Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:3624

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
21-02-2018
Datum publicatie
07-06-2018
Zaaknummer
C/13/641639 / HA RK 3.2018
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Verzoek afgewezen. Het bezwaar gericht tegen een in het van de behandeling opgemaakte proces-verbaal opgenomen beschrijving van wat er is gezegd over een brief uit 2005, kan zonder nadere toelichting geen zelfstandige grond voor wraking vormen. Onvoldoende is de stelling dat de omschrijving onjuist is. Bovendien zijn de door verzoekster tegen de inhoud van het proces-verbaal geuite bezwaren aan het dossier toegevoegd. Het verzoek bestaat verder grotendeels uit inhoudelijke bezwaren tegen het door de rechter gewezen tussenvonnis en de motivering daarvan. Deze tussenbeslissing is, mede gelet op de motivering daarvan, niet onbegrijpelijk, laat staan dat die beslissing dermate onbegrijpelijk is dat daarvoor redelijkerwijs geen andere verklaring is te geven dan dat die beslissing door vooringenomenheid bij de rechter zijn ingegeven. De grond die berust op een door verzoekster gedaan verzoek om uitstel mist feitelijke grondslag nu vast staat dat nog niet op dat verzoek is beslist. De door verzoekster genoemde nevenfunctie van de rechter biedt zonder nadere toelichting, die niet is gegeven, onvoldoende grond voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

wrakingskamer

Beslissing op het op bij brief van 9 januari 2018 gedane en onder rekestnummer

C/13/641639 / HA RK 3.2018 ingeschreven verzoek van:

STICHTING WOONZORG NEDERLAND,

gevestigd te Noord-Beveland,

verzoekster,

gemachtigde mr. D. de Vries, advocaat te Amsterdam,

welk verzoek strekt tot wraking van mr. J.M. Bockwinkel, hierna: de rechter.

1 Verloop van de procedure

1.1.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de navolgende processtukken:

 het verzoekschrift met als bijlagen:

1. een proces-verbaal van een op 14 september 2017 ten overstaan van de rechter gehouden comparitie van partijen;

2. een door de rechter gewezen (tussen)vonnis d.d. 29 november 2017;

 een schriftelijke toelichting van de rechter.

1.2.

De rechter heeft niet in de wraking berust.

1.3.

Het verzoek is behandeld ter openbare terechtzitting van 21 februari 2018 waar aanwezig waren: [ ] namens verzoekster, de gemachtigde van verzoekster en de rechter. De gemachtigde van verzoekster heeft het verzoek nader toegelicht aan de hand van een door hem overgelegde pleitnota. De rechter heeft haar zienswijze gegeven. Hierna is de behandeling ter zitting gesloten. Na beraad heeft de wrakingskamer aansluitend mondeling uitspraak gedaan. Deze beslissing vormt daarvan de schriftelijke uitwerking.

2 De feiten

2.1.

Verzoekster is gedaagde in een bij de rechtbank onder zaaknummer [zaaknummer] aanhangige procedure. De zaak is in behandeling bij de rechter.

2.2.

In deze zaak is heeft op 14 september 2017 een comparitie van partijen plaatsgevonden.

2.3.

Op 29 november 2017 is tussenvonnis gewezen waarbij - samengevat - aan verzoekster een bewijsopdracht is gegeven; verzoekster is opgedragen om op de rol van 27 december 2017 bij akte relevante (financiële) gegevens over te leggen; zich uit te laten over de vraag of zij bewijs (mede) wil leveren door het overleggen van andere bewijsstukken, door het horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel; opgave te doen van verhinderdata van partijen indien zij getuigen wenste te laten horen en zich bij akte uit te laten over de vraag of boekwinst is behaald ter zake de verkoop 2004 en de verkoop 2012 en zo ja, hoeveel. Verder is bepaald dat de zaak weer op de rol zat komen van 10 januari 2018 voor uitlating door eiseres bij antwoordakte over de vraag of boekwinst is behaald ter zake de verkoop 2004 en de verkoop 2012 en zo ja, hoeveel, en is iedere verdere beslissing aangehouden.

2.3.

