Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:3622

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
16-04-2018
Datum publicatie
07-06-2018
Zaaknummer
C/13/646177/ HA RK 18/107
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Verzoek afgewezen. De kern van het wrakingsverzoek is dat verzoekers van mening zijn dat de afwijzing van het verzoek tot aanhouding onbegrijpelijk is en daarom getuigt van vooringenomenheid. Het getuigenverhoor is door de rechter bepaald op grond van de vordering van de officier van justitie als bedoeld in artikel 181 Sv. Op grond van artikel 186a lid 1 Sv heeft de verdediging het recht dit verhoor bij te wonen met dien verstande dat op grond van artikel 186 lid 2 juncto artikel 186a lid 3 Sv het verhoor niet mag worden opgehouden. De rechter heeft in dit verband zijn beslissing toegelicht en erop gewezen dat de getuige op eerdere oproepen niet was verschenen en zij voornemens was met een van de verdachten een geregistreerd partnerschap aan te gaan. Dit laatste zou meebrengen dat zij vanaf dat moment een beroep zou kunnen doen op haar verschoningsrecht en vragen niet zou behoeven te beantwoorden. Ten aanzien van de verdere wrakingsgronden geldt dat de verdediging is aangeboden het aan de rechter overhandigde proces-verbaal van bevindingen tijdens een korte leespauze te bestuderen alvorens met het getuigenverhoor zou worden begonnen. De verdediging heeft dit aanbod naast zich neergelegd. Het beginsel van equality of arms wordt niet geschonden, nu het doen van een verzoek ex artikel 182 Sv nog openstaat.

Toepassing antimisbruikbepaling. Van misbruik is sprake indien de verdediging de rechter op straffe van wraking dwingt een bepaalde beslissing te nemen. De rechter moet zijn beslissing en de motivering daarvan in vrijheid kunnen geven op basis van de door de procesdeelnemers gevoerde argumenten. De dreiging met indiening een wrakingsverzoek vormt een ontoelaatbare wijze van beïnvloeding van dat proces.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

wrakingskamer

Beslissing op het ter zitting van 10 april 2018 mondeling gedane en onder rekestnummer C/13/646177/ HA RK 18/107 ingeschreven verzoeken van:

1 [verzoeker sub 1] ,

raadsman mr. L. de Leon, advocaat te Utrecht,

2. [verzoeker sub 2] ,

raadsman Mr. Y. Bouchikhi, advocaat te Utrecht,

3. [verzoeker sub 3] ,

raadsman mr. J. Zevenboom, advocaat te Utrecht,

4. [verzoeker sub 4] ,

raadsman W. van Vliet, advocaat te Amsterdam,

5. [verzoeker sub 5] ,

raadsman mr. A.D. Kloosterman, advocaat te Amsterdam,

6. [verzoeker sub 6] ,

raadsman mr. J.H. L.C.M. Kuijpers, advocaat te Amsterdam,

7. [verzoeker sub 7] ,

raadsman mr. N. van Schaik advocaat te Utrecht,

verzoekers,

welke verzoek strekt tot wraking van mr. E.J. Diepraam, rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken, hierna: de rechter.

1 Verloop van de procedure

1.1.

De wrakingskamer heeft kennisgenomen van de navolgende processtukken:

 een door de rechter opgemaakt proces-verbaal van verhoor van de getuige [ ] van 10 april 2018;

 een e-mail van mr. Kuijpers van 13 april 2018 waarin hij mededeelt dat de verdediging van verzoeker sub 6 niet persisteert in de wraking van de rechter;

 een e-mail van de rechter van 13 april 2018 met een schriftelijke reactie op het verzoek;

 een e-mail van mr. N. van Schaik inhoudende een schriftelijke toelichting op het wrakingsverzoek;

 een e-mail van mr. N. van Schaik aan mr. L. de Leon van 16 april 2018 inhoudende een reactie op de schriftelijke toelichting van de rechter.

1.1.

De rechter heeft niet in de wraking berust.

1.2.

Het verzoek is behandeld ter terechtzitting van 16 april 2018. Aanwezig waren de raadsman van verzoeker sub 1, die verklaarde mede op te treden namens verzoekers sub 2, sub 3, sub 4 en sub 6 en de raadsman van verzoeker sub 5, hierna respectievelijk genoemd de verdediging dan wel raadsman van verzoeker sub 1 dan wel raadsman van verzoeker sub 5. Verder waren aanwezig de rechter, vergezeld door zijn teamvoorzitter. Namens het Openbaar Ministerie was aanwezig de officier van justitie mr. S.W.M. van der Linde, hierna het OM.

