Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:3617

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
14-05-2018
Datum publicatie
07-06-2018
Zaaknummer
C/13/645698 /HA RK 18/92
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Verzoek afgewezen. Toepassing van de antimisbruikbepaling. Weigeren om proces-verbaal van meineed op te maken en doorgaan met het verhoor na een verzoek tot wraking. Het betreft een processuele beslissing van de rechter, waartegen niet met een wrakingsverzoek kan worden opgekomen, tenzij die beslissing zo onjuist of onbegrijpelijk is dat deze niet anders kan worden verklaard dan dat deze door vooringenomenheid jegens verdachte is ingegeven. Van onjuistheid van de beslissing is geen sprake. Het gaat hier dus om een bevoegdheid van de rechter en niet om een verplichting. Gelet op de motivering van de beslissing is die evenmin onbegrijpelijk

Ook het doorgaan met het verhoor na het verzoek tot wraking betreft een processuele beslissing die dient te worden getoetst aan hetzelfde criterium. Of het een juiste beslissing betrof wordt in het midden gelaten. Wat de gevolgen daarvan zijn is niet aan het oordeel van de wrakingskamer onderworpen. Mede gelet op de motivering die de rechter heeft gegeven is er geen aanknopingspunt voor het vermoeden dat deze uit vooringenomenheid voortkomt. Het door de rechter geuite vermoeden dat sprake is van een vertragingstactiek en van misbruik van het wrakingsmiddel is niet gebaseerd op partijdigheid van de rechter, maar op het handelen van de raadsman. toepassing van de antimisbruikbepaling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

Wrakingskamer

Beslissing op het op 28 maart 2018 gedane en onder rekestnummer

C/13/645698 /HA RK 18/92 ingeschreven verzoek van:

1. [verzoeker 1],

2. [verzoeker 2],

wonende te [ ],

verzoekers,

gemachtigde: mr. T.C. Boer, advocaat te Amsterdam,

welk verzoek strekt tot wraking van mr. R.H.C. van Harmelen, kantonrechter te Amsterdam, hierna: de rechter.

1 Verloop van de procedure

1.1

De rechtbank heeft kennisgenomen van de navolgende processtukken:

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van de kantonrechter van 28 maart 2018 inhoudende het wrakingsverzoek;

  • -

    de schriftelijke reactie van de rechter;

  • -

    het memo van mr. Boer met bijlagen.

1.2

De rechter heeft meegedeeld niet in de wraking te berusten.

Het verzoek is behandeld ter openbare terechtzitting van 26 april 2018, waar de rechtbank verzoekers (bijgestaan door een tolk in de Franse taal), hun gemachtigde en de rechter heeft gehoord.

Mr. Boer was vergezeld door zijn kantoorgenoot mr. S.J. Kloosterman en de rechter was vergezeld door zijn collega mr. C.H. Rombouts.

Als toehoorder was aanwezig mr. M. J. Drijftholt, advocaat te Amsterdam, namens de wederpartij van verzoekers.

Mr. Boer heeft aantekeningen ter mondelinge behandeling overgelegd.

2 De feiten

2.1

Verzoekers zijn eigenaren van een appartement op de begane grond te [plaats] . Hun verkoper is eigenaar van de appartementen op de daarboven gelegen drie verdiepingen. Verzoekers en de verkoper zijn lid van de Vereniging van Eigenaren (VvE). De verkoper wil de bovengelegen appartementen opdelen en een vierde etage bouwen. Verzoekers hebben bezwaren tegen die plannen. De VvE heeft twee besluiten genomen tot uitvoering van de voorgenomen plannen. Verzoekers hebben bij de rechtbank vernietiging verzocht van de besluiten van de VvE (zaaknummers EA [nummer] en EA [nummer] ). De plannen van de verkoper vergen een wijziging van de splitsingsakte. Verzoekers hebben hun goedkeuring aan de wijziging daarvan onthouden. De verkoper, de wederpartij van verzoekers, heeft bij de rechtbank een verzoek ingediend om een machtiging te verkrijgen tot wijziging van de splitsingsakte (zaaknummer EA [nummer] ). Bij de rechter zijn deze drie verzoeken in behandeling.