Bij brief van 21 december 2017 heeft verzoekster de rechter verzocht om tussentijds in hoger beroep te mogen gaan dan wel om uitstel van drie maanden te verkrijgen. De eisende partij heeft bij brief van 27 december 2017 op dit verzoek gereageerd.

2.4.

Op 27 december 2017 is in het roljournaal de melding verschenen dat verzoekster zich op de rol van 10 januari 2018 moest uitlaten over de enquête.

2.5.

Op de rolzitting van 10 januari 2018 heeft verzoeker wraking van de rechter verzocht waarna de behandeling van de procedure is geschorst.

3 Het verzoek en de gronden daarvan

3.1.

Het verzoek berust samengevat op de volgende gronden. Uit het proces-verbaal van de zitting van 14 september 2017 alsmede uit het tussenvonnis d.d. 29 november 2017 blijkt een bevooroordeeldheid ten nadele van verzoekster. In het proces-verbaal staat dat verzoekster tijdens de comparitie zou hebben gezegd dat de brief uit 2005 “heel onhandig” zou zijn gegaan. Dat is onjuist. Verzoekster heeft aangegeven dat de inhoud van de brief misschien niet handig is geweest omdat die tot discussie kon leiden.

3.2.

In rechtsoverweging 4.11 van het vonnis oordeelt de rechter dat verzoekster aan haar verweer ten aanzien van artikel 6:89 BW niet meer ten grondslag heeft gelegd dan het tijdsverloop. Dat is onjuist. Ter zitting heeft verzoekster aangegeven dat doordat eiseres niet tijdig heeft geklaagd, verzoekster nu onevenredig in haar bewijspositie wordt geschaad. Immers het bewaren van documenten die ouder zijn dan 10 jaar is niet gebruikelijk. Echter, naarmate de tijd verstrijkt is het de vraag of verzoekster nog kan bewijzen wat zij moet bewijzen. Dat verzoekster dit heeft aangevoerd blijkt (enigszins) uit het proces-verbaal van de comparitie. Het is dan ook onbegrijpelijk dat de rechter daar geen aandacht aan heeft besteed.

3.3.

Uit rechtsoverweging 4.18 en verder van het vonnis blijkt dat de rechter eiseres blind volgt wanneer wordt gesteld dat verzoekster zich schuldig heeft gemaakt aan opzettelijk en doelbewust misleidende mededelingen. Eiseres had tot dan toe alleen aangevoerd dat zij reden had te twijfelen aan de juistheid van verklaringen van verzoekster, zonder dat eiseres heeft aangegeven waarom zij reden had te twijfelen. Op basis van deze “twijfels” en “vermoedens” heeft de rechter de rechtsgronden aangevuld door te verwijzen naar artikel 3:320 en verder terwijl de rechter eerst eiseres had moeten opdragen aannemelijk te maken dat sprake was van “doelbewust en opzettelijk” handelen van verzoekster. Althans de rechter had in haar vonnis dienen aan te geven welke - niet door verzoekster betwiste of weerlegde - feiten en omstandigheden dit vermoeden rechtvaardigden. Daar komt nog bij dat de rechter geen enkele aandacht heeft besteed aan het verweer van verzoekster op dit punt.

3.4.

In het tussenvonnis is niet ingegaan op een door verzoekster bij akte gedaan verzoek om tussentijds beroep toe te staan tegen een oordeel inzake de toepasselijkheid van de ‘Aanvullende Overeenkomst’ in gevallen die niet kwalificeren als ‘uitponden’.

3.5.

Verzoekster is met haar rechtsopvolger een overeenkomst met voorwaarden aangegaan. Om te voorkomen dat door de rechtsopvolger zomaar onroerend goed werd verkocht aan derden zonder rekening te houden met boekwinst, is in de overeenkomst opgenomen dat elke verkoop aan verzoekster en/of eiseres gemeld moest worden. Dit is gedaan juist om te kunnen beoordelen of er sprake is van ‘uitponding’ of niet. In het tussenvonnis is de rechter hier helemaal aan voorbij gegaan

3.6.

