] , een vriend van haar, haar in vertrouwen heeft genomen en haar heeft verteld dat zijn buurjongen op 15 maart 2016 een fietsenmaker had neergestoken. Via AT5 was [naam 2] er achter gekomen dat deze fietsenmaker was overleden en [naam 2] wist niet wat hij met de informatie aan moest.

De verklaringen van [naam 2] , die zowel door de politie als door de rechter-commissaris meermalen is gehoord en in die verhoren heeft verteld hoe hij [verdachte] kent, wat hij van hem weet en wat [verdachte] hem heeft verteld. De twee broers die naast hem wonen heten [verdachte] en komen dagelijks bij hem over de vloer.
Op 15 maart 2016, in de middag, belde de jongste broer, [verdachte] , bij [naam 2] aan. Hij was over zijn toeren. Hij zag bloed op de rechterhand van [verdachte] en op de voorkant van zijn jas. [verdachte] vertelde [naam 2] dat hij een overval had gepleegd en dat hij iemand had neergestoken. Hij vertelde [naam 2] dat hij de fietsenmaker meerdere keren had gestoken, waaronder één keer heel diep. Hij zou de weggenomen portemonnee en het mes hebben weggegooid in een put onderweg naar huis. Hij zou € 1.250,- hebben weggenomen. [naam 2] heeft verklaard dat hij een keer met [verdachte] mee was geweest naar de bewuste fietsenmaker.
[naam 2] heeft vervolgens op 1 mei 2016 [naam getuige 1] in vertrouwen genomen.
Naar aanleiding van de verklaringen van [naam 2] en van [naam getuige 1] is [verdachte] als verdachte aangemerkt.
[naam 2] is bang voor verdachte. Zij kennen elkaar. Zij zijn buren. Er is een dreigingsanalyse opgesteld en daaruit volgde dat een verhuizing van [naam 2] aangewezen was.
Uit afgeluisterde telefoongesprekken kan worden opgemaakt dat verdachte zijn broer aanstuurt om [naam 2] op te sporen. De officier van justitie verwijst in het bijzonder naar de telefoongesprekken van 18 mei 2016 en 1 juni 2016.
heeft verteld dat [verdachte] het weggenomen geld aan zijn broer [naam broer] heeft gegeven. Uit de opgevraagde informatie over de bankrekening van [naam broer] blijkt dat op 15 maart 2016 om 16:50 uur één biljet van € 500,- is gestort op de bankrekening van [naam broer] .

13Mathaak
[naam 2] weet dat [verdachte] eerder in 2016 iemand al zwaar heeft mishandeld met een hamer. [naam 2] deelt deze informatie uit eigen beweging met de politie. Deze zaak en de link met [verdachte] is tot dan nog niet bekend bij de politie. Na een zoekslag wordt de mishandeling van [naam 1] in de systemen aangetroffen. [naam 1] verklaart dat [verdachte] hem inderdaad heeft mishandeld.

13Moer, 13Mathaak
De officier van justitie heeft voorts gewezen op een gesprek dat verdachte met zijn broer voert vanuit de penitentiaire inrichting. In dat gesprek meldt verdachte dat hij de verklaring van [naam 2] daar (in de P.I.) heeft. Hij vertelt zijn broer over de weggenomen trilplaat die was opgehaald en dan zegt verdachte: ‘zelfs die heeft hij verklapt, zelfs dat’.

13Moer
De officier van justitie baseert haar conclusies voorts op de resultaten van het onderzoek dat is verricht met betrekking tot de biologische sporen. In deze sporen zijn DNA mengprofielen aangetroffen met onder meer DNA-kenmerken van [verdachte] . Het betreft de mengprofielen aangetroffen op de zijkant van de pet van het slachtoffer, de nagelriem van het slachtoffer, de broek van het slachtoffer, en op twee plaatsen op de jas van het slachtoffer. De door de deskundige dr. A.G.M. van Gorp in haar rapport van 25 augustus 2017 benoemde aanvullende berekeningen van de bewijskracht van de resultaten van het vergelijkend DNA onderzoek kunnen worden gehanteerd voor het bewijs.
Ook het onderzoek op activiteitenniveau wijst in de richting van verdachte. De bevindingen zijn veel waarschijnlijker onder hypothese 1 (dat verdachte het slachtoffer heeft neergestoken) dan onder hypothese 2 (dat dit een onbekende persoon is geweest).

Tenslotte is daar de verklaring van [naam 3] . De officier van justitie gaat er van uit dat wat [naam 3] heeft verklaard informatie is die hem door verdachte is verteld, namelijk dat [verdachte] geld van [slachtoffer] wilde stelen en dat hij [slachtoffer] met messteken om het leven heeft gebracht om herkenning te voorkomen. [verdachte] zou aan [naam 3] hebben verteld dat hij dit feit samen met [naam 2] heeft gepleegd (13Moer)
Verder heeft [naam 3] opgeschreven wat [verdachte] hem over een andere zaak heeft verteld, namelijk dat hij een andere man, [naam 1] genaamd, heeft geslagen en mishandeld met een hamer of stok op het hoofd (13Mathaak).

In het onderzoek 13Mathaak liggen er de melding van [naam 2] , de mutatie van 20 januari 2016 en de aangifte van 19 mei 2016 van [naam 1] die verklaart door [verdachte] met een hamer op zijn hoofd te zijn geslagen. Er zijn foto’s van het letsel en er zijn letselverklaringen. De getuige [naam vriend] heeft verklaard dat [naam 1] die avond onder het bloed zat en opengeslagen wonden op zijn hoofd had.

Het brandkranenonderzoek
De officier van justitie acht een aantal van deze feiten bewezen: feit 1, a, b, en c, feit 2, feit 3 a, feit 4 a, e, f, g en h. Er liggen aangiftes met betrekking tot alle feiten, voor feit 1 is er de uitgebreide observatie van de politie en de bekentenis van mededader [naam broer] , in een aantal gevallen is verdachte herkend op camerabeelden. De feiten 1 a, b en c heeft verdachte, nadat hij op heterdaad was aangehouden, bekend.

4.2

Het standpunt van de raadsman

De raadsman heeft in de zaak 13Moer en 13Mathaak vrijspraak bepleit. Hij heeft daartoe onder meer het volgende aangevoerd.
13Moer
De camerabeelden
Op de camerabeelden in de directe omgeving van de plaats delict is verdachte niet te zien, andere betrokkenen (getuigen) staan daar wel op. Het signalement dat getuige [naam getuige 2] geeft past niet bij verdachte, de haardracht en de kleding kloppen niet; haar verklaring is een aanwijzing voor de onschuld van verdachte.

De getuige [naam 2]
De getuige [naam 2] is onbetrouwbaar en ongeloofwaardig. Zijn verklaringen zijn wisselend en niet consistent. Daardoor komt de validiteit van zijn verklaringen in het geding. [naam 2] heeft uit eigen belang zijn verklaring afgelegd. Hij had financiële problemen, zat in de schuldsanering en de huur was hem opgezegd. Het Openbaar Ministerie heeft hem geld verstrekt voor kosten van levensonderhoud en beltegoed. Het was [naam 2] met zijn verklaring te doen om de beloning van € 10.000,- die was uitgeloofd als de zaak kon worden opgelost. Het programma Opsporing Verzocht heeft in zijn uitzending van 26 april 2016 melding gemaakt van deze beloning. Het is ongeloofwaardig dat [naam 2] hiervan niet op de hoogte is geweest, zoals hij zelf beweert. Kort na die uitzending heeft [naam 2] de getuige [naam getuige 1] in vertrouwen genomen. [naam getuige 1] twijfelde aan zijn verhaal. [naam 2] is een drugsgebruiker en [naam getuige 1] vertelt dat al zijn geld op ging aan drugs. [naam 2] spreekt dit tegen.
Het argument van de officier van justitie, dat [naam 2] geen aanspraak heeft gemaakt op deze beloning, is niet overtuigend. De problemen van [naam 2] (financieel en woonruimte) waren immers grotendeels opgelost. Het enige wat hij daarvoor moest doen was verdachte belasten.
verklaart inconsistent over het tijdstip waarop verdachte bij hem aan de deur zou zijn gekomen op 15 maart 2016. Een getuige, [naam getuige 3] van Bouwbedrijf [naam bouwbedrijf] , zou kunnen bevestigen dat [naam 2] die dag voor hem heeft gewerkt en indien hij dat niet meer weet dan zou deze getuige de opdrachtgevers van de klus waaraan [naam 2] heeft gewerkt (het verbouwen van een badkamer) kunnen aanwijzen. Deze opdrachtgevers zouden, eventueel door het tonen van een foto van [naam 2] , kunnen bevestigen dat hij op 15 maart 2016 voor hen heeft gewerkt. Dit zou het leugenachtige van [naam 2] bewijzen.

De raadsman heeft een voorwaardelijk verzoek gedaan: indien de rechtbank overweegt uitlatingen van [naam 2] voor het bewijs te gebruiken, dan verzoekt hij de getuige [naam getuige 3] alsnog op te roepen.

[naam 2] verklaart wisselend over de kleding die verdachte zou hebben gedragen toen hij bij hem kwam en over de hoeveelheid bloed die hij bij verdachte op zijn kleding zou hebben gezien.
Ook over eerdere contacten met de fietsenmaker zijn de verklaringen van [naam 2] niet consistent.
noemt een verkeerde kleur van het bankbiljet van € 500,-.

Resumerend: opvallend is dat [naam 2] weinig details kan vertellen. De details die hij wel noemt blijken niet te kloppen. Op alle relevante onderdelen van zijn verklaringen is [naam 2] niet consistent. Bovendien worden zijn verklaringen tegengesproken door tal van onderzoeksresultaten.
Tenslotte blijkt uit historisch onderzoek aan zijn telefoon dat [naam 2] op 15 maart 2016 op twee momenten van zijn telefoon gebruik maakte (om 17:00 uur en 20:06 uur) en op die momenten kilometers van zijn huis verwijderd was, terwijl hij zegt dat hij thuis was. Om 17:00 uur was er telefonisch contact tussen [naam 2] en [naam getuige 1] .
Kortom: de verklaringen van [naam 2] kunnen niet voor het bewijs worden gebruikt.

De getuige [naam 3]
Voor de verklaringen van [naam 3] geldt hetzelfde. De raadsman heeft bestreden dat [naam 3] ‘doodsbang’ was voor verdachte. [naam 3] leest en schrijft wel degelijk prima Nederlands. Hij heeft het dossier van de strafzaak kunnen lezen en heeft daar de informatie uit gehaald waarna hij het deed voorkomen dat hij de informatie van verdachte heeft gehoord. Hij heeft aan verdachte gerichte brieven gelezen en kennisgenomen van mediaberichten over deze zaak. Dit alles doet afbreuk aan zijn geloofwaardigheid. Zijn verklaringen zijn in een aantal opzichten aantoonbaar onjuist. De resultaten van het forensisch-technisch onderzoek zijn een weerlegging van de door [naam 3] gesuggereerde betrokkenheid van [naam 2] bij de overval en de gewelddadige dood van [slachtoffer] .

DNA
Het verweer komt er kort gezegd op neer dat de raadsman van mening is dat het DNA-profiel van verdachte niet matcht met de aangetroffen DNA-mengprofielen. De raadsman plaatst vraagtekens bij de aanname dat de bemonstering celmateriaal bevat van vier personen die onderling niet verwant zouden zijn. Van het complexe DNA profiel dat is aangetroffen is te weinig bekend: wie zijn de donoren en hoeveel donoren zijn er? Onduidelijk blijft wat de ‘complicerende neveneffecten’ zijn waarover het rapport van 25 mei 2016 spreekt. De interpretatie van de onderzoeksresultaten is subjectief. Uit de rapporten kan de conclusie niet worden getrokken dat DNA van verdachte op lichaam en kleding van het slachtoffer is aangetroffen. Hetzelfde geldt voor het rapport van 6 juli 2016.
Uit het rapport van 13 juli 2016 over de jas blijkt dat bij geen van de steekbeschadigingen een vermeende DNA-match met verdachte is aangetroffen.
Uit het rapport van 9 december 2016 blijkt dat een mengprofiel is aangetroffen op de voorzijde van de broek en niet op de plaats waar [slachtoffer] zijn portemonnee zou hebben bewaard. Aan dit rapport kan evenmin bewijswaarde worden toegekend.
Onduidelijk is wat er ten grondslag ligt aan de verandering die in het rapport van 25 augustus 2017 wordt beschreven; de bewijskracht is verhoogd, na berekening met specialistische software en de bewijskracht is verhoogd van een miljoen naar een miljard. Nog steeds blijft de aanname een subjectieve keuze en dat maakt de berekening en dus de waarde van de berekening willekeurig. De berekeningen kunnen niet worden gebuikt voor het bewijs. Het programma Mixcal laat relevante informatie buiten beschouwing. Daarvoor in de plaats worden weer aannames en interpretaties gehanteerd. Een dergelijke benadering kan geen betekenis hebben voor het antwoord op de bewijsvraag.
Uit het rapport van TMFI van 29 november 2017 blijkt dat aan de berekeningen geen bewijswaarde kan toekomen.