2.2

Aanvankelijk was de mondelinge behandeling van de twee verzoeken van verzoekers gepland op 28 maart 2018 en de mondelinge behandeling van het verzoek van de wederpartij op 23 april 2018. Mr. Drijftholt heeft bij brief van 23 februari 2018 de rechter verzocht de drie procedures tegelijk te behandelen, bij voorkeur op 28 maart 2018 en anders op 23 april 2018. Hij heeft gewezen op de samenhang van de procedures, het voorkomen van tegenstrijdige uitspraken en proceseconomische redenen.

Bij brief van 27 februari 2018 heeft mr. Boer bezwaar gemaakt tegen dat verzoek. Hij heeft aangevoerd dat hij de zaken van verzoekers pas ongeveer twee weken daarvoor van zijn voorganger had overgenomen, er tussen verzoekers en hun wederpartij nog andere gerechtelijke procedures aanhangig waren, de behandeling van het verzoek van de wederpartij op 28 maart 2018 voor hem te vroeg kwam om adequaat verweer te kunnen voeren, het behandelen van drie verzoeken op één dag voor verzoekers te veel was, omdat zij van Franse afkomst zijn en geen Nederlands spreken en het verzoek van de wederpartij geen samenhang vertoont met de verzoeken van verzoekers. Mr. Boer heeft de rechter verzocht om de verzoeken niet gelijktijdig te behandelen op 28 maart 2018 en indien de rechter het verzoek van mr. Drijftholt deels zou toewijzen, de gelijktijdige behandeling op 23 april 2018 te laten plaatsvinden.

Bij brief van 8 maart 2018 heeft de gerechtssecretaris namens de rechter aan

mr. Boer meegedeeld dat de rechter gevoegde en gelijktijdige behandeling van de drie procedures op 28 maart 2018 op zijn plaats achtte gezien hun samenhang. Namens de rechter is aangevoerd dat: “Aan uw bezwaar dat u te weinig tijd heeft om (ook) het verzoek betreffende vervangende machtiging voor die tijd voor te bereiden wordt, gezien de inhoudelijke samenhang tussen deze drie zaken, voorbijgegaan. Dat 28 maart 2018 door u als verhinderdatum was opgegeven is juist, maar is niet doorslaggevend, nu u op het genoemde tijdstip reeds aanwezig bent voor de mondelinge behandeling van twee van de drie procedures waar het om gaat en die, zoals hiervoor vermeld, gevoegd worden behandeld met de ‘derde’ procedure. Tot slot vormt ook uw bezwaar dat uw cliënten de Nederlandse taal en de Nederlandse systematiek van VvE’s niet machtig zijn geen aanleiding om niet tot gevoegde behandeling van de drie procedures over te gaan. Die omstandigheid doet zich voor ongeacht of er 2 of 3 zaken gelijktijdig worden behandeld. De mondelinge behandeling van deze drie zaken zal zoals gezegd aanvangen om 13:30 uur. Voor deze mondelinge behandeling is een dagdeel uitgetrokken.”

2.3

Op 27 maart 2018 heeft mr. Boer gebeld met de secretaris van de rechter met de vraag of de beperkt zakelijk gerechtigden waren opgeroepen. De secretaris heeft toegezegd deze vraag aan de rechter voor te leggen, evenals het verzoek van

mr Boer, mocht geen oproeping van de beperkt gerechtigden hebben plaatsgevonden, zich nog nader te mogen uitlaten over de gevolgen daarvan voor de mondelinge behandeling. Direct aansluitend aan dit gesprek heeft mr. Boer bij faxbrief van 27 maart 2018 de secretaris van de rechter erop gewezen dat hem bij de voorbereiding was opgevallen dat in het verzoekschrift van mr. Drijftholt de lijst van de beperkt gerechtigden ontbrak zoals bedoeld in artikel 5:140, lid 4 BW en voorgeschreven in artikelen 1.2.5 en 2.1.2 van het Procesreglement verzoekschriftprocedures rechtbanken, kantonzaken.

