Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:3640

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
20-04-2018
Datum publicatie
18-06-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 6619
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Parkeerbelasting. Onderscheid a-belasting (betaald parkeren) en b-belasting (parkeervergunning). De twee zijn niet uitwisselbaar of verrekenbaar. Als niet aan de voorwaarden van parkeervergunning is voldaan, dan moet de a-belasting worden betaald.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 17/6619

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 april 2018 in de zaak tussen

[eiser] , te Amsterdam, eiser

(gemachtigde: mr. G.A.A. de Josselin),

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Amsterdam, verweerder

(gemachtigde: mr. H. Oderkerk).

Procesverloop

Op 7 september 2017 heeft verweerder aan eiser een naheffingsaanslag parkeerbelasting (de naheffingsaanslag) opgelegd.

Met de uitspraak op bezwaar van 3 oktober 2017 (de bestreden uitspraak) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen de bestreden uitspraak beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 februari 2018. Eiser is niet verschenen. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser heeft op 2 september 2017 zijn auto met [kenteken 1] verkocht en heeft bij de dealer een auto met [kenteken 2] gekocht. De auto van eiser met [kenteken 2] , stond op 4 september 2017 om 14:56 uur geparkeerd ter hoogte van de [straat] in Amsterdam. Bij de controle heeft de parkeercontroleur van de gemeente Amsterdam geconstateerd dat voor de auto geen geldig parkeerbewijs was geregistreerd. De heffingsambtenaar heeft daarom een naheffingsaanslag opgelegd ter hoogte van € 41,10.

2. Eiser betwist dat de naheffingsaanslag op goede gronden is opgelegd. Hij stelt - samengevat – dat hij met een parkeervergunning heeft geparkeerd, dat betaling voor de parkeervergunning heeft te gelden als betalen voor straatparkeren en dat hij anders onverschuldigd heeft betaald voor de parkeervergunning.
Verweerder wil de aanslag handhaven, want eiser heeft ten onrechte niet betaald voor het parkeren.

3. Op grond van de Verordening1 worden er twee belastingen geheven onder de naam parkeerbelastingen:

a. een belasting ter zake van het parkeren van een voertuig op een plaats, tijdstip en wijze als bij de Verordening is bepaald (de zogenaamde betaaldparkerenbelasting),

b. een belasting ter zake van een van gemeentewege verleende vergunning voor het parkeren van een voertuig op de in die vergunning aangegeven plaats en wijze (de zogenaamde parkeervergunningbelasting).

4. De betaaldparkerenbelasting is verschuldigd op de door de Verordening aangewezen plaatsen en tijdstippen tegen tarieven die genoemd zijn in de Tarieventabel behorende bij de Verordening. Tussen partijen is niet in geschil dat het voertuig van eiser op de onder 1. genoemde plaats en tijd geparkeerd stond en dat men voor het parkeren op die plaats en tijd in beginsel de betaaldparkerenbelasting verschuldigd is. De betaaldparkerenbelasting is op die plaats en tijd alleen dan niet verschuldigd als wordt geparkeerd met een geldige parkeervergunning.2

5. Indien niet wordt voldaan aan de voorschriften die aan de parkeervergunning zijn verbonden, is geen sprake van parkeren met die vergunning.3 Een van de voorschriften is dat een parkeervergunning uitsluitend geldig is voor het parkeren van het motorvoertuig waarvan het kenteken is vermeld op de vergunning of in het digitale parkeerbelastingbestand.4

6. Op 4 september 2017 beschikte eiser over een parkeervergunning, maar deze parkeervergunning stond op het moment van het opleggen van de naheffingsaanslag niet geregistreerd in het digitale parkeerbelastingbestand op het [kenteken 2] (het kenteken van het voertuig waarmee was geparkeerd), maar op het [kenteken 1] . Eiser voldeed dus niet aan de vereisten uit de Parkeerverordening die verbonden zijn aan de parkeervergunning en dus was er geen sprake van parkeren met een vergunning. Dit betekent dat eiser op 4 september 2017 voor het parkeren op die plaats de betaaldparkerenbelasting verschuldigd was.5

7. Eiser stelt dat hij belasting heeft betaald voor de parkeervergunning en dat er dus op grond van artikel 20 van de Awr6 geen ruimte meer is voor het opleggen van een naheffingsaanslag voor de betaaldparkerenbelasting.

Dit betoog wordt verworpen. De betaaldparkerenbelasting en de parkeervergunningbelasting zijn twee te onderscheiden (parkeer)belastingen, wat tot gevolg heeft dat de ene belasting niet verrekend kan worden met de andere, nu daar geen wettelijke grondslag voor is. Artikel 20 van de Awr staat dus niet aan het opleggen van een naheffingsaanslag in de weg, omdat eiser de verschuldigde betaaldparkerenbelasting niet heeft voldaan en -anders dan hij stelt- ook niet heeft voldaan door betaling van de parkeervergunningbelasting.

8. Eiser heeft vervolgens gesteld dat als hij voor het parkeren de betaaldparkerenbelasting verschuldigd is, terwijl hij beschikt over een parkeervergunning, er sprake is van onverschuldigde betaling van de parkeervergunningbelasting. Dit betoog faalt reeds omdat het belastbaar feit waarvoor eiser parkeervergunningbelasting heeft betaald, het verlenen van de parkeervergunning is en niet het parkeren van het voertuig, zoals eiser kennelijk veronderstelt. Nu het belastbaar feit inzake de parkeervergunning zich heeft voorgedaan - er is een parkeervergunning verleend - is er geen sprake van onverschuldigde belastingbetaling. Dat eiser in het onderhavige geval geen gebruik van deze vergunning heeft kunnen maken met zijn nieuwe auto, omdat hij de voorschriften ervan (nog) niet had nageleefd, doet daar niet aan af.

9. Eiser heeft tot slot aangevoerd dat hij in de bezwaarschriftenprocedure ten onrechte niet is gehoord.
Ook deze stelling wordt verworpen. In belastingzaken als de onderhavige wordt een belanghebbende gehoord op zijn verzoek7. Uit de gedingstukken blijkt niet dat eiser in de bezwaarschriftprocedure heeft verzocht om gehoord te worden. Het beroep op schending van de hoorplicht slaagt daarom niet.

10. Nu eiser niet heeft voldaan aan de vereisten voor het parkeren met parkeervergunning en ook de verschuldigde betaaldparkerenbelasting niet heeft betaald, concludeert de rechtbank dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd.

11. Het beroep van eiser is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat bij die uitkomst geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.J. Harten, rechter, in aanwezigheid van N.A.H. Kosters, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 april 2018.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Amsterdam.

1 Artikel 1 van de Verordening Parkeerbelastingen 2017 van de gemeente Amsterdam (hierna: de Verordening) .

2 Artikel 3 van de Verordening.

3 Vergelijk het arrest van de Hoge Raad van 17 december 1997 gepubliceerd onder nummer ECLI:NL:HR:1997:AA3336 en de in noot 5. genoemde uitspraak.

4 Artikel 36, tweede lid, onder a, van de Parkeerverordening 2013 gemeente Amsterdam (hierna: de Parkeerverordening).

5 Vergelijk de uitspraak van het Gerechtshof ‘s-Gravenhage (ECLI:NL:GHSGR:2009:BJ6144)

6 Artikel 20, eerste lid, eerste zin, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen luidt: “Indien belasting die op aangifte behoort te worden voldaan of afgedragen, geheel of gedeeltelijk niet is betaald, kan de inspecteur de te weinig geheven belasting naheffen.”

7 Artikel 25, eerste lid, van de Awr.