Subsidiair heeft de raadsman bepleit dat het DNA-profiel door contaminatie (de rechtbank begrijpt dat bedoeld wordt ‘secundaire overdracht’) op de plaats delict kan zijn gekomen. Verdachte is eerder – eind februari/begin maart – in de fietsenwinkel geweest. Bij die gelegenheid heeft hij [slachtoffer] de hand geschud.
Er zijn nog andere scenario’s denkbaar waarbij verdachte DNA heeft achtergelaten in de zaak: speeksel, huidschilfers, zweetdruppels die op de vloer kunnen zijn achtergebleven. Nu het slachtoffer op de vloer is aangetroffen kan DNA van verdachte op de vloer zich aan de kleding of het lichaam van het slachtoffer hebben gehecht. Bovendien is het slachtoffer op de vloer van de winkel verplaatst en is er een poging gedaan tot reanimatie. Daarbij kan DNA van verdachte op de kleding van het slachtoffer terecht zijn gekomen.
Ook is mogelijk dat het slachtoffer op enig moment met één knie op de grond heeft gesteund en dat op die manier DNA van verdachte op zijn broek terecht is gekomen.
De raadsman heeft opgemerkt dat bij het NFI in de loop van de jaren nogal wat fout is gegaan.

Er zijn aanwijzingen dat de dader een bekende van het slachtoffer moet zijn geweest, maar dit alternatief scenario is nooit onderzocht, aldus de raadsman.

13Mathaak
Ook van dit feit moet verdachte worden vrijgesproken.
Opnieuw gaat het om een verklaring van getuige [naam 2] . Men heeft op basis van die verklaring een strafbaar feit gezocht bij een verdachte in plaats van andersom.
Ene ‘ [naam 4] ’ of ‘ [bijnaam] ’ is direct na het feit door het slachtoffer [naam 1] als dader genoemd. Vervolgens wacht [naam 1] vier maanden met het doen van aangifte en ineens wijst [naam 1] verdachte aan: een verbazingwekkende ommezwaai, die verklaard kan worden door de rol van [naam 2] . [naam 2] benoemt verdachte als dader. Zoals gezegd: de verklaringen van [naam 2] zijn onbetrouwbaar, maar ook [naam 1] verklaart niet naar waarheid. Dit laatste blijkt uit het telefoonverkeer. De vraag rijst of [naam 2] [naam 1] heeft ingefluisterd dat hij verdachte moest belasten en of [naam 2] [naam 1] heeft ingefluisterd dat er een financieel belang tegenover staat of kan staan? [naam 1] verklaart in zijn aangifte wisselend over het signalement en er zijn meer discrepanties. [naam 1] wil niet vertellen wat de aanleiding was voor de vermeende vechtpartij. Het staat niet vast dat de eerste klap met een hamer is gegeven. Tijdens het gevecht heeft [naam 1] geen hamer gezien. Verbazingwekkend is dat hij als timmerman niet weet welke type hamer zou zijn gebruikt. [naam 1] heeft tegenstrijdig verklaard. Mogelijk herinnert hij zich de gebeurtenissen anders. De getuigen [naam 2] en [naam 3] claimen beiden informatie uit de eerste hand – van verdachte – te hebben gehoord maar beide getuigen komen met een ander verhaal. Kortom: het kan niet worden bewezen dat verdachte degene is geweest die [naam 1] met een hamer heeft geslagen. Vrijspraak moet volgen.
Mocht het feit bewezen verklaard worden dan is het niet te kwalificeren als een poging tot doodslag. Daarvoor zijn onvoldoende aanwijzingen. Er is teveel onbekend, onder andere ten aanzien van de hamer waarmee zou zijn geslagen en de kracht waarmee dat zou zijn gebeurd.

Brandkranen
De raadsman heeft zich ten aanzien van feit 1 a, b en c gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank nu verdachte deze diefstalen heeft bekend. Verdachte moet worden vrijgesproken van feit 1 d.
Feit 2: hiervan moet verdachte worden vrijgesproken op basis van het unus testis nullus testis beginsel. Er wordt niet voldaan aan het wettelijk gestelde bewijsminimum.
Feit 3: uit de summiere beschrijving die aangever geeft kan niet volgen dat verdachte de dader zou zijn geweest. Vrijspraak moet volgen.
Voor de diefstal op 8 februari 2016 is geen bewijs.
Feit 4 a: er is niet voldaan aan het wettelijk gestelde bewijsminimum en vrijspraak moet volgen. Ditzelfde geldt voor feit 4 c en 4 d.
Ook van feit 4 b moet verdachte worden vrijgesproken. De camerabeelden zijn te onduidelijk om hem van te herkennen. Dit geldt ook voor feit 4 e, 4 g en 4 h.
Feit 4 f primair kan niet worden bewezen. Niet is te achterhalen waar de bij verdachte thuis aangetroffen onderdelen vandaan kwamen. Wat betreft de subsidiair ten laste gelegde heling heeft de raadsman zich aan het oordeel van de rechtbank gerefereerd.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

13Moer
De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde feit, de gekwalificeerde doodslag, en zal uitleggen waarom.

DNA
Er is vergelijkend DNA-onderzoek gedaan naar sporen die zijn afgenomen van het lichaam en de kleding van het slachtoffer (bemonsteringen). Dit betreft een onderzoek op bronniveau, waarbij het DNA aangetroffen in de bemonsteringen is vergeleken met DNA-profielen van het slachtoffer, van familieleden van hem, van enkele getuigen waaronder de getuige [naam 2] en van verdachte en zijn broer. Hierover is onder meer gerapporteerd in het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) van 9 december 2016, opgesteld door dr. A.G.M. van Gorp (C 02 130 e.v.) en het NFI rapport van Dr. Van Gorp van 27 september 2016 (C 02 109 e.v.).

Uit deze rapporten blijkt dat uit de bemonsteringen van de nagelriem aan de linkerhand van het slachtoffer, zijn pet, zijn jas en zijn broek DNA-mengprofielen zijn verkregen van minimaal drie (pet) of minimaal vier (nagelriem, jas en broek) personen.
Uit een bemonstering van de binnenzijde van de onderrand van het rechtervoorpand van de jas van het slachtoffer is een DNA-mengprofiel verkregen van minimaal drie personen. Een deel van het celmateriaal in deze bemonsteringen kan afkomstig zijn van verdachte. In al deze bemonsteringen is DNA aangetroffen dat overeenkomt met het DNA-profiel van het slachtoffer. Er wordt van uit gegaan dat dit DNA van het slachtoffer is omdat het gaat om bemonsteringen van het lichaam en de kleding van het slachtoffer. De overeenkomsten van het in deze vijf bemonsteringen aangetroffen DNA met het DNA van verdachte betreffen een match. Dat betekent dat alle DNA-kenmerken van het DNA-profiel van verdachte zijn gedetecteerd in de verkregen DNA-mengprofielen.

Naast DNA-kenmerken die matchen met het DNA-profiel van slachtoffer en verdachte zijn in deze vijf bemonsteringen ook DNA-nevenkenmerken van minstens twee of drie andere personen aangetroffen. De zoon en vrouw van het slachtoffer en de broer van verdachte kunnen niet worden uitgesloten als donor van (een relatief geringe hoeveelheid van) het celmateriaal in bovenstaande bemonsteringen. Van een match met hun DNA-profiel is echter, anders dan in het geval van verdachte, geen sprake, omdat niet alle DNA-kenmerken van deze personen zijn gedetecteerd in het DNA-mengprofiel. In het vergelijkend DNA-onderzoek naar het lichaam en de kleding van het slachtoffer zijn verder geen aanwijzingen gevonden voor aanwezigheid van DNA van andere in het onderzoek betrokken personen.

Door het NFI (deskundige dr. A.G.M. van Gorp) is op 25 augustus 2017 opnieuw gerapporteerd over de bewijskracht van de bevindingen met betrekking tot deze vijf bemonsteringen waarin aanwijzingen voor aanwezigheid van celmateriaal van verdachte zijn gevonden (C02 141 e.v.). Dit is gedaan vanwege het gebruik van de nieuwste specialistische software en een nieuwe manier van rapporteren over de bewijskracht, de hoogste graad is voortaan: meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker (in plaats van meer dan 1 miljoen keer waarschijnlijker).

Hierbij is gekeken naar de bewijskracht die de resultaten hebben voor de aanwezigheid van DNA van verdachte tegenover een onbekend persoon, alsook naar de bewijskracht die de resultaten hebben voor de aanwezigheid van DNA van de broer van verdachte (en niet verdachte zelf) tegenover een onbekend persoon niet zijnde verdachte of zijn broer. In het rapport worden de volgende resultaten beschreven.

Linkerhand nagelriem:
De bevindingen van het DNA-onderzoek zijn ongeveer 190 miljoen keer waarschijnlijker indien de bemonstering van de nagelriem van de linkerhand van het slachtoffer DNA bevat van verdachte (naast dat van het slachtoffer, zijn zoon en één willekeurige onbekende persoon), dan wanneer de bemonstering DNA bevat van het slachtoffer, zijn zoon en 2 willekeurige onbekende personen. Als de zoon niet wordt meegenomen als donor van een deel van het DNA, zijn de bevindingen 15 miljoen keer waarschijnlijker.

De bewijskracht van de resultaten van de bemonstering op de linkerhand nagelriem is meer dan 100 keer groter ten aanzien van verdachte dan ten aanzien van zijn broer. Daarvoor maakt het niet uit of wordt aangenomen dat de zoon van het slachtoffer, [naam zoon] , DNA heeft bijgedragen aan de bemonstering.


Pet:
De bevindingen ten aanzien van de pet zijn ongeveer 3,7 miljoen keer waarschijnlijker indien de bemonstering van de pet DNA bevat van verdachte (naast dat van het slachtoffer, zijn vrouw en één willekeurige onbekende persoon), dan wanneer de bemonstering DNA bevat van het slachtoffer, zijn vrouw en twee willekeurige andere personen. Als de vrouw van het slachtoffer niet wordt meegenomen als donor van een deel van het DNA in deze bemonstering, zijn de bevindingen 5 miljoen keer waarschijnlijker.


Broek:
Voor de bevindingen ten aanzien van de broek, geldt dat die ongeveer 10 miljoen keer waarschijnlijker zijn als de bemonstering DNA bevat van het slachtoffer, [naam weduwe] (vrouw slachtoffer), de verdachte en twee willekeurige onbekende personen, dan wanneer de bemonstering DNA bevat van het slachtoffer, zijn vrouw [naam weduwe] en drie willekeurige onbekende personen. Als de vrouw van het slachtoffer niet wordt meegenomen als donor van een deel van het DNA in deze bemonstering, zijn de bevindingen 2 miljoen keer waarschijnlijker.


Jas:
Voor de bevindingen ten aanzien van de jas geldt dat geen betrouwbare uitspraak kan worden gedaan over aan- of afwezigheid van DNA van [naam broer] in bemonstering #38, en dat voor bemonstering #47 geldt dat geen aanwijzingen zijn gevonden voor aanwezigheid van DNA van [naam broer] in de bemonstering.

De bevindingen zijn ongeveer 560 miljoen keer waarschijnlijker onder de hypothese dat de bemonstering DNA bevat van het slachtoffer, zijn vrouw, verdachte en 1 willekeurige andere persoon dan onder de hypothese dat de bemonstering DNA bevat van het slachtoffer, zijn vrouw en twee willekeurige andere personen (#38). Wanneer ervan wordt uitgegaan dat de vrouw van het slachtoffer geen bijdrage heeft geleverd aan het DNA-mengprofiel, zijn de bevindingen 470 miljoen keer waarschijnlijker wanneer hypothese 1 waar is, dan wanneer hypothese 2 waar is. Voor bemonstering #47 bedragen die getallen respectievelijk meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker en ongeveer 590 miljoen keer waarschijnlijker.

Over de manier van rapporteren in dit rapport van 25 augustus 2017, en meer specifiek over de omschrijving van de bewijskracht, zijn in de aanloop naar de zitting vragen gesteld. Op de zitting van 7 december 2017 heeft deskundige ing. N.M. van der Geest toegelicht dat de numerieke weergave van de bewijskracht leidend is.

In zijn email van 6 december 2017 heeft Van der Geest in aanvulling op het rapport van 25 augustus 2017 nog de volgende samenvattende conclusies vermeld over de verhouding van de bewijskracht van de resultaten van verdachte ten aanzien van zijn broer.

Pet:
de bewijskracht van de resultaten van het vergelijkend DNA onderzoek is ten minste 3,7 miljoen keer groter ten aanzien van verdachte, dan ten aanzien van zijn broer, ongeacht of de vrouw van het slachtoffer DNA heeft bijgedragen aan de bemonstering.

