Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBAMS:2018:3541

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
17-05-2018
Datum publicatie
05-06-2018
Zaaknummer
13/751488-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

VERKLAART de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering ex artikel 23 van de OLW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK AMSTERDAM

INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER

Parketnummer: 13/751488-17

RK nummer: 17/3714

Datum uitspraak: 17 mei 2018

UITSPRAAK

op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 13 juni 2017 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).

Dit EAB is uitgevaardigd op 12 april 2017 door de Bacau court of law criminal court judge en strekt tot de aanhouding en overlevering van:

[opgeëiste persoon] ,

geboren te [geboorteplaats] (Roemenië) op [geboortedag] 1989,

ingeschreven in de Basisregistratie personen en verblijvend op het adres [adres] ,

hierna te noemen de opgeëiste persoon.

1 Procesgang

De vordering is behandeld op de openbare zitting van 3 mei 2018. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. N.R. Bakkenes.

De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsman, mr. M.G. Cantarella, advocaat te Den Haag en door een tolk in de Roemeense taal.

De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd omdat zij die verlenging nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.

2 Identiteit van de opgeëiste persoon

De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Roemeense nationaliteit heeft.

3 Grondslag en inhoud van het EAB

In het EAB wordt melding gemaakt van een arrest van het Bacau Court of Appeal van 19 januari 2017 (dossiernummer 623/110/2016).

De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 1 jaar en 8 maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteert volgens het EAB nog 1 jaar en 8 maanden. De vrijheidsstraf is aan de opgeëiste persoon opgelegd bij voornoemd arrest.

Dit arrest betreft de feiten zoals deze zijn omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.

4 Overschrijding van termijn als bedoeld in artikel 22 OLW

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard nu de rechtbank niet heeft voldaan aan het vereiste volgens artikel 22 OLW om binnen de gestelde termijn uitspraak te doen.

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat overschrijding van de termijn niet tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie dient te leiden. Nog daargelaten dat op overschrijding van de termijn van artikel 22 OLW niet de sanctie van niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie is gesteld, is eveneens van belang dat de overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon is geschorst sinds 31 mei 2017.

5 Strafbaarheid

5.1

Feit vermeld op bijlage 1 bij de OLW

Onderzoek naar de dubbele strafbaarheid van feit 1 moet achterwege blijven, nu de uitvaardigende justitiële autoriteit dit heeft aangeduid als een feit vermeld in de lijst van bijlage 1 bij de OLW. Dit feit valt op deze lijst onder nummer 5, te weten:

illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.

5.2

Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist

De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten 2 en 3 niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a, 2e OLW zijn neergelegd.

De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.

De feiten leveren naar Nederlands recht op:

overtreding van artikel 8, vierde lid, juncto artikel 8, derde lid, onderdeel b van de Wegenverkeerswet 1994.

6 Detentieomstandigheden

Gelet op de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mensen (waaronder EHRM 24 april 2017, 61467/12, 39516/13, 48231/13 en 68191/13 (Rezmiveş e.a./Roemenië)), heeft de rechtbank in eerdere zaken geoordeeld dat vanwege de algemene detentieomstandigheden in Roemenië, met name vanwege overbevolking in de gevangenissen, voor gedetineerden in Roemeense gevangenissen een reëel gevaar bestaat van onmenselijke of vernederende behandeling, zoals bedoeld in artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

Met het oog op de beoordeling of voor de opgeëiste persoon in geval van overlevering een dergelijk gevaar bestaat, heeft het Openbaar Ministerie navraag gedaan bij de uitvaardigende justitiële autoriteit naar de omstandigheden waaronder de opgeëiste persoon naar verwachting in Roemenië zal worden gedetineerd. Uit de door de Roemeense autoriteiten verstrekte informatie van 20 september 2017 blijkt dat de opgeëiste persoon in de eerste periode vermoedelijk in de Rahova gevangenis zal worden gedetineerd en daarna vermoedelijke in een half-open regime binnen de Vaslui gevangenis. In deze gevangenis zal hem dan ten minste 2 m² ‘personal space’ ter beschikking staan.