Mr. Boer heeft verzocht hem mee te delen of de beperkt gerechtigden waren opgeroepen voor de zitting van 28 maart 2018, omdat volgens verzoekers de mondelinge behandeling geen doorgang mocht vinden als de beperkt gerechtigden niet waren opgeroepen. Een aantal minuten na het versturen van de fax heeft de secretaris als beslissing van de rechter meegedeeld dat de beperkt gerechtigden niet waren opgeroepen, dat de rechter had beslist dat de mondelinge behandeling doorgang zou vinden en dat de rechter de faxbrief over de gevolgen van het niet oproepen van de beperkt gerechtigden niet had gelezen maar dat deze brief aan het procesdossier zou worden toegevoegd.

2.4

Blijkens het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 28 maart 2018 heeft mr. Boer na inventarisatie van de stukken van de rechter de gelegenheid gekregen zijn standpunt, toe te lichten aan de hand van een aan het proces-verbaal gehechte pleitnota. Nadat mr. Drijftholt vervolgens had verklaard dat van de beperkt gerechtigden inderdaad in het verzoekschrift geen melding was gemaakt, maar dat dit niet in de weg stond aan een inhoudelijke behandeling van zijn verzoekschrift omdat de beperkt gerechtigden in een andere fase van de procedure nog konden worden opgeroepen, heeft de rechter de behandeling geschorst voor beraad.

2.5

Na de heropening van de zitting heeft de rechter blijkens het proces-verbaal verklaard dat het horen van de beperkt gerechtigden alleen speelt in de zaak van de wederpartij van verzoekers. Aanhouding van de behandeling van dat verzoek zou tot gevolg hebben dat de behandeling niet gelijktijdig kon plaatsvinden met de verzoeken van verzoekers. De rechter achtte dat bezwaarlijk vanwege de onderlinge samenhang en verknochtheid van de drie verzoeken. Vervolgens heeft de rechter meegedeeld dat het voorop stond dat de grondeigenaar en de beperkt gerechtigde(n) gelegenheid geboden zou worden om gehoord te worden op het verzoek van de wederpartij van verzoekers en daartoe in het kader van die procedure opgeroepen zouden worden. Dat stond buiten kijf volgens de rechter. Uit de wet volgde echter niet persé dat de beperkt gerechtigden op de eerste mondelinge behandeling al moesten worden gehoord.

2.6

Na een korte schorsing op verzoek van mr. Boer om zich te beraden over het indienen van een wrakingsverzoek, heeft hij namens verzoekers het wrakingsverzoek in alle drie zaken ingediend. Vervolgens zijn zes wrakingsgronden geformuleerd.

3 De gronden van het verzoek

3.1

Verzoekers hebben blijkens het proces-verbaal aan hun verzoek het volgende ten grondslag gelegd:

“1) Mijn verzoek om de drie procedures niet gelijktijdig op één dag te behandelen is afgewezen op 8 maart 2018. Dit ondanks het feit dat ik, als opvolgend raadsman in vier procedures moest inspringen die gelijktijdig dienden;

2) De fax van mr. Boer van 27 maart 2018. Mevrouw [ ] heeft tegen mij gezegd dat zij dit met de kantonrechter zou bespreken. Ik heb gevraagd om de mogelijkheid om eerst uiteen te zetten op welke gronden de behandeling niet zou kunnen plaatsvinden. Zij wilde dit eerste met de kantonrechter bespreken. De kantonrechter heeft vervolgens, zonder partijen inhoudelijk te willen aanhoren en zonder kennisneming van mijn fax, besloten dat de mondelinge behandeling door zou gaan;

3) De kantonrechter erkent dat de wet weliswaar oproeping van beperkt gerechtigden en grondeigenaar voorschrijft, maar geeft daar vervolgens geen gevolg aan;

4) De lichaamshouding en de algemene houding van de kantonrechter. Op het moment dat ik zeg dat ik mogelijk genoodzaakt ben om naar het wrakingsmiddel te grijpen, krijg ik de bitse mededeling: u krijgt vijf minuten;