Broek:
De verhouding van de bewijskracht van de resultaten van het vergelijkend DNA-onderzoek van de verdachte ten aanzien van zijn broer is in dit geval niet te geven omdat de bewijskracht ten aanzien van zijn broer niet betrouwbaar is te berekenen.

Jas:
#38: de bewijskracht van de resultaten van het vergelijkend DNA-onderzoek is ten minste 200.000 keer groter ten aanzien van verdachte dan ten aanzien van zijn broer, ongeacht of de vrouw van het slachtoffer DNA heeft bijgedragen aan de bemonstering.

#47: de bewijskracht van de resultaten van het vergelijkend DNA-onderzoek is ten minste 590 miljoen keer groter ten aanzien van verdachte dan ten aanzien van een willekeurige onbekende persoon, ongeacht of de vrouw van het slachtoffer DNA heeft bijgedragen aan de bemonstering.

De opmerking van de raadsman dat het NFI niet altijd betrouwbaar is in zijn rapportages wordt door de rechtbank gepasseerd. Er is gelegenheid geboden om de NFI-rapportages door een deskundige te laten onderzoeken en van die gelegenheid is gebruik gemaakt. Het resultaat daarvan is het rapport van dr. P.J. Herbergs van The Maastricht Forensic Institute (TMFI) en deze deskundige is ter zitting van 7 december 2017 gehoord. Hij heeft verklaard dat de door het NFI gehanteerde methode deugdelijk is en dat de aannames inzichtelijk zijn. De rechtbank neemt de conclusies van deze deskundigen dan ook over en zal zich in haar oordeel baseren op de resultaten van het vergelijkend DNA-onderzoek van het NFI, zoals hierboven beschreven en overweegt in dat verband als volgt.


Hoewel de resultaten van het vergelijkend DNA-onderzoek de broer van verdachte [naam broer] niet uitsluiten als donor, doet de rechtbank dat wel op basis van het gehele dossier in samenhang bezien. De DNA-kenmerken die in de DNA-mengprofielen zijn gevonden en die overeenkomen met het DNA-profiel van [naam broer] zijn verklaarbaar: zijn DNA-profiel vertoont grote overeenkomst met dat van verdachte om de simpele reden dat zij broers van elkaar zijn. Dr. A.G.M. van Gorp meldt in haar rapport van 9 december 2016 dat broers (of zussen) gemiddeld twee derde van hun DNA-kenmerken met elkaar gemeen hebben en dat dit ook daadwerkelijk zo is in het geval van verdachte en zijn broer. Betrokkenheid van [naam broer] bij het gewelddadig overlijden van [slachtoffer] kan echter worden uitgesloten omdat hij beschikt over een sluitend alibi: hij was die dag aan het werk in Beverwijk. Dit laatste is niet betwist.

De resultaten van het vergelijkend DNA-onderzoek vormen een zeer sterke aanwijzing dat DNA van verdachte is aangetroffen op het lichaam en de kleding van het slachtoffer. Het dossier bevat voorts geen andere informatie die maakt dat de rechtbank ervan uit gaat dat dit DNA, dat matcht met het DNA-profiel van verdachte, niet van verdachte afkomstig is. De rechtbank verwerpt dan ook de stelling van de raadsman dat “het DNA-profiel van verdachte niet matcht met de aangetroffen DNA-mengprofielen” en stelt vast dat DNA van verdachte is aangetroffen op het lichaam en de kleding van het slachtoffer.

Dat brengt de rechtbank tot de vraag hoe zijn DNA daar is gekomen.
Verdachte zelf en ook zijn raadsman hebben beweerd dat het goed mogelijk is dat er DNA-sporen van verdachte zijn aangetroffen omdat hij een dag of tien à veertien eerder in de winkel is geweest, [slachtoffer] een hand heeft gegeven en wellicht spuug, zweet of huidschilfers op de vloer heeft achter gelaten, waardoor via secundaire overdracht DNA van verdachte op slachtoffer of zijn kleding terecht is gekomen. Verdachte en zijn raadsman zijn er daarbij vanuit gegaan dat [slachtoffer] zijn handen weinig wast en dat zijn kleren niet fris waren, hetgeen volgens hen contaminatie (de rechtbank begrijpt: secundaire overdracht) goed mogelijk zou maken.

Dat alternatieve scenario heeft de rechtbank onderzocht. De echtgenote van [slachtoffer] is hierover ondervraagd en zij heeft met klem verklaard dat haar man zijn handen meerdere keren per dag waste en als moslim in ieder geval voor elk gebed zijn handen waste. Zijn werkbroek en werkkleding werden wekelijks gewassen en de winkelvloer werd regelmatig gestofzuigd.

De rechtbank stelt voorop dat de door de verdediging gehanteerde uitgangspunten voor dit alternatieve scenario onjuist zijn. Er is in het dossier geen enkele aanwijzing te vinden dat het slachtoffer een weinig hygiënische man was.

De deskundige dr. L.H.J. Aarts (NFI) heeft voorts verklaard dat onder beide aannames, kort gezegd dat het slachtoffer zijn handen weinig wast of juist veelvuldig, de bevindingen van het onderzoek naar biologische sporen en DNA veel waarschijnlijker zijn als verdachte degene is die het slachtoffer heeft gestoken en zijn portemonnee heeft weggenomen dan wanneer dit door een onbekende persoon is gedaan en verdachte niets met het delict te maken heeft. Deze deskundige heeft ter zitting op 7 december 2017 verder nog verklaard dat de kans om DNA van verdachte aan te treffen tien dagen nadat verdachte en slachtoffer elkaar de hand hebben geschud zeer beperkt is. Verder heeft hij toegelicht dat hij de kans zeer klein acht dat er dusdanig grote hoeveelheden speeksel of zweet zijn achtergelaten en dat die op het lichaam van het slachtoffer zijn terechtgekomen. Hoe meer DNA je achter laat hoe groter de kans is op verspreiding daarvan, maar het is niet aannemelijk dat de kans op overdracht dusdanig groot is dat er nog zó’n hoeveelheid aanwezig is dat je dat op vier of vijf verschillende plekken kunt aantreffen, aldus Aarts.


De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat de stelling dat via secundaire overdracht DNA van verdachte op de kleding en de nagelriem van het slachtoffer terecht is gekomen niet aannemelijk is geworden.

De rechtbank concludeert uit de bevindingen van deze deskundige dat het DNA van verdachte op de vijf genoemde plaatsen is aangetroffen, omdat verdachte degene is geweest die [slachtoffer] heeft gestoken. De rechtbank concludeert dat een andere verklaring voor de aanwezigheid van zijn DNA niet aannemelijk is en in het dossier zijn geen aanwijzingen te vinden dat een ander dan verdachte [slachtoffer] heeft doodgestoken.

De mogelijke aanwezigheid van DNA van de vrouw en zoon van het slachtoffer in de bemonsteringen laat zich eenvoudig verklaren en duidt niet op betrokkenheid bij het misdrijf: zij zijn leden van één gezin en woonden bij elkaar in huis. De echtgenote had verder de kleding van haar man vaak in handen en waste die. Zijn zoon was direct na het misdrijf ter plaatse en heeft zijn vader aangeraakt toen hij op de vloer lag in een poging hem te reanimeren. Zoals eerder overwogen wordt de broer van verdachte vanwege zijn alibi als donor van DNA uitgesloten door de rechtbank. Verder zijn in het vergelijkend DNA-onderzoek naar het lichaam en de kleding van het slachtoffer geen aanwijzingen gevonden voor aanwezigheid van DNA van andere in het onderzoek betrokken personen.

De getuige [naam 2]
De raadsman heeft betoogd dat de verklaring van deze getuige uitgesloten dient te worden van het bewijs, omdat de getuige niet consistent heeft verklaard en omdat hij zijn verklaring heeft afgelegd in de hoop de uitgeloofde beloning van € 10.000,- te kunnen opstrijken.
Kortom: getuige [naam 2] liegt; hij was niet in de buurt van zijn woning op het moment dat verdachte bij hem zou zijn aangekomen want hij was aan het werk, een stelling die de getuige [naam getuige 3] zou kunnen bevestigen.

De rechtbank overweegt als volgt.
Anders dan de raadsman heeft betoogd, is [naam 2] niet uit zichzelf en als eerste begonnen tegenover de politie over de steekpartij in de fietsenwinkel. Dat was [naam getuige 1] , tegen wie [naam 2] had verteld wat hij wist. Nadat de politie met [naam getuige 1] had gesproken, is [naam 2] door de politie hiermee geconfronteerd. [naam 2] moest wel met zijn verklaring komen, omdat [naam getuige 1] aan de politie had verteld wat zij van [naam 2] had gehoord. Toen de politie [naam 2] ondervroeg over de steekpartij was zijn eerste reactie schrik. Hij is bang voor verdachte.
[naam getuige 1] is de ex-partner van [naam 2] , zij kent hem goed en kan zijn emoties goed inschatten.
Zij is zich bewust van de valkuilen voor [naam 2] : hij heeft schulden en is verslaafd. Daar heeft [naam getuige 1] ook open over verklaard. Maar tegelijkertijd verklaart zij heel duidelijk dat zij niet twijfelt dat [naam 2] haar de waarheid heeft verteld.
heeft verklaard dat verdachte niet een oranje jas droeg, zoals in de media werd genoemd, maar een blauwe jas. De jassen die verdachte draagt zijn onderzocht en hierop is geen bloed aangetroffen. De rechtbank hecht daar niet de betekenis aan die de raadsman daar aan verbindt. Hoe logisch is het immers dat verdachte deze jas nog in zijn bezit had? Kennelijk zijn zowel het steekwapen als de gestolen portemonnee weggegooid (en niet teruggevonden). De jas die verdachte die dag droeg heeft hij hoogstwaarschijnlijk eveneens weggegooid.
Verder is gebleken dat [naam 2] over informatie beschikt die hij alleen maar van de dader kan hebben gehoord, bijvoorbeeld over de inhoud van de portemonnee.
is gaan verklaren na de uitzending van Opsporing Verzocht maar hij geeft informatie die niet via dit programma of elders in de media is genoemd, namelijk met betrekking tot de hoogte van het weggenomen geldbedrag. In Opsporing Verzocht werd gemeld dat er een bedrag van € 500,- was weggenomen. [naam 2] heeft verklaard dat verdachte hem heeft verteld dat in totaal € 1250,- is buitgemaakt, waaronder in ieder geval een biljet van € 500,- en dat er ook nog geld zat in een apart vakje van de portemonnee. Dit komt ook overeen met wat de vrouw van [slachtoffer] hierover heeft verklaard.
Het feit dat de broer van verdachte, [naam broer] , een paar uur na de dood van [slachtoffer] een biljet van € 500,- op zijn bankrekening stort, ondersteunt de verklaring van [naam 2] en vormt daarmee ook steun voor de betrouwbaarheid van [naam 2] .
Bovendien heeft [naam broer] bevestigd dat [naam 2] met verdachte eerder in de fietsenzaak is geweest. Ook dit gegeven ondersteunt de betrouwbaarheid van [naam 2] .
De raadsman heeft voorbeelden gegeven van punten waarop de verklaringen van [naam 2] niet consistent zijn. De voorbeelden die de raadsman noemt, hebben met name betrekking op de eigen waarneming van [naam 2] . [naam 2] is pas met [naam getuige 1] gaan praten toen hij begreep dat het slachtoffer was overleden. Een geheugen is niet feilloos en dat er inconsistenties sluipen in een vertelling, zeker in het geval van deze getuige die keer op keer is gehoord en ondervraagd, is niet ongebruikelijk. Als zijn verklaringen al als niet consistent moeten worden beschouwd, dan betreft dat niet hetgeen verdachte aan [naam 2] heeft verteld.
De rechtbank stelt vast dat [naam 2] consistent verklaart waar het het daderrelaas betreft.
Hij geeft telkens in alle verhoren consistent weer wat verdachte aan hem heeft verteld. Niet duidelijk is wat het belang van [naam 2] kan zijn bij het vertellen van leugens hierover.
De rechtbank deelt niet het standpunt van de raadsman, dat [naam 2] voordeel heeft gehad van het afleggen van zijn verklaring. De in het vooruitzicht gestelde beloning zou een oplossing kunnen zijn voor de sociale problematiek waarin [naam 2] zich op dat moment bevond, maar niet gebleken is dat hij recht heeft doen gelden op die beloning, integendeel. Bovendien zou een eventuele beloning niet heel aantrekkelijk zijn omdat [naam 2] in een schuldsanering zat, waardoor een beloning naar de bewindvoerder zou gaan. Hoe dan ook: er is niet gebleken van een beloning die aan [naam 2] zou zijn uitgekeerd en ook al zou er aan [naam 2] een beloning zijn uitgekeerd, dan maakt dat nog geen verschil voor de betrouwbaarheid van datgene wat hij in de kern heeft verteld. Een beloning is mogelijk een aansporing om te gaan praten, het uitloven van een beloning tast niet perse de betrouwbaarheid aan van een verklaring die is afgelegd om de beloning te verkrijgen.