Standpunt officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht om aanhouding van de zaak. Afgaande op de huidige informatie zou er een risico zijn op een schending van artikel 3 EVRM voor zover het gaat om het half-open regime. Er staat op 7 mei 2018 een bezoek gepland van de Nederlandse procureur-generaal aan de Roemeense procureur-generaal, waarbij het probleem rondom de detentieomstandigheden mogelijk onderwerp van gesprek zal zijn. Op dit moment is er geen algemene of individuele garantie dat de opgeëiste persoon gedurende zijn gehele detentie geen gevaar loopt op een schending van artikel 3 EVRM. De Nederlandse autoriteiten zijn daarover in gesprek met de Roemeense autoriteiten.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat hij niet inhoudelijk kan reageren op de stukken die pas op de zitting aan hem zijn verstrekt. De zaak dient volgens de raadsman te worden aangehouden om een specifieke garantie te vragen.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de door de Roemeense autoriteiten verstrekte informatie bij brief van 20 september 2017 niet uitsluit dat de opgeëiste persoon na overlevering in detentie zal worden blootgesteld aan een reëel gevaar van een onmenselijke of vernederende behandeling. De factoren, zoals genoemd door het EHRM in de zaak Muršić/Kroatië (EHRM, 20 oktober 2016, 7334/13, § 135), die de ‘strong presumption’ van schending van artikel 4 Handvest eventueel zouden kunnen weerleggen, zijn in dit geval niet cumulatief aanwezig.

In dit geval is duidelijk dat de overlevering om die reden dient te worden uitgesteld. De vraag is of nog een termijn voor aanvullende gegevens dient te worden geboden.

In haar uitspraak van 26 januari 2017 (ECLI:NL:RBAMS:2017:414) heeft de rechtbank overwogen dat de redelijke termijn waarbinnen het reële gevaar voor de opgeëiste persoon moet worden uitgesloten, niet bedoeld is om de uitvaardigende lidstaat in de gelegenheid te stellen om in de toekomst de detentiecapaciteit uit te breiden en de algemene detentieomstandigheden te verbeteren - hoezeer een dergelijke uitbreiding en verbetering ook wenselijk en geboden is - maar om de uitvaardigende justitiële autoriteit in de gelegenheid te stellen om bij de huidige detentiecapaciteit en onder de huidige algemene detentieomstandigheden aanvullende gegevens te verstrekken op grond waarvan het reële gevaar voor de opgeëiste persoon kan worden uitgesloten.
De vraag welke termijn als redelijk moet worden beschouwd is niet in het algemeen te beantwoorden, maar is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval.

Tot die omstandigheden behoren in dit geval
- dat het EAB betrekking heeft op de executie van een vrijheidsstraf van 1 jaar en 8 maanden wegens het handelen in verdovende middelen, het rijden zonder rijbewijs en onder invloed;
- dat in de uitspraak van de rechtbank in een andere Roemeense zaak van 12 september 2017 (ECLI:NL:RBAMS:2017:7136) is overwogen dat bij brief van 7 juli 2017 de Algemeen Directeur van het Nationale Bestuur van Penitentiaire Instellingen in Roemenië - kort gezegd - meedeelt dat een algemene garantie voor over te leveren personen van een minimale persoonlijke ruimte van 3 m² niet kan worden gegeven, maar dat een dergelijke garantie in individuele gevallen eventueel wel zou kunnen worden gegeven. Vervolgens is in andere Roemeense zaken door het IRC verzocht om een dergelijke garantie maar is deze tot op heden niet verstrekt;

- de opgeëiste persoon bijna één jaar op de behandeling van de vordering van het Openbaar Ministerie door de rechtbank heeft moeten wachten;
- dat het Openbaar Ministerie in de tijd sinds de brief van 20 september 2017 niet om nadere informatie heeft gevraagd;

- dat er op 7 mei 2018 een bezoek gepland stond tussen de Nederlandse en de Roemeense procureur-generaal waarbij de Roemeense detentieomstandigheden onderwerp van gesprek zouden zijn. De mogelijkheid dat dit onderwerp besproken wordt lost het probleem van de huidige detentiecapaciteit en detentieproblemen niet op.

De rechtbank komt tot het oordeel dat in het onderhavige geval in het licht van de genoemde omstandigheden, onvoldoende concreet zicht bestaat op overlevering binnen een redelijke termijn. In deze situatie past het niet de zaak aan te houden teneinde verdere vragen te stellen dan wel ontwikkelingen af te wachten (vgl. Rb. Amsterdam 14 november 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:8860). De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat de overleveringsprocedure dient te worden beëindigd.

Onder verwijzing naar de overwegingen onder 5.3.3 en 5.4.3 van eerdergenoemde uitspraak van 26 januari 2017 (ECLI:NL:RBAMS:2017:414), leidt dit ertoe dat de officier van justitie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering tot het in behandeling nemen van het EAB.

7 Beslissing

VERKLAART de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vordering ex artikel 23 van de OLW van 13 juni 2017.

HEFT OP het – geschorste – bevel tot overleveringsdetentie.

Aldus gedaan door

mr. J.A.A.G. de Vries, voorzitter,

mrs. I. Verstraeten-Jochemsen en B. Poelert, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. A.M.G. Thijssen, griffier,

en uitgesproken ter openbare zitting van 17 mei 2018.

Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.

B