Verzoekster heeft in de procedure onbetwist gesteld dat boekwinst niet een eenduidig begrip is in dit verband. Dat hangt samen met de wijze waarop een toegelaten instelling het onroerend goed dient te waarderen. Desalniettemin heeft de rechter, zonder dit nader te motiveren, verzoekster opgedragen alle stukken te verstrekken die kunnen leiden tot antwoord op de vraag of boekwinst is gemaakt. Zonder dat eerst is vastgesteld op welke wijze de boekwinst dient te worden bepaald, kan verzoekster niet aan de bij tussenvonnis gegeven opdracht voldoen om alle relevante (financiële) gegevens over te leggen op grond waarvan kan worden overgegaan tot vaststelling van de (eventueel) gerealiseerde boekwinst.

3.7.

Verzoekster heeft bij brief d.d. 21 december 2017 aangegeven dat het voor haar feitelijk onmogelijk is om de betreffende gegevens aan te voeren. Verzoekster heeft gevraagd om een uitstel van enkele maanden. Desondanks heeft de rechter, zonder dit nader te motiveren, dit verzoek naast zich neergelegd.

3.8.

Daarbij is het verzoekster bekend geworden dat de rechter een nevenfunctie heeft bij een zorginstelling, zij is namelijk lid van de Raad van commissarissen van UVA Minds. Hierdoor bestaat nog meer de indruk dat de rechter zich te veel identificeert met de belangen van eiseres, ook een zorginstelling.

3.9.

Het elke keer niet of niet juist noemen van het verweer van verzoekster dan wel het niet ingaan op dit verweer maakt dat verzoekster meent dat sprake is van zodanige mate van partijdigheid die een objectieve uitspraak in de weg staat of kan staan. Zeker wanneer de rechter de standpunten van eiseres zelfstandig aanvult.

4 De reactie van de rechter

4.1.

De rechter heeft allereerst opgemerkt dat zij het betreurt dat bij verzoekster de idee is ontstaan dat haar geen recht is of zal worden gedaan. De rechter heeft daarnaast aandacht gevraagd voor de datum waarop het wrakingsverzoek is ingediend. Op grond van artikel 37 lid 1 Rv wordt het verzoek gedaan zodra de feiten en omstandigheden, waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden, aan de verzoekster bekend zijn geworden. Volgens verzoekster blijkt uit zowel het proces-verbaal van de zitting van 14 september 2017 als het tussenvonnis van 29 november 2017 van bevooroordeeldheid van de rechter, maar het wrakingsverzoek is pas ingediend op 9 januari 2018.

4.2.

De rechter heeft verder aangevoerd dat het haar niet vrij staat om in een schriftelijke reactie in een wrakingsprocedure een nadere toelichting of aanvulling te geven op procedurele of inhoudelijke beslissingen die in het (tussen)vonnis zijn verwoord. De rechter “spreekt” via zijn vonnis.

4.3.

Op het in het verzoekschrift genoemde verzoek heeft zij, anders dan verzoekster stelt, nog niet beslist. Dat verzoek heeft de rechter na haar afwezigheid op 8 of 9 januari 2018 onder ogen gekregen. Aan de griffie heeft de rechter op woensdagochtend 10 januari 2018, voordat zij van het wrakingsverzoek op de hoogte raakte, bericht dat op dat verzoek op de rol van 17 januari 2018 zou worden beslist. Als gevolg van het wrakingsverzoek is nog niet op het verzoek beslist. Ter zitting heeft de rechter daaraan toegevoegd dat zij niet weet wat er in het roljournaal stond vermeld. Het roljournaal valt ook niet te rijmen met hetgeen in het dictum van het vonnis staat vermeld, namelijk dat eiseres op 10 januari 2018 een antwoordakte moest nemen.

4.4.

Van de comparitie is ter zitting een proces-verbaal opgemaakt. Verzoekster heeft bij brief van 10 oktober 2017 opmerkingen bij het proces-verbaal gemaakt. Ter zitting heeft de rechter medegedeeld dat het niet gebruikelijk is om een proces-verbaal aan te passen. De brief is aan het dossier toegevoegd, zodat de appelrechter daar kennis van kan nemen.

4.5.