De rechtbank komt tot de conclusie dat de verschillende verklaringen die [naam 2] bij de politie en bij de rechter-commissaris heeft afgelegd in de kern consistent zijn gebleven. Hij vertelt hoe en wanneer verdachte [verdachte] bij hem aan de deur kwam en wat [verdachte] hem heeft verteld. De rechtbank acht de verklaring bruikbaar voor het bewijs.

De raadsman heeft betoogd dat [naam 2] op 15 maart 2016 overdag niet thuis was en verdachte dus niet kon ontvangen, maar dat hij aan het werk was voor de aannemer [naam getuige 3] . Dat hij niet thuis was zou volgens de raadsman zijn af te leiden uit de plaatsen waar de telefoon van [naam 2] heeft aangestraald. Dit verweer wordt verworpen. Het aanstralen zegt weinig over de exacte plaats waar de telefoon zich bevindt en de locatie van de telefoon zegt niets over de plaats waar [naam 2] op dat moment is. Bedacht moet worden dat de broers [naam broers] gebruik maakten van de telefoon van [naam 2] .

Het voorwaardelijk verzoek om aannemer [naam getuige 3] als getuige te horen wordt afgewezen. Gelet op de verklaring van de raadsman dat [naam getuige 3] zich mogelijk niet zal kunnen herinneren wanneer [naam 2] precies voor hem heeft gewerkt, is de noodzaak van het horen van deze getuige niet gebleken.


De getuige [naam 3] .
De rechtbank is van oordeel dat deze verklaring niet bruikbaar is voor het bewijs. Weliswaar gaat de rechtbank er van uit dat [naam 3] naar waarheid heeft verklaard, maar wat [naam 3] heeft verklaard is hem in de mond gelegd door verdachte [verdachte] en heeft hij van hem gehoord. Niet aannemelijk is dat [naam 3] zich de details eigen heeft gemaakt door lezing van het dossier nadat hij zich daaruit delen zou hebben toegeëigend, zoals het verwijt luidt. Het is een dik dossier met teksten met beroepsmatig, juridisch taalgebruik. [naam 3] heeft zijn verklaring zelf geschreven. Daaruit blijkt dat [naam 3] de Nederlandse taal maar beperkt beheerst. [naam 3] lijkt te zijn gemanipuleerd door verdachte. Verdachte heeft een belang om [naam 2] te belasten en bovendien om [naam 2] het zwijgen op te leggen. Daarvoor lijkt hij [naam 3] te hebben willen gebruiken, die daarmee wellicht aanspraak zou kunnen maken op de beloning.
De verklaring van [naam 3] voegt in feite niets toe aan de verklaring die [naam 2] heeft afgelegd. Waar de verklaring van [naam 3] afwijkt van de verklaring van [naam 2] – in het bijzonder waar het de betrokkenheid van [naam 2] betreft – is dit hem ingefluisterd door verdachte.

Op basis van de resultaten van de DNA-onderzoeken en de verklaring van [naam 2] komt de rechtbank tot het oordeel dat het subsidiaire feit bewezen verklaard kan worden. Dat niet alleen sprake is van doodslag maar ook van diefstal, leidt de rechtbank af uit de verklaring van de vrouw van het slachtoffer dat haar man altijd een portemonnee bij zich had en de bevindingen van de politie, dat geen portemonnee is aangetroffen.

Dat verdachte niet zichtbaar is op camerabeelden die gemaakt zijn van de directe omgeving van de plaats delict rond de tijd dat het feit heeft plaatsgevonden, vormt geen omstandigheid die een bewezenverklaring in de weg staat. Immers, de overtuiging van de rechtbank dat verdachte wel degelijk de dader van de gekwalificeerde doodslag op [slachtoffer] is, rust op de zojuist besproken bewijsmiddelen.

13Mathaak
Op basis van de aangifte van [naam 1] , ondersteund door de verklaring van [naam vriend] , de letselverklaring én de verklaring van [naam 2] die vertelt dat verdachte hem heeft verteld wat er bij [naam 1] is gebeurd, acht de rechtbank het onder 2 primair tenlastegelegde feit (poging tot doodslag) bewezen, evenals het onder drie subsidiair tenlastegelegde feit (mishandeling met een hamer).
Het gegeven dat de politie als naam van de dader uit de mond van [naam 1] ‘ [naam 4] ’ of ‘ [bijnaam] ’ noteert doet daar niet aan af. Dat [naam 1] , met de verwondingen die hem zijn toegebracht, op dat moment wellicht niet duidelijk kon articuleren en zo mogelijk verkeerd is verstaan, lijkt aannemelijk. Maar bovendien is het [naam 1] zelf die in zijn aangifte de naam van verdachte noemt en hem als dader aanwijst.
De woning van [naam 1] zat onder het bloed, zo verklaart de getuige [naam vriend] .
Hij geeft een ijselijke beschrijving van het letsel dat aan de schedel van [naam 1] is toegebracht. Door meerdere harde klappen uit te delen met een hamer op het hoofd van [naam 1] , waardoor onder andere bloedingen rond de hersenen, pneumencephalie en een hersenschudding met schedelfractuur is ontstaan, heeft verdachte de aanmerkelijke kans op overlijden van [naam 1] in het leven geroepen en die kans bewust aanvaard.
Zoals hierboven reeds overwogen: de verklaring van [naam 2] is bruikbaar voor het bewijs.
De verklaring van [naam 3] niet.
Er zijn geen aanwijzingen in het dossier voor de suggestie dat [naam 2] en [naam 1] een en ander samen hebben bekokstoofd om verdachte een hak te zetten.
De telefoongegevens die de raadsman wenst in te zien, zijn er niet, zo heeft de officier van justitie bevestigd. Het voorwaardelijk verzoek om die gegevens aan het dossier toe te voegen wordt derhalve afgewezen.

Brandkranen
Van alle feiten is aangifte gedaan.
Verdachte heeft de feiten 1 a, b en c bekend. Deze feiten zijn bewezen.

Daar waar alleen een aangifte voorhanden is volgt de rechtbank het standpunt van de officier van justitie en de raadsman en zal verdachte voor deze feiten vrijspreken. De rechtbank is, anders dan de raadsman, van oordeel dat met betrekking tot feit 4 a, wel sprake is van steunbewijs en komt op basis van de aangifte en de verklaring van de broer van verdachte tot bewezenverklaring van dit feit. Ook voor feit 3 a is sprake van steunbewijs naast de aangifte. Anders dan de raadsman acht de rechtbank de omstandigheid, dat het telefoonnummer dat de man die de regenpijpen van de woningen afhaalt opgeeft, een telefoonnummer van verdachte is, wel belastend voor verdachte. Ook voor dat feit komt de rechtbank tot bewezenverklaring.
Ten aanzien van feit 4 f stelt de rechtbank vast dat sprake is van een aangifte van diefstal van zes brandkranen. Verder is er een getuige die de politie heeft gewaarschuwd dat hij iemand bezig ziet met het verwijderen van kranen en die een signalement van die man geeft. Deze man droeg een zwarte tas. Naar aanleiding van die melding gaat de politie direct naar de woning van verdachte. Daar treffen zij verdachte aan, die aan het signalement voldoet, alsmede een groot aantal brandkranen en een zwarte leren tas. Verdachte heeft verklaard dat hij de brandkranen niet heeft gestolen, maar gekocht.
Nu de politie verdachte kort na de diefstal thuis aantreft met een grote hoeveelheid brandkranen, verdachte voldoet aan het signalement dat de getuige opgeeft en er bovendien een zwarte tas in zijn woning wordt gezien, gaat de rechtbank er van uit dat verdachte de man is die de zes brandkranen genoemd in de aangifte heeft gestolen. Dat de herkomst niet aan de hand van serienummers kan worden geverifieerd leidt anders dan de raadsman heeft betoogd niet tot vrijspraak.
Wat betreft de herkenningen door verbalisanten van verdachte op camerabeelden overweegt de rechtbank als volgt.
Zij neemt in aanmerking hetgeen is overwogen in een uitspraak van de rechtbank van 16 november 2016, ECLI:NL:RBAMS:2016:7710 en verwijst naar die uitspraak.
De rechtbank is ook in deze zaak van oordeel dat de beelden van de diefstal van brandkranen/koperen pijpen van voldoende kwaliteit zijn om daarop herkenningen te kunnen baseren. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de herkenning van verdachte als dader door verbalisant [naam verbalisant] (feit 4 g en h), die voorafgaand aan de herkenning, met verdachte bekend was. Verdachte heeft overigens ten aanzien van één van de stills van de beelden (van de man met de trui met opdruk ‘Bjorn Borg’) verklaard dat hij dat wel zal zijn geweest.

Feiten waarvan verdachte moet worden vrijgesproken

13Moer
De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het onder feit 1 primair tenlastegelegde ‘medeplegen van moord’ nu zij de voor een dergelijke bewezenverklaring vereiste ‘voorbedachte raad’ uitsluitend kan afleiden uit de verklaring van getuige [naam 3] . In het dossier wordt verder geen steun gevonden voor de ‘voorbedachte raad’ zoals die kan blijken uit de door [naam 3] weergegeven woorden van verdachte.

Op dezelfde grond zal verdachte worden vrijgesproken van het onder feit 1 primair, subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde ‘medeplegen’. Opnieuw is het enkel [naam 3] die in zijn verklaring de woorden van verdachte weergeeft, die hem, [naam 3] , zou hebben verteld dat de gewelddadige dood van [slachtoffer] het gevolg is van een tegen hem door verdachte samen met een ander (te weten [naam 2] ) gepleegd misdrijf.

13Mathaak
De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het onder 3 primair tenlastegelegde feit, te weten de poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan [naam 1] door hem met een hamer op zijn armen en op zijn rug te slaan.
Voor een poging tot zware mishandeling is allereerst het opzet vereist om aan een ander zwaar lichamelijk letsel toe te brengen en vervolgens dat dit opzet zich heeft geopenbaard in een begin van uitvoering van een handeling, die, indien voltooid, zwaar lichamelijk letsel zou hebben toegebracht (HR 13 februari 1905, W8182).
Het letsel dat [naam 1] bij deze mishandeling heeft opgelopen kan niet gekwalificeerd worden als ‘zwaar lichamelijk letsel’ (zoals bedoeld in de – overigens niet-limitatieve – opsomming in artikel 82, eerste en tweede lid Wetboek van Strafrecht (Sr)). Het is onvoldoende aannemelijk geworden dat verdachte’s opzet, ook in voorwaardelijke zin, er op gericht was hem op armen en rug dergelijk letsel toe te brengen. Van een begin van uitvoering tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel is niet gebleken.

13/701263-16 (‘Brandkranen’)
Met de officier van justitie en de raadsman is de rechtbank van oordeel dat de feiten 1 d, 3 b, 4 c en 4 d niet bewezen kunnen worden verklaard nu hiervoor slechts één bewijsmiddel voorhanden is (telkens een aangifte),
Van feit 4 b moet verdachte worden vrijgesproken nu de camerabeelden kennelijk van een andere datum zijn dan de datum van de diefstal die in de aangifte wordt genoemd en slechts een aangifte rest als bewijsmiddel. Van 4 e wordt verdachte vrijgesproken omdat er naast een aangifte alleen sprake is van een herkenning van een verbalisant op basis van kwalitatief slechte beelden en de herkenning van de verbalisant gebaseerd is op eerder inbeslaggenomen kleding van verdachte. Dit is niet een voldoende betrouwbare herkenning.
In al deze gevallen is niet voldaan aan het in artikel 342, tweede lid Sv bedoelde vereiste, terwijl verdachte de feiten ontkent.

Anders dan de officier van justitie acht de rechtbank ook feit 2 niet bewezen.
De aangever verklaart dat degene die op 10 december 2015 afsluitdoppen van brandkranen heeft weggenomen en daarbij geweld tegen aangever heeft gebruikt en/of hem heeft bedreigd, wegrijdt op een scootmobiel. Verdachte ontkent ook dit feit. Uit het dossier blijkt dat ook de broer van verdachte, [naam broer] , gebruik maakt van dit vervoermiddel dat van hun moeder is, en er zijn aanwijzingen dat in dezelfde periode ook deze broer zich heeft bezig gehouden met dergelijke diefstallen. Kortom, het staat onvoldoende vast dat het verdachte is geweest die deze diefstal heeft gepleegd en een confrontatie met aangever heeft gehad. Betrokkenheid van [naam broer] bij deze gekwalificeerde diefstal kan niet worden uitgesloten.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage weergegeven bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

met betrekking tot 13Moer (13/665279-16):

1. subsidiair:

op 15 maart 2016 te Amsterdam [slachtoffer] opzettelijk van het leven heeft beroofd, door die [slachtoffer] meermalen met een mes in de borst te steken, welke doodslag werd gevolgd, vergezeld en/of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten diefstal, en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden, gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren.

met betrekking tot het onderzoek 13Mathaak (13/665279-16):

2. primair:

op 19 januari 2016 te Amsterdam, ter uitvoering van het voorgenomen misdrijf om opzettelijk [naam 1] van het leven te beroven, opzettelijk die [naam 1] met een hamer meermalen tegen het hoofd heeft geslagen.