De verdediging heeft het standpunt van verzoekers nader toegelicht. De rechter heeft zijn zienswijze gegeven. De rechter en de verdediging hebben op elkaars standpunten gereageerd. Daarna heeft het OM haar standpunt toegelicht. Nadat de verdediging gebruik had gemaakt van de haar en de rechter geboden gelegenheid om op het standpunt van het OM te reageren, is na nog een ronde hoor- en wederhoor de behandeling ter zitting gesloten onder de mededeling dat zo spoedig mogelijk uitspraak zal worden gedaan.

1.3.

De uitspraak is op 16 april 2018 in de middag per e-mail door de griffier van de wrakingskamer aan de verdediging, de rechter en het OM meegedeeld. Deze beslissing vormt de schriftelijke uitwerking daarvan.

2 Gronden van de beslissing

Van de volgende feiten wordt uitgegaan:

2.1.

Verzoekers zijn verdachten in de strafzaken met parketnummers [parketnummer 1] , [parketnummer 2] , [parketnummer 3] , [parketnummer 4] , [parketnummer 5] , [parketnummer 6] en [parketnummer 7] .

2.2.

Op vordering van het OM is op 10 april 2018 getuige [ ] op grond van artikel 181 Sv opgeroepen en verschenen voor verhoor voor de rechter. De verdediging is in de gelegenheid gesteld het verhoor bij te wonen. Van de behandeling is een proces-verbaal opgemaakt waarin onder meer het volgende is opgenomen:

Nog voor aanvang van het verhoor merkt mr. De Leon het volgende op:

Kort voor dit verhoor heeft de verdediging een pakket stukken ontvangen. Die heb ik nog niet kunnen bestuderen en bespreken met cliënt. Het geeft geen pas om dit verhoor nu doorgang te laten vinden. Dat levert een schending op van het beginsel van equality of arms. We gaan dit verhoor echt niet doen vandaag.

De officier van justitie licht toe:

De stukken die zijn verspreid, zijn de stukken voor de pro forma zitting van 18 april a.s. Ik zal geen vragen putten uit die nieuwe stukken. Ik had mijn verhoorplan al klaar in februari, toen de getuige voor het eerst is opgeroepen. Ik wil de getuige vandaag wel confronteren met een proces-verbaal van bevindingen van onderzoek van haar telefoon. Dat proces-verbaal is nog niet verspreid. Ik heb dit stuk zojuist ook in handen van de rechter-commissaris gegeven.

Mr. De Leon:

Als u het verhoor niet uitstelt dan ga ik niet verder. Ik zal u dan wraken. Ik wil mijn taken als raadsman naar behoren kunnen uitvoeren en mezelf morgen in de spiegel in de ogen kunnen kijken. Ik heb inderdaad niet om deze getuige verzocht. Ik heb nog helemaal niets verzocht, ik wil eerst een einddossier.

De overige raadslieden van de verdachten sluiten zich hierbij aan. Mr. Van Vliet merkt nog op dat het lullig zou zijn voor de getuige en de overige aanwezigen als de getuige twee keer zou moeten worden gehoord.

Mr. Van Schaik:

Ik stel als tussenoplossing voor dat de officier van justitie eerst aangeeft of zij het stuk wenst te onthouden. Indien dat het geval is wil ik voldoende tijd krijgen om al dan niet vandaag een bezwaar op grond van artikel 30 lid 1 Sv te kunnen indienen.

De overige raadslieden van de verdachten sluiten zich hierbij aan.

De officier van justitie vraagt een moment om met een collega te overleggen. Daarna verklaart zij:

Het gaat mij erom dat ik deze getuige vandaag kan horen zonder dat zij van het proces-verbaal over de het onderzoek aan haar telefoon kennis heeft kunnen nemen. Ik ben daarom bereid het stuk nu te verstrekken aan de raadslieden, die er dan in een leespauze kennis van kunnen nemen.

De rechter-commissaris stelt voor dat raadslieden 10 minuten krijgen om het proces-verbaal van bevindingen telefoon [ ] (22 pagina’s, waarvan zo op het eerste gezicht een behoorlijk aantal foto’s) en dat het verhoor daarna wordt aangevangen.

Mr. De Leon:

Nee. Ik wil dit stuk eerst met cliënt kunnen bespreken. Ik wil goed bij dit verhoor kunnen zitten. De verdediging staat op deze manier op achterstand. Ik verzoek het verhoor uit te stellen.