5) Het feit dat de kantonrechter per brief van 8 maart 2018 heeft besloten dat de zaken gezamenlijk inhoudelijk behandeld zouden worden vanwege de verwevenheid van de zaken en vandaag kennelijk de beslissing zou volgen dat de zaak niet gecombineerd behandeld zou worden, ondanks dat de zaken verweven zijn;

6) Het feit dat ik deze kantonrechter in een andere zaak heb gehad, waarin ik ook formele bezwaren had. De kantonrechter heeft toen medegedeeld dat dit wel erg formele bezwaren waren en die vervolgens bij vonnis terzijde geschoven.”

3.2

In zijn memo heeft mr. Boer de achtergronden van het wrakingsverzoek nader toegelicht. Hij heeft aangevoerd dat de rechter op 8 maart 2018 in het geheel niet is ingegaan op zijn subsidiaire verzoek dat als de behandeling van de drie verzoeken gelijktijdig zou plaatsvinden, die behandeling op 23 april 2018 te laten plaatsvinden. In de fax van 27 maart 2018 is onder verwijzing naar wet en jurisprudentie gemeld dat zonder een correcte oproeping geen inhoudelijke behandeling zou kunnen plaatsvinden. Op 27 maart 2018 heeft de secretaris van de rechter meegedeeld dat de consequenties van het niet oproepen wel ter zitting besproken konden worden. Zij heeft daarmee de indruk gewekt dat de rechter zijn oordeel over het doorgaan van een inhoudelijke behandeling pas zou willen geven nadat ook de advocaat van de wederpartij zijn oordeel had gegeven. Na aanvang van de zitting op 28 maart 2018 heeft de rechter de fax genoemd als behorend tot de inhoud van het procesdossier en zei: “Daar moeten we na afloop van de zitting maar even over spreken.”

Vervolgens maakte mr. Drijftholt bezwaar tegen de overlegging van de een dag voor de zitting ontvangen producties, waaronder de conclusie van antwoord/eis in de hoofdzaak voor de rol van 28 maart 2018. Mr. Boer heeft toen opgemerkt dat dit geen probleem was, omdat het niet tot een mondelinge behandeling kon komen onder verwijzing naar de fax. Toen de rechter vervolgens zei: “Dan mag u dat toelichten”, maakte hij een nogal geïrriteerde indruk, nam hij een defensieve houding aan en sloeg hij zijn armen over elkaar.

Mr. Boer heeft daarbij nadrukkelijk gewezen op het belang van verzoekers dat de hypotheekhouder van het appartement van verzoekers gehoord zou worden tijdens de mondelinge behandeling van het verzoekschrift van de wederpartij. Uit de overlegde verklaringen van makelaars was gebleken dat de doorvoering van de plannen van de wederpartij van verzoekers negatieve consequenties hadden voor de waarden van hun appartementsrecht en daarmee voor het onderpand van de hypotheekverstrekker. Voorts is verwezen naar jurisprudentie waaruit volgt dat in alle gevallen waarin correcte oproeping had plaatsgevonden besloten was dat de mondelinge behandeling om die reden geen doorgang kon vinden. Ook is verwezen naar de uitspraak van een wrakingskamer in het geval, waarbij de rechter de mondelinge behandeling wel had laten doorgaan en deze na de wraking tot de conclusie was gekomen dat door hem in strijd was gehandeld met een wettelijk voorschrift.

Na een korte schorsing is de rechter tot de verrassende conclusie gekomen dat de mondelinge behandeling zou doorgaan, terwijl de rechter tegelijkertijd had erkend dat de gerechtigden niet waren opgeroepen en de wet dit wel voorschrijft en dat hij een gescheiden behandeling van de verzoeken niet wenselijk vond. Bij het formuleren van de wrakingsgronden toonde de rechter opnieuw irritatie. Als gevolg daarvan is de vijfde wrakingsgrond niet goed vermeld.