3. subsidiair:

op 19 januari 2016 te Amsterdam opzettelijk mishandelend [naam 1] met een hamer, tegen zijn armen en zijn rug heeft geslagen, waardoor die [naam 1] pijn heeft ondervonden en letsel heeft bekomen.

Met betrekking tot het onderzoek met parketnummer 13/701263-16 (‘brandkranen’) acht de rechtbank bewezen dat verdachte:

1.

op 9 februari 2016 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een bliksemafleider, brandkranen, opzetstukken/afsluitdoppen en haken en kettingen van brandkranen, toebehorend aan anderen dan aan hem, verdachte en zijn mededader, waarbij hij, verdachte en zijn mededader die weg te nemen voorwerpen onder hun bereik hebben gebracht door middel van het afknippen van die bliksemafleider en het losbreken of losdraaien van die brandkranen en opzetstukken/afsluitdoppen en het losmaken of losknippen van die haken en kettingen,

te weten:

a. een bliksemafleider, toebehorend aan de Vereniging van Eigenaars " [naam VvE] ", waarbij hij, verdachte en zijn mededader die weg te nemen bliksemafleider onder hun bereik hebben gebracht door middel van het afknippen of losmaken van die bliksemafleider,

en

b. 12 brandkranen, toebehorend aan de Vereniging van Eigenaren van de [naam VvE] , waarbij hij, verdachte en zijn mededader die weg te nemen brandkranen onder hun bereik hebben gebracht door middel van het losbreken of losdraaien van die brandkranen,

en

c. 12 brandkranen, toebehorend aan de [naam 5] , waarbij hij, verdachte en zijn mededader die weg te nemen brandkranen onder hun bereik hebben gebracht door middel van het losbreken of losdraaien van die brandkranen.

waarbij de rechtbank overweegt dat met ‘kraanstukken’ waarover de aangever spreekt in feite ‘brandkranen’ worden bedoeld.

3 a

omstreeks 8 oktober 2015 te Amsterdam, meermalen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen koperen regenpijpen toebehorend aan D9859 Pro VVE Beheer, waarbij hij, verdachte, die weg te nemen voorwerpen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van het forceren van die regenpijpen.

4.

in de periode van 16 november 2015 tot en met 8 februari 2016 te Amsterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een hoeveelheid sanitair, waaronder water- en douchekranen, glijstangcombinaties, een douchekop en brandkranen, toebehorende aan anderen dan aan hem, verdachte, waarbij hij, verdachte, zich de toegang tot die weg te nemen voorwerpen heeft verschaft en die weg te nemen voorwerpen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak,

te weten:

a. op 17 november 2015 ongeveer 50 stuks sanitair, waaronder water- en douchekranen, glijstangcombinaties en een douchekop, toebehorende aan [naam 6] , waarbij hij, verdachte, zich de toegang tot dat weg te nemen sanitair heeft verschaft door middel van het forceren van houten platen voor deuren,

en

f. op 2 januari 2016 6 brandkranen, toebehorende aan Eigen Haard, waarbij hij, verdachte, die weg te nemen voorwerpen onder zijn bereik heeft gebracht door die brandkranen los te draaien,

en

g. op 21 januari 2016 13 brandkranen, toebehorende aan de VVE [naam VvE] , waarbij hij, verdachte, die weg te nemen voorwerpen onder zijn bereik heeft gebracht door die brandkranen los te draaien,

en

h. op 8 februari 2016 6 brandkranen, toebehorende aan de VVE [naam VvE] , waarbij hij, verdachte, die weg te nemen voorwerpen onder zijn bereik heeft gebracht door die brandkranen los te draaien.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd.
Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van de feiten

De raadsman heeft in zijn pleidooi met betrekking tot het onderzoek 13Mathaak en gekomen bij punt 220 van zijn pleitnotities hier mondeling aan toegevoegd dat hij de rechtbank in overweging geeft dat door de dader wellicht gehandeld is uit zelfverdediging.

Hoewel deze toevoeging nauwelijks kan gelden als een ‘ter zitting uitdrukkelijk onderbouwd standpunt’ als bedoeld in artikel 359, tweede lid Wetboek van Strafvordering, ziet de rechtbank toch aanleiding hier kort op te reageren.
De raadsman heeft met zijn verder niet onderbouwde toevoeging gesuggereerd dat de dader van de poging tot doodslag/(poging tot zware) mishandeling zich mogelijk kan beroepen op de in artikel 41, eerste lid Wetboek van Strafrecht bedoelde strafuitsluitingsgrond.
De rechtbank verwerpt dit verweer.
Niet alleen zijn hier in het dossier geen aanknopingspunten voor te vinden, maar een dergelijk verweer rijmt niet met het gegeven dat verdachte van meet af aan hardnekkig elke betrokkenheid bij deze feiten ontkent: hij was daar toen niet en heeft [naam 1] toen niet geslagen.

De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar.
Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is ook overigens niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straf

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar in het onderzoek 13Moer onder 1 subsidiair bewezen geachte feit, het in het onderzoek 13Mathaak onder feit 2 primair bewezen geachte en onder feit 3 subsidiair bewezen geachte feit en de feiten 1a tot en met 1c, 2, 3a, 4a en 4e tot en met 4h in het onderzoek ‘Brandkranen’ zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 25 jaren, met aftrek van voorarrest.


Zij heeft haar eis als volgt onderbouwd:
Verdachte heeft geen inzicht gegeven in zijn geestestoestand en alle medewerking aan psychiatrisch en psychologisch onderzoek geweigerd. De psycholoog heeft in zijn rapport opgenomen dat op basis van de beschikbare informatie wordt vermoed dat er bij verdachte sprake is van een stoornis in de agressieregulatie. Opname in het Pieter Baan Centrum is geadviseerd en gevolgd maar door de weigering van verdachte mee te werken was het niet mogelijk conclusies te trekken of een diagnose te stellen.
De officier van justitie heeft gewezen op de verklaring die de broer van verdachte, [naam broer] , in mei 2016 heeft afgelegd over het drugsgebruik van zijn broer [verdachte] : ‘Mijn broer gebruikt crack… mensen die dat doen hebben schijt aan de hele wereld. Al het geld gaat daar aan op en je gaat liegen. Mijn broer kan boos worden om iets heel kleins. Als hij geen respect voor je heeft kan het zo fout gaan’.
Het beeld dat oprijst uit het dossier is dat we te maken hebben met iemand die verslaafd was, die steeds verder maatschappelijk afzakte en steeds ernstiger delicten ging plegen, al dan niet om in zijn verslaving te kunnen voorzien.
Gezien de delicten, maar ook zijn strafblad, lijkt het alsof zijn gewetensfunctie niet goed functioneert.
Verdachte heeft een strafblad. In oktober 2016 is hij nog veroordeeld voor heling en in 2017 voor een diefstal, gepleegd in maart 2016. Verder is hij in 2012 veroordeeld tot een werkstraf ter zake de mishandeling van een kind waarover hij het gezag uitoefende, en verder terug in 2007 voor heling, in 2003 tot drie jaar gevangenisstraf voor een straatroof en in de daaraan voorafgaande jaren voor overtreding van de Wet wapens en munitie, openlijk geweld, afpersing en mishandeling. Reeds in 1995 werd hij veroordeeld door de Kinderrechter tot plaatsing in een tuchtschool vanwege bedreiging.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt een gekwalificeerde doodslag, poging tot doodslag, mishandeling, diefstal met (bedreiging met) geweld en meermalen diefstal door middel van verbreking, al dan niet in vereniging gepleegd. Verdachte heeft zich aan een reeks strafbare feiten schuldig gemaakt, waarin een duidelijke opbouw van ernst van de feiten valt te zien.
Het betreft zeer ernstige feiten die onherstelbaar leed hebben veroorzaakt. De maatschappij dient voor lange tijd tegen zo iemand beschermd te worden.
Er zijn – naast de in deze zaken opgemaakte rapportages – geen oudere rapportages die voldoende aanknopingspunten bieden om te kunnen komen tot de ondubbelzinnige vaststelling van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens. De afwezigheid van een stoornis kon ook niet worden vastgesteld.
Ter bescherming van de maatschappij is een lange onvoorwaardelijke vrijheidsstraf op zijn plaats en de enige manier om de maatschappij te beschermen tegen verdachte.

De wetgever heeft voor zowel moord als gekwalificeerde doodslag als strafmaximum een levenslange gevangenisstraf of een tijdelijke gevangenisstraf van ten hoogste 30 jaren vastgesteld. Voor dergelijke feiten zijn geen richtlijnen of oriëntatiepunten vastgesteld, zulke zaken laten zich lastig vergelijken. Uit de jurisprudentie van afgelopen jaren kan wel worden opgemaakt dat voor een enkelvoudige moord maar ook voor een gekwalificeerde doodslag in de regel gevangenisstraffen van 14-20 jaar worden opgelegd.
De feiten zijn gruwelijk en gevolgen zijn dat ook. De ernst van de feiten, gepleegd in de winkel dan wel de woning van de slachtoffers, de gevolgen die de gedragingen van verdachte voor hen hebben gehad, de houding van verdachte, zijn justitieel verleden en het gevaar dat hij vormt afwegend is de officier van justitie tot haar eis gekomen van een gevangenisstraf voor de duur van 25 jaar.

8.2.

Het strafmaatverweer van de raadsman.

De raadsman heeft – mocht de rechtbank tot een veroordeling komen – gewezen op verschillende uitspraken waarbij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden1, het gerechtshof Den Haag2 en de Rechtbank Midden-Nederland3 verdachten heeft veroordeeld voor (medeplegen van) gekwalificeerde doodslag tot een aanzienlijk lagere gevangenisstraf dan de eis die de officier van justitie in deze zaak heeft geformuleerd. Hij heeft verzocht aansluiting te zoeken bij deze uitspraken.
Met betrekking tot 13Mathaak heeft de raadsman gewezen op het arrest van het Hof Den Bosch van 17 januari 20184 waarbij voor een poging tot doodslag 43 maanden en 6 dagen is opgelegd. Ook hier was sprake van het slaan met een hamer op het hoofd. De raadsman heeft aandacht gevraagd voor de strafoverweging van het Hof en de rechtbank verzocht zich hierbij aan te sluiten.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

De gekwalificeerde doodslag op fietsenmaker [slachtoffer] is van een bijzondere heftigheid. [slachtoffer] is met vele messteken om het leven gebracht en was niet in staat zich te verweren. Verdachte heeft hem bestolen van zijn portemonnee. De vraag rijst: wat is een mensenleven waard? € 500,- ? € 1250,-? Met zijn daad heeft verdachte diep verdriet veroorzaakt in het gezin van [slachtoffer] . Zijn weduwe, zijn dochters en zijn zoon missen hun man en vader meer dan zij kunnen zeggen. Niettemin hebben zij op de zitting op indrukwekkende wijze uiting gegeven aan hun verdriet en onder woorden kunnen brengen wat de wrede dood van hun man en vader en het dagelijks gemis van hem voor hen betekent. Zij hebben elke zitting bijgewoond en de debatten gevolgd. Vaak was dat pijnlijk voor hen maar, zo hebben zij verklaard, het was het enige en laatste wat zij nu nog voor hun man en vader konden doen.
Ook de buurtbewoners en klanten van [slachtoffer] waren geschokt door zijn gewelddadige dood. Steeds weer werd benadrukt dat de fietsenmaker geliefd was in zijn buurt en voor iedereen klaar stond. Zijn dood was dan ook volkomen onbegrijpelijk.
Verdachte heeft het feit steeds ontkend. Door of namens hem zijn anderen beschuldigd van liegen, van het afleggen van valse verklaringen, en van het najagen van eigen belang bij het (valselijk) beschuldigen van verdachte. De pijlen waren met name gericht op de getuige [naam 2] , maar ook de politie en zelfs de officier van justitie zijn beschuldigd van het manipuleren van bewijs.
Op het moment dat verdachte ter zitting wordt geconfronteerd met een telefoongesprek waarin hij iets zegt dat hij bij een eerdere ondervraging met klem heeft ontkend te hebben gezegd, vraagt hij begrip voor zijn geheugen dat hem kennelijk even in de steek liet na zo een lange tijd. Dat begrip brengt hij zelf voor niemand anders op.