De rechter-commissaris deelt mede dat het verzoek om uitstel wordt afgewezen. Niet de verdediging maar de officier van justitie heeft gevorderd dit verhoor (ex. 181 Sv) te laten plaatsvinden. De verdediging is welkom om daarbij aanwezig te zijn en desgewenst vragen te stellen, maar dat de raadslieden zich kennelijk niet voldoende voorbereid achten is geen reden om de officier van justitie de gelegenheid te onthouden haar vragen te stellen. Daarbij speelt mee dat het enige moeite heeft gekost de getuige voor dit verhoor op het kabinet te krijgen, dat de getuige op dit moment geen wettelijk verschoningsrecht toekomt en dat dit over 14 dagen mogelijk anders zou kunnen liggen. Mochten de raadslieden in een later stadium alsnog een verdedigingsbelang zien om de getuige nadere vragen te stellen, dan kan daar uiteraard bij de rechtbank een verzoek toe worden gedaan.”

2.3

Na het voordragen van de gronden voor wraking heeft de rechter het verhoor beëindigd.

3 Het verzoek en de gronden daarvan

3.1.

Aan het verzoek is door de verdediging namens verzoekers het navolgde ten grondslag gelegd. Verzoekers moeten de tijd en faciliteiten krijgen om hun verdediging naar behoren te kunnen voeren. De verdediging verwijst naar het beginsel van “equality of arms”, de beginselen van een goede rechtsbedeling en een goede procesorde en naar artikel 10a van de Advocatenwet. De verdediging moet zich kunnen voorbereiden om de vragen van de officier van justitie en de antwoorden van de getuige te kunnen duiden. Daar wordt geen recht aan gedaan als dit verhoor later nog eens wordt overgedaan. Desgevraagd heeft de verdediging bevestigd dat de omstandigheid dat de getuige over 14 dagen misschien een beroep zal doen op een verschoningsrecht waar het verzoeker sub 1 aangaat, geen rol speelt. Bij de wraking moet worden betrokken dat het OM al kennelijk geruime tijd over het proces-verbaal van bevindingen van onderzoek naar de telefoon van de getuige (waar zij de getuige tijdens dit verhoor mee wil confronteren; hierna: het proces-verbaal van bevindingen) beschikt en het niet ter beschikking heeft willen stellen. Daaruit spreekt wantrouwen naar de verdediging en de rechter gaat daarin mee.

3.2.

De tijd die de rechter gaf om van het door het OM ingebrachte proces-verbaal van bevindingen kennis te nemen was te kort. Bovendien dienden de betrokken raadslieden ook in de gelegenheid te worden gesteld de inhoud van het proces-verbaal van bevindingen met hun cliënten te bespreken. Op grond van Europese jurisprudentie brengt een eerlijk proces in beginsel mee dat alle in rechte betrokken partijen, inclusief de verdachten, het recht hebben om kennis te nemen van al het aangevoerde bewijs en om daarop te kunnen reageren. Omdat de verdachten uiteraard niet bij het verhoor door de rechter aanwezig waren – het gros zat gedetineerd – zou effectuering van die rechten dus pas op een later moment mogelijk zijn, zodat het verhoor moest worden uitgesteld. De rechter wees het verzoek om uitstel echter af. Uit de motivering werd duidelijk dat de rechter het door het OM ingeleide verhoor van de getuige vooral als een ‘officiersaangelegenheid’ beschouwt en dat bij de afwijzing tevens een rol speelt dat de getuige op korte termijn mogelijk een wettelijk verschoningsrecht zou toekomen. Dit houdt in dat het de rechter er niet alleen om gaat dat het OM de getuige kan bevragen, maar tevens dat op de vragen van het OM inhoudelijk antwoord zal worden gegeven. Zelfs dus als daarbij aan de in artikel 6 EVRM gegarandeerde rechten van de verdachten afbreuk zal worden gedaan.

3.3.

Ten aanzien van het door het OM voor de zitting aan de rechter-commissaris verstrekte proces-verbaal van bevindingen geldt dat het op grond van artikel 12 wet RO de rechter niet is toegestaan om over een voor hem aanhangige zaak - buiten het geding om - bijzondere inlichtingen van partijen aan te nemen. Verwezen wordt naar rechtspraak daarover.

3.4.

De afwijzende beslissing van het verzoek om uitstel is gelet op het voorgaande zo onbegrijpelijk, dat daaraan (eveneens) een aanwijzing voor partijdigheid kan worden ontleend. Dat het getuigenverhoor plaatsvindt op vordering van het OM doet niet af aan de rechten van de verdediging tijdens dat verhoor. Immers artikel 183 Sv voorziet in de mogelijkheid voor de verdachte om te participeren in het onderzoek dat de rechter doet op vordering van de officier van justitie.

4 De reactie van de rechter

4.1.

