Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:3550

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
17-05-2018
Datum publicatie
24-05-2018
Zaaknummer
13/751192-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

deels overlevering toegestaan/ deels overlevering geweigerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751192-18

RK nummer: 18/1736

Datum uitspraak: 17 mei 2018

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 9 maart 2018 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 5 december 2017 door het Circuit Court in Gliwice 5th Criminal Division in Rybnik (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[Opgeëiste persoon] ,

geboren te [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedatum] ,

niet ingeschreven in de Basisregistratie personen,

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

thans gedetineerd in de [detentieplaats] ”,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 3 mei 2018. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. J.J.M. Asbroek.

De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. J.S. Dobosz, advocaat te Zoetermeer, en door een tolk in de Poolse taal.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, van de OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.

3.1.

Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van:

A. een verzamelvonnis van het District Court of Rybnik van 15 mei 2013 (referentie: III K 906/12), waarbij de (voorwaardelijke) straffen die aan de opgeëiste persoon zijn opgelegd bij:

 een vonnis van het District Court of Rybnik van 9 september 2010
(referentie: III K 640/10)

 een vonnis van het District Court of Rybnik van 16 december 2010
(referentie: III K 968/10)

zijn samengevoegd tot een vrijheidsstraf van één jaar en negen maanden;

een vonnis van het District Court of Rybnik van 21 januari 2012 (referentie: III K 857/11), waarbij aan de opgeëiste persoon een voorwaardelijke vrijheidsstraf van vier maanden is opgelegd, waarvan de tenuitvoerlegging is bevolen bij de beslissing van het District Court of Rybnik van 8 december 2014.

In het EAB is vermeld dat de opgeëiste persoon van de vrijheidsstraf van één jaar en negen maanden nog één jaar, één maand en 15 dagen moet ondergaan en dat hij de vrijheidsstraf van vier maanden nog geheel moet ondergaan.

De overlevering wordt verzocht voor de tenuitvoerlegging van (het resterende deel van) voormelde vrijheidsstraffen, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat.

Voormelde vonnissen betreffen de feiten zoals die zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

3.2.

Verweer met betrekking tot reststraf

Namens de opgeëiste persoon heeft de raadsman betoogd dat de in het EAB vermelde resterende straf niet juist is. Hij heeft de gevangenisstraf voor de vonnissen A en B al geheel uitgezeten. Dit wordt ook ondersteund door de aanvullende informatie met betrekking tot vonnis A. De Poolse autoriteiten geven immers aan dat hij ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding vast zat. Dat impliceert dat hij de straf vervolgens heeft uitgezeten. De overlevering dient voor beide vonnissen dan ook te worden geweigerd.

De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van voornoemde bewering, die de opgeëiste persoon ook tijdens de voorgeleiding bij de officier van justitie naar voren heeft gebracht, heeft het Openbaar Ministerie aan de uitvaardigende Poolse autoriteit aanvullende vragen over de resterende straf gesteld.

De Poolse uitvaardigende autoriteit heeft bij brief van 26 april 2018 de informatie uit het EAB bevestigd. De resterende uit te zitten gevangenisstraf bedraagt voor het vonnis A (III K 906/12) één jaar en één maand en 15 dagen. Voor vonnis B (II K 857/11) is de resterende uit te zitten straf nog vier maanden. De rechtbank gaat met de officier van justitie uit van de juistheid van deze informatie. De enkele niet onderbouwde stelling van de opgeëiste persoon is onvoldoende om anders te oordelen.

De rechtbank verwerpt het verweer.

4 Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 12 van de OLW

De raadsman heeft betoogd dat de weigeringsgrond van artikel 12 van de OLW van toepassing is en dat de overlevering moet worden geweigerd.

De opgeëiste persoon was niet op de zittingen aanwezig en er is geen sprake van een van de situaties als vermeld in artikel 12, onder a tot en met d, van de OLW.

De officier van justitie heeft geconcludeerd dat de weigeringsgrond van artikel 12 van de OLW alleen bij vonnis B van toepassing is en dat hiervoor de overlevering geweigerd moet worden. Voor vonnis A moet er op grond van de informatie uit het EAB en de aanvullende informatie van 5 april 2018 en 12 april 2018 van worden uitgegaan dat de opgeëiste persoon persoonlijk voor de ontvangst van de “notification” van de dagvaarding heeft getekend.

De rechtbank stelt op grond van de informatie uit het EAB in samenhang met de aanvullende informatie van 5 april 2018 en 12 april 2018 vast dat de opgeëiste persoon bij de vonnissen A en B niet in persoon op de terechtzitting aanwezig was.

Voor vonnis A is de rechtbank met de officier van justitie van oordeel dat sprake is van de situatie als bedoeld in artikel 12, onder a, van de OLW. Uit de aanvullende informatie blijkt dat de opgeëiste persoon, terwijl hij was gedetineerd, officieel in kennis is gesteld van de datum en de plaats van de zitting op 15 mei 2013, die heeft geleid tot het verzamelvonnis. Hij heeft daarbij getekend voor de ontvangst van de “notification”. Hij heeft er echter voor gekozen om niet naar de zitting gebracht te worden. Verder is gebleken dat de opgeëiste persoon in de zaken
III K 640/10 en III K 968/10 in persoon is gedagvaard en daarbij op de hoogte is gebracht van de datum en plaats van de behandeling ter zitting. De rechtbank gaat ook hier uit van de juistheid van deze informatie. De enkele ontkenning van de opgeëiste persoon is onvoldoende om anders te oordelen. Het verweer wordt verworpen.

Voor vonnis B is de rechtbank met de raadsman en de officier van justitie van oordeel dat de overlevering geweigerd moet worden. Alhoewel de dagvaarding naar Pools recht op de juiste wijze is betekend, staat vast dat de opgeëiste persoon niet in persoon op de zitting is verschenen, terwijl zich geen van de situaties uit artikel 12, onder a tot en met d , van de OLW, voordoet.

5 Strafbaarheid, feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a, 2e OLW zijn neergelegd.

De rechtbank stelt vast dat hieraan voor vonnis A is voldaan.

De feiten leveren naar Nederlands recht op:

feit inzake III K 640/10

- verduistering;

feit inzake III K 968/10

- diefstal door twee of meer verenigde personen;

6 Slotsom

Nu ten aanzien van vonnis A (III K 906/12) waarvoor de overlevering wordt gevraagd is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 van de OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering voor die feiten te worden toegestaan.

Voor vonnis B (III IK 857/11) moet zij worden geweigerd.

7 Toepasselijke wetsbepalingen

De artikelen 311 en 321 van het Wetboek van Strafrecht en 2, 5, 7 en 12 van de OLW.

8 Beslissing

Met betrekking tot vonnis A (III K 906/12):

STAAT TOE de overlevering van [Opgeëiste persoon] , aan the Circuit Court in Gliwice 5th Criminal Division in Rybnik (Polen) voor de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf, te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat, wegens het feit waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

Met betrekking tot vonnis B (III K 857/11):

WEIGERT de overlevering van [Opgeëiste persoon] , aan the Circuit Court in Gliwice 5th Criminal Division in Rybnik (Polen) voor de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf, te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat, wegens het feit waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.

Aldus gedaan door

mr. J.A.A.G. de Vries, voorzitter,

mrs. I. Verstraeten-Jochemsen en B. Poelert, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.M.G. Thijssen, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 17 mei 2018.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.