De levensgevaarlijke wijze waarop [naam 1] door verdachte is mishandeld is verbijsterend. Van enig motief is niet gebleken. Verdachte kent [naam 1] en komt al enige tijd bij hem over de vloer. [naam 1] vertrouwde verdachte en verdachte maakt misbruik van dit vertrouwen door hem totaal onverwacht in zijn eigen huis met een hamer doelgericht een barst in zijn schedel te slaan. Had [naam 1] geen respect voor verdachte en ging het daarom ineens ‘zo fout’? We weten het niet. [naam 1] zag de klap niet aankomen en verdachte zegt van niets te weten. [naam 1] heeft veel geluk gehad met zijn herstel, een dergelijke aanval loopt al snel fataal af. Zijn fysiek en psychisch herstel heeft veel tijd genomen en nog steeds lijdt [naam 1] aan concentratiestoornissen.

De diefstallen die verdachte heeft gepleegd in diverse appartementencomplexen zijn brutaal en gaan totaal voorbij aan het gevaarzettende karakter. Het verwijderen van brandkranen en blusleidingen is in geval van brand levensbedreigend, het bluswerk kan niet of onvoldoende voortvarend en gericht plaatsvinden en de gevolgen voor de bewoners zijn dan al snel niet meer te overzien in deze hoge appartementsgebouwen. Verdachte staat er niet bij stil of heeft er maling aan. Voor hem telt slechts de geringe winst die hij kan maken door het gestolen materiaal door te verkopen aan helers.

Verdachte heeft een niet onaanzienlijk strafblad, zoals ook in het requisitoir is benoemd. Uit dit strafblad blijkt dat hij toenemend geweld gebruikt. Verdachte heeft een moeilijke en onzekere jeugd gehad en is op enig moment in de steek gelaten door zijn naaste familie en achtergelaten in Turkije. Uit dat eenzame jongetje is een gevaarlijke, gewetenloze man gegroeid. Bezigheden – los van het bijna professioneel stelen en verhandelen van koperen kranen en leidingen – heeft verdachte niet. Verdachte heeft niet willen meewerken aan rapportages zodat de rechtbank eigenlijk weinig van verdachte weet. De rechtbank gaat er van uit dat verdachte volledig toerekeningsvatbaar is voor de feiten, die hij heeft gepleegd.

De rechtbank heeft bij het bepalen van de strafmaat acht geslagen op wat er in het algemeen opgelegd wordt voor gekwalificeerde doodslag en een poging tot doodslag en daarnaast rekening gehouden met de reeks diefstallen en het gevaar dat door die diefstallen veroorzaakt werd. Ook de proces-houding van verdachte speelt een rol en leidt niet tot matiging van de op te leggen straf. Alles bijeen genomen en gelet op de samenloop van deze feiten is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lagere vrijheidsstraf dan 20 jaar.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op wat zij hiervoor heeft overwogen – in het bijzonder wat er in het algemeen voor dergelijke feiten wordt opgelegd – aanleiding bestaat bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd. De rechtbank zal derhalve een vrijheidsstraf van 20 jaar opleggen.

9 Het beslag
De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank zal beslissen omtrent de inbeslaggenomen voorwerpen als aangegeven op de aan deze uitspraak als bijlage 2 gehechte lijsten B, C en D van inbeslaggenomen voorwerpen.

Lijst B bevat in het onderzoek 13Moer een aantal op de plaats delict en op het huisadres van verdachte inbeslaggenomen voorwerpen, alsmede een inbeslaggenomen tapijttegel.
Deze voorwerpen moeten volgens de vordering van de officier van justitie bewaard worden tot na het onherroepelijk worden van het vonnis.

Lijst C bevat een opsomming van 23 goederen, inbeslaggenomen in het onderzoek 13Moer en 13Mathaak. De officier van justitie vordert de teruggave van een aantal op die lijst aangegeven inbeslaggenomen goederen danwel het bewaren van een aantal inbeslaggenomen voorwerpen voor de rechthebbende.

Lijst D: betreft het onderzoek ‘Brandkranen’ en bevat 10 voorwerpen die in beslag zijn genomen. De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwerpen 1 en 2 teruggegeven worden aan de aangevers (Scala VVE en Eigen Huis). De voorwerpen 3 tot en met 10 moeten verbeurd worden verklaard.

Hetgeen ten aanzien van het beslag gevorderd is, is niet betwist.
De rechtbank zal beslissen overeenkomstig de vordering, met inachtneming van de mogelijkheden die artikel 353 Sv hiertoe aan de rechtbank biedt.

Dat betekent het volgende.
Lijst B:
De op lijst B genoemde goederen worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende. Op die manier blijven deze voorwerpen ter beschikking van de officier van justitie totdat in de strafzaak 13Moer onherroepelijk zal zijn beslist.

Lijst C:
de onder 1, 2, 3, 17 tot en met 21 en 23 genoemde voorwerpen worden teruggegeven aan verdachte.
de voorwerpen 4 tot en met 10, 11, 12, 18 en 22 worden bewaard voor de rechthebbende.
Het voorwerp met nummer 13 gaat retour naar de nabestaanden van het slachtoffer in het onderzoek 13Moer.

Lijst D:
De inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen, te weten: de op lijst D onder 3 tot en met 10 genoemde voorwerpen, die aan verdachte toebehoren, moeten verbeurd verklaard worden en zijn daarvoor ook vatbaar, omdat die voorwerpen tot het begaan van de in de strafzaak met parketnummer 13/701263-16 (“Brandkranenonderzoek”) bewezen geachte feiten zijn bestemd.

De onder 1 en 2 genoemde voorwerpen zullen worden teruggegeven aan de respectievelijke eigenaars: Scala VVE en Eigen Huis.

10
10. Ten aanzien van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel


13Moer.

Ten aanzien van de gevorderde immateriële schade:

De benadeelde partijen [naam weduwe] , [naam dochter 3] , [naam dochter 2] en [naam dochter 1] , allen vertegenwoordigd door mr. M.M.P.M. Lousberg, advocaat te Amsterdam, en [naam zoon] , vertegenwoordigd door mr. M.S. Kat, eveneens advocaat te Amsterdam, hebben verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens gestelde affectieschade en shockschade.

De rechtbank zal eerst de vorderingen met betrekking tot affectieschade en shockschade bespreken, en daarna per benadeelde partij de overige vorderingen tot schadevergoeding.
De rechtbank overweegt als volgt.

Affectieschade:

Door het overlijden van [slachtoffer] moeten de benadeelde partijen hun echtgenoot en vader missen. Het verdriet en leed dat zij hierdoor ondervinden is groot en reëel, maar komt niet voor vergoeding in aanmerking. In het huidige Nederlandse recht is de mogelijkheid voor vergoeding van immateriële schade ten aanzien van het verlies van een dierbare zeer beperkt. Alleen schade bedoeld in artikel 6:106, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek, zoals onder andere de shockschade, kan onder omstandigheden voor vergoeding in aanmerking komen. Affectieschade valt daar niet onder.

Op 10 april 2018 is het wetsvoorstel dat voorziet in de vergoeding van affectieschade door de Eerste Kamer der Staten-Generaal met algemene stemmen aangenomen. Met dit voorstel krijgen nabestaanden van overleden slachtoffers en naasten van slachtoffers met ernstig en blijvend letsel als gevolg van bijvoorbeeld een verkeersongeluk, medische fout, bedrijfsongeval of geweldsmisdrijf recht op vergoeding. Het wetsvoorstel zal per 1 januari 2019 in een wet worden opgenomen

Namens eerder genoemde benadeelde partijen is bepleit dat de rechtbank vooruit zal lopen op de aanstaande wetswijziging en dat de verzochte vergoeding voor affectieschade zal worden toegewezen. Daartoe is aangevoerd dat het wetsvoorstel door de Eerste en Tweede Kamer is aangenomen en dat bovendien de implementatietermijn waarbinnen de Europese richtlijn 2012/29/EU 5 in een wet moet worden opgenomen, is verstreken. Door het verstrijken van deze termijn heeft de richtlijn geldigheid gekregen, zo is aangevoerd.

Dat de Eerste Kamer het wetsvoorstel Vergoeding van affectieschade op 10 april 2018 heeft aangenomen, maakt niet dat de verzochte vergoeding voor affectieschade kan worden toegewezen. Het wetsvoorstel zal enkel en alleen van toepassing zijn voor (nabestaanden van) slachtoffers van feiten die zijn gepleegd na inwerkingtreding van de wet. Oftewel, zelfs als de rechtbank zou anticiperen op de in werking te treden wet, dan nóg zouden de nabestaanden niet in aanmerking komen voor een vergoeding van affectieschade. Immers, het feit waarvoor zij een vergoeding verzoeken is gepleegd op 15 maart 2016. Dit maakt ook dat de nabestaanden zich niet op de Richtlijn 2012/29/EU kunnen beroepen. De wetgever heeft immers reeds een keuze gemaakt over de wijze waarop de Richtlijn zal worden geïmplementeerd en heeft daar ook de nodige vrijheid in. De wetgever heeft er expliciet voor gekozen om geen overgangsrecht in de wet op te nemen en tot aan het moment van inwerkingtreding van de wet zal dan ook geen affectieschade kunnen worden gevorderd (althans een dergelijke vordering niet worden toegewezen), omdat een vordering daartoe pas op het moment van inwerkingtreding kan ontstaan. Het gaat de rechtsvormende taak van de rechter te buiten om dit op een andere wijze te beoordelen. De benadeelde partijen zullen ten aanzien van de vorderingen tot vergoeding van affectieschade dan ook, anders dan de officier van justitie heeft gevorderd, niet-ontvankelijk worden verklaard. De rechtbank verwijst naar haar eerdere oordeel hieromtrent (uitspraak van 9 mei 2018. ECLI:RBAMS:2018:3222).

Shockschade:

Genoemde benadeelde partijen, met uitzondering van [naam dochter 3] , hebben tevens verzocht om immateriëleschadevergoeding met betrekking tot shockschade.

Shockschade is geestelijk letsel dat men oploopt door een schokkende gebeurtenis, waarbij de shock dermate ernstig is dat deze leidt tot aantasting van de gezondheid, hetgeen in het algemeen slechts het geval zal zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 9 oktober 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BI8583) opnieuw de voorwaarden vastgesteld waaronder een beroep op vergoeding van shockschade kan slagen6. De benadeelde partij die recht meent te hebben op vergoeding van shockschade moet als derde rechtstreeks geconfronteerd zijn met het ongeval/het misdrijf of de ernstige gevolgen daarvan en deze confrontatie moet bij die derde een hevige schok teweeg hebben gebracht. Dit is de zogenaamde ‘confrontatiedrempel’.
Daarnaast moet sprake zijn van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld.

[naam dochter 2] is direct na het overlijden van haar vader met haar moeder naar de fietsenwinkel gegaan. De plaats delict was afgezet maar zij konden naar binnen kijken. Later die dag zijn zij op de hoogte gebracht onder welke omstandigheden [slachtoffer] in zijn fietsenwinkel is aangetroffen waardoor zij zich direct een heftig beeld konden vormen. Bij het afscheid nemen hebben zij een deel van de verwondingen gezien. Doordat de zaak veel aandacht trok in de media werden moeder en dochter doorlopend geconfronteerd met de details van hoe hun echtgenoot en vader om het leven is gekomen. Zij hebben alle zittingen, waaronder de pro forma zittingen, bijgewoond en de omstandigheden waaronder [slachtoffer] om het leven is gebracht kwamen veelvuldig ter sprake. Zij hebben uitgebreid inzage gehad in het dossier. Dit laatste geldt overigens ook voor [naam dochter 1] .

De rechtbank begrijpt dat de gewelddadige dood van [slachtoffer] dramatische gevolgen heeft voor zijn weduwe en kinderen en dat zijn gemis elke dag weer verdriet veroorzaakt. Maar voor de toekenning van shockschade gelden strenge vereisten en in het geval van de weduwe [naam weduwe] , en dat van haar dochters wordt de confrontatiedrempel niet gehaald. Zij zijn niet rechtstreeks, bijvoorbeeld door aanwezigheid ter plaatse op het moment dat het misdrijf plaats vond of onmiddellijk daarna, geconfronteerd met het misdrijf of de ernstige gevolgen daarvan, zoals bedoeld in het hiervoor genoemde arrest.

De rechtbank beoordeelt dit anders ten aanzien van [naam zoon] .

[naam zoon] vordert een vergoeding voor immateriële schade, te weten shockschade ter hoogte van € 100.000,-
Ter zitting is de vordering met betrekking tot de gestelde immateriële schade gewijzigd. Deze betreft nu een vergoeding voor shockschade ter hoogte van € 50.000,- en een vergoeding voor affectieschade ter hoogte van eveneens € 50.000,- De shockschade acht de officier van justitie toewijsbaar tot een bedrag van € 25.000,-.