3.3

Ter zitting is namens verzoekers gesteld dat de beslissing van de rechter om de mondelinge behandeling op 28 maart 2018 te laten doorgaan, is genomen zonder acht te slaan op hun bezwaren. De beslissing was niet gemotiveerd en was bovendien in strijd met de goede procesorde. De rechter heeft in zijn schriftelijke reactie niet betwist dat hij geïrriteerd was. Deze defensieve en geïrriteerde houding in samenhang bezien met de andere voorvallen kan wel degelijk meetellen bij de vraag of voldaan is aan de voorwaarden voor een succesvolle wraking. Volgens verzoekers is hierdoor bij hen het gevoel ontstaan dat de rechter de zaak van verzoekers niet met de vereiste onpartijdigheid tegemoet trad.

3.4

Verzoekers hebben ter zitting meegedeeld dat het voor hen van groot belang is dat de hypotheekverstrekker aanwezig is bij de mondelinge behandeling. Het is een ingewikkelde procedure en zij hadden het gevoel dat de rechter zich niet aan de wet hield en toen hij meedeelde dat het verzoek van mr. Boer pas aan het einde van de zitting behandeld zou worden, waren zij beangstigd, al hebben zij wel begrepen dat de bank op een latere termijn nog gehoord zou gaan worden.

4 De reactie van de rechter

4.1

De rechter heeft aangevoerd dat verzoekers niet uiteen hebben gezet waarom de beslissing van 8 maart 2018 een omstandigheid vormt die doet vrezen voor rechterlijke partijdigheid. Dit deel van het verzoek is bovendien niet tijdig na de beslissing van 8 maart 2018 gedaan.

4.2

Aan mr. Boer is door de secretaris op 27 maart 2018 telefonisch meegedeeld dat de beperkt gerechtigden niet waren opgeroepen en dat daarin geen grond werd gezien om de geplande zitting van 28 maart 2018 in het geheel geen doorgang te laten vinden. Daarbij is mr. Boer ook meegedeeld dat het feit dat zij niet waren opgeroepen op de zitting aan de orde gesteld kon worden. Dat was mr. Boer ook duidelijk, want hij heeft een op dit onderwerp toegesneden pleitnotitie ten behoeve van de zitting opgesteld. Vervolgens is mr. Boer daadwerkelijk in de gelegenheid gesteld om aan de hand van zijn pleitnotitie aan de orde stellen dat de oproeping niet had plaatsgevonden en dat daarin volgens hem een reden lag om de behandeling van de zaken aan te houden. Nadat mr. Drijftholt zijn reactie had gegeven heeft de rechter zijn gemotiveerde beslissing gegeven. De tweede wrakingsgrond mist feitelijke grondslag.

4.3

De wet schrijft niet voor wanneer (in welke fase van de procedure) en op welke wijze de grondeigenaar en beperkt gerechtigden worden gehoord. Omdat de rechter wel heeft beslist dat deze zullen worden gehoord (en dus opgeroepen zullen worden) mist ook deze wrakingsgrond feitelijke grondslag.

4.4

Het persoonlijke gevoel van mr. Boer ten aanzien van de “lichaamshouding” of “algemene houding” en de wijze waarop hij zijn woorden heeft gehoord en beleefd, zijn volgens de rechter niet gelijk te stellen aan de objectieve vrees voor partijdigheid.

4.5

Dit onderdeel van het wrakingsverzoek is onduidelijk en is evenmin tijdig gedaan.

4.6

De verwijzing naar de andere zaak staat op geen enkele wijze in verband met de onderhavige zaken.

4.7

Ter zitting heeft de rechter aangevoerd dat de beslissing van 8 maart 2018 een afgewogen beslissing is geweest. Het verzoek van mr. Drijftholt was op zich ook zinvol. Aan de drie verzoeken liggen dezelfde feiten ten grondslag en dezelfde partijen zijn betrokken. Op 23 april 2018 was slecht één uur behandeltijd beschikbaar. Op 28 maart 2018 was het gehele dagdeel beschikbaar. Dat mr. Boer het een onprettige beslissing vond, betekent niet dat de beslissing is ingegeven door partijdigheid dan wel dat de beslissing apert onjuist was. Verzoekers waren die mening kennelijk ook toegedaan omdat er toen niet is gewraakt.