De rechter heeft tot slot medegedeeld dat het juist is dat zij lid is van de Raad van Commissarissen van UvA Minds. Deze organisatie biedt specialistische geestelijke gezondheidszorg aan kinderen, jongeren en jongvolwassenen (en hun ouders) met psychische problemen. Deze nevenfunctie (sinds juni 2015), is vermeld in het nevenregister.

5 De beoordeling

5.1.

Hoewel er serieuze vraagtekens zijn te zetten bij de vraag of het verzoek tijdig is ingediend, zal de wrakingskamer dit in het midden laten omdat het verzoek op grond van het navolgende niet toewijsbaar is.

5.2.

In een wrakingprocedure dient te worden beslist of er sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarbij staat voorop dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing vormen dat een rechter jegens een procespartij partijdig is, althans dat de bij die partij daarvoor bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Het (subjectieve) standpunt van verzoekers daarover is niet doorslaggevend; de vrees voor partijdigheid moet objectief gerechtvaardigd zijn.

5.3.

Wraking kan niet fungeren als rechtsmiddel tegen onwelgevallige of onjuiste beslissingen. Het gesloten systeem van rechtsmiddelen staat daaraan in de weg. Zelfs als een beslissing als onjuist zou moeten worden aangemerkt, vormt dat op zichzelf beschouwd nog geen grond om te veronderstellen dat de betrokken rechter vooringenomen is. Het is niet de taak van de wrakingskamer om te beoordelen of een beslissing en de daaraan ten grondslag liggende motivering inhoudelijk juist is, maar om te onderzoeken of sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

5.4.

Dat laatste kan naar het oordeel van de wrakingskamer slechts het geval zijn als in het licht van de feiten en omstandigheden van het geval een beslissing, waaronder begrepen de motivering daarvan, zo onjuist of onbegrijpelijk is dat deze redelijkerwijze niet anders kan worden verklaard dan dat deze door vooringenomenheid van de rechter is ingegeven.

5.5.

De grond onder 3.1 betreft een bezwaar tegen een in het van de behandeling opgemaakte proces-verbaal opgenomen beschrijving van wat er is gezegd over een brief uit 2005. Dat kan zonder nadere toelichting geen zelfstandige grond voor wraking vormen. Onvoldoende is de stelling dat de omschrijving onjuist is. Bovendien zijn de door verzoekster tegen de inhoud van het proces-verbaal geuite bezwaren bij brief van 10 oktober 2017 aan het dossier toegevoegd.

5.6.

De gronden van het verzoek zoals vermeld onder 3.2 tot en met 3.6 berusten volledig op inhoudelijke bezwaren tegen het op 29 november 2017 gewezen tussenvonnis en de motivering daarvan. In de beoordeling van die gronden kan de wrakingskamer niet anders treden dan langs de weg van de hiervoor onder 5.3. omschreven toets. De wrakingskamer is van oordeel dat de door de rechter genomen tussenbeslissing, mede gelet op de motivering daarvan, niet onbegrijpelijk is, laat staan dat die beslissing dermate onbegrijpelijk is dat daarvoor redelijkerwijs geen andere verklaring is te geven dan dat die beslissing door vooringenomenheid bij de rechter zijn ingegeven.

5.7.

De grond als vermeld onder 3.7 mist feitelijke grondslag nu vast staat dat nog niet op dat verzoek is beslist.

5.8.

De door verzoekster genoemde nevenfunctie biedt zonder nadere toelichting, die niet is gegeven, onvoldoende grond voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

5.9.

De slotsom is dat geen feiten of omstandigheden zijn komen vast te staan die de kennelijk bij verzoekster bestaande vrees voor partijdigheid objectief kunnen rechtvaardigen.

5.10.

Het wrakingsverzoek zal daarom worden afgewezen.

BESLISSING

De wrakingskamer:

 wijst het verzoek tot wraking af;

 bepaalt dat de behandeling van de bodemprocedure wordt voortgezet in de stand waarin deze zich ten tijde van het verzoek tot wraking bevond.

Aldus gegeven door mrs. K.A. Brunner, voorzitter en M.W. van der Veen en B. Vogel, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 februari 2018 in tegenwoordigheid van de griffier.

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.