De raadsman heeft aangevoerd dat de gevorderde vergoeding voor shockschade onderbouwing mist. Uit de overgelegde verklaring van de psychologen Turk en Runderkamp blijkt niet dat het ziektebeeld uit de schok voortvloeit. Er blijkt niet van enig verband met de directe confrontatie.
Op basis van de rapportage van de psychologen Turk en Runderkamp stelt de rechtbank echter vast dat [naam zoon] lijdt aan een psychisch erkend ziektebeeld (PTSS, met herbeleving) dat is ontstaan door directe confrontatie met het misdrijf en de zeer ernstige gevolgen daarvan. [naam zoon] heeft zijn vader dodelijk verwond aangetroffen op de vloer van zijn winkel, heeft alarm geslagen en vergeefs geprobeerd zijn vader te reanimeren.
De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij in aanmerking komt voor de vergoeding van shockschade maar zal deze, gelet op wat gebruikelijk is in vergelijkbare zaken, matigen tot een bedrag van € 25.000,-.

De benadeelde partij [naam weduwe] , echtgenote/weduwe van [slachtoffer]

De benadeelde partij [naam weduwe] heeft ter zitting van 17 april 2018 haar op 29 november 2017 ingediende vordering schriftelijk gewijzigd/aangevuld. Deze wijziging/aanvulling draagt eveneens de datum 29 november 2017.

De benadeelde partij vordert een totaal aan € 49.281,02 aan materiëleschadevergoeding en
€ 35.000,- aan immateriële schadevergoeding (€ 15.000,- shockschade en € 20.000,- affectieschade), te vermeerderen met de wettelijke rente en onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Zoals hiervoor overwogen zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard voor wat betreft de verzochte vergoeding voor immateriële schade (affectieschade en shockschade).

De gestelde materiële schade bestaat uit:
gederfd levensonderhoud € 43.994,-
kosten berekening schade door Laumen Expertise BV € 1.576,97
reiskosten i.v.m. behandeling strafzaak 1e aanleg € 121,30
toekomstige reiskosten hoger beroep € 75,-
kosten lijkbezorging (vliegtickets Turkije voor haarzelf en dochters) € 1.000,-
gedenkteken graf Turkije € 1.389,01
kosten therapie en medicatie (niet vergoed) € 1.124,74
TOTAAL € 49.281,02

De officier van justitie heeft gevorderd dat de kosten voor gederfd levensonderhoud, de kosten voor de schadeberekening, de vergoeding voor shockschade en de overige posten voor vergoeding in aanmerking komen, met uitzondering van de post ‘toekomstige reiskosten hoger beroep’.

De raadsman van verdachte heeft in het bijzonder verweer gevoerd tegen de verzochte vergoeding voor gederfd levensonderhoud. Zijn betoog komt er – kort samengevat – op neer dat mevrouw [naam weduwe] financieel beter af is indien zij een bijstandsuitkering aanvraagt in plaats van het gederfde levensonderhoud op verdachte te verhalen. Indien zij een uitkering aanvraagt, beperkt zij de gestelde materiële schade die voortvloeit uit het gederfde levensonderhoud.
Voor het overige is de vordering ten aanzien van de materiële schade niet betwist.
Subsidiair heeft de raadsman verzocht in de gelegenheid te worden gesteld een eigen rapportage ter berekening van de kosten voor gederfd levensonderhoud op te laten maken.

Oordeel rechtbank materiëleschadevergoeding
De rechtbank stelt vast dat aan [naam weduwe] door het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht.

Zij is met de officier van justitie van oordeel dat deze posten voor toewijzing in aanmerking komen, met uitzondering van de verzochte vergoeding voor reiskosten die pas zullen worden gemaakt indien tegen het vonnis een rechtsmiddel wordt ingesteld. De vordering met betrekking tot dit gedeelte zal niet-ontvankelijk worden verklaard. De vordering voor reiskosten in eerste aanleg komt als proceskosten voor vergoeding in aanmerking.

Wat de vergoeding voor gederfd levensonderhoud betreft is de rechtbank van oordeel dat deze voldoende is onderbouwd en voor vergoeding in aanmerking kan komen. Het mag zo zijn dat een bijstandsuitkering op de lange duur enig financieel voordeel zou kunnen opleveren, de raadsman gaat er aan voorbij dat een bijstandsuitkering wordt toegewezen onder bepaalde, bindende voorwaarden zoals een sollicitatieplicht, een arbeidsverplichting en een beperking waar het bijvoorbeeld de duur van een vakantiereis betreft. Dat de benadeelde partij, voor wie de kansen op de arbeidsmarkt niet heel gunstig zullen zijn, niet kiest voor een bijstandsuitkering met dergelijke beperkingen is goed voorstelbaar. En even goed voorstelbaar is haar streven om de materiële schade die verdachte haar heeft aangedaan door de kostwinner van het gezin om het leven te brengen, op verdachte te verhalen en geen beroep te doen op de algemene middelen. Het staat overigens ook nog niet vast dat zij in aanmerking komt voor een bijstandsuitkering. In geval zij aanspraak kan maken op een vergoeding voor inkomstenderving van verdachte zal zij mogelijk geen bijstandsuitkering ontvangen.

Het verzoek om gelegenheid te krijgen een eigen onderzoek in te laten stellen naar de gestelde hoogte van het gederfd levensonderhoud zal worden afgewezen.
Het verzoek is tardief gedaan.
De raadsman kent de vordering al geruime tijd en noch hij noch zijn kantoorgenoot heeft op enig eerder moment melding gemaakt van zijn wens om een tegenonderzoek te laten plaatsvinden. Dat de berekening van het expertisebureau Loumen Expertise BV niet correct zou zijn, is niet aangevoerd. De rechtbank heeft ook ambtshalve geen aanleiding om de expertise van dit bureau in twijfel te trekken en ziet geen noodzaak om een tweede deskundige het gederfd levensonderhoud te laten berekenen.

De rechtbank concludeert dat de vordering tot materiële schadevergoeding tot een bedrag van in totaal € 49.084,72 (negenenveertigduizend vierentachtig euro en tweeënzeventig cent) zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal voorts de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer [naam weduwe] , naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen geachte feit is toegebracht.
De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 49.084,72 (negenenveertigduizend vierentachtig euro en tweeënzeventig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

De benadeelde partij [naam dochter 2] , dochter van [slachtoffer]

De benadeelde partij [naam dochter 2] heeft ter zitting van 17 april 2018 haar op 29 november 2017 ingediende vordering schriftelijk gewijzigd/aangevuld. Deze wijziging/aanvulling draagt eveneens de datum 29 november 2017.

De benadeelde partij vordert een totaal aan € 990,02 aan materiëleschadevergoeding en
€ 32.500,- aan immateriëleschadevergoeding (€ 15.000,- shockschade en € 17.500,- affectieschade), te vermeerderen met de wettelijke rente en onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Zoals hiervoor overwogen zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard voor wat betreft de verzochte vergoeding voor immateriële schade (affectieschade en shockschade).

De gestelde materiële schade bestaat uit:
reiskosten in verband met behandeling in eerste aanleg € 121,80
toekomstige reiskosten hoger beroep € 75,00
communicatie SHN, recherche, advocaat € 25,00
medische kosten niet vergoed, GGZ € 768,22
TOTAAL € 990,02

De officier van justitie heeft gevorderd dat de kosten voor materiële schade in aanmerking komen voor vergoeding, met uitzondering van de post ‘toekomstige reiskosten hoger beroep’.
De rechtbank zal haar hierin volgen wat betreft de verzochte materiële schadevergoeding en deze toewijzen zoals verzocht, met uitzondering van de post ‘toekomstige reiskosten hoger beroep’. De vordering voor reiskosten in eerste aanleg komt als proceskosten voor vergoeding in aanmerking.

De raadsman heeft het verzoek om materiëleschadevergoeding niet betwist.

Oordeel rechtbank materiëleschadevergoeding
De rechtbank concludeert dat de vordering tot materiëleschadevergoeding tot een bedrag van in totaal € 793,22 (zevenhonderd drieënnegentig euro en tweeëntwintig cent) zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal voorts de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer [naam dochter 2] , naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen geachte feit is toegebracht.
De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 793,22 (zevenhonderd drieënnegentig euro en tweeëntwintig cent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

De benadeelde partij [naam dochter 1] , dochter van [slachtoffer]

De benadeelde partij [naam dochter 1] heeft ter zitting van 17 april 2018 haar op 29 november 2017 ingediende vordering, schriftelijk aangevuld/gewijzigd.
Deze aanvulling/wijziging draagt eveneens de datum 29 november 2017.

De benadeelde partij vordert € 35.000,- aan immateriëleschadevergoeding, bestaande uit
€ 20.000,- als vergoeding voor gestelde affectieschade en € 15.000,- als vergoeding voor gestelde shockschade, te vermeerderen met de wettelijke rente en onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Zoals hiervoor overwogen zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard voor wat betreft de verzochte vergoeding voor immateriële schade (affectieschade en shockschade).

De benadeelde partij [naam dochter 3] , dochter van [slachtoffer]

De benadeelde partij [naam dochter 3] heeft ter zitting van 17 april 2018 haar op 29 november 2017 ingediende vordering, waarin geen bedrag werd genoemd, schriftelijk aangevuld.
Deze aanvulling draagt eveneens de datum 29 november 2017.

De benadeelde partij vordert € 20.000,- aan immateriële schadevergoeding, bestaande uit affectieschade, te vermeerderen met de wettelijke rente en onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Zoals hiervoor overwogen zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard voor wat betreft de verzochte vergoeding voor immateriële schade (affectieschade ).

De benadeelde partij [naam zoon] , zoon van [slachtoffer] .

[naam zoon] heeft ter zitting van 17 april 2018 verklaard dat hij zijn vordering handhaaft en schadevergoeding wenst. Zijn daartoe reeds eerder ingediende schriftelijke vordering is niet gedateerd en niet door of namens hem ondertekend. Dit gebrek dat aan de schriftelijke vordering kleeft is met zijn verklaring ter zitting ondervangen.

[naam zoon] vordert € 27.911,- aan materiële schadevergoeding, bestaande uit een vergoeding voor eigen risico (€ 790,-), kosten psycholoog (€ 4.120,-), parkeren drie dagen (€ 54,-), advocaat eerste aanleg (€ 12.947,-) en advocaat hoger beroep (€ 10.000,-).

Een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente en onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Zoals hiervoor overwogen zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard voor wat betreft de verzochte vergoeding voor affectieschade en zal de vordering voor shockschade worden toegewezen tot een bedrag van € 25.000,-.

De officier van justitie heeft gevorderd dat het verzoek om vergoeding van materiële schade wordt toegewezen, met uitzondering van de kosten voor de behandeling door de psycholoog in het jaar 2019, daar deze kosten prematuur zijn opgevoerd. Hetzelfde geldt voor de kosten van de advocaat in het hoger beroep. De benadeelde partij dient in zoverre niet ontvankelijk te worden verklaard in zijn vordering.

De raadsman heeft aangevoerd dat de hoogte van de gevorderde advocaatkosten uitzonderlijk is. De advocaat van de benadeelde partij heeft geen inzicht willen geven in de financiële afspraken die zij met haar cliënt – de benadeelde partij – heeft gemaakt, noch wilde zij de vraag beantwoorden of sprake is van een uurtarief, een vast bedrag of een ander arrangement. Het betreft voorschotten. Zij heeft niet willen zeggen of het voorschot reeds geheel of gedeeltelijk verschuldigd is.
Deze proceskosten komen slechts voor vergoeding in aanmerking op basis van het liquidatietarief, aldus de raadsman.

Als reactie op dit deel van het pleidooi heeft de advocaat van [naam zoon] ter zitting een overzicht aan de rechtbank overgelegd waaruit blijkt hoeveel tijd zij sinds 13 mei 2016 aan de zaak heeft besteed en tot en met 1 juni 2018 nog zal besteden. Het totaal aantal minuten is 5265, het totaal aantal uren 87,75 tegen een uurtarief van € 200,-, zo blijkt uit dit overzicht.

Oordeel rechtbank materiëleschadevergoeding:
De rechtbank acht de gevorderde vergoeding voor eigen risico (€ 790,-) en de kosten psycholoog (€ 4.120,-) toewijsbaar.

De schadevergoeding wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

Met betrekking tot de kosten van de advocaat in eerste aanleg overweegt zij het volgende:
kosten van rechtsbijstand komen in aanmerking voor vergoeding op grond van artikel 592a van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Een redelijke uitleg van artikel 592a Sv brengt mee dat bij de begroting van deze kosten dezelfde maatstaf wordt gehanteerd als in civiele procedures.
De rechtbank zal de kosten aan de hand van het liquidatietarief in civiele zaken, uitgaande van het gevorderde bedrag aan schadevergoeding, bepalen op € 5121,- (3 punten à € 1707,-) waarbij naast 1 punt voor het indienen en 1 punt voor het toelichten van de vordering ter zitting 1 extra punt wordt toegekend in verband met het grote aantal zittingsdagen en wijst het meer gevorderde af. Verder komen de kosten om drie dagen te parkeren (€ 54,-) als proceskosten voor toewijzing in aanmerking.

Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer [naam zoon] , naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen geachte feit is toegebracht.
De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 29.910,- (negenentwintigduizend negenhonderdtien euro), bestaande uit € 4.910,- aan vergoeding voor materiële schade en
€ 25.000,- als vergoeding voor immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

13Mathaak

De vordering van de benadeelde partij [naam 1]

Materiëleschadevergoeding

[naam 1] heeft verzocht om de vergoeding van de volgende materiële schade:
aangepaste kleding (5 t-shirts) € 50,-
eigen risico over het jaar 2016 € 385,-
eigen risico over het jaar 2017 € 385,-
taxikosten € 73,-
beddengoed € 22,50
daggeldvergoeding (2 nachten ziekenhuis) € 56,-
TOTAAL € 971,50

te vermeerderen met de wettelijke rente en onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Immateriëleschadevergoeding
Daarnaast heeft hij verzocht om de vergoeding van immateriële schade ter hoogte
van € 2.820,-. Deze schade vloeit voort uit de psychische gevolgen die in het bijzonder de poging tot doodslag voor hem heeft gehad. Bij de stukken is gevoegd een verklaring van de psycholoog S. Morees van 20 februari 2017. De benadeelde partij leed aan slaapproblemen, had nachtmerries en last van concentratieproblemen. Hij leed aan schrikachtigheid en verkeerde in een sombere stemming en hij had spanningsklachten.
De benadeelde partij is onder behandeling geweest van een psycholoog en heeft een traumagerichte cognitieve gedragstherapie ondergaan nadat bij hem PTSS was vastgesteld.

De officier van justitie heeft gevorderd dat de gevraagde schadevergoeding integraal wordt toegewezen.

De raadsman heeft de materiëleschadevergoeding als ‘redelijk’ aangeduid – hetgeen de rechtbank opvat als een referte –, maar heeft verzocht de immateriëleschadevergoeding te matigen met het argument dat voor een ‘mishandeling met hoofdletsel’ doorgaans rond
de € 2.000,- aan smartengeld wordt toegekend.

Oordeel rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat het totaalbedrag aan verzochte schadevergoeding voor toewijzing in aanmerking komt.

De materiëleschadevergoeding.
De benadeelde partij heeft uitgelegd dat hij niet voor alle opgevoerde posten waarop het verzoek tot materiëleschadevergoeding betrekking heeft, een onderbouwing (kassabon) heeft.
De vordering is echter niet betwist en de opgevoerde bedragen zijn alleszins redelijk.

De immateriëleschadevergoeding
Het feit waarvan de heer [naam 1] slachtoffer is geworden is niet te kwalificeren als een eenvoudige ‘mishandeling met hoofdletsel’ maar is een regelrechte poging tot doodslag, waarbij met opzet zeer gevaarlijk letsel is toegebracht dat naast fysieke ook ernstige psychische klachten heeft opgeleverd. De rechtbank ziet geen aanleiding de hoogte van de verzochte vergoeding te matigen en zal de vergoeding voor immateriële schade toewijzen, zoals verzocht.

De schadevergoeding wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

De schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank zal de hierna te noemen schadevergoedingsmaatregel opleggen, aangezien verdachte jegens het slachtoffer [naam 1] , naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen geachte feit is toegebracht.
De rechtbank waardeert deze op een bedrag van € 3791,50 (drieduizendzevenhonderd één en negentig euro en vijftig cent), bestaande uit € 971,50 aan materiëleschadevergoeding en
€ 2.820,- aan immateriëleschadevergoeding), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment waarop het strafbare feit is gepleegd.

13/701263-16 (“Brandkranenonderzoek”) feit 2.

De vordering van de benadeelde partij Stichting spoorwegpensioenfonds / [naam vastgoed] Vastgoed.

De benadeelde partij Stichting Spoorwegpensioenfonds / [naam vastgoed] Vastgoed vordert in totaal € 4.182,01 aan materiëleschadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente. Deze vordering betreft schade die op 10 december 2015 is toegebracht aan de appartementencomplexen [adres 1] en [adres 2] te [plaats] door de diefstal van afsluitdoppen van brandkranen.

Verdachte wordt van dit feit vrijgesproken. Om die reden zal d(gebruik passage indien geheel of gedeeltelijk niet van eenvoudige aard)e benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering. Aan verdachte is voor dit feit immers geen straf of maatregel opgelegd en artikel 9a Wetboek van Strafrecht is evenmin toegepast.

11 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 33, 33a, 36f, 45, 57, 63, 287, 288, 300 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

12 Beslissing


13Moer (parketnummer 13/665279-16):
Verklaart de dagvaarding voor feit 1 partieel nietig, voor zover het de woorden ‘of strafoplegging’ betreft.

Verklaart het onder 1 primair ten laste gelegde feit niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

13Mathaak (parketnummer 13/665279-16):
Verklaart het onder 3 primair ten laste gelegde feit niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte de onder 2 primair en 3 subsidiair ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

13/701263-16 (“Brandkranenzaak”):
Verklaart de onder 1 sub d, de onder 2, 3b en onder 4 sub b, c, d en e ten laste gelegde feiten niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat verdachte de onder 1 sub a, b en c, onder 3a en onder 4 sub a, f, g en h primair ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

De bewezen verklaarde feiten leveren op:

13/665279-16 (13Moer/13Mathaak):
1 subsidiair:
doodslag, gevolgd, vergezeld of voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan dat feit, hetzij straffeloosheid hetzij het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren.

2 primair: poging tot doodslag,
3 subsidiair: mishandeling.

13/701263-16 (“Brandkranenzaak”):
1 a, b en c:
diefstal, gepleegd door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, meermalen gepleegd.

3 a, 4 a, f, g en h primair:
diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, meermalen gepleegd.

Verklaart de bewezen feiten strafbaar.

Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van twintig jaren.

Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.

Beslag:

13Moer, 13Mathaak:
Gelast bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de volgende voorwerpen die op de plaats delict, [plaats] te Amsterdam, in beslag zijn genomen:

een blauwe stofjas van slachtoffer (5156105)
een petje van slachtoffer (5154701)
een blauwe spijkerbroek + trainingsbroek (5156111)
een bruinwit gestreepte trui van slachtoffer (5156110)
een blauwe boxershort van slachtoffer (5156124)
een zwart shirt van slachtoffer (5156122)
een wit hemd (5156112)
schoenen/sokken slachtoffer (5154705)
een tapijttegel (5162511)

Gelast bewaring ten behoeve van de rechthebbende van de volgende voorwerpen die op het huisadres van verdachte [adres] te [woonplaats] , in beslag zijn genomen:

een jas (5185926)
een grijze zomerjas Replay (5185887)
een donkergrijze/blauwe jas G-star (5185808)
een licht grijze winterjas (5185885)
een grijze muts G-star (5185845)
een werkjas blauw (5185718)
witte sneakers met opdruk ‘the original trademark’(5185842).
Gelast de teruggave aan [naam weduwe] van:
13. Een mes (5154918)

Gelast de teruggave aan verdachte van:
1. Een jas (5185781)
2. Een Albert Heijntas (5193207)
3. Een bruine dolk (5185821)
17. Een oranje vest (5197442)
19. Een hamer (5208808)
20. Een bankhamer (5208812)
21. Een bankhamer (5208824)
23. Een mes in een zwart foedraal (5165068)

Gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van:

4. een jas, Hummel Sport (5159935)
5. Een Jas, Agu regenjack (5159937)
6. Een muts, fleece, (5159938)
7. Een muts/capuchon (5159940)
8. Een mes (Gemüsemesser) (5159965)
9. Een mes (5159970)
10. Een mes (5159982)
11. Een sleutel (loper), (5185795)
12. Een zaktelefoon (Samsung) (5159972)
18. Een zwart fietszadel (5186349)
22. Een mes, Solingen, met bruin houten heft, lengte lemmet 20 cm (5165075)

13/701263-16 (“Brandkranenzaak”):
Verklaart verbeurd:

3. Een sleutel (5112952)
4. Een klauwhamer (5134907)
5. Een beitel (5134908)
6. Een dop/steeksleutel (5134910)
7. Een waterpomptang (5134911)
8. Een gele betonschaar (5134912)
9. Een geel/zwarte kniptang (5134919)
10. Een kruiskopschroevendraaier (5134920)

Gelast de teruggave aan Scala VVE van een bouwkraan (5112915)

Gelast de teruggave aan Eigen Huis van zes losse kranen (5122928)

De benadeelde partijen

13Moer

[naam weduwe]

Wijst de vordering van [naam weduwe] , wonende te [woonplaats] , toe tot € 49.084,72 (negenenveertigduizend vierentachtig euro en tweeënzeventig cent) bestaande uit materiëleschadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (15 maart 2016) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [naam weduwe] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op
€ 121,30.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [naam weduwe] aan de Staat € 49.084,72 (negenenveertigduizendvierentachtig euro en tweeënzeventig cent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (15 maart 2016) tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 195 dagen.
De toepassing van die hechtenis heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in haar vordering. Zij kan deze bij de civiele rechter aanbrengen.

De rechtbank wijst het verzoek om een nader onderzoek naar de berekening van de kosten van gederfd levensonderhoud af.

[naam dochter 2]

Wijst de vordering van [naam dochter 2] , wonende te [woonplaats] , toe tot € 793,22 (zevenhonderd drieënnegentig euro en tweeëntwintig cent), bestaande uit materiëleschadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (15 maart 2016) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [naam dochter 2] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op € 121,80.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [naam dochter 2] aan de Staat € 793,22 (zevenhonderd drieënnegentig euro en tweeëntwintig cent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (15 maart 2016) tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 13 dagen.
De toepassing van die hechtenis heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in haar vordering. Zij kan deze bij de civiele rechter aanbrengen.

[naam dochter 1]

Bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering met betrekking tot shockschade en affectieschade. Zij kan deze bij de civiele rechter aanbrengen.

[naam dochter 3]

Bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering met betrekking tot affectieschade. Zij kan deze bij de civiele rechter aanbrengen.

[naam zoon]

Wijst de vordering tot materiëleschadevergoeding van [naam zoon] , wonende te [woonplaats] , toe tot € 4.910,- (vierduizend negenhonderd tien euro).

Wijst de vordering tot immateriëleschadevergoeding van [naam zoon] , wonende te [woonplaats] , toe tot € 25.000,- (vijfentwintig duizend euro).

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag, totaal € 29.910,- (negenentwintigduizend negenhonderd tien euro) aan [naam zoon] voornoemd, bestaande uit € 4.910,- aan materiëleschadevergoeding en € 25.000,- aan immateriëleschadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (15 maart 2016) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op € 5.175,- .

Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in zijn vordering. Hij kan deze bij de civiele rechter aanbrengen.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [naam zoon] aan de Staat € 29.910,- negenentwintigduizend negenhonderd tien euro) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (15 maart 2016) tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 126 dagen.
De toepassing van die hechtenis heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

13Mathaak
[naam 1]

Wijst de vordering van [naam 1] , wonende te [woonplaats] , toe tot een bedrag van € 3.791,50 (drieduizendzevenhonderd éénennegentig euro en vijftig cent), bestaande uit € 971,50 aan materiëleschadevergoeding en € 2.820,- aan immateriëleschadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (19 januari 2016) tot aan de dag van de algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [naam 1] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.


Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [naam 1] € 3.791,50 (drieduizendzevenhonderd éénennegentig euro en vijftig cent) aan de Staat te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade, 19 januari 2016, tot aan de dag van de algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal wordt deze betalingsverplichting door hechtenis van 31 dagen vervangen.
De toepassing van die hechtenis heft de hiervoor opgelegde verplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

13/701263-16 (“Brandkranenzaak”), feit 2

Bepaalt dat de benadeelde partij Stichting Spoorwegpensioenfonds / [naam vastgoed] Vastgoed niet-ontvankelijk in haar vordering is. Zij kan deze bij de civiele rechter aanbrengen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.A. Spoel, voorzitter,
mrs. J.H.J. Evers en C.P. Bleeker, rechters,
in tegenwoordigheid van L.C. Werkman, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 31 mei 2018.

1 ECLI:NL:GHARL:2014:839

2 ECLI:NL:GHDHA:2015:3615

3 ECLI:NL:RBUTR:2012:BY7103

4 ECLI:NL:GHSHE:2018:130

5 Richtlijn 2012/29/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten, en ter vervanging van Kaderbesluit 2001/220/JBZ Bovenkant formulier Onderkant formulier

6 Zie ook ECLI:NL:HR:2002:AD5356 van 22 februari 2002 (het ‘taxibus arrest’)