De rechter heeft voor de motivering van zijn beslissing om het verhoor niet uit te stellen verwezen naar het van het verhoor van de getuige opgemaakte proces-verbaal. Het gaat hier om een verhoor op vordering van de officier van justitie, dus op grond van artikel 181 Sv. De verdediging mag daarbij aanwezig zijn (artikel 186a lid 1 Sv), maar het onderzoek mag daardoor niet worden opgehouden (artikel 186 lid 2 / 186a lid 3 Sv). Er wordt daarom in beginsel bij de planning van zo’n verhoor geen rekening gehouden met verhinderdata van de verdediging. De rechter zou - om praktische redenen en zoals gebruikelijk - ook de verdediging de gelegenheid hebben gegeven eventuele ter plekke opgekomen vragen te stellen aan de getuige.

Het is echter geen verhoor op verzoek van de verdediging in de zin van artikel 182 Sv, en de verdediging heeft daartoe nog geen onderbouwd verzoek gedaan. De verdediging krijgt (naar het zich laat aanzien als het einddossier gereed is maar wellicht eerder) nog de gelegenheid onderzoekswensen te formuleren en te onderbouwen. Mocht er een voldoende verdedigingsbelang zijn om deze getuige nogmaals op te roepen, dan kan dat. Zo is dat ook gecommuniceerd. Met het voorstel van de officier van justitie zou uiteindelijk de verdediging over alle stukken beschikken. Er was geen redelijk belang van de verdediging bij uitstel van het verhoor, terwijl het belang van de officier van justitie om het juist nu te laten doorgaan evident was. Ter zitting heeft de rechter daaraan toegevoegd dat hij het proces-verbaal van bevindingen vlak voor het verhoor van de officier van justitie heeft ontvangen en dat hij het niet inhoudelijk heeft bestudeerd maar even heeft doorgekeken om te bekijken wat het was. De rechter heeft geconstateerd dat het een groot aantal foto’s en Whatsapp gesprekken betrof.

4.2.

Voor zover de beslissing om het verhoor niet uit te stellen onjuist mocht worden geoordeeld, dan ziet de rechter niet hoe daaruit de schijn van partijdigheid kan worden afgeleid. De rechter heeft daartoe geen argumenten gehoord.

De rechter kan zich niet aan de indruk onttrekken dat het enige doel van de wraking was om het verhoor te vertragen tot na de 24e april, het moment waarop de getuige een geregistreerd partnerschap zal zijn aangegaan met een van de verdachten.

4.3.

De rechter verzoekt toepassing van de anti-misbruikbepaling

5 Het standpunt van het OM

5.1.

Het OM heeft zich op het standpunt gesteld dat het van het verhoor van de getuige opgemaakte proces-verbaal een zakelijke weergave bevat van de ter zitting besproken punten. Het proces-verbaal van bevindingen heeft zij kort voor het verhoor in handen van de rechter gegeven. Er is dan ook geen sprake van ongelijkheid. Haar doel was om de getuige te bevragen zonder dat zij kennis had genomen van de inhoud van het proces-verbaal van bevindingen. Dat is volstrekt gebruikelijk. Indien het verhoor bij de politie had plaatsgevonden, was de verdediging daarbij niet aanwezig geweest. Het aanstaande geregistreerde partnerschap van de getuige staat hier los van.

5.2.

De officier van justitie verzoekt eveneens toepassing van de anti-misbruikbepaling.

6 De beoordeling van het verzoek

6.1.

Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoeker die concrete omstandigheden moet aanvoeren en wel zodra deze aan hem bekend zijn geworden.

6.2.

Uitgangspunt bij de beoordeling is voorts dat een verzoek tot wraking niet is bedoeld om onwelgevallige rechterlijke beslissingen ter discussie te stellen. Daarvoor dient immers het hoger beroep. Zelfs als een beslissing als onjuist zou moeten worden aangemerkt, vormt dat op zichzelf beschouwd nog geen grond om te veronderstellen dat de betrokken rechter vooringenomen is. Het is niet de taak van de wrakingskamer om te beoordelen of een beslissing en de daaraan ten grondslag liggende motivering inhoudelijk juist is, maar om te onderzoeken of sprake is van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Alleen indien de beslissing gelet op de wijze van totstandkoming of de motivering daarvan zo onjuist of onbegrijpelijk is dat daarvoor redelijkerwijs geen andere verklaring is te geven dan dat deze is ingegeven door vooringenomenheid, kan er grond zijn de vooringenomenheid te baseren op de rechterlijke beslissing zelf.

6.3.