Naar aanleiding van de fax van mr. Boer van 27 maart 2018 is via de secretaris meegedeeld dat niet per fax gediscussieerd kon worden. Dat was ook duidelijk voor mr. Boer omdat hij zijn pleitnota had voorbereid. Op de fax is dus bij het nemen van de beslissing wel acht geslagen. Anders dan bij een verzoek om uitstel wegens ziekte, behoefde bij het onderhavige verzoek niet direct een beslissing te worden genomen. Dat kon op de zitting aan de orde komen en dat is mr. Boer door de secretaris ook meegedeeld.

Na aanvang van de mondelinge behandeling nam mr. Boer vrij snel het initiatief om dit punt aan de orde te stellen. Daar heeft de rechter niet afwijzend op gereageerd. De rechter heeft betwist dat hij na aanvang van de mondelinge behandeling over de fax van 27 maart 2018 heeft - naar mr. Boer heeft gesteld – gezegd: “Daar moeten we na afloop van de mondelinge behandeling nog over spreken”. Hij heeft gezegd dat daarover in de loop van de zitting over gesproken kon worden. Hij is ook niet toegekomen aan de inhoudelijke behandeling van de verzoeken. In het memo wordt gesuggereerd dat hij mr. Boer niet de gelegenheid wilde geven om zijn standpunt te bepleiten. Dat blijkt echter niet uit het proces-verbaal aldus de rechter.

Mr. Boer heeft zich op jurisprudentie beroepen waarbij in andere situaties een andere regiebeslissing is genomen. Uit de wet noch uit de jurisprudentie volgt echter dat de beperkt zakelijk gerechtigden of de grondeigenaar op de eerste mondelinge behandeling moeten worden gehoord en evenmin hoe dat horen zou moeten plaatsvinden. Ook de beslissing van 28 maart 2018 is niet apert onjuist en die beslissing vormt, zowel gelet op de wijze van totstandkoming als gelet op de inhoud, geen grond tot wraking. De rechter is zich ervan bewust dat lichaamstaal op verschillende wijze subjectief kan worden beleefd. Uit hetgeen verzoekers aan deze wrakingsgrond ten grondslag hebben gelegd blijkt echter niet dat er objectieve aanknopingspunten zijn voor de subjectieve beleving van verzoekers.

5 Standpunt wederpartij

Mr. Drijfholt heeft ter zitting verklaard dat naar zijn beleving de rechter heeft gezegd dat bij of na afloop van de zitting de fax en het daarin verwoorde standpunt aan de orde zou komen in het kader van de vraag hoe de beperkt gerechtigden nog moesten worden gehoord en hoe dat moest worden opgepakt. Kennelijk is door de beslissing om toch over te gaan tot de inhoudelijke behandeling van de verzoeken bij verzoekers het gevoel gewekt dat de rechter niet onpartijdig was dan wel was de schijn daartoe gewekt. Voor de rechter stond het buiten kijf dat de beperkt gerechtigden nog de gelegenheid zou worden geboden te worden gehoord op het verzoek van de wederpartij en daartoe zouden worden opgeroepen. Het is geen uitgemaakte zaak dat de beperkt gerechtigden al op de eerste mondelinge behandeling aanwezig moeten zijn en in dat kader heeft bijvoorbeeld de hypotheekverstrekker overigens een beperkte rol.

Er is dus geen rechtsregel die het de rechter verbood om alvast tot een inhoudelijke behandeling van de verzoeken, ook om proceseconomische redenen, over te gaan. Wellicht dat bij verzoekers hierdoor verwarring is ontstaan, aldus mr. Drijftholt.

6 De beoordeling

6.1

Ingevolge artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan een rechter worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

6.2

Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter staat voorop dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij deze partij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.