De kern van het wrakingsverzoek is dat verzoekers van mening zijn dat de afwijzing van het verzoek tot aanhouding onbegrijpelijk is en daarom getuigt van vooringenomenheid. Verzoekers hebben hiertoe gesteld dat de beslissing van de rechter in strijd is met Europese jurisprudentie nu hun het recht toekomt over dezelfde processtukken te beschikken als het OM en deze te bestuderen, alvorens een begin wordt gemaakt met het getuigenverhoor. Verzoekers achten het onbegrijpelijk dat de verdediging daarvoor niet de tijd is gegund.

6.4.

De rechtbank overweegt dat de rechter op grond van de vordering van de officier van justitie als bedoeld in artikel 181 Sv het getuigenverhoor heeft bepaald. Op grond van artikel 186a lid 1 Sv heeft de verdediging het recht dit verhoor bij te wonen met dien verstande dat op grond van artikel 186 lid 2 juncto artikel 186a lid 3 Sv het verhoor niet mag worden opgehouden. De rechter heeft in dit verband zijn beslissing toegelicht en erop gewezen dat de getuige op eerdere oproepen niet was verschenen en zij voornemens was met een van de verdachten een geregistreerd partnerschap aan te gaan. Dit laatste zou meebrengen dat zij vanaf dat moment een beroep zou kunnen doen op haar verschoningsrecht en vragen niet zou behoeven te beantwoorden.

6.5.

Ten aanzien van hetgeen door de verdediging verder als grond voor wraking is aangevoerd overweegt de rechtbank dat de verdediging is aangeboden het aan de rechter overhandigde proces-verbaal van bevindingen tijdens een korte leespauze te bestuderen alvorens met het getuigenverhoor zou worden begonnen. De verdediging heeft dit aanbod naast zich neergelegd. Anders dan de verdediging heeft gesteld wordt het beginsel van equality of arms niet geschonden, nu zij na het verhoor de betreffende getuige middels een gemotiveerd verzoek ex artikel 182 Sv nogmaals kan laten horen door de rechter, waarbij zij over alle stukken beschikt en deze vooraf heeft kunnen bestuderen. Dit alles voordat een behandeling van de strafzaak op de openbare zitting zal plaatsvinden.

6.6.

De beslissing tot afwijzing van het verzoek het getuigenverhoor uit te stellen moet dan ook worden bezien tegen de achtergrond van bovengenoemde bepalingen en de door de rechter gegeven toelichting.

6.7.

De slotsom is dat de rechtbank van oordeel is dat de gewraakte beslissing van de rechter niet onbegrijpelijk of onjuist is of dat deze redelijkerwijs niet anders kan worden verklaard dan te zijn ingegeven door vooringenomenheid en dat het verzoek tot wraking dient te worden afgewezen.

7. De wrakingskamer zal bepalen dat verdere wrakingsverzoeken van verzoekers (waaronder niet begrepen is F. Ouamar), gericht tegen de rechter als rechter-commissaris in deze zaak, niet in behandeling zullen worden genomen. Dat wordt gemotiveerd als volgt. Direct na aanvang van het verhoor van de getuige heeft de verdediging bezwaar gemaakt tegen door de verdediging kort voor het verhoor van het OM ontvangen stukken. Het betrof stukken betreffende het dossier voor de pro forma zitting van 18 april 2018 en waaromtrent de getuige geen vragen zouden worden gesteld.

De verdediging stelde hiertoe blijkens het proces-verbaal van de rechter: “Als u het verhoor niet uitstelt dan ga ik niet verder. Ik zal u dan wraken.” Uit de stelligheid van deze mededeling, nog voordat door de rechter enige beslissing of uitleg was gegeven, trekt de wrakingskamer de conclusie dat hier sprake is van misbruik in de zin van artikel 515 lid 4 Sv. De wrakingskamer overweegt dat sprake is van misbruik van het wrakingsinstrument indien de verdediging de rechter op straffe van wraking dwingt een bepaalde beslissing te nemen. De rechter moet zijn beslissing en de motivering daarvan in vrijheid kunnen geven op basis van de door de procesdeelnemers gevoerde argumenten. De dreiging met indiening een wrakingsverzoek vormt een ontoelaatbare wijze van beïnvloeding van dat proces.

8 BESLISSING

De wrakingskamer:

 wijst het verzoek tot wraking af;

 bepaalt dat een volgend verzoek tot wraking gericht tegen de rechter-commissaris, in de zaak van verzoekers (waaronder niet begrepen is [verzoeker sub 6] ) niet meer in behandeling zal worden genomen.

Aldus gegeven door mrs. N.C.H. Blankevoort, voorzitter, J. Knol en R.A. Dudok van Heel, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 april 2018 in tegenwoordigheid van de griffier.

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.