6.3

Aan de wraking liggen drie beslissingen van de rechter ten grondslag, namelijk die van 8 maart 2018, die van 27 maart 2018 en de beslissing op de zitting van 28 maart 2018 ten aanzien van de wijze waarop de fax van mr. Boer aan de orde zou worden gesteld, al lopen de verklaringen over wat in het kader van deze laatste beslissing is gezegd, uiteen. Vast staat dat door de rechter bij de opsomming van de stukken is gezegd dat op een later moment daar nog over zou worden gesproken en dat vervolgens op initiatief van mr. Boer en met instemming van de rechter meteen bij aanvang van de zitting daarover is gesproken en een beslissing door de rechter is genomen naar aanleiding van hetgeen partijen op dat punt naar voren hadden gebracht.

6.4

Het door een rechter nemen van een (niet welgevallige) processuele beslissing levert op zichzelf, volgens vaste jurisprudentie, geen grond op voor wraking. Dat kan slechts anders zijn, indien deze beslissing zo onbegrijpelijk is dat daarvoor redelijkerwijs geen andere verklaring is te geven dan vooringenomenheid van de rechter. Daarvan is in deze zaak geen sprake. Aannemelijk is geworden dat de beslissing van de rechter om op 28 maart de verzoeken inhoudelijk te behandelen is genomen nadat verzoekers op die zitting in de gelegenheid zijn gesteld hun standpunt mondeling toe te lichten. Er is dan ook geen sprake van een processuele beslissing waarbij het beginsel van hoor en wederhoor is geschonden. Evenmin is op andere gronden aannemelijk geworden dat de beslissing om de mondelinge behandeling door te laten gaan en op een later tijdstip tot het horen van de beperkt gerechtigde over te gaan strijdig is met de wet, laat staan zo onbegrijpelijk dat reeds daardoor de schijn van vooringenomenheid is gewekt.

6.5

Ook voor de processuele beslissingen van 8 en 27 maart 2018 geldt dat deze niet zijn genomen in strijd met een fundamenteel beginsel als gevolg waarvan deze beslissingen – objectief bezien – niet als een onpartijdige beslissing zou moeten of kunnen worden gezien.

6.6

Naar het oordeel van de rechtbank leveren de door verzoekers genoemde omstandigheden derhalve geen grond op voor de vrees dat het de rechter aan onpartijdigheid en daarmee aan onafhankelijkheid ontbreekt. Evenmin blijkt uit de gestelde feiten de aanwezigheid van de schijn van partijdigheid. De door verzoekers aangevoerde gronden betreffen de zienswijze van verzoekers ten aanzien van hetgeen de rechter had moeten beslissen.

Die subjectieve zienswijze brengt nog niet mee dat de door verzoekers jegens de rechter gestelde vrees van partijdigheid objectief gerechtvaardigd is. Niet de visie van verzoekers is beslissend; de vrees dat het een rechter aan onpartijdigheid ontbreekt moet, zoals hiervoor reeds is overwogen, objectief gerechtvaardigd zijn. De juistheid van de door de rechter genomen processuele beslissingen staat dus niet ter beoordeling van de rechtbank in het wrakingsincident. Tegen die beslissing kan eventueel een rechtsmiddel worden ingesteld.

6.7

Hetgeen in het wrakingsverzoek ten grondslag is gelegd aan de gestelde wijze van bejegening, waarbij verzoekers verwijzen naar de lichaamshouding van de rechter en naar het optreden van de rechter in een andere zaak van mr. Boer, kan bij verzoekers niet de objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid van de rechter in hun zaak dan wel van de schijn daartoe hebben gewekt. Daartoe is het gestelde ook onvoldoende concreet.

6.8

Dit betekent dat het verzoek dient te worden afgewezen.

BESLISSING

De rechtbank:

- wijst het verzoek tot wraking af.

Aldus gegeven door mr. P.B. Martens, voorzitter, en mrs. J. Knol en H.M. Patijn, leden en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 mei 2018 in tegenwoordigheid van de griffier.

Tegen deze beslissing staat op grond van artikel 39, vijfde lid Rv geen voorziening open.